U bent hier

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

In de media van 24 en 25 augustus vernamen we dat de lerarenopleidingen aan de hogescholen geconfronteerd worden met teruglopende aantallen wat de inschrijvingen betreft. Volgens sommige reacties kan dit toe te schrijven zijn aan de verplichte, maar niet-bindende instapproef die vanaf het nieuwe academiejaar wordt afgenomen.

In deze commissie hebben wij het al vaker gehad over deze instapproef, die op de eerste plaats als kwaliteitsinstrument moet worden begrepen. Minister, tijdens de vergadering van 19 januari 2017 stelde u letterlijk dat het niet de bedoeling is dat de kwantiteit van de instroom door de proef wordt bepaald.

Wat zijn de meest actuele cijfers wat betreft de inschrijvingen aan de lerarenopleidingen? Kan op basis hiervan al een vergelijking met andere jaren worden gemaakt?

Op welke manier zal de afname van de instapproef worden geanalyseerd? Zal er een terugkoppeling gebeuren met de resultaten van de testfase?

Wegens privacyredenen hebben studenten de mogelijkheid om, eenmaal de proef afgenomen, hun resultaten niet kenbaar te maken aan de hogeschool. Om hoeveel procent van de deelnemers gaat het hier?

De heer Daniëls heeft het woord.

Vanaf het huidige academiejaar zijn alle studenten die starten met een lerarenopleiding aan de hogeschool, verplicht een toelatingsproef af te leggen voor ze zich kunnen inschrijven. Ook studenten die eerder een andere bachelor of master behaalden, dienen deze toets af te leggen. Het doel van de toelatingsproef is om studenten een indicatie te geven van de mate waarin ze over de nodige basiskennis op het moment van de inschrijving al dan niet beschikken.

Ik breng u nog even in herinnering waarom we die toets hebben ingevoerd. Niet alleen om de studenten een redelijke kans geven, maar ook voor de uitstroom. Ik herhaal het nog even, één leraar beïnvloedt in zijn carrière in de lagere school duizend leerlingen, één leraar in het secundair onderwijs beïnvloedt, afhankelijk van de meetmethode, tien- tot twaalfduizend leerlingen. Het is dus in het belang van ons Vlaams onderwijs dat wie voor de klas staat, onze sterke leerkrachten en profielen zijn. Dus komen we bij de opleiding leerkracht terecht. We kunnen van die mensen, die docenten in de lerarenopleiding, veel verwachten, maar zij beginnen natuurlijk met het materiaal, de studenten, de capaciteit van de instroom. Ze kunnen in die drie jaar maar bereiken wat ze kunnen bereiken in de tijd die hun toebemeten is.

Uit een rondvraag van De Morgen eind augustus, dus nog geen definitieve cijfers, die zijn er intussen wellicht wel, blijkt dat ook dit jaar minder studenten ervoor kiezen om een lerarenopleiding aan te vatten. Dat is eigenlijk zeer eigenaardig: ook al waren het nog maar voorlopige cijfers, toch kregen we al te horen dat de invoer van de verplichte, niet-bindende toelatingsproef door een aantal hogescholen werd gesuggereerd als oorzaak omdat, volgens diezelfde hogescholen, deze een afschrikeffect zou hebben. Als een niet-bindende toelatingsproef die enige indicatie van de slaagkansen geeft, de reden is om een opleiding niet aan te vatten, dan heeft die niet-bindende toelatingsproef al een vorm van het effect dat ze moet hebben. De student heeft al van zijn klassenraad in het secundair onderwijs gehoord dat die studiekeuze niet de beste leek. We mogen niet vergeten dat er voor het hoger onderwijs al een klassenraad advies geeft.

Andere hogescholen zien dan weer een positief effect van de toelatingsproef. Die hoorden we ook, er zijn dus toch wel wat verschillende geluiden. Als we immers studenten voor aanvang van de opleiding kunnen laten inzien wat zijn of haar mogelijkheden en valkuilen zijn, vallen er misschien minder uit tijdens de opleiding dan nu, starten studenten met een sterker aanvangskapitaal aan de opleiding en kan de uitstroom mogelijk zelfs verhogen, zowel numeriek als kwalitatief.

In mijn schriftelijke vraag nummer 563 van 15 juni 2017 vroeg ik aan de minister naar de analyse van de resultaten van de eerste toelatingsproef. U gaf aan, minister, dat de Vlaamse Hogescholenraad bezig is met de analyse. Ondertussen zijn drie dikke analyses verschenen. Het is zeer interessant materiaal, al mis ik nog een aantal variabelen die best nog wel het onderzoeken waard zijn.

Op 13 september vernamen we de resultaten van de proeven die sinds de paasvakantie van dit jaar zijn afgenomen. Daaruit blijkt dat 65 procent van de studenten slaagt voor wiskunde en 70 procent voor Nederlands. Hier en daar horen we dan gejuich: ‘Joepie, dat zijn goede resultaten.’ Maar ik wil erop wijzen dat al deze studenten een diploma secundair onderwijs hebben gehaald. Dat wil dus ook zeggen dat 35 procent niet slaagt voor wiskunde en 30 procent niet voor Nederlands. Voor Frans zijn de resultaten nog minder fraai, want amper de helft van de deelnemers haalde de norm. 

Minister, zijn er ten opzichte van de eerste afname van de toelatingsproef aanpassingen gebeurd of kon die versie worden gebruikt voor de verdere uitrol waarvan we nu de resultaten kennen? Dit om een vergelijking van de resultaten mogelijk te maken.

Wanneer behaalt men de norm om te slagen voor een onderdeel? Met andere woorden, waar ligt de cesuur en hoe is deze bepaald? Concreet, als de cesuur bepaald is op de studenten die het jaar of de twee jaar voorafgaand in de lerarenopleiding zaten, dan denk ik dat de cesuur niet juist bepaald is. Want dat was net de groep waarvan men zei: we weten niet of die groep sterk genoeg is om de opleiding aan te vatten. Wat is de verhouding van de cesuur tot de eindtermen in de derde graad van het secundair onderwijs van de betreffende vakken?

We hebben ondertussen kennis mogen maken met de resultaten van deze toelatingsproef en het driedelige analyserapport. Hoe waren uw bevindingen bij deze analyse? Welke bevindingen wilt u hier in uw beleid aan koppelen in het kader van de lerarenopleiding?

Hoe verklaart u de mindere resultaten voor de proef Frans? U hebt er in de pers al over gesproken. Hoe verklaart u dat respectievelijk 35 en 30 procent van de toekomstige studenten de norm niet halen voor wiskunde en Nederlands?

Welke aanpassingen stelt u nog voor aan de toelatingsproef?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Dank u voor deze interessante vragen.

Ik zal starten met iets wat ik al een paar keer heb gezegd. Ik ben grote fan van de verplichte niet-bindende toelatingsproef voor de lerarenopleiding. Als het effect is – ik zal straks cijfers geven – dat er in plaats van tien leerlingen waarvan er uiteindelijk vijf het diploma halen, acht starten waarvan er zeven het diploma halen, dan is dit voor mij bijzonder geslaagd. De bedoeling is niet studenten af te schrikken, maar hun een spiegel voor te houden: ze kunnen nagaan of het hun ligt of niet.

De hele commotie rond de toelatingsproef en de wijze waarop sommigen, ook van ons eminente hogescholen, zich eerder negatief hebben uitgesproken over de proef, vond ik niet oké, en ik heb dat persoonlijk laten weten. Gisteravond hebben we het daar ook over gehad met de hogescholen.

Dat vind ik eigenlijk niet goed. Je moet daar niet bang van zijn. Je moet de resultaten van die proef als een middel gebruiken – we hebben het er daarnet al over gehad – om de jongeren een spiegel voor te houden, ze te remediëren. Als er een paar niet starten door die proef, zijn er dat misschien die ook het diploma niet zouden hebben gehaald. En dus zijn we niet zo slecht bezig.

Hoe zit het nu met de cijfers? De cijfers rond de inschrijvingen lerarenopleiding 2017-2018 kan ik nog niet geven, omdat ze er niet zijn. Wel hebben we uiteraard de cijfers  2016-2017. Ik heb de cijfers over het aantal inschrijvingen 2015-2016 daarnet opgevraagd. Voor kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs waren er 8285 trajectstarters in het eerste jaar.

Waarom geef ik u die cijfers nog eens mee ter herinnering? Omdat we wel weten hoeveel jongeren er de toelatingsproef hebben afgelegd, maar de cijfers over hoeveel jongeren er nu effectief gestart zijn, zitten niet in onze databank. Dat zal nog een week duren. We hebben tot vanmiddag geprobeerd om die cijfers te hebben, maar het zijn nog telefooncijfers. En ik vind dat deze commissie wel wat meer verdient dan telefooncijfers.

En weten we dan hoeveel er die proef hebben afgelegd?

Minister Hilde Crevits

Het cijfer dat ik net gaf, ging over hoeveel er het vorige academiejaar, 2015-2016, gestart zijn.

In het academiejaar 2016-2017 werd de toelatingsproef uitzonderlijk – dat was de allereerste keer – afgenomen nadat de studenten al waren ingeschreven in de lerarenopleiding, waardoor die niet-bindende toelatingsproef geen eventuele invloed had op de instroom. Je schrijft je in, je start en dan moet je een proef afleggen. Dit jaar was dat helemaal anders. Vanaf dit academiejaar is het zo de toelatingsproef volledig moet zijn afgelegd vooraleer je start met de lerarenopleiding aan de hogeschool.

De registratie van de inschrijvingen voor het academiejaar 2017-2018 is nu nog bezig, waardoor ik nog geen definitieve cijfers heb. Maar ik heb wel cijfers over hoeveel jongeren zich hebben laten registreren voor die niet-bindende toelatingsproef en hoeveel jongeren de proef ook effectief volledig hebben afgelegd – want er zijn er ook die hem gedeeltelijk hebben afgelegd.

Wat hebben we daar? We weten dat pas sinds vanmiddag. Het is dus vers van de pers. 8277 studenten hebben tot vanmiddag de verplichte niet-bindende toelatingsproef voor de professionele lerarenopleidingen volledig afgelegd. Dat is iets minder dan diegenen die zich geregistreerd hebben. Er zijn 9160 kandidaten die zich hebben geregistreerd, die hadden aangemeld dat ze graag de niet-bindende toelatingsproef wilden afleggen. Maar het is niet omdat je je registreert, dat je de proef ook volledig aflegt. Van die 9160 zijn er 8277 die de proef volledig hebben afgelegd: 1819 voor het kleuteronderwijs, 2966 voor het lager onderwijs en 3492 voor het secundair onderwijs.

Hoe zit die proef in elkaar? Dat weten jullie wellicht. Als je een opleiding kleuter- en secundair onderwijs start, leg je een toelatingsproef Nederlands af en een test studievaardigheden en motivatie. Voor het lager onderwijs komen daar Frans en wiskunde bij. De overgrote meerderheid van de deelnemers – dat is ook een van de vragen – heeft er geen probleem mee dat de resultaten worden gedeeld, want de student beslist er vrij over dat de resultaten van die proef worden gedeeld met de hogescholen. 83 procent van de deelnemers heeft daarin toegestemd. Die proef – dat weten jullie – houdt een spiegel voor over de begincompetenties. Ik kom straks terug op hoe die worden gemeten. Je kunt eigenlijk niet slagen of zakken. Je kunt niet zeggen: ‘Ik ben gebuisd.’ Maar we kunnen wel, zeker voor Frans, bekijken of je het niveau haalt waarvan we verwachten dat je het haalt. Voor mij is het van belang dat die proef een spiegel voorhoudt, dat die proef zelfs een aantrekkingskracht kan hebben en dat de juiste jongeren ook de opleiding starten.

Ik wil een suggestie doen. Velen gebruiken nog altijd het woord instapproef. Wij hebben verleden jaar afgesproken dat het niet-bindende toelatingsproef zou worden. Ik zou echt willen vragen dat iedereen probeert hetzelfde woord te gebruiken. Anders wordt het te verwarrend: oriënteringsproef, toelatingsproef, instapproef. En dan zijn er nog ijkingstesten aan de universiteiten. Zo raken we helemaal in de war. Vandaar: de niet-bindende toelatingsproef.

Collega’s, die toelatingsproef wordt op dezelfde manier geanalyseerd als de huidige analyse van de afname in 2016. Wat doen we? We hebben hierover uitgebreid gediscussieerd. Er gebeurt een analyse van de scores op de verschillende testonderdelen, van de verschillen tussen groepen, bijvoorbeeld kleuter/lager/secundair, man/vrouw, generatiestudent /niet-generatiestudent, vooropleiding. Collega Daniëls, als u nog variabelen wilt meegeven, doe gerust, we kunnen bekijken wat we er nog kunnen uithalen of wat we nog meer kunnen weten. Er is een itemanalyse, een biasanalyse en  een correlatie-analyse , onder andere de slaagpercentages, zodra die uit onze databanken beschikbaar zijn.

Zodra alle analyses volledig afgerond zijn, kunnen we terugkoppelen. Hier moeten we met twee zaken rekening houden: de periode waarin de toelatingsproef kan worden ingevuld, wordt pas afgesloten in maart 2018. Hoe komt dat? Omdat studenten zich ook in het tweede semester kunnen inschrijven. Die proef staat op dit ogenblik dus nog altijd open om af te leggen.

Bovendien zullen de benodigde gegevens uit de Databank Hoger Onderwijs  voor de afname uit 2016 pas op januari 2018 beschikbaar zijn. Voor de afname van 2017-2018 is dat dan januari 2019. Dat volgt elkaar dus op.

Ik heb ook al gezegd dat je een aantal jaren nodig hebt om te kunnen valideren. Die validatie – dat betekent hoe de scores van de studenten zich verhouden tot hoe ze presteren in de lerarenopleiding – kunnen we pas dan ook effectief doen.

Tussentijds kunnen we wel rapporteren over welke feedbackcategorieën studenten behaald hebben. Vooraleer we de proef afsluiten, kunnen we dus wel al bekijken wat de feedbacks zijn die werden gegeven.

Een vergelijking tussen de verschillende afnamecohortes – afname 2016 en afname 2017-2018 – kan ook gebeuren, maar men moet er dan wel rekening mee houden dat voor Nederlands en Wiskunde intussen de kwartielen werden aangepast, maar ik denk dat we het daarover wel eens zijn.

Men is vrij om zijn resultaten al dan niet te delen. Het percentage jongeren die hun resultaten delen met de hogeschool, ligt vrij stabiel. Het aandeel dat zijn resultaten niet wil delen, blijft beperkt. Maar ik vind het, zeker als je de opleiding start, een totaal gemiste kans als je die resultaten niet wilt delen.

Het verzameldecreet dat, collega’s, nog moet worden goedgekeurd, biedt de mogelijkheid om de deelname aan niet-bindende toelatingsproeven verplicht te maken. Wij leggen daar dus een decretale basis. In een besluit van de Vlaamse Regering kan deze verplichte deelname verankerd worden vanaf het academiejaar 2018-2019. Het is de bedoeling om dat te doen. De resultaten worden dan automatisch meegedeeld aan de hogeschool waar men zich inschrijft. Dat is de volgende stap. Nu hebben we nog de eerste projecten, maar vanaf volgend academiejaar zou een automatische deling gebeuren op de plaats waar men zich inschrijft.

Studenten worden dan natuurlijk geïnformeerd over wat er met de resultaten wordt gedaan . Hogescholen hebben de optie om op basis van de resultaten remediëringstrajecten op te leggen.

De inhoud van de verschillende testonderdelen is onveranderd gebleven. De feedbackcategorieën voor wiskunde en Nederlands zijn iets strenger afgesteld dan vorig jaar. Bij de eerste afname waren de scorecategorieën gebaseerd op een representatieve steekproef van laatstejaarsleerlingen uit het secundair onderwijs uit de pretest van mei 2016. We hebben dus eerst getest in het secundair onderwijs, dan hebben we de groep die deelnam getest. De feedbackcategorieën van de afname dit academiejaar zijn afgesteld aan de hand van de totale testpopulatie van de afname van de toelatingsproef in 2016. Dat waren ongeveer zesduizend studenten voor Nederlands. Voor wiskunde ging het om een testpopulatie van ongeveer tweeduizend studenten. De populatie van 2016 presteerde iets beter dan de testpopulatie van vorig jaar, waardoor sommige categorieën naar boven zijn bijgesteld en strenger werden gemaakt. De feedbackcategorieën van Frans zijn gebaseerd op het Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen (ERK). Daar hebben we niets aan veranderd omdat dit een eenduidig kader is.

Wat met de cesuur? Slagen of zakken is in dezen moeilijk. Het is een niet-bindende toelatingsproef. We starten de begincompetenties. Het is geen ‘baccalauréat’, dat alle eindtermen van het secundair onderwijs gaat testen. Wij geven feedback in vier categorieën. We hebben vier kwartielen. De testpopulatie wordt door middel van een statistische analyse opgedeeld in vier percentielen, wat bijvoorbeeld een categorie oplevert van de laagste 25 procent laagst scorenden en een categorie van de 25 procent hoogst scorenden. Het gaat dus om een relatieve normering, de groepen studenten worden met elkaar vergeleken.

Bij C en D wordt remediëring benadrukt, bij A wordt aangegeven dat de student volgens de test beschikt over voldoende vaardigheid in een bepaald onderdeel. Uiteraard zeggen wij ook altijd dat de test een momentopname is. Trouwens, die test werd niet door onze overheid ontwikkeld, maar door de hogescholen zelf. Ook de beleidsmedewerkers van de Vlaamse Onderwijsraad hebben expertise in deze materie. Ik sluit absoluut niet uit dat er nog bijstellingen zullen moeten gebeuren aan de feedbackcategorieën. We moeten ook bekijken in welke mate remediëringstrajecten een impact hebben op wie slaagt. Het is de bedoeling om die test jaar na jaar fijnmaziger te kunnen afstellen op wat we wensen.

Bij Frans lezen en Frans luisteren wordt gebruikgemaakt van ERK-categorieën. Het uitstroomniveau voor luisteren is B2, voor lezen B1+. Bij A0, A1 en A2 is er nog veel werk voor de boeg, iemand met B1 is er bijna, B2 heeft het gevraagde niveau al behaald. Hier wordt in de feedback benadrukt dat het niveau van Frans onderhouden moet worden, ook al is het niveau Al bereikt of bijna bereikt, en dat ook voor de mondelinge vaardigheden zal moeten worden geoefend. Aandachtspuntje: mondelinge vaardigheden zijn niet opgenomen in de toelatingsproef omdat die moeilijk digitaal te testen zijn. Bij het opstellen van de vragen voor de verschillende testonderdelen is men altijd uitgegaan van de begincompetenties die men nodig heeft om op het einde van de lerarenopleiding de nodige leerresultaten te kunnen behalen.

Voor Nederlands zijn de eindtermen bij de ontwikkeling van het testonderdeel geraadpleegd. Voor wiskunde is bij het opstellen van de vragen gekeken naar de leerstof en de leerplannen uit het lager onderwijs. Er wordt in de toelatingsproef getest over hoeveel kennis de student na al die tijd nog beschikt. Het is immers deze leerstof die de leerkracht ook zal moeten onderwijzen in het lager onderwijs.

Voor Frans is men, zoals ik al heb gezegd, uitgegaan van het niveau dat al minimaal behaald zou moeten zijn om op het einde van de lerarenopleiding tot het gewenste uitstroomniveau in Frans te komen. Dat is zo omdat in aso, tso en bso andere uitstroomniveaus bestaan. Voor lezen rangeert het bijvoorbeeld tussen A1 en B1, afhankelijk van het feit of je nu aso, tso of bso hebt gedaan.

Uit de eerste analyses blijkt al dat de toelatingsproef doet waarvoor hij ontwikkeld werd: de sterktes en zwaktes komen zeer duidelijk naar voren. Er is absoluut feedback nodig. Het is van belang dat die samen met de hogeschool gegeven wordt.

Collega’s, het is nog iets te vroeg om al uitspraken te doen over extra beleidsmaatregelen. Hoewel, ik heb er al twee genomen. De proef wordt verplicht als de regering en vervolgens u allen dit goedkeuren in het parlement. En we zouden elk jaar een beetje willen bijstellen op basis van de resultaten die worden geboekt. We hebben nu ook al het niveau wat bijgesteld.

De eerste analyses behandelen immers enkel de resultaten van de deelnemers op de verschillende onderdelen van de toelatingsproef, maar zeggen nog niets over hoe deze deelnemers uiteindelijk hebben gepresteerd in hun eerste jaar in de lerarenopleiding en bij uitbreiding in de jaren die volgen. Wij willen natuurlijk dat daar positieve zaken uit voortvloeien. Wij doen die proef niet om de proef te doen, maar om resultaten te boeken.

De vraag is dus of de tekorten van de instromende studenten worden weggewerkt tijdens hun studies, hoe het rendement is van de jongeren, hoeveel studenten succesvol uitstromen en hoeveel hun studies stopzetten. Kortom, heeft die proef al dan niet een gunstig effect op de kwantiteit en vooral ook op de kwaliteit van die uitstroom van de studenten in de lerarenopleiding? De analyses van de koppeling met de studieresultaten van de studenten moeten nog gebeuren, maar dat kan uiteraard maar als we gevalideerde gegevens voorhanden hebben in onze databanken.

Hoe zijn de resultaten voor Frans te verklaren? Daar kunnen we op zich al een hele namiddag mee vullen, denk ik. We hebben dat ook al gedaan in het verleden. Zoals al gezegd, is men bij het opstellen van de vragen voor wiskunde en Nederlands gaan kijken naar de leerstof uit het lager onderwijs en de eindtermen in het secundair onderwijs. In principe zouden jongeren die de toelatingsproef invullen, ter zake over de nodige competenties moeten beschikken. Wat Frans betreft, gaat men niet uit van de eindtermen, maar van het basisniveau dat vereist is. Een mogelijke verklaring voor de mindere scores voor Frans zou kunnen liggen in het feit dat er binnen het leerplichtonderwijs een verschillend uitstroomniveau is voor bso, tso en aso. Dat is evident. Ook voor Nederlands zijn er trouwens verschillen qua uitstroomniveau. Ik ga daar echter nog geen grote uitspraken over doen, omdat we de resultaten van de student nog moeten koppelen aan zijn vooropleiding in het secundair onderwijs. Zodra de onderzoekster de nodige gegevens uit de Databank Secundair Onderwijs heeft ontvangen, gaan we dat ook doen, en zult u daar ook de nodige informatie over krijgen.

Als men in de lerarenopleiding blijkt in te stromen met te weinig basiskennis, dan moet die worden bijgespijkerd. Dat is heel belangrijk voor de hogescholen, want die gaan soms uit van een bepaald basisniveau en als ze zien na de toelatingsproef dat die er nog niet is, dan moeten zij ook de eerste maanden wat gaan remediëren wat dat betreft. Ik heb echter begrepen dat men wel enthousiast is om dat ook daadwerkelijk te gaan doen.

Ziezo. Ik weet dat het heel veel informatie is, en wellicht heb ik nog niet alle vragen in detail beantwoord, maar de vragen waren ook zeer omstandig en ik weet dat we over die toelatingsproef nog debatten zullen hebben in deze commissie op het ogenblik dat de resultaten nog wat beter bekend zijn. Alles wat ik bij me heb, heb ik echter bij dezen ook met u gedeeld.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is een zeer belangrijk thema. Het is zeer belangrijk om de resultaten goed onder de loep te nemen nu we bezig zijn met de hervorming van de lerarenopleiding. Ik wil nog eens terugkomen op het punt van het verschil tussen diegenen die de proef volledig hebben afgelegd en diegenen die zijn geregistreerd, maar de proef niet volledig hebben afgelegd. Mogen diegenen die de proef niet volledig hebben afgelegd, zich dan inschrijven? Neen? Oké. Dat leek me ook al wel zo. Als men de proef niet volledig wil afleggen omdat men die te saai of te moeilijk vindt, dan denk ik dat dat ook al genoeg zegt.

Wat de analyse en de evolutie van de test betreft, lijkt het me interessant voor ons om eerst de analyses grondig te lezen en daar dan op een ander moment nog eens op terug te komen.

Ik denk dat het delen van de resultaten met de hogescholen een noodzakelijke evolutie is. Ik ben dus ook blij dat dat zal worden gedaan. Ook al is het aandeel van de studenten die dat niet willen doen beperkt, ook hier wijst het feit dat je de resultaten van je test niet open wilt bespreken met mensen die je dan remediëring kunnen geven, erop dat je niet de juiste attitude hebt. Het is dan op zich al duidelijk dat dat niet de juiste profielen zijn die men zoekt.

Wat het Frans betreft, geeft u een aantal niveaus aan, en ook de reden waarom sommigen niet slagen. Er is inderdaad een niveauverschil tussen A1, A2, B1, B2, en niet alle instromende studenten hebben dezelfde niveaus behaald in het middelbaar onderwijs, hebben dezelfde eindtermen in het middelbaar onderwijs. Dat klopt, maar ik maak me ongerust als u zegt dat de mondelinge vaardigheden niet in de proef zitten. Nochtans is dat precies wat men gaat doen in het lager onderwijs, namelijk mondelinge taalvaardigheid bijbrengen of stimuleren. Uit de verslagen van de onderwijsinspectie die hier vorig parlementair jaar zijn besproken, bleek ook dat er geen spreekdurf is. Het probleem zit dus net bij het spreken, blijkbaar ook al bij de aanvang van de opleiding, maar op het einde van de opleiding is het nog steeds hetzelfde probleem.

Collega’s, we moeten eerlijk zijn, zo’n niveau B1 is al niet zo heel hoog. Om op reis te gaan naar Frankrijk is dat prima, maar om zelf les te gaan geven, zijn de daarnet opgesomde niveaus niet zo onvoorstelbaar hoog. Wie Content and Language Integrated Learning (CLIL) wil geven, moet een veel hoger niveau halen, namelijk C1. Die krijgen dan wel die lesbevoegdheid. Ook weten we dat er wordt gedelibereerd in lerarenopleidingen, dus zelfs als je zowel bij de aanvang, bij de niet-bindende toelatingsproef als in de loop van je studies en aan het einde voor Frans geen schitterende cijfers haalt, dan kun je nog steeds worden gedelibereerd. Daar maak ik me toch zorgen over, in die mate zelfs dat de vraag rijst of iedereen dat Frans wel verplicht moet kennen. Immers, als we die cijfers zien, dan moeten we eerlijk zijn: het probleem is nog niet snel opgelost. Tenzij we gaan werken met een propedeusejaar waarin intensief wordt ingezet op Frans. Dat wordt echter een dure zaak, want dat is een jaar dat voorafgaat aan algemene vorming en aan het invullen van de lacunes.

Men moet ook eerlijk zijn: als er zich studenten aanmelden die zeer gemotiveerd zijn, maar die redelijk zwak of niet sterk, die matig scoren op de instapproef, die al niet moeilijk is, dan is dat remediëren tijdens de opleiding een opgave. De opleiding zelf is immers al redelijk zwaar, met x aantal vakken over heel diverse thema’s. Het gaat niet alleen over je favoriete vak, het gaat over alle vakken. Je moet ondertussen ook het beroep leren. Het is professionele vorming. Je moet ook leren lesgeven. Je krijgt ook nog pedagogie en dergelijke meer, dus niet alleen vakinhouden.

Dat is dus allemaal veel. Hebben de studenten die maar matig scoren op die proef, de tijd en de capaciteiten om de lacunes weg te werken? Is er een extra jaar nodig? Dat kan misschien een suggestie zijn. Of moeten ze wel Frans doen? Zou het geen idee zijn om Frans als optie te laten en hen ook te laten kiezen voor Engels of voor dieper ingaan op cultuureducatie, ik zeg maar iets? Zouden de hogescholen daarin niet kunnen variëren? Wat baat het om bij iemand bij wie Frans echt niet lukt, dat door de strot te rammen met als gevolg een slechte onderwijskwaliteit op het vlak van Frans? Ik stel de vraag. Ik zou ze graag allemaal naar Frankrijk sturen voor een tijd, maar dat is niet voor iedereen haalbaar.

De heer Daniëls heeft het woord.

Ik ben namens mijn fractie blij dat iedereen nu het woord ‘toelatingsproef’ gebruikt. Minister, u lacht, maar al uw persberichten tot 22 december 2016 spreken over een ‘instapproef’. (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Ik ben blij dat iedereen het woord heeft overgenomen dat wij als fractie in het regeerakkoord hadden opgenomen omdat het duidelijkheid creëert. Ik ben blij dat we nu eenduidig dat woord gebruiken.

Dat de resultaten automatisch worden meegedeeld aan de hogeschool, is absoluut een goede zaak voor de hogescholen, in het kader van efficiëntie en ook voor de studenten. Dat is absoluut een meerwaarde. Nu moeten we steeds hopen dat de student zijn of haar rijksregisternummer ingeeft.

Ik maak me wel zorgen over een bepaald punt. We zitten nu met een raar fenomeen inzake de norm. U zegt dat we kijken naar de basiscompetenties: wat verwachten we dat iemand als basiscompetentie heeft om te kunnen starten in de lerarenopleiding zodat we de startende student in die opleiding van 3 jaar op het goede niveau krijgen van vakkennis, vakdidactiek en klasmanagement? We weten dat als een student te weinig basis heeft, we hem niet kunnen krijgen waar we hem moeten krijgen omdat er dan meer tijd moet worden gestopt in de kennis zelf van het vak waardoor er weinig tijd overblijft voor vakdidactiek en klasmanagement, met alle problemen van dien die we kennen als de praktijkschok. We verlangen dus een basiscompetentie. Als we dan zeggen dat in welke kwartiel men komt, afhangt van de resultaten van de anderen, dan spreken we niet meer over een basiscompetentie maar over een relatief gegeven. Dat is een relatief gegeven waarbij we niet zeggen wat nodig is om te kunnen starten, maar waarbij we zeggen dat wat nodig is om te kunnen starten, afhangt van hoe goed of hoe slecht de andere leden van de cohorte het doen. Ik vind dat raar, echt raar.

Ik stel daarenboven vast dat voor wiskunde het niveau lager onderwijs wordt gevraagd voor iemand die start in de lerarenopleiding. De getallen zijn genoemd, zoals de 3294 secundair. Als men daarop maar 65 procent haalt, dan wil dat zeggen dat 65 procent start aan de opleiding ‘regentaat’ die net het niveau wiskunde basisonderwijs heeft. Daar maak ik mij zorgen over. Het gaat dan niet over diegenen die 100 procent halen. Ik heb de verdelingen bekeken. We zitten daar op een gemiddelde van 14 met een standaarddeviatie van 3. 14 min 3 is 11 en een mediaan van 16. Sorry, een gemiddelde van 16 en een mediaan… Daar maak ik mij zorgen over. Dat wil dus zeggen dat velen die starten aan de lerarenopleiding lager onderwijs de eindtermen wiskunde lager onderwijs niet eens beheersen. Vergeef me, maar ik maak me daar zorgen over.

Mevrouw Brusseel gaf daarnet terecht aan dat ook het niveau Frans niet zo hoog is. Voor Nederlands maak ik diezelfde analyse. We moeten dus verregaande analyses maken om na te gaan of de cesuren die worden gelegd om in het een of andere kwartiel te komen, niet in absolute waarden moeten worden vastgesteld en dus niet relatief afgetekend ten opzichte van medestudenten.

Is er ook feedback naar het secundair onderwijs? Dit is een bron van informatie over het secundair onderwijs. Gebeurt de terugkoppeling in de andere richting?

Hebt u al zicht op het feit of er al dan niet in ondersteunend materiaal bijkomende hulp is voorzien? Welke bijsturingen zijn er? Misschien is het nog wat vroeg om deze vraag te stellen, maar het lijkt me handig om te weten.

De heer Durnez heeft het woord.

Minister, ik dank u voor een groeiende, rijke analyse die in de maak is. Ik hoop zeker dat dit niet leidt tot een betutteling van de hogescholen of de studenten. We kunnen eruit leren en stappen vooruit zetten.

We hebben soms de neiging om voor onze beurt te spreken, te weinig geïnformeerd. Dat is hier blijkbaar ook gebeurd in de aanvangsfase door sommige hogescholen. Het was te vroeg om er conclusies uit te trekken. De hogescholen zijn slim genoeg om dat ook te erkennen.

Hier is uit te leren omdat er heel wat data beschikbaar zijn. In de vragen van de leden hoor ik ook dat er bijzonder veel positieve hypotheses onder zitten op het vlak van verwachtingen waarmee we stappen vooruit kunnen zetten inzake doorstroming, resultaten enzovoort. Dat zal straks kunnen worden gemeten, en dat is een enorm goede evolutie.

De verwerking van de data is nog niet compleet, dat kan ook niet gezien de cyclus waarin wij zitten. Daar kunnen wij nog wat van leren: wie heeft deelgenomen, wie heeft ingeschreven, wat zijn de stappen tussen de verschillende richtingen?

Ik spreek een beetje vanuit mijn eigen hogeschool maar ook vanuit de provincie waar, naast de lijst die de minister vanmorgen gaf, ook de levensverwachting bijzonder goed is. (Gelach)

Vanuit de vergelijking doorheen de verschillende inschrijvingsjaren, is een koppeling van de attractie om in te schrijven aan de proef, of een toets of een proeftoets, mij om het even, voorbarig en niet geheel onderbouwd. Ik zie zowel bij VIVES in West-Vlaanderen als bij Howest dat er veel nuances zijn en dat er ook andere elementen spelen. Een van die elementen is de arbeidsmarkt zonder meer. Als we zien dat in West-Vlaanderen de inschrijvingen voor de opleiding kleuteronderwijs gedaald zijn, dan heeft dat puur te maken met de arbeidsmarkt in West-Vlaanderen in die sector. Dat is van alle tijden. Wanneer je de reeks bekijkt van tien of twintig jaar terug van de inschrijvingen, dan loopt dat daar mooi mee gelijk. Die nuance moeten we meer in beeld brengen, dan dit te proberen koppelen aan die stappen.

Ik denk dat het een hele stap vooruit is om die beweging te maken, dat dat leerzaam is voor elkeen en dat dit ten bate zal zijn zowel van de studenten als van het resultaat in onze opleidingen.

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, de vragen gaan inderdaad over dat krantenartikel dat eind augustus verschenen is, waarbij er aan de alarmbel getrokken werd en men zei dat er grote teruglopen zijn in de aantallen inschrijvingen. Dan is inderdaad te snel geweest. Er is gebleken dat de dalingen niet zo sterk waren. Ook de correlatie met de niet-bindende inschrijvingsproef is niet echt aantoonbaar, daar hebt u gelijk in. U hebt aangegeven dat er vragen bij kunnen worden gesteld, maar dat men niet zomaar kan zeggen dat er een rechtstreekse correlatie is.

Het punt dat wel belangrijk is om te maken, zeker vandaag op de Dag van de Leerkracht, is het feit dat we nog steeds tegen een lerarentekort aankijken en dat we nog extra leerkrachten zullen kunnen gebruiken in de toekomst. De berekeningen zijn gemaakt: tegen 2020 zijn er zeker extra leerkrachten nodig. Dan is het nodig om het beroep aantrekkelijker te maken en meer aanzien te geven, daar zijn we het allemaal over eens. Daar is echt een plan voor nodig. We wachten nog steeds op dat plan dat het lerarenberoep aantrekkelijker moet maken. Dat begint met de instapproef waarbij je kunt zien of er voldoende toeleiding is, of de studenten voldoende begeleid zijn, of iedereen weet hoe hij eraan moet beginnen, wat de verwachtingen zijn, of het duidelijk is dat de instap naar de niet-bindende oriënteringsproef er moet zijn.

We moeten een aantrekkelijke en sterke lerarenopleiding hebben. Er ligt een hervorming voor. Wat mij betreft ziet die er onvoldoende uit op dit moment. We moeten een inhoudelijke, ambitieuze en versterkte lerarenopleiding hebben en niet alleen een structuurhervorming. Daar moet naar worden gekeken. Er moet worden gekeken naar wat we kunnen doen aan de praktijkshock, aan de aanvangsbegeleiding van jonge leerkrachten, want ook daar zien we nog steeds een uitstroom. Wat kan er gedaan worden aan de werkdruk voor leerkrachten? Er is een plan nodig om ervoor te zorgen dat het beroep voldoende aanzien krijgt en aantrekkelijk wordt. Dan zullen studenten zich wel inschrijven in de lerarenopleiding. Er is op dat vlak zeker nog werk aan de winkel. Het is niet omdat de cijfers niet zo dramatisch zijn als ze er eerst uitzagen eind augustus, dat er geen plan moet komen om het beroep te versterken.

De heer De Meyer heeft het woord

Aanvullend: tussentijdse analyses, evaluaties en eventuele bijsturingen zijn uiteraard zeer zinvol, maar een grondige analyse en evaluatie kan men slechts doen nadat de eerste groep die de kans had om zich in te schrijven voor de toelatingsproef, effectief afgestudeerd is. Daar moeten we misschien nog even op wachten om meer definitieve uitspraken te kunnen doen.

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega's, dank u wel voor alle commentaren, suggesties enzovoort. Ik zou de volgende afspraak willen maken. Voor mij is het onmogelijk om nu op alle technische vragen in te gaan. Ik heb hier mensen gehoord die hun zorgen uiten over bepaalde niveaus die wel of niet gehaald worden. Je kunt daarover je zorgen uiten, maar ik vind het een fenomenaal grote meerwaarde dat die toelatingsproef er is. Als het over zuiver woordgebruik gaat, dan gaat die toelatingsproef over de startcompetenties die nodig zijn. De basiscompetenties in het decreet zijn de competenties die op het einde van de opleiding nodig zijn. Er zijn een aantal jaren te gaan vooraleer je die bereikt, drie jaar. Je mag de twee zaken niet met elkaar verwarren en zeggen dat de start- en de basiscompetenties dezelfde zijn. Dat is niet zo. Er moet een traject worden gelopen. We moeten daar zuiver in zijn, je mag de twee niet met elkaar verwarren. Daartoe dient de opleiding natuurlijk.

Collega Brusseel, mondeling Frans is uw grote zorg is, en het hele Frans op zich. Ik heb het niet zo voor wat u zegt, maar we kunnen daar later nog over discussiëren. Als je de discussie voert over de master basisonderwijs – maar dat is ook een ander debat – vind ik het van belang dat de opleiding voor onderwijzer een geïntegreerde opleiding is. Dat betekent dat je alles moet kennen. We aanvaarden toch dat mensen zich specialiseren, ook in het basisonderwijs, en dat masters daar ook kunnen binnenkomen. Ik vind dat je perfect moet kunnen zeggen dat je gaat voortdoen in Frans en je dan leerkracht Frans wordt. Maar de geïntegreerde opleiding is inherent aan de opleiding tot onderwijzer en ik zou er niet allemaal vakleraren van willen maken. We kunnen het er ongetwijfeld later ook nog over hebben. Wat ook wel interessant is, is dat als je het onderdeel Frans hebt gedaan, je ook onmiddellijk uitleg krijgt over wat je precies nodig hebt aan remediëring. Het is interessant dat men dat ziet als men de proef heeft gemaakt.

Het derde grote luik gaat over de lerarenopleiding op zich. Collega Meuleman, ik ben het niet met u eens als u zegt dat we een plan moeten schrijven. We moeten uiteraard werken aan een aantal elementen, maar we zijn dit volop aan het uitvoeren. Er is de niet-bindende toelatingsproef, maar kijk ook naar de jongeren die kiezen voor het lerarenberoep, kijk hoeveel aso’ers er vandaag kiezen om een opleiding tot leraar te volgen. Er zijn er verdorie veel te weinig. Dat is de reden waarom we ook in de hervorming van de lerarenopleiding die indicatieve master willen maken waardoor je op je 18e al kunt zeggen dat je naar de hogeschool of universiteit gaat en leraar wilt worden. Bij de adviezen die in de klassenraad worden gegeven, zijn er weinig tot geen adviezen om leraar te worden voor jongeren die naar de universiteit willen gaan. We willen dat remediëren en we willen daarvoor zorgen.

Collega Meuleman, de inhoudelijke componenten – onderschat dat niet – worden niet door de overheid vastgelegd. Wij leggen de basiscompetenties vast, maar het zijn de hogescholen – en ik wil dat absoluut zo houden – die beheerovereenkomsten zullen sluiten met de inhoudelijke componenten van de hervorming. Ze is zo goed als klaar. Wij hebben gevraagd om een aantal elementen op te nemen. En uiteraard ben ik bereid, als we door de lerarenopleiding zijn, om een campagne te doen, maar vooraleer we met campagnes beginnen, wil ik alle bouwstenen klaar hebben liggen. We weten eigenlijk wat we moeten doen.

De proef zelf is voor mij een bouwsteen. Ik heb het deze voormiddag ook gezegd: een jaar extra om verpleger te worden, heeft geen enkel negatief effect op de instroom van de jongeren. De toelatingsproef voor geneeskunde: men vecht om te mogen meedoen. Ik geloof niet in het afschrikkend effect van de toelatingsproef voor de lerarenopleiding. Collega Daniëls, u hebt gelijk dat het niveau van wat we verwachten, hoog genoeg moet zijn. We zijn nu aan het leren en we proberen een weg te volgen. We zullen ongetwijfeld ook nog bijsturen, maar we moeten zorgen dat de lat ligt waar we ze graag hebben. Dat zal misschien net profielen aantrekken die geïnteresseerd zijn in het lerarenberoep.

Collega Meuleman, bij de onderhandelingen die nog moeten worden gevoerd, zit ook een component rond de jonge leerkracht en de werkzekerheid die hieraan gekoppeld is. Ik kan dat nu niet onmiddellijk oplossen. Het is werk, samen met de sociale partners. De opleiding op zich is een heel belangrijk element om het tekort in de toekomst op te lossen.

Ik wil nog even inspelen op wat collega Durnez heeft gezegd, zeer interessant trouwens, zoals wel vaker. Ik wil het specifiek even hebben over West-Vlaanderen waar op dit ogenblik een overschot aan kleuterleiders is, wat haaks staat op de evolutie in Vlaanderen. Dat heeft onmiddellijk een gevolg in de inschrijvingen voor de lerarenopleiding. Iedereen weet dat en gaat zich niet in de West-Vlaamse instellingen laten opleiden om in Brussel te gaan werken. Een zeldzame enkeling doet dat wel. Dat beeld zet zich snel door in de inschrijvingscijfers voor de opleiding. Dat is goed en slecht, maar het is een beetje regionaal gebonden. In de grootstad is dat helemaal anders dan in West-Vlaanderen, waarmee ik niet wil zeggen dat daar geen grootsteden zijn. Het levert een heel verscheiden beeld op in Vlaanderen en je ziet dat ook in de fluctuerende inschrijvingscijfers. Het heeft niet te maken met of de lat nu hoog of laag ligt, maar wel met de tewerkstellingskansen. We moeten daar uiteraard een beetje rekening mee houden. Denataliteit is op een aantal plaatsen aanwezig en op andere niet.

Wat ik kan doen – want ik voel dat dit veel interesse opwekt bij de parlementsleden –, is een afspraak maken met de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA). Binnen de VLHORA zijn mensen bezig met het ontwikkelen en het bijsturen van de proef. Ik heb er geen probleem mee om in het voorjaar eens van gedachten te wisselen, ook met de mensen die de toelatingsproef ontwikkelen, en eens te zien hoe het gebeurt, wat de expertiseniveaus zijn, welke jullie zorgen zijn. Ik denk dat het misschien ook goed zou zijn dat de mensen de kans krijgen om dit toe te lichten. Voor mij is het allerbelangrijkste dat het een proef is die ontwikkeld is samen met de hogescholen, die er ook allemaal achterstaan. De lichtjes ongenuanceerde uitspraken van een paar maanden geleden heb ik gisteravond ook niet meer gehoord. Voorzitter, als jullie dit wensen, kan ik dit aanbieden. We moeten dit misschien doen als het testmateriaal ook klaar is. Het loopt tot maart. Daarna maken ze een rapport, en misschien kunnen we in de daaropvolgende maanden eens van gedachten wisselen.

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Minister, ik wil even terugkomen op de adviezen van de klassenraad. Volgens mij is een van de problemen nu net dat heel weinig leerlingen die het goed doen in het secundair onderwijs, het advies krijgen om een lerarenopleiding te volgen. De aso-leerlingen die het echt goed doen, krijgen zelden het advies om te denken aan lerarenopleiding aan een hogeschool, terwijl ze het zeer goed zouden kunnen doen. We zouden er baat bij hebben dat de goede leerlingen uit diverse studierichtingen van het aso er ook eens aan denken. In de instroom aan de hogeschool is het maar een kleine groep. Dat is wel spijtig.

Als we met veel enthousiasme spreken over universitaire opleidingen, moeten we ervoor zorgen dat dit niet de enige opleidingen zijn die goed genoeg zouden kunnen zijn voor die slimme leerlingen uit de aso-scholen. Dat kunnen ook heel goede leerkrachten worden voor het lager onderwijs en ze kunnen daar ook heel veel arbeidsvreugde uit halen. De vrees van veel ouders is wel dat die slimme kinderen daar geen goede carrière kunnen maken. Het is dus zaak om het loopbaanpact daar weer bij te nemen en te kijken hoe we daar de vlakke loopbaan kunnen doorbreken om die goede profielen aan te trekken.

Ik heb nog twee opmerkingen. Er is inderdaad een belangrijk onderscheid te maken tussen startcompetenties en basiscompetenties aan het einde van de opleiding. Wat ik wil onderstrepen, is dat de startcompetenties ook al goed moeten zijn. Je kunt niet alles leren in die drie jaar. Wie nog geen eenvoudig krantenartikel kan lezen, begrijpen en daar een resumé van maken of een verhandeling over schrijven heeft misschien niet het juiste profiel om in het onderwijs aan de slag te gaan. Idem als het nog te moeilijk is om een eenvoudig gesprek in een andere taal te volgen. Wat moet je dan al niet nog als startcompetenties leren op je achttiende, wanneer je aan het hoger onderwijs moet beginnen? Dat is mijn bezorgdheid. Daarom denk ik dat de heer Daniëls er ook om bekommerd is dat die startcompetenties op een voldoende hoog niveau liggen, anders vragen we een quasi onmogelijke opdracht van bepaalde studenten.

Inzake de vakleerkrachten, wat Frans betreft, bijvoorbeeld, kan ik u bijtreden dat het niet allemaal vakleerkrachten kunnen zijn. Er ligt wel nog een hele weg in het midden tussen allemaal vakleerkrachten aan de ene kant en één leerkracht voor alles aan de andere kant. Ik denk bijvoorbeeld aan iemand die goed is in wiskunde en wetenschappen en die een profiel zou kunnen aannemen van de leerkracht voor alle STEM-vakken, gaande van wetenschappen, techniek tot wiskunde, en aan de leerkracht die goed is in talen en die dan bijvoorbeeld talen en cultuureducatie als specialisatie zou kunnen nemen. Ik heb dat geverifieerd met specialisten van de OESO. Ik heb daar al met meerdere mensen over gesproken, en het zou een goede zaak zijn. Een klein, maar voor het lager onderwijs niet onbelangrijk detail is hierbij – en mevrouw Meulenans zal mij op dit punt bijtreden – dat dit een goede manier zou zijn om meer mannen naar het lager onderwijs te krijgen, indien we een keuze zouden durven te maken voor die STEM-specialisatie.

Het is een suggestie, waar we later nog kunnen op terugkomen. Alvast bedankt voor het geleverde werk, want ik wil eindigen met een positieve noot. Minister, deze legislatuur hebben we inderdaad heel belangrijke stappen vooruit gezet en ik ben u daar zeer dankbaar voor. 

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, ik heb het net even nagekeken, de analyse van de VLHORA spreekt nog altijd over een instapproef. Er is hier en daar nog wat werk. We kunnen wat lacherig over doen het begrip, maar dat doen we beter niet, om voor iedereen duidelijkheid te creëren. Vanuit onze fractie zijn we zeer blij dat we dit in het regeerakkoord hebben opgenomen en dat het wordt uitgevoerd. Ik treed de heer De Meyer bij dat we inderdaad moeten kijken naar de verdere analyse. Toch wil ik al een aantal zaken meegeven.

Ten eerste, zoals daarnet al aangehaald, is het uiteraard cruciaal dat de toets de startcompetenties nagaat. Ik blijf erbij dat het mij zorgen baart dat we, voor regenten secundair onderwijs, als startcompetentie maar het niveau wiskunde van het basisonderwijs vragen. We doen alsof die zes jaar die daartussen zitten niet veel uitmaken. Daar maak ik mij echt wel zorgen over.

Gezien het financieringssysteem kan ik de hogescholen wel volgen. Stel u voor, als die 6 uur te hoog ligt, dat we morgen in plaats van 8285 inschrijvers er plots maar 6000 meer hebben. Met ons financieringssysteem en rekening houdend met de onderwijsbelastingseenheden wil dat zeggen dat ze zich in de voet schieten. Onderwijs is immers de hoogste onderwijsbelastingseenheid van een hogeschool. Collega’s, we moeten daar eerlijk in zijn: als we inderdaad willen dat vooral die studenten starten die de juiste startcompetenties hebben – en dan kan het zijn, zoals de minister zegt, dat er minder zijn die starten, maar dat er meer zijn die slagen – dan moeten we daar wel naar kijken. Dan kom ik bij het punt van de beginnende leerkracht. Als er leerkrachten zijn die zeggen dat ze geen werk vinden, dan ligt dat misschien ook aan het feit dat er een aantal zijn die misschien niet de juiste competenties hebben. Daar maak ik mij wel zorgen over.

Laten we afsluiten met een positieve noot op deze dag van de leerkracht. Drie aspecten van een leerkracht zijn voor leerlingen belangrijk: hij of zij moet zijn of haar vak beheersen, hij weet hoe hij of zij het op een goede manier kan brengen en hij of zij kan ook die klas in de hand houden. We moeten ervoor zorgen dat die startcompetenties sterk genoeg zijn, zodat de uitstroom Vlaanderen niet enkel kwantitatief, maar ook kwalitatief aan de top kan houden. Ik kijk dus uit naar de verdere debatten hierover.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.