U bent hier

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, in de loop van de maand augustus was minister van Justitie Geens te gast in Terzake op Canvas naar aanleiding van alweer een gruwelijke terroristische aanslag, toen in Barcelona. Bleek dat een imam uit Spanje achter de aanslagen zat en luisterde naar de naam Abdelbaki Es Satty. Bleek dat die man ook in ons land, in Vlaanderen, in een moskee gepredikt had. Minister Geens zei: “Ik zou graag hebben dat de gewesten zeggen: wij willen in moskeeën alleen erkende, door de overheid betaalde imams.” Hij stelde dat hij de imams die hij betaalt, zelf van een loon voorziet met de federale overheid dus, “onder controle heeft met de Staatsveiligheid”, maar dat geldt dus niet voor de andere imams. Hij verwees ook naar het feit dat er “veel Turkse predikanten zijn die door ons” – de federale overheid dus – “niet betaald worden in erkende moskeeën”. Dat is een verwijzing naar de vele Diyanetmoskeeën in Vlaanderen die intussen erkend zijn en waarvan er een heel aantal ook nog niet erkend zijn.

Over zijn voorstel om alleen nog moskeeën te erkennen die door de overheid betaalde imams in dienst hebben, zei hij ook: “Men durft dat op het niveau van de gewesten niet omwille van de vrijheid van godsdienst.” Hij kondigde vervolgens aan dat hij aan de Moslimexecutieve het verzoek zou richten om aan elke moskee te vragen om elke imam die daar passeert, die daar komt prediken, te melden, zodat dit kan worden doorgegeven aan de Staatsveiligheid.

De discussie omtrent de erkenningsvoorwaarden is niet nieuw. U kondigde al herhaaldelijk aan dat u die voorwaarden wilt herbekijken en indien nodig de regels wilt verscherpen. U zegde ook dat elke eredienst een duidelijk financieel plan zou moeten indienen, waarin staat waar het geld vandaan komt en wat ermee gebeurt. Ook zou u van elke geloofsgemeenschap die erkend wil worden, een noodzakelijke expliciete verklaring willen waarin in feite wordt gezegd dat onze wetten boven de sharia geplaatst worden. In deze commissie van 21 februari stelde u dat u zou nagaan “wat we kunnen doen voor een verbod op buitenlandse financiering en of we dat kunnen instellen”. Een dergelijk verbod op buitenlandse financiering bestaat nu al in Oostenrijk.

Minister, wat is uw standpunt over het voorstel van de federale minister van Justitie dat in erkende moskeeën alleen door de overheid betaalde imams zouden mogen functioneren? Zult u eventueel bekijken of het wenselijk is deze erkenningsvoorwaarde in te voeren? Klopt het dat u deze bijkomende erkenningsvoorwaarde niet invoert omwille van de vrijheid van godsdienst? Ik zie u raar kijken, maar dat is een letterlijk citaat van minister Geens in Terzake. Hij heeft toen zelfs uw naam vernoemd. Wat is uw standpunt over het initiatief om de Moslimexecutieve te verzoeken aan elke moskee te vragen om elke imam die daar passeert, te melden? Zult u desgevallend in samenwerking met de Federale Regering een verbod op buitenlandse financiering van moskeeën invoeren? Wat is de stand van zaken betreffende de aangekondigde verstrenging van de erkenningsvoorwaarden van moskeeën?

Minister Homans heeft het woord.

Minister Liesbeth Homans

Dames en heren, u weet dat dit debat al heel vaak in deze commissie is gevoerd. Zelfs in de paasvakantie, op 10 april, als ik me niet vergis, hebben we nog een speciale vergadering gewijd aan deze problematiek. Ook in de commissie van 2 mei en die van 4 juli – dat was de laatste commissievergadering vóór het reces – kwam dit aan bod. De eerste commissievergadering van het nieuwe parlementaire jaar beginnen we met dezelfde vraag. Dat maakt niet uit. Het is goed dat u kort op de bal wilt spelen en de zaak goed opvolgt.

Ik heb toen een onderzoek aangekondigd. Voor alle duidelijkheid, het gaat om een onafhankelijk onderzoek. Ik bedoel daarmee dat het absoluut niet de bedoeling was om het onderzoek naar de erkenningscriteria in Vlaanderen – de erkenning is een exclusieve bevoegdheid van de gewesten; onze criteria verschillen dus van die van Brussel en het Waalse Gewest – te laten plaatsvinden op mijn kabinet of te laten gebeuren door mijn kabinetsmedewerkers of administratie. Het is niet dat ik daar geen vertrouwen in heb dat dit goed zou komen, maar er zou dan wel kunnen worden gespeculeerd over de onafhankelijkheid en de objectiviteit van het onderzoek. We hebben dat anders aangepakt. Ik heb dat toen aangekondigd.

Ik zal niet alles herhalen wat in de vorige debatten aan bod is gekomen. Diegenen die hier nu aanwezig zijn, waren toen ook aanwezig. Ik neem aan dat u zich dat allemaal nog goed voor de geest kunt halen. Ik heb toen gezegd dat er een en ander schort aan de erkenningscriteria. Zo is er de interpretatie door alle betrokken actoren van zowel de hele procedure om over te gaan tot erkenning als die om over te gaan tot de intrekking van de erkenning. Alle betrokken actoren kijken dan eigenlijk naar elkaar om na te gaan wat er van hen wordt verwacht. Ik heb toen gezegd dat het zo niet verder kan.

Waaraan moet men voldoen om erkend te worden als lokale geloofsgemeenschap? Dat geldt voor alle lokale geloofsgemeenschappen, niet alleen voor moskeeën. Wat moet er gebeuren om die criteria blijvend te handhaven? Dat is natuurlijk ook een heel belangrijk aspect. Eens erkend, wil niet zeggen dat men niet meer moet beantwoorden en voldoen aan de criteria. Men moet die dus kunnen handhaven. Zowel provincies als heel wat lokale besturen hebben ons laten weten dat ze het eigenlijk zelf niet meer weten.

Dat onderzoek gebeurt niet van vandaag op morgen. We zitten ook met de wet op de openbare aanbesteding. Er is een bestek geweest. Er zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld. Het onderzoek is uiteindelijk gegund aan de KU Leuven en zal starten op 1 november 2017 en minstens twaalf maanden lopen, dus minstens tot 1 november 2018.

Ik zal al wat anticiperen op vragen die straks misschien zullen komen. Waarom duurt het minstens twaalf maanden? De hele procedure en alle criteria moeten onder de loep worden genomen. Er zijn actoren geweest die ook wilden inschrijven en het onderzoek wilden doen, ook universiteiten, maar twaalf maanden te kort vonden. Wij vinden de termijn van twaalf maanden ruim. Iedereen die het kon binnen die periode, werd in aanmerking genomen. De KU Leuven is daarop ingegaan en start dus op 1 november.

De suggestie van de federale minister van Justitie om in erkende moskeeën alleen nog imams te laten werken die worden betaald of gefinancierd door de federale overheid en om buitenlandse financiering te verbieden, heb ik ook al sinds april in deze commissie gedaan. Ik waardeer uiteraard de suggestie, maar dit was niks nieuws, want het is ook al meegenomen in onze onderzoeksvragen. We hebben gevraagd om dit na te kijken omdat dit een van de voorwaarden zou moeten worden. Ik sta, voor alle duidelijkheid, voor 300 procent achter het verbod op buitenlandse financiering. Het is ook meegenomen in het onderzoek en ik hoop dat het in de criteria wordt opgenomen, maar het is een onafhankelijk onderzoek en we zullen zien wat er ten vroegste op 1 november 2018 uit komt. Dat verbod is echter niet altijd zo gemakkelijk te controleren als het lijkt. We kunnen in de erkenningscriteria wel schrijven dat het verboden is om buitenlandse financiering te ontvangen als erkende lokale geloofsgemeenschap in Vlaanderen, maar de controle erop is net iets moeilijker.

Ik geef een voorbeeld. Mijnheer Janssens, ik zal u even als voorbeeld nemen omdat u de vraagsteller bent. Dat wil niet zeggen dat ik u ervan verdenk. Stel dat u goede vrienden hebt in Saoedi-Arabië die een erkende moskee in Genk leuk vinden en die die graag willen financieren, maar er is een verbod op buitenlandse financiering in Vlaanderen. Zij kunnen dan een envelopje bij u thuis laten toekomen dat u kunt doorgeven aan de desbetreffende moskee. Ik verdenk u er niet van dat u dit zou doen, maar ik sluit niet uit dat het weleens kan gebeuren. Ik wil daarmee aangeven dat er achterpoortjes zijn waarmee rekening zal moeten worden gehouden in het onderzoek en die moeten worden gesloten. Die moeten gesloten worden, want ik ben absoluut voor een verbod op buitenlandse financiering.

De andere erkenningsvoorwaarde, namelijk dat de imam enkel door de overheid mag worden gefinancierd in een erkende moskee, was ook al een suggestie van mezelf. Ik sta daar dus natuurlijk achter.

U citeert minister Geens in Terzake. Die bewering is me gelukkig ontgaan, want anders was mijn vakantie net iets minder gezellig geweest. Ik heb nooit beweerd – ik zou niet weten waar of wanneer – dat ik deze voorwaarde niet in overweging zou willen nemen omwille van de vrijheid van godsdienst. Die bewering, waarvan ik niet weet of ze daadwerkelijk is geuit omdat ik ze niet heb gehoord, raakt kant noch wal. Sinds april heb ik hier in de commissie uitdrukkelijk net hetzelfde gezegd als wat in deze vraag wordt gesteld.

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, als u het genoegen wilt hebben om minister Geens nog eens te zien spreken, dan kunt u de uitzending van Terzake van 23 augustus herbekijken, want ze staat online. U zult dan zien dat alles wat ik hier heb verteld, citaten zijn van de minister van Justitie.

Ik begrijp dat er een zeker gebrek aan communicatie is tussen u en minister Geens. Ik heb de indruk dat de communicatie vooral via de pers verloopt. Een voorstel dat u inderdaad al zelf hebt gedaan, lanceert hij in augustus helemaal opnieuw als ware het zijn eigen voorstel. Ik stel dus vast dat er een behoorlijk gebrek aan communicatie is tussen de twee bevoegde diensten.

Een belangrijk element in deze discussie is natuurlijk dat dit voorstel van minister Geens en dat u zelf al had gedaan, impliceert dat de Diyanetmoskeeën die in Vlaanderen zijn erkend, per definitie hun erkenning zouden verliezen wanneer we als erkenningsvoorwaarden inlassen dat imams moeten worden betaald door de federale overheid. Ik ben daarmee geen pleitbezorger om nog meer belastinggeld aan imams te besteden dan op dit moment al het geval is. Als dit wordt ingevoerd, zou dit impliceren – wetende dat de imams in Diyanetmoskeeën worden betaald door de Turkse overheid – dat ze moeten kiezen: ofwel hun erkenning behouden maar een financiering door de federale overheid, ofwel hun erkenning verliezen als ze alleen maar genoegen nemen met een imam betaald met Turks geld.

Minister, we kijken uit naar het onderzoek dat de KU Leuven zal voeren en naar de vernieuwde, verscherpte erkenningsvoorwaarden waarmee u dan wellicht eind volgend jaar naar het parlement zult komen of die u in een nieuw ministerieel besluit zult moeten gieten.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Minister, de heer Janssens heeft het over de bestaande erkenningsvoorwaarden en een eventuele verstrenging ervan. Als we het daarover hebben, moeten we het ook onvermijdelijk hebben over de omzendbrief die minister Geens heeft rondgestuurd. Daarin stelt hij dat als de veiligheid gegarandeerd is, er maar moet worden overgegaan tot erkenning. Dat de minister deze methodiek op punt wil stellen, is uiteraard een goede zaak, temeer omdat men dan eigenlijk impliciet toegeeft dat dit tot op de dag van vandaag niet het geval is.

Maar voor mij staat dat nog altijd los van de vraag of we al dan niet moeten overgaan tot erkenning, omdat veiligheid nu eenmaal slechts een van de criteria is vooraleer we tot erkenning kunnen overgaan. Feit is ook dat men de handhaving van de erkenningsvoorwaarden vandaag de dag niet kan garanderen. En dus had ik graag van de minister een reactie gehoord op de suggestie van minister Geens dat men maar moet overgaan tot erkenning nu de veiligheid gegarandeerd is of het onderzoek naar de veiligheid toch verbeterd is.

Dan heb ik nog een kleine voetnoot. Mijnheer Janssens, als het over die buitenlandse financiering gaat, verwijst u naar Oostenrijk. Daar heeft men inderdaad de buitenlandse financiering verboden. Op zich vind ik dat een goede zaak, voor alle duidelijkheid. De minister heeft dat ook bevestigd. Maar u moet dan ook de hele waarheid vertellen, collega Janssens. Daar heeft men dat namelijk verkregen in een akkoord waarin men ook heel wat toegevingen heeft gedaan aan de moslimwereld. Ik kan mij onmogelijk voorstellen dat u met al die toegevingen akkoord zou gaan, zoals islamitische feestdagen als officiële feestdag gaan erkennen enzovoort. Enkel die buitenlandse financiering eruit halen, is natuurlijk geen weergave van het volledige plaatje in Oostenrijk.

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, ik had ook nog een paar bijkomende vragen, maar u hebt er al proactief een antwoord op gegeven. Ik had onder andere de vraag welke onderzoeksinstelling uiteindelijk de opdracht gekregen heeft. Ik heb begrepen dat dat de Katholieke Universiteit Leuven is. U verwacht resultaat op 1 november van volgend jaar. Maar kunt u ook de precieze opdracht formuleren? Wij hadden die graag gekend.

Blijft u tot slot bij uw standpunt dat zolang het onderzoek niet is afgerond, u de lopende erkenningsdossiers niet verder behandelt? Wat wij vooral willen, is dat er vooruitgang komt in de zaak van de lopende erkenningsdossiers, zeker voor diegenen die al een go hadden gekregen van de Staatsveiligheid.

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Ik denk dat de omzendbrief-Geens een duidelijke en grote stap in de goede richting is. Het is overigens wel de omzendbrief-Geens, maar ik wil nog eens duidelijk zeggen dat de omzendbrief in samenwerking is gebeurd met de heer Jambon, de heer Van Overtveldt, de heer Vandeput en zelfs de heer Francken. Het is een samenwerking die boekdelen spreekt. Het is een goede stap voorwaarts. Men stelt de veiligheid op punt, met duidelijke informatiedoorstroming, kort op de bal spelen, en niet op één moment, maar in het continuüm.

U hebt bevestigd dat dat een grote stap voorwaarts is, maar wat is uw eigenlijke appreciatie ervoor, minister? Het is onvoldoende, zo heb ik ook in uw antwoord gehoord, om een aantal lopende erkenningsprocedures blijvend on hold te zetten totdat de studie die door u besteld is en blijkbaar door de KU Leuven zal worden uitgevoerd, er is. Die lopende procedures blijven dus on hold. Dat stelt u duidelijk. Wij betreuren dat een beetje. Het gaat ten eerste niet enkel over moskeeën, maar over alle geloofsgemeenschappen. Er zijn dus ook andere dossiers die op die manier een tijdje in de ijskast blijven. En ten tweede zijn er ook heel wat dossiers die merites hebben. Het is altijd jammer dat diegenen die beloond moeten worden omwille van goede praktijken en die alles volgens die erkenningscriteria doen, mee het slachtoffer worden van dit on hold zetten van de erkenningsprocedures.

Zoals dat in het leven gaat, verwachten mensen die de regels naleven, af en toe ook eens een complimentje of een schouderklopje. Dat blijft voor ons een punt. Kunnen we daar toch niet een zekere flexibiliteit aan de dag leggen om dossiers die overduidelijk in orde zijn, toch te bekijken? Overigens maken de resoluties van de commissie Radicalisering daar een belangrijk punt van, dat de erkenning van moskeeën veeleer een hulpmiddel is om tot een transparante ondersteuning van moskeeën te komen.

Minister, wat is uw globale appreciatie van die omzendbrief vanuit de Federale Regering? Ik maak uit uw antwoord op dat het voor u onvoldoende is om ook duidelijke dossiers, die volgens de regels worden toegepast, blijvend on hold te zetten. Uw standpunt blijft op dat vlak dus stabiel, om het in neutrale termen te formuleren.

Minister, het is nu bijna twee jaar dat er een beetje heen en weer gepolariseerd wordt tussen de Vlaamse en de federale overheid, maar ik denk dat niemand daar een boodschap aan heeft. U zegt dat het uw exclusieve bevoegdheid is, maar u bent afhankelijk van bepaalde adviezen. Ik begrijp heel goed dat u zegt dat veiligheid voor u prioritair is en dat u niet wilt dat er iets gebeurt, maar het is wel jammer dat we nu moeten horen dat er een onderzoek komt van één jaar, waarbij er dan gedurende een periode van drie jaar als het ware niets beslist wordt.

Door de hele polarisatie heb ik de indruk – ik hoop dat u dat niet bewust doet – dat de bevolking vindt dat een erkenning van een moskee iets negatiefs is, terwijl een erkenning die met een grondig onderzoek gebeurt, eigenlijk iets positiefs is, omdat er dan juist controle is en er door die controles ook geen garagemoskeeën ontstaan. De erkenning is dus net iets positiefs, en dat moeten we toch ook kunnen beklemtonen.

Bij de erkenning gebeurt het onderzoek relatief ernstig, zegt de Staatsveiligheid, maar anderzijds hebben ze met betrekking tot de evaluatie uitdrukkelijk gesteld dat ze daar geen tijd voor hebben. Dat is wel een groot probleem. We moeten die twee dingen toch kunnen scheiden? We hebben enerzijds de erkenning en anderzijds de evaluatie van de erkenning en de mogelijkheid tot intrekking. Ik denk dat dat tweede minstens evenveel aandacht verdient en dat de evaluatie van die erkenningen ook heel goed moet worden opgevolgd en dat er garanties moeten zijn.

De vraag is wie dan advies moet geven. Als u natuurlijk in conflict ligt met de federale overheid, en de ene zegt ‘ik geef mijn advies en u krijgt het dossier niet’, en daarop neemt u geen beslissing, dan wordt het allemaal een beetje moeilijk. Ik denk dat u dan misschien proactiever te werk had moeten gaan en op een andere manier uw adviezen inzake veiligheid zou kunnen inwinnen, misschien bij lokale politie, burgemeesters en zo meer – zij zijn immers het dichtst bij de moskeeën betrokken – om te zien hoe u niet alleen de erkenning, maar ook de intrekking meer op die veiligheid zou kunnen baseren.

Minister Homans heeft het woord.

Minister Liesbeth Homans

Er zijn veel vragen gesteld over andere, gelinkte onderwerpen, al had ik me daar wel aan verwacht.

Wat betreft de vragen naar wat het onderzoek juist gaat inhouden, stel ik voor dat ik het bestek overmaak aan de commissieleden. Zo kunnen jullie dat allemaal goed uitpluizen. Ik heb al gezegd dat het over de bestaande erkenningscriteria gaat. Zijn die voldoende? Weten alle betrokken actoren wat ze ermee moeten doen? Is de handhaving gegarandeerd? Ontbreken er criteria? De heer Janssens gaf twee voorbeelden: het verbod op buitenlandse financiering, en dat de imams enkel nog in erkende moskeeën door de overheid mogen worden gefinancierd. Dat zal ook worden meegenomen. Maar dat heb ik in april-mei ook al gezegd, mijnheer Janssens. En dank u om dit recht te zetten: het was geen idee dat eind augustus in Terzake werd gelanceerd, het kwam in deze commissie al verscheidene keren aan bod. Voorzitter, ik zal dus met uw goedvinden het bestek overmaken aan de secretaris.

Wat betekent dit nu concreet voor de lopende dossiers? Ik ben daarover altijd heel duidelijk geweest. Er zal geen enkele lokale geloofsgemeenschap nog worden erkend zolang er onduidelijkheid is. Het onderzoek gaat lopen vanaf 1 november. Momenteel is er ook totaal geen handhaving. Ik hoor wel graag dat het jammer is voor geloofsgemeenschappen die te goeder trouw zijn die hiervan het slachtoffer zijn – of het nu islamitische of protestantse of katholieke of orthodoxe of welke ook zijn. Van twee zaken één. De erkenning is een exclusieve Vlaamse bevoegdheid en zal dat ook blijven. Ik ben absoluut niet van plan om die bevoegdheid af te staan aan de federale overheid, ook al zijn er af en toe geluiden die het anders doen uitschijnen. Die geluiden zeggen dan: ‘Wij hebben positief advies gegeven en er is niets meer aan de hand en niets staat de erkenning nog in de weg.’ Dat ga ik dus absoluut niet doen, ik ben daar heel duidelijk over. Ik wil het allemaal grondig laten onderzoeken. Ik herhaal vandaag nog eens dat het niet de eerste keer is. Er zal in tussentijd geen enkele moskee of andere lokale geloofsgemeenschap nog worden erkend, want er kan ook niet worden gehandhaafd. Ik ga niet herhalen wat ik daarnet heb gezegd en wat ik de voorbije maanden al tot vervelens toe heb gezegd. Er is nagenoeg geen enkele betrokken actor die nog weet wat van hem wordt verwacht. Ik heb de vraag hier niet expliciet horen stellen, maar ik ga ze toch beantwoorden: ik ga geen compromissen sluiten op veiligheid en integratie. Dat doe ik niet.

Mijnheer Janssens, u kunt met uw hoofd schudden. Misschien doet u dat omdat u mij dat al vaak hebt horen zeggen. Ik zal u één voorbeeld geven. U weet wat er in de moskee van Diegem is gebeurd. Iemand – ik weet niet meer wie – heeft hier verwezen naar wat er in Barcelona is gebeurd. De imam die de spilfiguur bleek te zijn van de aanslagen van deze zomer in Barcelona, heeft verbleven in Diegem en heeft daar gepreekt in de moskee. Die imam is hier gedurende vermoedelijk een drietal maanden geweest in de periode juni 2016. Ik heb in februari 2017, zeven maanden later dus, een positief advies gekregen, met geen enkele vermelding van het feit dat die bewuste imam daar ooit is geweest. Ofwel weten de federale diensten niet dat die man daar meer dan drie maanden heeft gezeten en gepreekt in die moskee. Ofwel willen ze die informatie niet doorgeven. Het is het een of het ander. Ik heb mijn verantwoordelijkheid genomen – ik kom direct terug op die federale omzendbrief van minister Geens en aanverwante collega’s op het federale niveau.

Collega’s, stelt u zich voor dat ik de moskee in Diegem inderdaad had erkend. U weet dat er al een hele voorgeschiedenis is geweest van correspondentie tussen mij en het kabinet van minister Geens waarbij ik meer informatie wou en stelde dat wij zonder die informatie geen stap verder willen zetten in heel de procedure tot erkenning. Stelt u zich nu voor dat ik dat na het positief advies in februari had gedaan. Het advies stelde gewoon: ‘niets op te merken’, punt. En dan gebeuren jammer genoeg die aanslagen op de Ramblas in Barcelona.

Denkt u nu echt dat niemand van jullie hier aanwezig naar mij zou wijzen en vragen: ‘Minister, hoe komt het in godsnaam dat u een moskee hebt erkend op basis van een advies van februari 2017, en nu blijkt dat daar meer dan een halfjaar eerder een imam heeft gecirculeerd die de spilfiguur was bij die aanslagen? En u wist dat niet! Hoe hebt u in godsnaam zo’n onverantwoorde beslissing kunnen nemen?’ En dan sluit ik mijnheer Janssens nog even uit omdat ik er zeker van ben dat hij dat wél zou doen. En terecht, mijnheer Janssens. Ik denk dat veel collega’s hier die redenering zouden hanteren. En terecht.

Als wij adviezen of informatie krijgen van de federale overheid en meer bepaald van minister Geens, die in dezen bevoegd is, heb ik altijd gezegd dat we te weinig informatie krijgen. Als nu op het federale niveau wordt beslist om in een omzendbrief de rol van de verschillende federale overheidsdiensten – Defensie, de Dienst Vreemdelingenzaken, het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging (OCAD), de Staatsveiligheid – duidelijker te omschrijven en ervoor te zorgen dat al die instanties en organisaties veel beter met elkaar gaan samenwerken voor het advies aan ons – maar niet alleen aan mij maar ook aan Brussel en Wallonië – moet worden bezorgd in het kader van een eventuele erkenning, dan kan ik dat alleen maar toejuichen. Dat vind ik natuurlijk een goede zaak. Maar sta me toe om te zeggen dat dit aantoont dat ik het altijd bij het rechte eind heb gehad. Ik vind het positief dat ze nu meer informatie willen verzamelen. Dat bewijst dat ze zelf toegeven, of dat minister Geens toegeeft, dat de adviezen in het verleden niets of weinig om het lijf hadden.

Collega’s, daaruit de conclusie trekken dat niets nog de erkenning van een moskee of een lokale geloofsgemeenschap in de weg kan staan, is de wereld op zijn kop. Er is inderdaad het advies van de federale minister van Justitie dat ik moet krijgen. Dat advies zal nu beter worden gefundeerd. Dat is een zeer goede zaak. Maar dat is slechts een eerste, kleine stap in heel de procedure van erkenning die nog moet volgen. U weet dat de erkenning onze exclusieve bevoegdheid is. Er moet worden voldaan aan onze Vlaamse erkenningscriteria. Dat is dus maar één stap.

Voorzitter, ik rond af met wat ik in mijn initiële antwoord over het onderzoek heb gezegd: allerlei zaken zullen heel grondig onder de loep worden genomen. Dat zal heel professioneel gebeuren door de KU Leuven. Ondertussen wordt geen enkele lokale geloofsgemeenschap erkend. En als mij wordt gevraagd om toch de lopende dossiers af te handelen – het werd mij niet expliciet gevraagd maar de suggestie werd toch gedaan – dan mogen en kunnen wij, onder het mom van veiligheid en integratie, absoluut geen compromissen sluiten.

De heer Janssens heeft het woord.

Minister, ik begin met een opmerking in de marge. U betrekt er altijd op een redelijk kunstmatige manier de andere geloofsgemeenschappen bij. We hebben de voorbije maanden en jaren vastgesteld dat er een probleem is met radicalisering in de moslimgemeenschap en niet met de andere religies. Als u nu zegt dat we geen andere lokale geloofsgemeenschappen meer gaan erkennen, dan laat ik dat voor uw rekening. We stellen vast dat de problemen vooral in de islamitische gemeenschap zitten en niet in de andere geloofsgemeenschappen.

Dat er iets schort met de uitwisseling van informatie over moslimradicalisering tussen de verschillende diensten en overheden in dit land, daarvan moet u mij niet overtuigen. Dat is ook gebleken uit de praktijk de voorbije maanden. Men zegt nu dat het opgelost zal zijn door de erkenningsvoorwaarden aan te scherpen, want erkenning houdt ook in dat we beter kunnen controleren. Ik zal in deze commissie mezelf ook eens herhalen: ik heb al vaker gezegd dat de erkenning niet per se betekent dat er een betere controle is. Denk aan De-Koepel moskee, waarvan een imam destijds, weliswaar nog tijdens de vorige legislatuur, vertrokken is om de rangen van IS te vervoegen. Dat is een moskee in Antwerpen die toen erkend was en dat nog altijd is.

Wat de financiering betreft, heb ik vooral naar Oostenrijk verwezen, mevrouw Sminate, niet om te pleiten voor een copy-paste van de regelgeving die daar in voege is, maar alleen maar om aan te geven dat een verbod op buitenlandse financiering wel degelijk mogelijk is. Er zijn geen praktische, juridische of andere bezwaren. We moeten in dit land gewoon een verbod op buitenlandse financiering instellen omdat het kan. Dat bewijst men ook in Oostenrijk. Er zijn in dit land door alle partijen behalve de mijne al te veel toegevingen aan de islam gedaan. Dat zal ik uiteraard in deze commissie ook al wel gezegd hebben.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.