U bent hier

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Voorzitter, mijn uiteenzetting zal een samenvatting zijn van de schriftelijke neerslag van mijn ingediende vraag. De aanleiding van de vraag is het versturen van de omzendbrief naar vergunningverlenende overheden en diensten van het gewest, provincies, steden en gemeenten en het versturen in augustus van een handleiding bij deze omzendbrief. De bedoeling was blijkbaar om een ongerustheid weg te nemen.

Wat de omzendbrief zelf betreft, was het de bedoeling om nieuwe principes en uitgangspunten op te lijsten die moeten gelden bij de opmaak van ruimtelijke plannen en bij de beoordeling van vergunningsaanvragen. De leidraad voor iedereen zijn uiteraard de principes van het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.

In de omzendbrief maakt u een onderscheid tussen bebouwd en onbebouwd gebied en worden de richtlijnen opgesomd die de vergunningsverleners moeten hanteren. Wat betreft de beschrijving en de richtlijnen bebouwd en onbebouwd gebied, veronderstel ik dat de collega's die dit dossier volgen en straks het woord zullen nemen, dit gelezen hebben. Er zijn toch een aantal conclusies of misschien gevolgen verbonden aan deze omzendbrief.

Er zijn tal van reacties geweest. Ik som er enkele op. In plaats van verduidelijking zorgde deze omzendbrief vooral voor verwarring en onbegrip bij diverse actoren. Er waren scherpe reacties van ruimtelijke planners, lokale besturen en diverse andere actoren zoals de Vlaamse Confederatie Bouw, de Verenigde Eigenaars en Voka. Er was de kritiek dat er rechtsonzekerheid werd gecreëerd voor eigenaars van gronden. Er was de kritiek dat er een waardedaling zou zijn voor gronden. Er is vaagheid en onduidelijkheid over de begrippen bebouwd en onbebouwd. Er is de vraag over de wettelijkheid van de omzendbrief omdat er nieuwe juridische termen in worden gebruikt zonder dat er een decretale grondslag is.

Deze omzendbrief is in feite ook een nieuwe regeling voor bestemmingen van gronden ten aanzien van de gewestplannen uit de jaren 70. De kritiek is ook dat de omzendbrief de voorraad bouwgrond drastisch zal beperken, waardoor de prijzen sterk zullen stijgen. Dit is het alom gekende vraag- en aanbodprincipe. Er is veel verwarring over het al dan niet uitvoeren van een vooraf grondig onderbouwde behoefte- en voorzieningsstudie: wie, waar, wanneer? Er is ook ongenoegen over de eventuele bijkomende kosten van een woonbehoeftestudie. Dit is een opsomming van een aantal kritieken die er gekomen zijn na het versturen van de omzendbrief.

Minister, er is niet alleen de kritiek vanuit diverse belangengroepen, er is ook de kritiek van uw coalitiepartners. Ik weet, en u weet, dat u al drie jaar lang de favoriete schietschijf bent van Open Vld en zeker ook van de N-VA. Ik hoef niet te verwijzen, collega Vandaele, naar de dossiers over de instandhoudingsdoelstellingen, over de poldergraslanden en over de boskaart. Zo zijn er nog een aantal. Nu hebben we dit opnieuw.

Om dit te staven, wil ik een paar citaten geven van enkele collega’s. Collega Ronse: “Haar aanpak van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen is tragisch te noemen (…).” “De omzendbrief van de minister staat haaks op de politieke consensus die wij hebben.” Mevrouw Peeters: “Het is toch vreemd dat er een handleiding komt bij een omzendbrief (…).” “Er staan nieuwe juridische termen in die brief (…). Dat mag niet daarvoor is wetgeving nodig. De minister moet toegeven dat dit een slechte omzendbrief is en dat hij opnieuw moet worden geschreven.” Collega Ronse: “We geven haar nog de kans om te argumenteren, maar zouden liever zien dat het initiële traject naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen zou worden gevolgd.” Dat zijn maar een paar citaten van enkele collega's, meestal dezelfde, uit uw meerderheid, die u toch wel hard aanpakken.

Niet toevallig vandaag bent u naar de pers gestapt met een aantal voorstellen om de kritiek te counteren. Eigenlijk is dat niet zo fair ten aanzien van ons, vraagstellers, minister. Maar dat is natuurlijk het politieke spel.

Minister, bent u het ermee eens dat over deze omzendbrief bij diverse actoren verwarring en onduidelijkheid is ontstaan? Heeft deze omzendbrief inderdaad opnieuw voor rechtsonzekerheid gezorgd? Kunt u de begrippen ‘bebouwd’ en’ onbebouwd’ verduidelijken? Wat bedoelt u met ‘aaneengesloten’ en ‘niet-aaneengesloten’ omgeving? Wat is de juridische waarde van deze omzendbrief? Is deze omzendbrief wettelijk of niet? Hoe reageert u op de kritiek van de Verenigde Eigenaars, Voka en de Vlaamse Confederatie Bouw? Wat was de uiteindelijke bedoeling van de handleiding bij de omzendbrief, verstuurd in augustus? Een omzendbrief is eigenlijk bedoeld om een interpretatie van de wet toe te laten. Met het versturen van een handleiding in augustus geeft u dus eigenlijk toe dat uw omzendbrief niet zo duidelijk was. Een politieke vraag: is er voorafgaand overleg geweest met de coalitiepartners over deze omzendbrief? Hoe reageert u trouwens op de forse kritiek van uw coalitiepartners? Algemeen: minister, hoe gaat u persoonlijk om met het reeds drie jaar lang gebash ten aanzien van uw persoon door uw coalitiepartners? Met andere woorden, voelt u zich als minister nog gesteund door uw coalitiepartners?

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Voorzitter, collega's, in tegenstelling tot de heer Sintobin ga ik geen bloemlezing geven van kritieken, noch de minister benoemen als een schietschijf. We mogen in deze commissie in alle openheid discussiëren over zaken die deze commissie aanbelangen. Daarom heb ik eveneens een vraag om uitleg ingediend rond de omzendbrief Ruimtelijke Transitie zoals die op 7 juli ter kennisgeving werd meegedeeld aan de Vlaamse Regering.

Minister, ik steek niet onder stoelen of banken dat ik heel wat vragen heb bij deze omzendbrief. Daarom komt hij ook aan bod in deze commissie. U hebt zelf op uw website aangegeven dat deze omzendbrief de principes van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen moet verduidelijken aan vergunningverleners.

U zegt ook: “In de aanloop naar de definitieve goedkeuring van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen wil ik de wetgeving ruimtelijke ordening door een hedendaagse bril laten lezen.” We weten allemaal dat een omzendbrief geen nieuwe juridische begrippen kan introduceren, dat een omzendbrief geen decreten kan wijzigen en dat een omzendbrief geen nieuwe begrippen en rechtsgevolgen kan introduceren. Daarvoor moet er nog altijd eerst een voorafgaand werk gebeuren. U geeft zelf aan dat de omzendbrief een interpretatief en een geleid, sturend karakter heeft. Ik moet wel meegeven dat over de definities van bebouwd gebied zoals ze zijn opgenomen in deze omzendbrief – ik denk toch dat het belangrijk is dat we deze even meegeven – we lezen: “Een bebouwd gebied is een voldoende compact en samenhangend geheel van gebouwen voor wonen en werken en van infrastructuren, dat duidelijk identificeerbaar is in de ruimte en dat een hoge leefkwaliteit biedt door de eenvoudige aansluiting of aansluitbaarheid op maatschappelijke functies.” Bebouwd gebied bestaat uiteraard in de stad maar evenzeer in de dorpskernen in landelijke omgevingen.

Verder lezen we dat alle andere gebieden gecategoriseerd worden als onbebouwd gebied. We lezen dan dat geïsoleerde, versnipperde en uitwaaierende bebouwingsvormen die geen compact of samenhangend geheel uitmaken, niet verhinderen dat het gebied waarin deze gelegen zijn, als onbebouwd gedefinieerd kunnen worden. Dat staat met zoveel woorden in deze omzendbrief. Nadien worden in de omzendbrief ook rechtsgevolgen gekoppeld aan de differentiatie tussen enerzijds onbebouwd gebied en anderzijds bebouwd gebied. Voor onbebouwd gebied moet er voorafgaandelijk een voorzieningen- en behoeftestudie worden opgemaakt.

Nu kom ik tot de kern van het probleem. In de reacties in de pers hebt u aangegeven dat onbebouwd gebied alleen datgene is wat natuur- of landbouwgebied is. Als men daar iets wil ontwikkelen, moet er voorafgaandelijk een studie worden opgemaakt, zo las ik het alleszins in de persberichten. Maar als ik dan opnieuw kijk naar de definitie van onbebouwd gebied, dan wordt alles wat buiten een stedelijk gebied ligt, wat buiten een kern ligt die al dan niet moet worden geselecteerd door een lokaal bestuur, wat buiten een overige woonconcentratie ligt, beschouwd als onbebouwd gebied.

Ik bekijk dat nu specifiek naar mijn eigen gemeente. Wij hebben bij de opmaak van ons eigen structuurplan heel duidelijk een aantal woonkernen geselecteerd. Maar ik kan u ook meegeven dat ik buiten deze woonkernen heel wat woongebieden heb liggen. Ik heb ook een aantal bedrijventerreinen liggen buiten de bestemming ‘bedrijven’, maar die zijn nadien door een ruimtelijk uitvoeringsplan via een planologisch attest geregulariseerd. Al die dingen vallen volgens deze definitie in onbebouwd gebied. Als ik daar straks een braakliggende kavel heb liggen, dan zou ik voorafgaandelijk, opnieuw volgens deze omzendbrief, een grondige behoefte- en voorzieningenstudie moeten maken. Ik blijf van oordeel dat dit niet kan en dat men geen bijkomende rechtsfiguren kan creëren met een omzendbrief. Mijn vraag aan u is dan ook heel duidelijk: wilt u met deze omzendbrief echt een volledige differentiatie doorvoeren tussen enerzijds onbebouwd gebied en anderzijds bebouwd gebied? Vallen daarmee alle bestemmingen zoals ze zijn opgenomen in het gewestplan, weg? Want in het onbebouwd gebied kan zowel woongebied als industriegebied als recreatiegebied liggen. Dat laat de definitie alleszins toe.

Ik heb begrepen via de nieuwsbrief van de VVSG dat er nadien een onderhoud is geweest met de VVSG en dat u aan de VVSG zou hebben meegedeeld dat er een handleiding komt op deze omzendbrief. Op zich vind ik dat ook wel vreemd. Volgens de heer Sintobin zou die handleiding al verschenen zijn. Ik denk niet dat die er al is, maar alleszins dient een omzendbrief om een decreet te verduidelijken. Het is toch vreemd dat er op iets dat iets moet verduidelijken, met name die omzendbrief, nadien nog eens een verduidelijking moet komen, en wel via een handleiding.

Minister, u zult straks wel meer kunnen zeggen over wat die handleiding precies inhoudt.

Verder wil ik me aansluiten bij wat de heer Sintobin zegt in verband met de opmerkingen die zijn gemaakt door de Verenigde Eigenaars, de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) en Voka, die heel wat bedenkingen hebben rond deze omzendbrief.

Minister, ik kom tot mijn vragen. U verwijst in deze omzendbrief naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV) en naar de codextrein: twee elementen die nog niet zijn goedgekeurd in het Vlaams Parlement en dus eigenlijk niet de wettigheid van deze omzendbrief kunnen ondersteunen. Brengt dit de wettelijkheid niet in het gedrang?  Omdat een aantal experten twijfels hebben over de wettigheid van deze omzendbrief, stel ik u de vraag of u denkt dat deze nieuwe omzendbrief de wettigheidstoets bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en de Raad van State kan doorstaan.

Waar haalt u het, alleszins in de citaten die in de pers zijn opgenomen, dat deze omzendbrief inzake onbebouwd gebied zich beperkt tot natuur- of landbouwgebieden, terwijl de definitie toch een andere omschrijving geeft? Waarom kwam deze omzendbrief er, terwijl het eigenlijk wachten was op de beleidskaders en op de aanpassingen aan de Codex Ruimtelijke Ordening? Wil dit nu zeggen dat die beleidskaders er niet moeten komen en dat die omzendbrief er in de plaats is gekomen? Ik hoop alleszins van niet.

Inzake zonevreemde constructies houdt u een pleidooi voor een strenge beoordeling rond nieuwe bedrijfsmatige functies in landbouwloodsen en geeft u aan dat verkrotte constructies niet in aanmerking komen voor hergebruik. Dat komt alleszins naar voren alsof er een strengere definitie komt rond zonevreemde constructies, waarbij we ons opnieuw de vraag stellen of dit kan buiten het decreet om. Gezien de kritieken van de VVSG, VCB en de Verenigde Eigenaars stel ik me de vraag of er voorafgaandelijk advies werd ingewonnen bij de VVSG, bij de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed (SARO) en eventueel ook bij de Vlaamse Bouwmeester en of er ook adviezen voorhanden zijn van de administratie van het Departement Omgeving.

Een volgende vraag heeft specifiek betrekking op de handleiding zoals ze werd aangekondigd in de nieuwsbrief van de VVSG, of de RONET. Daarin zegt men dat er een handleiding komt om een en ander te verduidelijken. Wat wil men dan specifiek in die handleiding opnemen? Wanneer mogen we deze verwachten?

Er is een rondvraag gebeurd bij een aantal gemeentebesturen over de toepassing van deze omzendbrief, want deze omzendbrief is natuurlijk wel bindend voor vergunningverlenende overheden zoals lokale besturen, provinciale besturen en de Vlaamse overheid. Wordt deze op dit ogenblik toegepast? Hoe zult u er in de toekomst voor zorgen dat er een correcte informatie komt naar de bevolking en ook naar de lokale besturen om zodoende rechtsonzekerheid tegen te gaan?

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Voorzitter, dank aan de collega's om mijn vraag al wat te duiden en in te leiden. Voorzitter, minister, we zijn al een heel traject aan het afleggen met deze commissie op Vlaams niveau rond ruimtelijke ordening via dat fameuze witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Het BRV is een magisch plan, is een ambitieus plan, is een programma waar wij als fractie helemaal achter staan en waar we al bijna 50.000 hectare aan harde bestemming omvormen in zachte bestemming, waar we onze open ruimte mee vrijwaren en waar we ingaan op verdichting en zo meer. Daar staan wij heel hard achter.

We hebben deze legislatuur wel al gemerkt in verschillende dossiers dat het een porseleinwinkel is. Elke uitspraak, elke stap die wordt gezet rond dat dossier, wordt door heel veel geledingen gezien als: ‘ze gaan onze grond afpakken’, ‘ze gaan onze waarde afpakken’. Elke stap die u zet in de commissie is al zwaar becommentarieerd geweest en zwaar bediscussieerd geweest.

We moeten hier zeer omzichtig mee omgaan. In die zin heb ik de omzendbrief een beetje tragisch genoemd. Het gaat om wat in de omzendbrief staat. Het metaverhaal van de omzendbrief betreft het bebouwd gebied en het onbebouwd gebied. Dat is de filosofie die in het BRV staat. Ik vermoed en hoop dat heel de commissie zich achter deze filosofie schaart. Gezien de reacties die hij heeft teweeggebracht, is de vraag dan natuurlijk of de omzendbrief nodig was.

Mevrouw Peeters en de heer Sintobin hebben al gevraagd of dit echt juridische termen zijn. Kunnen de ruimtelijke planners op basis van verwijzingen naar bebouwd en onbebouwd gebied beslissen of er een behoeftestudie moet komen? Kan dat worden aangevochten? Biedt dit rechtszekerheid?

Verder wekt de omzendbrief op zijn minst de indruk dat door de omzendbrief de rechten van de eigenaars van bepaalde terreinen met harde bestemmingen, zeker in onbebouwde gebieden, zouden kunnen worden beperkt. De omzendbrief kan die indruk wekken. De vraag is of we niet beter op het Instrumentendecreet zouden wachten. Dat decreet zal voorzien in alle compensaties. Er is een brede politieke consensus om alles wat we met betrekking tot het BRV doen, te doen op basis van een breed gedragen kader met betrekking tot de compensaties. Dit kader is het Instrumentendecreet, dat vandaag toevallig in de pers is aangekondigd.

Minister, wat mijn fractie betreft, luidt de conclusie dat de filosofie van de omzendbrief goed is. Het metaverhaal sluit hierbij aan. De vraag is echter of de omzendbrief niet het tegenovergesteld effect zal hebben van wat wordt beoogd. Kunnen we niet beter ten gronde kijken naar het traject dat u vandaag hebt gelanceerd, namelijk het Instrumentendecreet, om na te gaan hoe we dit kunnen invullen en hoe we kunnen herbestemmen? Dat is eigenlijk mijn centrale vraag, maar ik heb die vraag in vijf deelvragen opgesplitst.

Ten eerste, op welke wijze is de omzendbrief tot stand gekomen? We hebben enkel weet van een kennisname door de Vlaamse Regering. Hoe is dat gebeurd? Binnen welk kader moeten we dit bekijken? Is het uw bedoeling om, in afwachting van het BRV, al een deel van het beleid te realiseren?

Ten tweede, ik wil dezelfde vraag stellen als de andere vraagstellers. Zijn de begrippen ‘bebouwd’ en ‘onbebouwd’ duidelijk genoeg om lokale bestuurders en investeerders een rechtszeker kader te bieden? Zijn die begrippen juridisch voldoende afgedekt?

Ten derde, wat is de verhouding tussen de nieuwe omzendbrief en de bestaande omzendbrief met betrekking tot de gewestplannen?

Ten vierde, is de omzendbrief in overeenstemming met de bepalingen in het RSV, dat nu nog steeds de referentie voor het Vlaams ruimtelijk beleid vormt?

Ten vijfde, hoe rijmt u de omzendbrief met de vernieuwde ruimtelijke principes met betrekking tot verweving, verdichting en multifunctionaliteit in het witboek? Die laatste vraag is uiteraard een binnenkoppertje.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Mijnheer Sintobin, om uw bezorgdheid weg te nemen, zal ik een aantal zaken verduidelijken. U hoeft zich geen zorgen te maken om mijn mentale gezondheid. De Vlaamse Regering heeft het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen goedgekeurd. Ik voel me helemaal gesterkt door de coalitiepartner. Ik ben ervan overtuigd dat het iedereen in de meerderheid menens is om iets te doen aan de verdere inname van de open ruimte. We moeten iets doen aan het feit dat elke dag zes hectare wordt ingenomen. Dat zit snor.

Ik stel tevens vast dat de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in het Vlaams Parlement al in een vergevorderd stadium zit. Die codex bevat een aantal zeer belangrijke kapstokken om het beleid op het terrein te kunnen invullen. Het bevat tevens de juridische basis om het BRV nadien definitief te kunnen goedkeuren.

Mijnheer Sintobin, ik maak me geen zorgen om de omzendbrief. Volgens u zijn de andere partijen het hiermee niet eens. De omzendbrief is echter, zoals het ook moet, in alle transparantie aan de Vlaamse Regering meegedeeld. Er zijn geen opmerkingen geformuleerd. Alle leden van de meerderheid in de Vlaamse Regering hebben er kennis van kunnen nemen.

Ondertussen hebben we uiteraard niet stilgezeten. We maken werk van de beleidskaders in het BRV. We wachten natuurlijk ook op de rechtsgrond. Het Instrumentendecreet ligt eveneens op tafel. Ik heb al vaak gehoord dat iedereen binnen de meerderheid er absoluut mee akkoord gaat dat met betrekking tot de ruimtelijke ordening de grote strategische beleidskaders op het niveau van de Vlaamse overheid worden uitgetekend, maar dat we ook vertrouwen hebben in en heel wat verantwoordelijkheid geven aan de lokale besturen. Zij moeten de goede plaatselijke ruimtelijke ordening toetsen.

Volgens mij gaan sommigen voorbij aan dit aspect. We moeten vertrouwen hebben in de lokale besturen. Zij hebben bepaalde inzichten en kunnen op dat vlak flexibel zijn. Ze kunnen invulling schenken aan een aantal bepalingen. Het is in die zin dat de omzendbrief moet worden gelezen.

De bedoeling van de omzendbrief is de lokale besturen binnen het bestaande juridische kader een aantal kapstokken aan te reiken. Indien ze aan de slag willen gaan, kunnen we de open ruimte nu al gedeeltelijk vrijwaren. Dat is de filosofie achter de omzendbrief. Er zijn veel mensen die achter het principe staan dat we iets moeten doen aan de inname van 6 hectare open ruimte per dag. Tegen 2040 moet dit nul worden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat we daar nu al een begin mee moeten maken. Het is een goede zaak dat we een kader aanreiken.

Er is me tevens gevraagd wie de omzendbrief heeft opgesteld en hoe de omzendbrief tot stand is gekomen. Het departement heeft een expert aangesteld. De heer Francis Charlier heeft op alle niveaus bijzonder veel expertise op het terrein. Hij heeft de pen vastgehouden. Natuurlijk is er binnen de verschillende diensten heel wat overleg hierover gepleegd.

Wat de bedoeling van de omzendbrief betreft, heb ik net al vermeld dat we de vergunningenverleners binnen het bestaande kader kapstokken willen aanreiken. Indien ze dit graag doen, kunnen ze hiermee aan de slag gaan.

Het betreft een interpretatieve omzendbrief waarin geen nieuwe regelgeving is opgenomen. Een omzendbrief bevat instructies over de wijze waarop de bestaande regelgeving wordt gehanteerd, toegepast en geïnterpreteerd. Zoals steeds in het geval van de verlening van vergunningen, is er altijd nog wat ruimte om hier lokaal mee aan de slag te gaan.

Dit betekent uiteraard dat de bestaande woongebieden blijven. Ook de bestaande industriegebieden behouden hun bestemming voor bedrijvigheid. De omzendbrief gaat uit van het principe van de duurzame ruimtelijke ordening. Dat staat trouwens ook verwoord in het RSV en in het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Het gaat om een bundeling en concentratie van wonen en werken. We creëren ruimtelijke condities voor de verbetering van het collectief vervoer. Er komt een gedeconcentreerde bundeling. De omzendbrief bevat handvatten om de beleidskeuzes die in het RSV vermeld staan, te realiseren. Zoals iedereen in de meerderheid collectief heeft onderschreven, gaat het om rendement, verweving, verdichting en multifunctionaliteit.

De omzendbrief bevat een verwijzing naar het witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen en naar de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Die verwijzingen geven de context weer. Het spreekt voor zich dat dit nog geen bindend regelgevend kader is. Een omzendbrief kan de wet- of regelgeving niet veranderen. Dat is nooit de bedoeling geweest.

Het gedifferentieerd beleid dat in de omzendbrief omschreven staat, vindt zijn juridische verankering in het principe dat in de bestaande Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vervat zit. Artikel 1.1.4. heeft betrekking op de duurzame ruimtelijke ontwikkeling. De omzendbrief geeft een richting aan om te voorkomen dat natuur- en landbouwgebied nog verder voor woningen en voor bedrijven wordt aangesneden.

Ik heb net toegelicht hoe de omzendbrief tot stand is gekomen. De omzendbrief is aan de Vlaamse Regering meegedeeld. Mijn diensten hebben met de Vlaamse Bouwmeester overlegd. Ik weet dat hij achter de omzendbrief staat. Hij is niet officieel om een advies gevraagd, maar hij is het hier absoluut mee eens.

Na de mededeling van de omzendbrief is tevens overleg gepleegd met Voka, de Unie van Zelfstandige Ondernemers (UNIZO), de Vlaamse Confederatie Bouw (VCB) en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). Ik heb de ruime sector gisteren nog gesproken. Er is enthousiasme over de omzendbrief.

Het is natuurlijk zo dat vrij snel een bepaalde sfeerschepping is ontstaan. Een aantal organisaties zijn daarop gesprongen. Nu ze de omzendbrief allemaal grondig hebben gelezen, heb ik de indruk dat er op dit ogenblik tevredenheid is. De omzendbrief biedt heel wat oplossingen voor wat op het terrein kan gebeuren.

Dan is er de hele discussie over het onbebouwd gebied en het bebouwd gebied. De term ‘onbebouwd gebied’ slaat op het idee dat gebieden niet verder worden bebouwd om de open ruimte te vrijwaren. Dit houdt niet in dat er geen gebouwen zijn, maar wel dat deze de aaneengesloten open ruimte versnipperen in een gebied waar we de open ruimte net centraal willen stellen. De concrete invulling hiervan gebeurt natuurlijk gedeeltelijk lokaal. Het is net de bedoeling van de ruimtelijke ordening en van de vergunningenverlening dat de lokale besturen dit zelf invullen. Ze moeten de situatie bekijken en daarmee aan de slag gaan. Goedgekeurde verkavelingen en individuele kavels in woongebieden die in onbebouwd gebied gelegen zijn, worden niet gevat door de vereisten inzake behoefte- en voorzieningenstudies. Ze vallen immers niet onder het begrip ‘nieuwe ontwikkelingen’.

Zoals onderzoek heeft aangetoond, leiden een aantal elementen van de huidige omgang met de wetgeving inzake zonevreemde constructies tot een verdere versnippering van de open ruimte. Dit staat haaks op de principes van het RSV en van het witboek. Om de nodige ruimte te bieden aan natuur, landbouw en water is het belangrijk dat we de onbebouwde gebieden in Vlaanderen zo veel mogelijk vrijwaren.

Iemand heeft me gevraagd hoeveel landbouwloodsen en verkrotte constructies er zijn. Die gegevens heb ik niet. Er is geen systematische lijst. Ik kan daar geen antwoord op formuleren.

Wat de voortoets en de passende beoordeling betreft, wil de bepaling in de omzendbrief uitvoering geven aan het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Dit staat natuurlijk los van de omzendbrief uit 2015 die het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie kent. Hierin wordt gevraagd om, los van de speciale beschermingszones, bij de behandeling van vergunningsaanvragen voor wonen en werken aandacht voor de natuur te hebben. Dit is geen verzwaring van de aanvraagprocedure.

Sinds de invoering van de zorgplicht in artikel 16 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, waarover we in deze commissie al een paar keer hebben gediscussieerd, is het de taak van de vergunningverlenende overheid om in het licht hiervan voldoende aan te geven waarom ze bij het verlenen van de vergunning van oordeel is dat geen vermijdbare schade aan de natuurwaarde kan ontstaan. Aangezien in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een artikel 4.3.3. is opgenomen, geldt dit hier ook. Indien uit een verplicht in te winnen advies blijkt dat de vergunning strijdig is met de direct werkende normen in andere beleidsvelden, kan de vergunning door dit artikel worden gevat.

Wat de relatie betreft tussen de nieuwe omzendbrief en de bestaande omzendbrief over de gewestplannen, is in de omzendbrief over de gewestplannen geen gebiedsgerichte differentiatie opgenomen. In deze omzendbrief is dit wel het geval. Volgens mij is een dergelijke gebiedsgerichte differentiatie essentieel indien we willen voldoen aan artikel 1.1.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en aan de visie die in het RSV en in het toekomstig BRV wordt geformuleerd.

Een aantal mensen blijven refereren aan de onduidelijkheid. Ik herhaal dat we verder bouwen op de bestaande regelgeving. Ik heb al een paar keer artikel 1.1.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening aangehaald. De begrippen ‘bebouwd’ en ‘onbebouwd’ moeten uiteraard geval per geval worden beoordeeld. Daarbij moet rekening worden gehouden met omgevingsfactoren. In de eerste plaats geldt dat het begrip ‘bebouwd gebied’ termen als ‘stedelijk gebied’ en ‘buitengebied’ overstijgt. Zowel in stedelijke gemeenten als in landelijke gemeenten kan een bebouwde context bestaan.

In de bebouwde gebieden worden tal van mogelijkheden verduidelijkt. In alle bebouwde gebieden kan binnen een flexibel kader worden gewerkt. Kwalitatieve en duurzame maatschappelijke of pps-ontwikkelingen kunnen afwijken van belemmerende voorschriften die nu, bijvoorbeeld, de verdichting niet toelaten. Daar is zeer veel vraag naar. Hier is veel tevredenheid over. Ik heb gisteren uitgebreid overleg gepleegd. De ruime sector is zeer tevreden dat de omzendbrief die mogelijkheden vervat.

Zo kan, bijvoorbeeld, worden afgeweken van belemmerende voorschriften ten behoeve van een nieuwe complex voor woonzorgassistentiewoningen, voor sportvoorzieningen, voor educatieve voorzieningen, voor culturele activiteiten en voor de pps-reconversie van oude bedrijventerreinen. De omzendbrief bulkt van de mogelijkheden om op een creatieve wijze met de ruimte om te gaan. In de bebouwde gebieden moet geen behoeftestudie worden uitgevoerd voor, bijvoorbeeld, de planologische omzetting van een verouderd bedrijventerrein of een oud schoolterrein naar een zone voor gemengde ontwikkeling. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de kansen die hierin zitten.

In de onbebouwde gebieden willen we natuurlijk verstandig omspringen met de schaarse open ruimte in Vlaanderen. Nieuwe harde ontwikkelingen voor woon- en werkfuncties in agrarisch of groen gebied door middel van een RUP of slecht gelegen woonuitbreidingsgebieden zijn in de context van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening nu al niet evident. Ze voldoen niet aan de vooropgestelde duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Dat betekent dat alternatieven moeten worden overwogen. Volgens mij zit dat eigenlijk al vervat in de regelgeving met betrekking tot de milieu-effectenrapportage.

Rechtszekerheid en eigendomsrechten zijn zeker niet in tegenspraak met wat ik daarnet heb geschetst. De omzendbrief voorziet zelfs in een belangrijke soepelheid en in een lokale toets.

Wat de communicatie van de VVSG betreft, denk ik dat er wat verwarring is ontstaan. Er is overleg met de VVSG geweest. De VVSG heeft eigenlijk in positieve zin gecommuniceerd en heeft verklaard dat op de website verduidelijking zou verschijnen. De context die ik hier heb geschetst, zal op de website komen. Eigenlijk is het de bedoeling om op de website concrete lokale voorbeelden te geven van manieren om met de omzendbrief aan de slag te gaan. Dat is ook zo met de VVSG afgesproken. Door middel van concrete cases kunnen we van elkaar leren. Dat is wat met de VVSG is afgesproken. Het lijkt me een zeer goede zaak daar op deze wijze mee om te gaan.

Indien we een nieuwe stap zetten in de afremming van de verdere inname van de open ruimte, komt er altijd veel reactie. Dat ligt gevoelig. We willen de open ruimte beschermen en we zullen daar iets aan doen. We moeten dan ook de moed hebben binnen de bestaande mogelijkheden zo snel mogelijk een aantal belangrijke stappen te zetten. De omzendbrief moet in die zin worden gelezen. Nogmaals, het betreft geen aanpassing of wijziging van de bestaande regelgeving. Binnen de bestaande context bieden we de lokale besturen en de andere vergunningverlenende instanties handvaten en mogelijkheden aan hiermee op het terrein om te gaan.

Dit bevat zeer veel kansen. Het zou jammer zijn dat al die mogelijkheden op het terrein zouden verdwijnen door een bepaalde sfeerschepping of door het creëren van een flou artistique. Ik ben er dan ook van overtuigd dat het een goede zaak is dat de omzendbrief er is.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Mevrouw Peeters, ik heb absoluut geen probleem met een grondig debat in de commissie. U zult het met me eens zijn dat u en de heer Ronse enkele zaken op het scherp van de snee hebben verteld.

Mijnheer Ronse, u hebt over een porseleinwinkel gesproken. Ik heb soms de indruk dat u de olifant bent, maar dat laat ik even buiten beschouwing.

Minister, ik ben blij dat het goed gaat met uw geestelijke gezondheid. Tijdens uw antwoord heb ik geprobeerd op de lichaamshouding van de twee andere vraagstellers te letten. U hebt gesteld dat de coalitiepartners in de Vlaamse Regering op de hoogte waren van de verzending en de inhoud van de omzendbrief, maar dat hierop geen enkele opmerking is gekomen.

Misschien kunnen de collega’s daar straks op reageren.

Ik stel ook vast dat u, en misschien terecht, wat verantwoordelijkheid legt bij het lokale niveau en dat men case per case moet bekijken. Dat is een goede zaak. De filosofie is dat er kapstokken worden aangereikt aan de lokale vergunningsverleners.

Er is overleg geweest met de diverse actoren: met Voka, met de Vlaamse Confederatie Bouw en de VVSG. Misschien is het een suggestie, ik weet niet of het eventueel mogelijk is, om zo’n omzendbrief, en zeker zo’n delicate, vooraf te toetsen met die diverse actoren. Dan vermijdt u een zekere sfeerschepping.

Algemeen denk ik – ik vermoed dat de collega’s het eens zijn met de uitgangspunten – dat er een stop moet komen op de inname van de open ruimte en op verharding. De discussie zal in de toekomst ongetwijfeld nog worden voortgezet. Veel van de discussies hier en de plenaire vergadering over dit dossier en over het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen hebben te maken met de communicatie van de minister naar de buitenwereld. Ik denk dat een betere communicatie en verduidelijkingen vooraf vele discussies zouden kunnen voorkomen. Ook betere afspraken met de coalitiepartners zouden daartoe kunnen bijdragen. Dat is ook maar een suggestie.

Het belangrijkste is natuurlijk dat met dergelijke zaken de mensen altijd schrik worden aangejaagd over hun eigendom en hun grond en de waardedaling. We hebben het net allemaal gezegd, dat moet het uitgangspunt zijn: een goede communicatie.

De voorzitter

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Minister, enerzijds moet ik u danken voor uw antwoord, anderzijds moet ik u meegeven dat mijn ongerustheid over de toepassing van deze omzendbrief niet is weggenomen.

Ik heb nog bijkomende vragen. U zegt dat u recent nog overleg hebt gehad met de VCB en Voka en dat zij enthousiast waren over de besprekingen. Kunt u dat iets meer toelichten?

U zegt dat er niet echt een handleiding komt zoals de VVSG heeft aangekondigd, er komen op de website wel een aantal casussen om de omzendbrief te verduidelijken. Moet ik daar dan toch uit afleiden dat de omzendbrief zoals hij nu voorligt onduidelijk is?

Nog een derde bedenking, en dan ga ik naar de opdracht die u gegeven hebt en waarbij u een en ander verteld hebt. U zegt dat de bestaande gewestplannen niet zorgen voor een gebiedsgerichte differentiatie, dat ze niet het onderscheid maken tussen bebouwd en onbebouwd gebied. U wilt daar in de toekomst toch verder naartoe werken.

Als ik dan de opdracht lees zoals die door het departement Omgeving gegeven is, dan begrijp ik dat een niet-onbelangrijk aspect in het herontwikkelen van de gebieden de juridische voorraad aan harde bestemmingszones is. Dan kom ik eigenlijk tot de kern van de zaak. De omzendbrief geeft een definitie van bebouwd versus onbebouwd gebied. De opdracht was een differentiatie door te voeren onbebouwd/bebouwd om het juridische aanbod dat er vandaag is aan harde bestemmingszones – zeg maar woon-, industrie- en recreatiegebied. Dat alles baart mij zorgen.

Opnieuw, ik heb de definitie van bebouwd gebied gelezen, een woord dat alleen voorkomt in deze omzendbrief, een woord dat nergens terug te vinden is in de Codex Ruimtelijke Ordening, die toch de basis is van alles, dat ook niet terug te vinden is in onze gewestplannen, die een juridische basis zijn, en daar staat het volgende. “… dat de bebouwde gebieden samenvallen met de stedelijke gebieden, geselecteerde kernen en overige woonconcentraties en de bedrijventerreinen, met uitsluiting van geïsoleerde bedrijfssites, zoals bijvoorbeeld deze die voortkomen uit een BPA of RUP ‘zonevreemde bedrijven’.”

Al de rest is onbebouwd gebied. Dus in dat onbebouwd gebied zit volgens deze definitie wel degelijk woongebied, bedrijventerreinen die conform een RUP als zonevreemd bestempeld zijn en recreatiegebieden. Ik ben blij u vandaag expliciet te horen zeggen dat woongebieden woongebied blijven en dat industriegebieden industriegebied blijven. Wel, ik hoop dat u dat dan ook echt meent en dat in die zin die omzendbrief toch minstens inzake de definitie onbebouwd/bebouwd gebied wordt aangepast. Ik wil daarop blijven hameren en zeker omdat ik opnieuw in de opdracht voor deze omzendbrief lees dat men het bestaande juridische aanbod aan harde bestemmingszones wil terugdringen. Als dat het opzet is, blijf ik me heel veel zorgen maken.

Nogmaals, ik ben blij dat u zegt dat bestaande woongebieden woongebied blijven, maar ik vind dat dit ook verankerd moet worden in deze omzendbrief, anders is er geen drempel, of is er geen enkel item dat de ongerustheid wegneemt. Opnieuw mijn vraag: pas die definitie aan. Dan zijn we allemaal gerustgesteld en kan de omzendbrief perfect worden toegepast. Qua bebouwd gebied ben ik zeer tevreden over deze omzendbrief en biedt die heel wat mogelijkheden, maar qua onbebouwd gebied vind ik dat er op dit ogenblik een te groot risico wordt gecreëerd voor een aantal harde bestemmingen.

De voorzitter

De heer Ronse heeft het woord.

Ik kamp toch ook wat met een aantal onduidelijkheden. Die ruimtelijke ordening, dat is verschrikkelijk qua terminologie. Men goochelt daar met termen en die hebben allemaal een zekere juridische betekenis die een vrij grote impact heeft op de gebruikers, eigenaars en beoordelaars. We hebben percelen en gebieden met een harde bestemming. We hebben stedelijke gebieden, een buitengebied, verharding, bebouwing en ruimtebeslag. Nu hebben we in de omzendbrief ook nog bebouwd en onbebouwd.

Zoals ik zei, die begrippen hebben allemaal een uiteenlopende betekenis, en toch een enorme impact. Om het in bouwmarkttaal te zeggen, er staat in de omzendbrief: ‘Wees soepel en flexibel in bebouwd gebied, wees wat omzichtiger in onbebouwd gebied’. Dat is leuk, de gemeenten krijgen vrijheid, daar geloof ik ook in, maar je zult maar een bouwgrond of woning hebben net in zo’n onbebouwd gebied dat naar mijn bescheiden mening nog onvoldoende juridisch gefundeerd is. Ja, hoe gaan we dan uitleggen dat wij als Vlaamse Regering de gemeenten oproepen om strenger te controleren of daar nog kan worden gebouwd of verbouwd? Dat is de vraag. Dat men daar strenger en omzichtiger mee moet omgaan, daar zijn we het denk ik allemaal over eens. Maar, we hebben altijd gedacht dat politieke consensus… Eerst wat vanmorgen gelanceerd werd, namelijk een goed duidelijk plan om te compenseren, dat is een beetje ons punt.

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Minister, het is misschien een afwijkende manier om het seizoen te beginnen, maar ik ben bijna geneigd om u steun vanuit de oppositie aan te bieden. U moet dat misschien niet gewoon worden, maar ik vind dit toch een redelijk bizar schouwspel dat we hier meemaken. En ik heb de indruk dat er binnen de meerderheidscoalitie toch wel nood is aan enige geestelijke ordening. (Opmerkingen)

Niet alleen is die omzendbrief, als ik u mag geloven – en ik geloof u in dezen ten volle – goedgekeurd door de regering en door alle partijen waar de collega’s deel van uitmaken, bovendien is wat hierin staat al meermaals door de collega’s van alle partijen hier in deze commissiezaal mee bepleit. U zegt dat het bestaande juridisch aanbod aan harde bestemming moet worden teruggedrongen. Mevrouw Peeters wordt er zenuwachtig van, maar ze heeft dat allemaal mee goedgekeurd. Het is bijna een jaar geleden dat we die klimaatresolutie met de betonstop of hoe u het ook wilt noemen – men kan er een beter woord voor vinden – goedgekeurd hebben. Het logische gevolg van uw stem, mevrouw Peeters, is dat duizenden hectare juridisch aanbod harde bestemming inderdaad niet zullen worden gerealiseerd. Dat is zo, daar is iedereen hier het over eens. Zelfs collega Ronse is het daarmee eens, alleen wordt ook hij blijkbaar zenuwachtig als daar zelfs maar een klein voorzichtig begin van uitvoering aan wordt gegeven.

Het is inderdaad een moeilijke materie. Het gaat over eigendom, gewoonten, zaken waarover men in de jaren zeventig al beloftes heeft gemaakt, en die we nu misschien beter niet waarmaken omdat ze negatieve gevolgen hebben. Onrust zaaien, en dat doen sommigen, ten onrechte trouwens inzake die omzendbrief, is echt niet de beste manier om uw zelfverklaarde doelstellingen waar te maken. Ik wil de collega’s binnen de meerderheid oproepen om te stoppen met de zelfgecreëerde, bewuste desinformatie waarmee u alleen maar mensen op de kast wilt jagen. Stop met die grote verklaringen die u toch niet wilt waarmaken. Het is het één of het ander. Het ene zeggen en het vervolgens niet doen, dat is geen politiek, dat is geen beleid, dat is zelfs gewoon niet verantwoordelijk. Het effect zal gewoon zijn dat u door de feiten wordt ingehaald.

Als er vandaag enthousiasme bestaat voor een aantal mogelijkheden om binnen bebouwd gebied, hoe u dat ook moge omschrijven, meer af te wijken van de bestemming in het kader van de verdichting, dan is het omdat daar vraag naar is. Dan is het omdat projectontwikkelaars die vraag zien, omdat bouwers die vraag zien en omdat gemeenten en steden die vraag zien. Ze ligt bovendien perfect in de lijn met wat u zelf zegt dat u wilt nastreven.

Collega’s, ik wil hier toch graag oproepen tot enige consequentheid in wat u zegt en doet en verdedigt vervolgens. Het is een beetje simpel om het goed te keuren en dan een brave minister, maar dat ga ik ook maar één keer zeggen, te beladen met alle zonden van Israël bij de eerste kleinste geringste voorzichtige poging om dat een klein beetje in praktijk te brengen. Dat is niet echt serieus als politieke stellingname.

Ik heb nog een kleine concrete aanvullende vraag, minister. We gaan er nog op terugkomen, maar ik heb vandaag ook de aankondiging, en het past perfect hierin, van het instrumentendecreet rond de nieuwe planschaderegeling gezien. Ik kan me nog wel vinden in een nieuwe regeling, maar ik mag er toch vanuit gaan dat u bij dezen niet aan het beslissen bent dat al de gemeentebesturen voor die kosten gaan opdraaien? We weten allemaal wie de planschade betaalt vandaag de dag. Dat bent niet u, dat is iemand anders. Dat is niet de Vlaamse Regering, dat zijn de besturen die de wijzigingen doen. Als u naar 100 procent wilt gaan, en voor mij niet gelaten, hoe gaat u dat dan doen? Op wiens kosten wilt u dat financieren? Dat heeft namelijk ook hier een bijzondere impact op.

De voorzitter

De heer Sanctorum heeft het woord.

Hermes Sanctorum-Vandevoorde (Onafhankelijke)

Van zodra de theorie in de praktijk wordt omgezet, ontstaat heel veel kritiek. Dit is natuurlijk een constante, zeker in de politiek.

Ik ben het eens met de heer Tobback. Ik hoop dat inderdaad de theoretische ambities die al zo vaak in het parlement zijn aangehaald, worden omgezet in de praktijk.

Ik heb twee bezorgdheden rond elementen die ik hier regelmatig hoor terugkeren. Een eerste is het geloof in de lokale autonomie. Dat geloof is sterk aanwezig bij heel veel parlementsleden. Ik stel me daar vragen bij. Ik geloof natuurlijk ook in het concept lokale autonomie. Maar als dat betekent: ‘lokale besturen, trek uw plan, doe wat u wilt, we hebben wat handvaten en that’s it’, dan vraag ik me af of we er gaan komen tegen 2040. Ik betwijfel het.

Twee, wat is het nut van nieuwe terminologie? Ik ben niet a priori tegen, maar ik moet eerlijk zeggen toen ik voor de eerste keer de omschrijvingen van bebouwd en onbebouwd gebied las, dacht ik toch: ‘oei, dit kan wel heel breed worden ingevuld’. Daarmee kan ik weer de link leggen met lokale autonomie. Een lokaal bestuur kan daarmee doen wat het wil. Dus, nogmaals, gaan we er op die manier geraken, minister? Ik hoop eigenlijk dat u nog veel verder gaat dan wat u in die omzendbrief hebt uitgeschreven.

De voorzitter

De heer Dochy heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, sta me toe dat ik me een beetje zorgen begin te maken als de heer Tobback de loftrompet steekt over minister Schauvliege.

Ik wil gewoon het volgende zeggen. Vanuit onze fractie hebben we er ook altijd op gewezen dat het heel belangrijk is om het instrumentendecreet zo snel mogelijk te realiseren. Dat is de korte boodschap die ik wil geven, ook aan de minister, om daar heel snel en hard werk van te maken. Ik denk dat dit ook de oproep is van de heer Ronse. Ik hoop dat daar heel snel binnen de regering een consensus voor wordt gevonden om daar snel iets op tafel te leggen dat de zorgen kan wegnemen.

De voorzitter

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Ik wil me graag aansluiten. Het is al lang duidelijk dat vanaf het moment dat de principes rond het BRV werden gelanceerd, zich binnen de meerderheid altijd hetzelfde patroon afspeelt. Vooral Open Vld verzet zich daartegen, bij de N-VA ligt het wat moeilijker. Er is een heel grote onenigheid binnen de coalitie over de uitvoering van de nieuwe principes. Dat is duidelijk, daarin heeft de heer Tobback gelijk.

Waar u ook gelijk in hebt, minister, is dat men inderdaad de moed moet hebben om een beleid uit te voeren waar iedereen achter staat. Vorig jaar in december bestond er kamerbreed eensgezindheid over de nieuwe principes van het BRV. Om een beleid dat al jarenlang vastzit, uit te voeren, is inderdaad moed nodig.

Dat betekent nog niet dat u het krediet dat u krijgt, moet verspelen. U verspeelt dat volgens mij door de manier waarop u het beleid uitvoert en door uw communicatie. Ik zou willen dat u dat ernstig neemt, minister. Het gaat niet enkel over die nieuwe omzendbrief die hier vandaag ter sprake komt. Het gaat ook over de altijd opschuivende datum van de omgevingsvergunning. Het gaat over die omzendbrief rond de positieve en negatieve lijst waar u oorspronkelijk de gemeenten een maand de tijd voor gaf, waar ook veel commotie rond was, waar u dan weer op terug bent gekomen.

Dan is er deze omzendbrief, en ik kan me voorstellen dat die verwarring creëert, ten eerste omdat hij nieuwe principes installeert en ten tweede omdat het zo’n uitgebreide brief is. Als lokale bestuurder zou ik me afvragen wat er gebeurd is op Vlaams niveau dat ik zo’n uitgebreide brief krijg. Is het BRV misschien al goedgekeurd? Of iets anders? Of is de codextrein al uitgevoerd? Dat lijkt op een heel belangrijke beslissing met nieuwe categorieën en toch komt die eigenlijk uit de lucht vallen. Die komt voor mij als politicus die de ruimtelijke ordening van heel dichtbij opvolgt, echt uit de lucht vallen.

Ik heb nog vragen, minister, waarop u nog geen antwoord hebt gegeven, al was uw antwoord heel uitgebreid. Waarom hebt u niet gewacht tot ten minste de codextrein goedgekeurd was om deze omzendbrief te versturen? Waar komt deze omzendbrief eigenlijk vandaan? Ik begrijp het niet. Ik begrijp zeer goed dat er verwarring is.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Het is de eerste keer dat ik vanuit de oppositie de vraag krijg waarom ik zo snel heb gewerkt. (Gelach)

Dat is genoteerd, mevrouw Pira.

Ik wil nog eens heel duidelijk herhalen, collega’s, dat bebouwd en onbebouwd gebied geen nieuwe juridische begrippen zijn. Het gaat over een beoordelingskader waarmee men aan de slag kan gaan als vergunningverlener binnen het bestaande artikel met de goede ruimtelijke ordening. Het zijn geen nieuwe juridische begrippen die hier geïntroduceerd worden. Het gaat wel over bouwdichtheid, over het ruimtegebruik in het kader van de goede ruimtelijke ordening. Ik wil het nog eens herhalen om zeker te zijn dat iedereen dat ook goed beet heeft.

Een en ander wordt wat door elkaar gehaald, misschien bewust misschien onbewust. Het is een technische materie. Men moet een onderscheid maken tussen ruimtelijke uitvoeringsplannen die men maakt maar dan op het niveau van vergunningverlening. Beide zijn anders. Het zijn voornamelijk handvatten die we aangrijpen wanneer we aan de slag gaan voor het al dan niet verlenen van vergunningen en voor het beoordelingskader dat de lokale bestuurder of andere vergunningverlener daarvoor hanteert. Dat is de filosofie die achter deze omzendbrief zit.

Zoals ik al zei, we werken op verschillende fronten. We hebben de codex die natuurlijk door tal van omstandigheden wat langer op zich heeft laten wachten. Wel, ik hoop dat in oktober het parlement daar een positief antwoord op kan geven. Daar zitten heel belangrijke aspecten in die op dit moment ook een antwoord kunnen bieden op het terrein.

Dan is er de omzendbrief, de handvatten die we aanreiken voor de lokale besturen. Dat heb ik net uitgelegd.

Eenmaal we de rechtsgrond hebben, kunnen we ook met de beleidskaders richting regering gaan wat betreft het definitieve Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. En er is het Instrumentendecreet waar we hier al vaak de context van hebben geschetst. We werken dus tegelijk op verschillende fronten.

Sommigen zeggen dat de Confederatie Bouw enthousiast is over de omzendbrief. Mevrouw Peeters zegt ook dat ze eigenlijk enthousiast is, maar dat ze zich zorgen maakt over de definitie van bebouwd en onbebouwd gebied.

In het overleg dat we hebben gehad, hebben we een en ander geduid. Men is tevreden dat die omzendbrief er is, en dat hij veel antwoorden biedt op concrete vragen van het terrein om met vernieuwende wooninitiatieven vooruit te gaan, waarin de verdichting effectief gestalte krijgt. Men maakt zich inderdaad wat zorgen en dat blijft zo, over die ene bepaling wat bebouwd en wat onbebouwd is. Ik heb de uitleg gegeven die daarnet hier is geformuleerd. Toevallig of niet hebben we deze ochtend van de Confederatie Bouw een voorstel ontvangen om een kleine wijziging te doen aan de omzendbrief, om die ongerustheid op het terrein weg te nemen. We moeten dat nog bekijken en we zullen zien of we daar al of niet aan tegemoet kunnen komen. Dat is ook het enige. Het is een kleine passage die men wil verduidelijken om zeker te zijn dat het niet in een andere richting wordt geïnterpreteerd.

Aan de omzendbrief is er heel zorgvuldig gewerkt. Het was een expertenopdracht. Een expert heeft eraan gewerkt om de juiste context te vinden. Ik neem daar ook mijn verantwoordelijkheid in. We hebben die teksten uiteraard zelf nagekeken, maar dit komt niet zomaar uit de lucht vallen. Er is aan gewerkt door experts op het terrein. We kunnen er dan ook van uitgaan dat er voldoende duidelijkheid over bestaat, maar blijkbaar is er heel wat vrees over de interpretatie. Juristen verstaan altijd verschillende zaken onder teksten. Ik mag dat zeggen omdat ik zelf een jurist ben. Je kunt dat inderdaad in verschillende richtingen interpreteren, dat is eigen aan juridische teksten of interpretatieve omzendbrieven.

Soms is het de bedoeling dat je er als lokaal bestuur zelf mee aan de slag kunt gaan en dat er wat marge is tot interpretatie, afhankelijk van de goede ruimtelijke ordening. Na het overleg dat we hebben gehad met de VVSG zullen we niet alleen de goede praktijken van de verschillende gemeenten en steden op de website plaatsen. Onze diensten zullen ook op stap gaan, ze zullen infovergaderingen geven over hoe daarmee aan de slag te gaan als lokaal bestuur. Het is niet zo dat dat in het vakje van de lokale besturen komt en voor de rest trekken we ons er niets van aan. Neen, we hebben ook atria en de overlegmomenten, dus zullen we vanuit ons departement naar de lokale besturen en de vergunningverlenende overheden stappen om hen daar nog wat meer wegwijs in te maken.

Ik ben wel tevreden te horen dat men kamerbreed achter de principes blijft staan, dat we iets moeten doen aan de inname van de open ruimte – die 6 hectare per dag – en dat we dat op verschillende fronten moeten doen. Dat stemt mij bijzonder positief. Uit de tussenkomsten van de oppositie zou kunnen blijken dat het niet vooruitgaat, maar ik ben niet negatief. Ik heb hier iedereen in de commissie horen zeggen dat men achter die principes staat en dat men daarvoor wil gaan en er alle steun aan geeft. Dat is het positieve aan de bespreking die we hier vandaag hebben gehad. Dat moet ons ook sterken in de verdere aanpak en de weg die we verder moeten inslaan.

De voorzitter

De heer Sintobin heeft het woord.

Minister, we hebben een goede toelichting gekregen. Een aantal standpunten zijn bijgeschaafd. Het was een goed debat, maar ik veronderstel dat dit dossier en de discussie erover en de invulling ervan zeker nog terugkomen.

Aan de oppositie wil ik zeggen dat onze fractie wel degelijk zowel de principes van de klimaatresolutie, als het witboek BRV onderschrijft. Om die principes waar te maken, moeten we de juiste instrumenten gebruiken. Daarvoor kijken we naar de aanpassingen op de Codex Ruimtelijke Ordening, naar het Instrumentendecreet, naar de beleidskaders. Wat dat betreft, minister, was ik vandaag zeer tevreden toen ik vanmorgen in het nieuws hoorde dat u inzake planschade werkt aan een volwaardige compensatie, iets waar wij altijd vragende partij voor zijn geweest.

Minister, naast de principes van de klimaatresolutie en van het witboek BRV, is voor ons ook het principe van de bescherming van eigendomsrechten van zeer groot belang. Daarom ben ik blij dat u vandaag aankondigt dat u werkt aan een volwaardige compensatie.

Met de omzendbrief als zodanig ben ik nog wat ongelukkig. U zegt zelf dat men dat als jurist misschien anders leest en dat het op verschillende wijzen kan worden geïnterpreteerd. Ik hoor dat heel wat mensen en specialisten ter zake er toch bedenkingen bij hebben. Anderzijds laat u de opening dat er misschien toch een kleine aanpassing komt om zodoende de definitie van onbebouwd gebied te verduidelijken. Ik zou dat alleszins zeer appreciëren.

Minister, het is heel belangrijk dat u vandaag duidelijk aangeeft dat woongebied wel degelijk woongebied blijft, dat bedrijventerreinen wel degelijk bedrijventerrein blijven. Ik lees dat niet in de definitie zoals ze vandaag voorligt. Mocht dat in die zin worden aangepast, dan ben ik er zeker gerust in.

Mijnheer Sintobin, ik had u nog een dier beloofd. Wel, ik heb gezocht op totemnamen, en het dier dat het meest bij uw eigenschappen hoort, is een agoeti of boskonijn. Eén eigenschap is niet van toepassing op u. Ik lees even de beschrijving: “Dit slanke knaagdier is grappig en bedrijvig, het is onvermoeibaar. Deze brutale rakker is helemaal niet bang. Onder soortgenoten kan de agoeti soms onverdraagzaam zijn.” Collega Sintobin, ik zal u een foto doorsturen.

Collega Tobback, ik ben het van de eerste tot de laatste letter van uw betoog roerend met u eens. Alleen voel ik me niet aangesproken door uw oproep. We hebben nooit paniek of wat dan ook gezaaid over die omzendbrief. Onze grote bezorgdheid is dat ons traject naar de verdichting en het behoud van de open ruimte niet overhoop wordt gehaald door zaken die met juridisch minder sluitende concepten werken, zoals ‘bebouwd’ en ‘onbebouwd’. Collega Sanctorum vroeg ook wat er met ‘bebouwd’ en ‘onbebouwd’ allemaal wordt bedoeld. Dat is onze enige bezorgdheid. Als effectief blijkt dat dit verhaal werkt en dat daardoor geen draagvlak verloren gaat, dan kan dat voor ons zeker doorgaan.

Collega Dochy sloeg de nagel op de kop, dit is de kern van ons betoog: alles begint en eindigt met een deftig Instrumentendecreet. Vandaar dat we deze morgen tevreden waren dat op zijn minst al wordt aangekondigd dat het er komt en dat de debatten over hoe het er moet uitzien, kunnen beginnen.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.