U bent hier

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

De technologie van de warmtenetten bestaat al langer, maar kent in Vlaanderen slechts een matig succes. We kennen regio’s waar het succes veel groter is zoals Wenen waar men daar al veertien jaar mee bezig is.

De Vlaamse overheid heeft de ambitie om het potentieel van groene warmte en warmtenetten beter te benutten. Inzetten op groene warmte betekent een opportuniteit in het kader van de doelstellingen van 2020.

De Vlaamse Regering keurde recent de conceptnota van het Warmteplan goed om zo naast het Zonneplan en het Windplan ook warmtenetten verder te helpen ontwikkelen in Vlaanderen. Momenteel leveren bestaande warmtenetten het equivalent van het energiegebruik van ongeveer 26.000 gezinnen. Tegen 2020 wil Vlaanderen 9197 gigawattuur groene warmte-energie produceren. Ik veronderstel dat daarbij geen rekening wordt gehouden met het eventueel niet doorgaan van Langerlo. Gisteren nog kreeg ik een mail van het bio-energieplatform waarin staat dat dit getal niet realistisch is. Misschien kunt u daar toelichting bij geven.

Tegen 2020 moet het aantal warmtenetten verdubbelen om ongeveer 50.000 gezinnen te bedienen. De uitdaging is niet min. Nieuwe ontwikkelingen in kansrijke gebieden op de warmtekaart zullen een warmtetoets moeten uitvoeren om te onderzoeken welke technologie zal worden toegepast.

Minister, hoe realistisch is het om het aantal gezinnen op warmtenetten te verdubbelen op amper 2,5 jaar? Hebt u al voldoende zicht op projecten die zullen worden opgestart?

Wie zal de warmtetoets moeten uitvoeren en welke vrijheid zal men hebben om na de warmtetoets zijn warmtebron te kiezen?

Het is ondertussen duidelijk waar de prioriteiten van de Vlaamse Regering liggen wanneer het gaat over het halen van de doelstelling hernieuwbare energie tegen 2020: bij de productie van hernieuwbare energie uit zon, wind en warmte. Na het Zonneplan en het Windplan 2020, als opvolger van de fastlane windenergie, heeft de Vlaamse Regering enkele weken geleden het Warmteplan 2020 goedgekeurd.

Het Warmteplan 2020 omvat maatregelen met betrekking tot warmtenetten, kleinschalige biomassa, zonneboilers, warmtepompen en diepe geothermie. Minister, het verbaast u wellicht niet dat de eerste lezing van uw Warmteplan met de bril van diepe geothermie is gebeurd. Niet dat andere zaken minder belangrijk zijn, integendeel, maar diepe geothermie is een bron waar vandaag nog maar kleine stapjes worden gezet en waarvan ik wil nagaan hoe we die stappen kunnen vergroten.

Dat in het hoofdstuk over warmtenetten het idee van de warmtemakelaar is opgenomen in het Warmteplan kan ik alleen toejuichen. Ik ben ervan overtuigd dat een warmtemakelaar, die over de gemeentegrenzen heen zicht krijgt op de mogelijke locaties voor een warmtenet, echt een toegevoegde waarde kan hebben en ertoe kan bijdragen dat warmtenetten ook effectief worden gerealiseerd. Misschien zijn er wel aangrenzende gemeenten die los van elkaar nadenken over de aanleg van een warmtenet op bijvoorbeeld een nog te ontwikkelen bedrijventerrein of een verkaveling die zal worden aangesneden. Maar ook binnen gemeenten zelf kan een makelaar een belangrijke rol spelen: een makelaar heeft immers zicht op het ruimere plaatje, over de grenzen van de gemeenten heen, en kan ervoor zorgen dat beide warmtenetten onmiddellijk gecombineerd en samen aangelegd worden.

We kunnen zeker ook achter het voorstel staan om de minimale voorwaarde van 5 megawatt thermische energie voor de call groene warmte te laten vallen, want op die manier wordt de investeringssteun ook beschikbaar voor de warmtenetten en bovengrondse infrastructuur van diepegeothermieprojecten met een lager thermisch vermogen dan 5 megawatt. Het is onze overtuiging dat op die manier ook kleinere warmtenetten zullen worden gerealiseerd. Op termijn kunnen die kleine bouwsteentjes dan gekoppeld worden tot een groot warmtenet. Wanneer we die grens niet laten vallen, zullen die kleinere warmtenetten meer dan waarschijnlijk verloren gaan en zal er vaker worden gekozen voor een andere, minder duurzame warmtebron. Op die manier zou men een groot potentieel verliezen.

Bij de evaluatie van de call groene warmte, waarvan sprake in het Warmteplan, wilt u nagaan of die call op een andere manier kan worden georganiseerd. Ik wil hierbij nog eens de vraag onderstrepen naar een permanent beschikbaar fonds. Wanneer men vandaag die call voor een aantal weken openstelt, loopt men het risico dat projecten een lange wachttijd moeten doorlopen voor ze effectief gebruik kunnen maken van die call.

En dan is er ook de verplichting om de warmtebron van een warmtenet te vergroenen binnen de vijf jaar na indienstname van het warmtenet. Diepe geothermie heeft een groot potentieel voor de toekomst, ook als duurzame bron. De periode van vijf jaar om effectief over te schakelen op die bron, heeft dan ook een afschrikkend effect. Kunt u die periode loslaten en meer ruimte creëren zodat ook die warmtenetprojecten effectief van de grond kunnen komen?

Minister, wie zal betrokken worden bij de evaluatie van de call groene warmte en welke timing is daaraan verbonden?

Overweegt u de mogelijkheid om de call groene warmte permanent open te stellen zodat er gedurende het hele jaar projectaanvragen kunnen worden ingediend?

Bij de ingebruikname van een warmtenet is het zo dat men binnen de vijf jaar na ingebruikname een conventionele warmtebron moet vergroenen. In het Warmteplan staat dat de opgelegde uitvoeringstermijn voor de projecten een belemmering kan zijn voor een goede uitvoering. Bent u bijgevolg bereid om bij de evaluatie van de call groene warmte na te denken over een aanpassing van de vergroeningsvoorwaarde van de warmtebron?

Warmtenetten worden vandaag benadeeld in de EPB-regelgeving. Hoe is in het Warmteplan opgenomen dat u deze benadeling zult wegwerken, zodat gezinnen die kiezen voor warmtenetten, geen extra investeringen hoeven te doen in bijvoorbeeld isolatie om andere nadelige effecten weg te werken?

Om de mogelijkheden van diepe geothermie te blijven verbeteren, is bijkomend onderzoek naar diepe ondergrond in Vlaanderen essentieel. Ik denk dat iedereen dat ook heel duidelijk erkent. Bovendien is het ook belangrijk dat de kennis en ervaring die pioniers opdoen, maximaal beschikbaar wordt gesteld, om de uitrol mogelijk te versnellen. Minister, erkent u dit? Gaat u daarmee akkoord? Op welke manier wilt u het delen van kennis en ervaring stimuleren of ondersteunen en ervoor garant staan dat dit effectief gebeurt?

Minister, ik heb in het verleden al gezegd dat een aantal gemeenten echt wel het belang inzien van warmtenetten en dat een aantal projecten daarin al een pioniersrol hebben gespeeld. Maar de gemeenten die vandaag ruimer nadenken over de manier waarop ze het optimale warmtenet kunnen uitrollen op hun grondgebied – ik heb het over een volledig netwerk, wat niet wil zeggen dat elke woning op het hele grondgebied dan aangesloten zal zijn, maar wel het maximaal haalbare warmtenet voor uw grondgebied, uw gemeente of uw zone – moeten daar natuurlijk met een goede visie naar kunnen kijken.

We weten dat er vrijheid is van de aanleg van warmtenetten. Op welke manier kan een gemeente die een volledig netwerk wil uitbouwen, vermijden dat projectontwikkelaars er enkel de meest winstgevende projecten uitpikken en dat met andere woorden een gemeente dan nadien die netwerken aan elkaar moet koppelen en daarvoor zeer dure investeringen moet doen, die men eigenlijk had kunnen vermijden? Wat is de regierol van de gemeente daarin? Hoe kan een gemeente zich beschermen tegen cherrypicking en lock-in, zodat ze die regierol effectief kan opnemen?

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, uw Warmteplan is een nagenoeg onuitputtelijke bron van vragen. Ik heb een aantal vragen die over andere onderdelen gaan dan de zaken die de collega’s daarnet al hebben aangehaald.

Uw Warmteplan is een van de belangrijkste werkstukken van deze legislatuur als het gaat over energiebeleid. Het belang ervan kan niet worden onderschat. We hebben de cijfers van het verbruik per gezin nog eens opgelijst.  Het gemiddelde elektriciteitsverbruik per gezin bedraagt 3514 kilowattuur per jaar en het gemiddelde gasverbruik 12.519 kilowattuur per jaar. Het belang van energieverbruik voor de verwarming van een woning is dus zoveel groter dan dat van elektriciteit. Het is dus van belang om daarop in te zetten en werk te maken van een vergroening van onze warmtevoorziening.

Uw Warmteplan bevat heel wat maatregelen en ideeën en acties met betrekking tot warmtenetten – waarover de collega’s het al hadden –, kleinschalige biomassa, zonneboilers, warmtepompen en diepe geothermie, waarnaar mevrouw Rombouts daarnet al verwees.

Minister, in het hoofdstuk over warmtepompen hebt u de actie ‘minimumaandeel hernieuwbare energie en berekening warmtepompen in EPB’ opgenomen. Welke belemmeringen ziet u concreet voor de warmtepomp? Wat zult u doen om die weg te werken?

In datzelfde hoofdstuk over warmtepompen spreekt u ook over enkele drempels voor de technologie van de warmtepomp. Over welke specifieke drempels hebt u het dan en via welke oplossingen – tussenoplossingen, schrijft u zelf – wilt u die wegwerken?

Op welke manier zal de nieuwe tariefmethodologie die enkele drempels voor de technologie van de warmtepomp in één keer wegwerken?

Het Warmteplan stelt dat via de warmtekaart interessante zones voor warmtenetten zullen worden aangeduid, als bedrijven potentieel interessant blijken om warmte te leveren. Op welke manier zult u de warmtevoorziening voor dat warmtenet dan op langere termijn garanderen?

In het Warmteplan is er sprake van een efficiëntere steuntoekenning voor mini-wkk’s (warmte-krachtkoppelingen) waarbij exploitatiesteun zou worden vervangen door investeringssteun. Op welke grond wilt u die investeringssteun dan bepalen? En op welke termijn wilt u deze hervorming realiseren?

Vlaanderen beschikt over een grote overschot aan recyclagehout dat, hoewel het geschikt is voor hergebruik, toch niet gebruikt wordt door de houtverwerkende industrie. Er is een overcapaciteit. Zou een deel van dit hout kunnen worden gebruikt in kleinschalige en efficiënte biomassa-installaties voor de productie van warmte? Zo ja, welk beleid wilt u daaromtrent ontwikkelen?

Wat niet in het plan zit, minister, is biomethaan, hoewel dit een van de projectcategorieën is die via de call groene warmte in aanmerking komt voor investeringssteun. Waarom is dit groene gas niet opgenomen in uw Warmteplan?

De voorzitter

Minister Tommelein heeft het woord.

Net zoals we daarnet al bijna een evaluatie hebben gehad van het Energiearmoedeplan, zijn deze vragen bijna een evaluatie van het Warmteplan. Mij niet gelaten.

Globaal stel ik het volgende vast. Het is telkens opnieuw hetzelfde, of het nu over het Windplan, het Zonneplan, het Energieplan of het Warmteplan gaat. Als er uitdagende cijfers zijn, is het verhaal: ‘Dit is onrealistisch, onhaalbaar, op niets gestoeld.’ Als de cijfers wat te laag zijn, is er ‘een gebrek aan ambitie en hadden we toch wel meer verwacht van de minister’. Ik kan zelfs de titels van de reacties telkens opnieuw naar boven halen. Het is altijd wel gemakkelijk om te zeggen: ‘Het is te hoog, zouden we dat wel kunnen halen?’

Ik heb altijd al gezegd dat ik een tevreden minister zal zijn als men het beter doet dan ik het had gehoopt, voorspeld of ingeschat. Tot nader order ga ik ervan uit dat dat ook zal gebeuren.

Op een bepaald moment moet je de motor doen aanslaan. Zodra die motor – liefst een elektrische, voor alle duidelijkheid – aanslaat, zal de zaak rijden.

Ik zal de vragen samen beantwoorden.

Wat betreft de doelstelling van 1 miljoen megawattuur bijkomende warmteproductie tegen 2020, of een equivalent van 50.000 bijkomende gezinnen, kan ik u meedelen dat die gebaseerd is op gegevens die het Vlaams Energieagentschap (VEA) verzamelde over de uitbouw van warmtenetten. Ze baseren zich daarvoor op gegevens uit de subsidieaanvragen voor warmtenetten via strategische ecologiesteun en de calls groene warmte en restwarmte, gegevens uit de EPB-aanvragen voor warmtenetten, gegevens verkregen via contacten met warmtenetontwikkelaars en gegevens van Warmtenetwerk Vlaanderen. Hierbij werd rekening gehouden met bijkomende projecten uit de call die begin 2017 werd georganiseerd en met de verwachte indienstnames tegen 2020. Dit is dus geen nattevingerwerk. Het is ook niet de minister die zijn vinger in de lucht heeft gestoken en de temperatuur heeft gemeten. Dit is gebaseerd op gegevens die vandaag voorhanden zijn. Dit is gedaan door de administratie, het VEA, die dit heeft berekend.

Ik vind het dan ook altijd heel eigenaardig om opnieuw de discussie te krijgen over: ‘Wat is de basis? Is dit niet overdreven? Is het geen gebrek aan ambitie?’ Ik leg vandaag een Warmteplan op tafel met een concreet cijfer. En dan gaan we er allemaal samen over, ik in de eerste plaats. Het is mijn taak om aan die kar te trekken. En bij mijn weten trek ik aan die kar. Volgens sommigen trek ik er zelfs te veel aan. Als ik sommige commentatoren en persartikels mag lezen, als ik sommige reacties hoor, overdrijf ik soms als het gaat over aan de kar trekken en sleuren.

Ik denk niet dat ik overdrijf. Ik denk dat de zaken moeten gebeuren zoals ze moeten gebeuren. We hebben een plan. We weten waar we naartoe willen. We gaan geen moment onverlet laten, geen enkele opportuniteit onverlet laten om die cijfers ook te halen.

Zo is het ook in de private sector. Ik ben jarenlang commercieel directeur geweest. Jarenlang kreeg ik cijfers die ik samen met mijn collega-directeurs moest gaan vooropstellen. Met de basis, met de agentschappen, met de regiodirecteurs, met de verkoopleiders probeerden wij zo realistisch mogelijk in te schatten. Trouwens, zo doe ik het niet anders voor de begroting van de Vlaamse overheid, die ook onder mijn bevoegdheid valt. Je hebt niet alles in de hand. Soms zijn er factoren die tegenvallen, soms zijn er factoren die meevallen.

De warmtetoets, die we nu zullen uitwerken, zal een afwegingskader vormen voor warmtenetten versus andere oplossingen bij natuurlijke transitiemomenten, zoals infrastructuurwerken of nieuwe verkavelingen en nieuwe bouwprojecten. Ik maak, samen met het beleidsplatform warmtenetten, werk van de vormgeving van dit concept. Wat betreft de uitwerking van de warmtetoets: hierover zal ik na de uitwerking verdere uitleg verschaffen.

Een ander instrument om warmte, groene warmte, te stimuleren, een instrument dat reeds bestaat, is de call groene warmte. Dit jaar zal er inderdaad een evaluatie van dit mechanisme worden georganiseerd. U merkt dat ik in mijn beleid dus regelmatig evaluaties inlas en dat ik dan ook daar probeer bij te sturen waar nodig. Zowel de administraties – behalve het VEA denk ik aan het Agentschap Innoveren en Ondernemen (VLAIO) en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) – als de relevante sectororganisaties zullen hierbij worden betrokken. In het Warmteplan heb ik aangegeven dat de vorm waarop de steun wordt toegekend, mee in de evaluatie zal zitten.

Even terzijde: ik baseer mij op de gegevens van het VEA. Maar dat weerhoudt mij er niet van om regelmatig contact te hebben met de mensen die op het terrein bezig zijn met de uitbouw van die warmtenetten, om met hen een onderhoud te hebben, waaruit ik dan ook een aantal zaken leer, wat betreft de bijsturing en de evaluatie. Zoals u weet, is er ook in mijn eigen stad een ontwikkeling van een warmtenet bezig, die ik ook van zeer nabij opvolg.

Dat een warmtenet binnen de vijf jaar moet vergroenen, is geen voorwaarde uit de call groene warmte. Deze termijn komt wel aan bod in de EPB-berekening voor gebouwen die worden aangesloten op warmtenetten. In het wijzigingsbesluit van 18 december 2015 heeft de Vlaamse Regering vastgelegd dat fasering of vergroening van warmtenetten mag worden ingerekend in de E-peilberekening, ook al zijn die nog niet gerealiseerd. Dat is een voordeel ten opzichte van andere investeringen die wel onmiddellijk moeten gebeuren, laat ons eerlijk zijn. Een langere termijn toestaan was niet mogelijk wegens het respecteren van het gelijkheidsbeginsel en de maximale termijn waarbinnen handhaving mogelijk is. Ik vind handhaving heel belangrijk. Als je een aantal zaken vooropstelt, moet je ervoor kunnen zorgen dat de zaken kunnen worden nagekeken en gecontroleerd. Bovendien stimuleert deze termijn om investeringen in vergroening binnen een korte termijn na het indienen van de EPB-aangifte te realiseren.

Of gebouwen nu aangesloten worden op warmtenetten of niet, in de eerste plaats moeten we nog altijd het gouden advies en de eerste prioriteit benadrukken, dat namelijk elk gebouw zo weinig mogelijk energie moet verbruiken. Voor het behalen van het minimumaandeel hernieuwbare energie vormen warmtenetten een alternatief op andere hernieuwbare energieopwekkers.

De score van een warmtenet in de EPB-berekening hangt af van de eigenschappen van het warmtenet. Warmtenetten gevoed vanuit een hernieuwbare bron scoren vanzelfsprekend beter dan warmtenetten gevoed uit een fossiele bron. Naar analogie scoren warmtenetten met hogere isolatieniveaus dan ook beter dan netten met lagere isolatieniveaus. Dat ligt ook in de lijn van waar we met warmtenetten naartoe willen: gevoed uit hernieuwbare bronnen en een verdeling van de warmte met zo weinig mogelijk verlies.

Mevrouw Rombouts, om de ontwikkeling van de geothermietechnologie een duw in de rug te geven, neemt het Vlaams Energieagentschap deel aan het Europese Geothermica-project. Dat project is begin dit jaar gestart en heeft nu een oproep geopend voor bedrijven, onderzoeksinstellingen, universiteiten enzovoort om een onderzoeksproject rond diepe geothermie uit te werken, met steun van de deelnemende lidstaten. Op deze manier kunnen de geïnteresseerden in Vlaanderen ook de kennis van meer ervaren lidstaten delen.

Ik was van plan om tijdens mijn werkbezoek aan Duitsland twee weken geleden ook Beieren te bezoeken, waar er heel wat van die projecten zijn. Maar door de agenda van de staatssecretaris voor Energie ginder, de heer Baake, heb ik dit niet kunnen doen en heb ik een andere timing moeten aanhouden. Maar uitgesteld is nog niet afgesteld.

Zoals in heel wat andere dossiers zijn lokale overheden voor mij een heel belangrijke partner in het uitbouwen van warmtenetten. Zij sturen immers de ruimtelijke ontwikkelingen en staan het dichtst bij de burger. Daardoor kunnen zij een belangrijke rol spelen in het creëren van een draagvlak voor bepaalde projecten of voor burgerparticipatie. U weet dat ik heel sterk geloof in burgerparticipatie als het gaat over hernieuwbare energieprojecten. De gemeenten kunnen de ontwikkeling van warmteprojecten ook sturen doordat zij het openbaar domein beheren in hun gemeente of stad.

Collega’s, er is een wijzigingsbesluit in opmaak betreffende de EPB-rekenmethode, waarin een aantal methodewijzigingen voor warmtepompen zullen worden vooropgesteld. Het zal dan niet meer nodig zijn om bijvoorbeeld een gelijkwaardigheidsaanvraag te doen voor die technologieën. Het is de bedoeling dat de methodewijzigingen zullen gelden voor de dossiers met een stedenbouwkundige vergunning of melding vanaf 1 januari 2018. Dat is dus over minder dan een half jaar.

Naast de drempels voor warmtepompen in EPB, die ik via het wijzigingsbesluit wil aanpakken, vormt de afhankelijkheid van de elektriciteitsprijzen een andere drempel. Het Warmteplan vermeldt dat er nog zal worden onderzocht of er, in afwachting van een nieuwe tariefmethodologie, tussenoplossingen geboden zullen kunnen worden voor de drempels voor warmtepompen. Het onderzoek zal dan ook uitwijzen welke tussenoplossingen al dan niet mogelijk zijn.

De bezorgdheid van diverse stakeholders over de impact van een capaciteitstarief voor warmtepompen werd door de VREG al behandeld in het consultatieverslag. Daarin werd geconcludeerd dat een gezin met een warmtepomp vermoedelijk minder betaalt onder een capaciteits- dan onder een afnametarief, omdat er een betere benuttingsgraad wordt bereikt. We onderzoeken nu met de VREG hoe een nieuwe tariefstructuur bepaalde drempels voor technieken als warmtepompen kan wegnemen. Neem van mij aan dat ik daar absoluut mee bezig ben. Dat is een prioriteit voor mij. Ik wil de drempels weghalen.

Het Warmteplan stelt voor om de warmtekaart en energiedata rond warmte verder te verfijnen. Los daarvan moet op lokaal niveau bij de investeringsbeslissing voor een warmtenet onderzocht worden of de warmtevoorziening van een bedrijf op langere termijn gegarandeerd kan worden. Via contracten kan dat bijvoorbeeld sluitend gemaakt worden. Ook meerdere warmtebronnen kunnen ingeschakeld worden, zodat het wegvallen van één warmtebron opgevangen wordt door een andere. Via het uitvoeringsbesluit worden zaken rond sociale energiemaatregelen bij warmtenetten uitgewerkt, zoals bijvoorbeeld de regels met betrekking tot het opzeggen van warmteleveringscontracten.

Op de vraag over investeringssteun voor kleinschalige wkk kan ik antwoorden dat overleg met de stakeholders heeft plaatsgevonden en dat we, rekening houdend met de opmerkingen, een voorstel hebben uitgewerkt en dat we dat zullen voorleggen aan de Vlaamse Regering.

Collega’s, de huidige steun voor biomassa-installaties voor zowel groene stroom als groene warmte laat hout dat gebruikt wordt als industriële grondstof toe, mits gunstig advies van de OVAM en de sectorfederaties hout en papier. Uit informatie vanwege de OVAM blijkt dat het grote aanbod van resthout het gevolg was van tijdelijke omstandigheden. Het lijkt me dan ook moeilijk om op basis daarvan nieuwe projecten op te starten.

De laatste vraag betreft groen gas. Binnen de call groene warmte kan inderdaad reeds steun aangevraagd worden voor de opwerking van biogas naar biomethaan. Als dat gas in het aardgasnet wordt geïnjecteerd, dan wordt niet gespecificeerd wat de eindtoepassing moet zijn. Als het gas niet in het aardgas wordt geïnjecteerd, moet het als transportbrandstof gebruikt worden, anders komt het rechtstreeks in aanmerking als groene warmte of groenestroomproject.

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Ik kan begrijpen, minister, dat u het niet graag hebt als men in de pers iets anders zegt, maar wij kregen gisteren een mail binnen van ODE (Organisatie voor Duurzame Energie), het bio-energieplatform, en ik kan maar voorlezen wat daarin staat: “Voluntaristisch, maar niet realistisch.” U kunt zeggen dat u zich dat niet aantrekt. Ik heb het ook daarom gevraagd: die cijfers zijn scenario 2, dus dat houdt geen rekening met het mogelijke niet doorgaan van Langerlo, veronderstel ik dan.

Dan is de vraag hoe u het wel zult halen. U hebt zich gebaseerd op een plan dat bestaat, maar dat nog niet geactualiseerd is op basis van het scenario dat Langerlo er niet komt. Men zegt vanuit de sector dat het niet realistisch is. Eigenlijk had ik vanuit de sector veeleer iets verwacht als: proficiat, u bent voluntaristisch. Maar men voegt er nog iets aan toe. Zij geloven er dus niet in.

In de commissievergadering van 3 mei hebben we hier nog een discussie gehad over warmtenetten. Er is aan de gemeenten in het Eandis-gebied gevraagd om te kiezen uit drie opties: een integrale beheersoverdracht, een beperkte beheersoverdracht, of de keuze om geen beslissing te nemen. U ging niet akkoord met wat er toen gebeurde. Ik heb toen nog geargumenteerd dat het een vrijwillige keuze is die iedere gemeente maakt en dat men dat ook altijd nog kan herroepen. Als er een privé-initiatief komt, moet je een domeintoelating geven. Maar dat betekent dat de gemeente, als ze een integrale beheersoverdracht doet, niet zelf zal investeren. Als er een andere speler komt, bijvoorbeeld een afvalverbrandingsoven of een ander privaat initiatief, zoals in Oostende, kan het perfect, zelfs als je optie 1 kiest.

U hebt toen geantwoord: “Ik kan niet meteen antwoorden op uw vraag of een beheersoverdracht onmiddellijk loopt tot ze herroepen wordt, of dat ze loopt tot aan het aflopen van het contract met de distributienetbeheerder. Ik zal dat juridisch laten onderzoeken door het Vlaams Energieagentschap.” Hebt u al antwoord gekregen op het feit dat onze stellingname toen was – zowel van collega Schiltz, collega Bothuyne als mezelf – dat zelfs optie 1 private investeringen niet in de weg staat?

De voorzitter

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Bedankt voor het antwoord, minister. U hebt aangegeven dat de warmtetoets nog ontwikkeld moet worden of in volle ontwikkeling is. Hebt u enig zicht op de timing? Die warmtetoets lijkt een zeer zinvol instrument te zijn, als u ook de afstemming daarmee mogelijk ziet. Hebt u er al zicht op wie of wat de bedoeling heeft om met die toets te werken? Wie gaat die toets uitvoeren? Zijn dat de warmtemakelaars of de gemeenten? Hoe moet ik dat zien?

Met betrekking tot de call groene warmte begrijp ik dat u niet wilt vooruitlopen op de evaluatie, anders zou u misschien al afbreuk doen aan de evaluatieoefening. Is de permanente openstelling van die call groene warmte een optie die mee onderzocht wordt? Ik begrijp dat u geen voorafname wilt doen van de vorm, maar ik wil toch enige zekerheid dat ook dat idee wordt meegenomen. Of is dat een idee dat moet worden uitgesloten, misschien om terechte redenen?

Een ander element waar ik bezorgd over ben, is het verhaal van de uitvoeringstermijn van vijf jaar, inderdaad gekoppeld aan EPB-regelgeving. U stelt in uw Warmteplan duidelijk dat die uitvoeringstermijn een belemmering kan zijn. Omgekeerd haalt u ook aan dat het een keuze is geweest, omdat er ook een handhavingsmogelijkheid moet zijn. En als die termijn onnoemelijk lang wordt, is dat misschien ook een knelpunt. Dat is natuurlijk een afweging, maar als we ervaren dat het wel een knelpunt kan zijn voor bepaalde warmtenetten, stel ik mij toch de vraag hoe we daar eventueel aan tegemoet kunnen komen. Wordt er onderzocht op welke manier die belemmering kan worden weggenomen? Is het in dezen ook een mogelijkheid om projectgericht te gaan kijken? Als het om een waardevol project gaat waarbij dat aspect de enige belemmering zou kunnen zijn, en het gaat om een weloverwogen verhaal, is er dan een mogelijkheid om dat projectgericht te bespreken en te kijken of daar een oplossing voor kan worden gegeven? Ik zou het ongelooflijk spijtig vinden dat projecten geen doorgang zouden kunnen krijgen omdat we heel halsstarrig vasthouden aan die vijf jaar, vooral omdat ik denk dat bij diepegeothermieprojecten dat effectief wel eens een knelpunt kan zijn.

Wat het delen van kennis en ervaring betreft, verwijst u naar het Europese project. Projecten die daar ingediend worden, hebben ook automatisch de verplichting om hun informatie te delen. Ik ben trouwens heel blij dat Vlaanderen zich aansluit bij dat Europese project. Maar natuurlijk zijn er ook projecten en evoluties die misschien niet tot dat project behoren. Als er andere diepegeothermieprojecten of onderzoeken naar diepe ondergronden zouden zijn, hoe kijken we daar dan naar? Als die zich niet binnen dat Europese project bewegen, is er dan ook bepaald dat men aan kennisdeling moet doen?

Tot slot ben ik heel blij dat u hier duidelijk mee onderstreept dat de gemeenten een heel belangrijke regierol hebben, en dat het beheer van het openbaar domein een belangrijk instrument is om die regierol te kunnen opnemen. Dat is gelijkaardig als bij de uitbouw van elektriciteitsnetwerken en het waterleidingnetwerk. Voor zowel elektriciteit als water hebben wij heel vaak samenwerkingen over gemeentegrenzen heen, intercommunale samenwerkingen, waar kennis en ervaring bij elkaar zit. En dus stel ik mij de vraag of ik die lijn ook mag doortrekken voor de uitbouw van warmtenetten. Als we een visie willen uitbouwen en we willen op een goede manier lock-ins vermijden en we willen op een goede manier een uitrol krijgen en private projecten en ideeën daar op een correcte manier in inpassen, door ervoor te zorgen dat private projecten geen eilandjes worden, maar ingesloten worden in het gehele netwerk, mag ik die visie van beheer van waterleidingnetwerk en elektriciteitsnetwerk, dat wij als gemeenten via intercommunales doen, doortrekken voor bijvoorbeeld warmtenetten? Gemeenten die daar vandaag mee geconfronteerd worden, kunnen zo op een correcte manier een goede uitrol doen van warmtenetten.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Bedankt voor de antwoorden op de gestelde vragen, minister. We hebben een besluit in opmaak, dat wellicht nog in een van de komende ministerraden zijn weg naar goedkeuring zal vinden, met betrekking tot EPB. Het is belangrijk dat er een aantal drempels worden weggewerkt.

Er leven bij heel veel mensen heel veel vragen over de impact van een nieuw tariefsysteem op warmtepompen en de rendabiliteit daarvan. Daaromtrent moet er vanuit de VREG – en vanuit het parlement zullen we dat ook met plezier met de mensen van de VREG opnemen – duidelijk gecommuniceerd worden, zodat mensen niet aarzelen om te investeren in warmtepompen. Warmtepompen zijn wat ons betreft een van de belangrijkste technologieën van de toekomst voor de verwarming in Vlaanderen. Dat stond trouwens ook in de klimaatresolutie. We moeten er alles aan doen om die technologie te stimuleren.

Ik heb nog een bijkomend vraagje met betrekking tot micro-wkk. U zegt dat u een voorstel hebt en dat u dat zou voorleggen. Wanneer is dat dan en wat betekent dat voorstel concreet? En welk budget trekt u daarvoor uit?

De voorzitter

De heer Danen heeft het woord.

Minister, ik wil een lans breken voor een technologie die wat onderbenut blijft en die momenteel helemaal volwassen is geworden, namelijk die van de warmtepompen. Collega Bothuyne heeft er al vragen over gesteld, maar uw eerste antwoord stelt me toch niet helemaal gerust. U hebt nogmaals herhaald dat u denkt dat het capaciteitstarief dat probleem voor een stuk zal oplossen. Maar ik ken ook wat simulaties daaromtrent. En het klopt dat het tarief een beetje minder zal zijn dan vandaag, maar dat is natuurlijk nog niet voldoende. De onevenredigheid tussen de kostprijs van elektriciteit en gas is zo groot, dat zelfs beperkte aanpassingen niet maken dat warmtepompen interessant worden.

Ik zal dat hier vandaag niet helemaal uitwerken, maar ik heb de recente cijfers van Eurostat bekeken, en als het over elektriciteit gaat, zitten wij als België of Vlaanderen bij de duurste landen van Europa. Als het daarentegen over gas gaat, zitten wij onder het gemiddelde. Het verschil is ongeveer factor vijf: gas is vijf keer zo goedkoop als elektriciteit. Dat maakt dat zelfs als een warmtepomp vier keer zo efficiënt is als een gaswandketel, ze dan nog duurder is in gebruik.

Dit betekent, met andere woorden, dat iets bijzonder energie-efficiënts vanwege de hoge energiefactuur in het gebruik niet kan worden teruggewonnen. Dat maakt de investering voor heel wat groepen oninteressant. Dat is zo en dat blijft zo.

Ik weet dat mensen die nieuw bouwen of vernieuwbouwen en die met zonnepanelen en bijna nul op de meter zitten er in veel gevallen min of meer uitkomen. De concurrentie met gas is dan minder groot. Het moet echter mogelijk zijn. Ik wil er blijven voor gaan dat een warmtepomp een volwaardig alternatief wordt voor mensen die verbouwen of vernieuwbouwen en die een nieuwe verwarmingsinstallatie willen. Momenteel wordt in slechts 12 procent van de nieuwbouwwoningen in een warmtepomp geïnvesteerd. Dat is eigenlijk veel te weinig. Dat percentage zou veel hoger moeten zijn.

Minister, ik heb gezien dat u in uw plan een tijdspad of groeipad vooropstelt. Eigenlijk zou het veel beter zijn om hieraan te werken en een oplossing te zoeken. Ik reik u de hand. Ik wil de term Pax Energetica niet gebruiken. Dit is veel te belangrijk om politieke spelletjes te spelen. Dit is dan ook een warm pleidooi hiervoor.

De andere vraag met betrekking tot de warmtenetten en dergelijke zal ik hier zeker niet herhalen. Daarover is immers al heel wat gezegd.

De voorzitter

Minister Tommelein heeft het woord.

Mijnheer Gryffroy, wat de centrale in Langerlo betreft, moeten we de puntjes op de i zetten. Eerst en vooral ben ik met dit dossier geconfronteerd, net zoals ik tijdens de eerste dagen van mijn ministerschap ben geconfronteerd met het dossier Bee. Mijn collega’s in de Vlaamse Regering hebben dit aangepakt in de lijn van wat ik zou beslissen. Ze hebben het geannuleerd. Het project is stopgezet. Dat kon toen nog. De definitieve bandingfactor was nog niet vastgelegd. Er is bij de Raad van State geprocedeerd, maar de Vlaamse Regering heeft haar gelijk gehaald. Dat dossier is afgesloten. Ik heb dan een nieuw energieplan opgesteld. Ik ben hiermee naar de Vlaamse Regering gestapt. Dat plan heeft bijkomende elementen veroorzaakt, zoals bijkomende zonnepanelen en bijkomende windmolens.

Wat de centrale in Langerlo betreft, is de juridische discussie anders. De vorige Vlaamse Regering heeft het project goedgekeurd. De huidige Vlaamse Regering heeft de definitieve bandingfactor toegekend en een beslissing genomen. Juridisch gezien, moet de centrale in Langerlo tegen augustus 2018 opstarten. Juridisch gezien, is dat dossier nog niet helemaal van de baan. Ik moet eerlijk toegeven dat ik dacht dat het weg was toen de boeken werden neergelegd. Ik wilde snel een nieuw plan maken. Vanwege een aantal interventies in het dossier heb ik echter besloten nog even te wachten en te kijken hoe dit dossier verder zou evolueren. Strikt juridisch genomen, is de centrale in Langerlo nog altijd niet definitief van de baan. Ik zou natuurlijk als een echte struisvogel de kop in het zand kunnen steken, maar dan zou ik de mensen een rad voor de ogen draaien. In de loop van de komende weken zal ik werk maken van een alternatief voor de centrale in Langerlo. Het is duidelijk dat dit alternatief er vandaag niet is.

Mijnheer Gryffroy, u hebt gisteren de bemerking van de Organisatie voor Duurzame Energie (ODE) ontvangen. Dat kan alleszins de aanleiding voor uw vraag om uitleg niet zijn, want u heb deze vraag om uitleg op 8 juni 2017 ingediend. Dat is welgeteld een maand geleden.

Als ik moet voortgaan op de stelling van een organisatie of een groep die beweert dat iets niet kan, zou ik niet veel moeten doen. Er zijn in dit land zeer veel organisaties die allerlei belangen vertegenwoordigen. Soms zijn dat eens tegengestelde belangen. Ik wil de ODE niet aanvallen. Ik heb daar een zeer goed contact mee. Dat een organisatie iets weinig realistisch of niet haalbaar vindt, betekent echter niet dat ik er onmiddellijk van moet uitgaan dat het niet haalbaar is. Ik zal het onderzoeken en nagaan of we moeten bijsturen.

Zoals ik daarnet al heb verklaard, zullen een aantal meevallers er soms voor zorgen dat we de doelstellingen halen en zullen een aantal tegenslagen het soms moeilijker maken om de doelstellingen te halen. De minister-president uit dikwijls zijn bezorgdheid om het halen van de doelstellingen door het wegvallen van de twee biomassacentrales. Dat klopt, maar ik wil de doelstellingen zonder biomassacentrales halen. Dat is voor mij veel belangrijker dan ze te halen met biomassacentrales.

Ik wil duidelijk zijn. Het is voor mij geen optie de doelstellingen niet te halen. Indien we ze niet halen, zullen we op het einde van de rit misschien energie moeten aankopen in Estland of in Litouwen. Die regeringen hebben me overigens al informeel gepolst.

Mijnheer Gryffroy, het is voor de Vlaming goed om weten dat we dan ook weer betalen. In dat geval betalen we voor groene stroom of hernieuwbare energie die in een bepaalde formule is opgewekt. Ik heb u tijdens de plenaire vergadering al horen verklaren dat u ook geen grote minnaar bent van de grote biomassacentrale in Langerlo. We moeten dan echter hernieuwbare energie aankopen aan de kostprijs. Er kan eventueel wat ondersteuning van de factuur zijn. Wat we dan hebben gemist, zijn de groene jobs. De bedrijven missen de opportuniteiten met betrekking tot hernieuwbare energie die zich momenteel ontwikkelen. We missen dan de innovatie op het vlak van hernieuwbare energie.

Zelfs als iets niet haalbaar lijkt of als een organisatie denkt dat het niet haalbaar is, moeten we hierop blijven inzetten. Niets is onmogelijk. Er zijn in het verleden veel zaken geweest waarvan werd gezegd dat het niet mogelijk was.

Momenteel is de discussie over elektrische voertuigen volop aan de gang. Ik kom op straten, op pleinen en in de voetbalstadions van Vlaanderen bijna niemand tegen die gelooft dat we binnen een aantal jaren elektrisch zullen rijden. Gisterenavond heb ik een discussie gevoerd met een aantal mensen die dat niet geloven. Als ik dan vertel dat een Vlaming gemiddeld 23 kilometer per dag met zijn auto rijdt, kijken ze stomverbaasd. Dat zijn wetenschappelijk gefundeerde cijfers. Een Vlaming rijgt gemiddeld 23 kilometer per dag met zijn wagen en 80 procent van de Vlamingen rijdt niet eens 50 kilometer per dag met zijn wagen. Gemiddeld genomen, is elke Vlaming, met andere woorden, in staat om elektrisch te rijden.  Er is een kleine groep die het moeilijk heeft. Gisteren zat een inspecteur van een verzekeringsbedrijf naast me. Hij rijdt elke dag honderden kilometers. Voor die mensen is het natuurlijk moeilijk, net zoals het voor mij ook niet evident is.

De meerderheid der mensen gelooft een aantal zaken niet en denkt daarom dat bepaalde zaken onhaalbaar zijn. Ze houden geen rekening met de evoluties tijdens de komende periode, met innovaties, met lagere investeringskosten en met betere rendementen.

Ik zal even een voorbeeld geven. Deze ochtend heb ik in Lokeren een windmolenpark langs de E17 geopend. Het gaat om windmolens met een vermogen van 2,5 megawatt. Indien daar nu een nieuw project zou starten, zou het om windmolens met veel meer rendement en een hoger megawattage gaan. De looptijd tussen een aanvraag en de vergunning van een molen is zo lang dat we in feite windmolens van de vorige generatie openen.

In Duitsland heb ik twee weken geleden vrij letterlijk een windmolen met een vermogen van 7,5 megawatt beklommen. Het was een hachelijke onderneming om boven te geraken. Ik heb vandaag vernomen dat in het windmolenpark van Borssele windmolens met een vermogen van 8 megawatt zullen worden geplaatst. Dit betekent dat de technieken evolueren. We moeten hiermee rekening houden.

Mevrouw Rombouts, u hebt me een aantal vragen gesteld over het beheer van het net. Een warmtenet moet niet noodzakelijk door een intercommunale worden beheerd. Dat mag, maar het hoeft niet noodzakelijk.

Mijnheer Gryffroy, u hebt me om het standpunt van het VEA gevraagd. De discussie over de opties is duidelijk. Ik heb zelf de derde optie gekozen en aanbevolen. Dit betekent voorlopig geen beslissing nemen omdat we niet weten of private initiatieven de kop zullen opsteken. Ik moet eerlijk zeggen dat we in mijn stad voor de derde optie hebben gekozen. We hebben een warmtenet dat vanuit de private sector wordt ontwikkeld.

Indien voor de eerste optie wordt gekozen, is een samenwerking met een lokale overheid in principe niet meer mogelijk. Dit betekent dat het private initiatief wordt gefnuikt. Ik maak daar geen geheim van. U bent het niet met me eens. Zoals u weet, heb ik een bepaalde ideologische overtuiging en ik wil private initiatieven zo veel mogelijk de kans geven om zich te ontwikkelen. Op dat vlak verschillen we van mening. Ik ben nu eenmaal een liberaal. Ik ben ervan overtuigd dat de private initiatieven zich minder snel zullen ontwikkelen of minder kansen zullen krijgen om zich te ontwikkelen indien een intercommunale of een distributienetbeheerder dit in handen krijgt. Dat is een meningsverschil tussen ons. Indien projecten op stapel staan, is er geen enkele reden om dit aan de distributienetbeheerders over te dragen.

Mevrouw Rombouts, ik weet waar de discussie om draait, namelijk om het beheer van het openbaar domein. De distributienetbeheerders vinden dat zij dit moeten beheren. De vraag is of het ook mogelijk is dat een warmtenet door een private beheerder in plaats van een distributienetbeheerder wordt beheerd. Die vraag ligt natuurlijk in de lijn van de vraag die u me hebt gesteld. Er is discussie of dit nu al dan niet door een distributienetbeheerder moet worden beheerd.

Wat de call voor groene warmte betreft, is de termijn vijf jaar. De discussie tussen het VEA en de sector is lopende. We zullen zien wat het eindresultaat wordt. Ik sluit een aantal evaluaties en bijsturingen niet uit.

Mijnheer Gryffroy, wat de micro-wkk betreft, heb ik al verklaard dat ik met een voorstel naar de Vlaamse Regering zal stappen. We zullen nagaan of investeringssteun al dan niet mogelijk is. Ik zal dat aan de Vlaamse Regering voorleggen. Het is niet mijn bedoeling al mijn voorstellen te becommentariëren voor de Vlaamse Regering er kennis van heeft kunnen nemen.

Mijnheer Danen, er zijn belemmeringen en drempels voor warmtepompen. We moeten dat echt bekijken. Ik probeer ook de drempels weg te nemen met betrekking tot wind- en zonne-energie. Ik houd er niet van nieuwe drempels op te werpen. Als ik nieuwe drempels zie komen, waarschuw ik daar altijd voor. Dat gebeurt regelmatig. Ik beweer niet dat we nergens rekening mee moeten houden. Ook wat natuur betreft, ben ik zeer pragmatisch. Het lijkt me echter gevaarlijk telkens opnieuw nieuwe drempels op te werpen waardoor iets wat interessant is, wordt uitgesloten of niet aantrekkelijk wordt.

Ik weet dat gas goedkoop is. De mensen vergeten dat soms. Ik heb er u daarnet ook op betrapt. U had het over de energiefactuur in plaats van over de elektriciteitsfactuur. De elektriciteitsfactuur is zwaar gestegen. De elektriciteitsfactuur is in het verleden te veel belast. Alle kosten zijn aan de elektriciteitsfactuur verbonden. Voor mijn tijd is gediscussieerd over de vraag of alles in de elektriciteitsfactuur dan wel in andere facturen, zoals de gasfactuur, moest worden gestoken. De keuze is toen gemaakt om het aan de elektriciteitsfactuur toe te voegen, wat u nu aanklaagt.

De vraag is nu natuurlijk wat omlaag moet. Volgens mij moet de globale energiefactuur omlaag. De Vlamingen moeten echter beseffen dat de gasfactuur niet stijgt. De gasprijs is bij de goedkoopste in Europa en is de voorbije vijf jaar drie keer gedaald. De vraag is dan natuurlijk hoe we dit kunnen oplossen. Leggen we nieuwe taksen op aan een factuur die te goedkoop is? Volgens mij moeten we eerst een draagvlak creëren. Wat de energiefactuur betreft, moeten we eerst rust en stabiliteit bij de mensen creëren.

Ik weet dat dit denkspoor wordt bewandeld. Ik herinner me dat me tijdens de plenaire vergadering is gevraagd of ik voor of tegen een CO2-taks ben. In principe moet de vervuiler betalen. Dat moet, maar we moeten ervoor zorgen dat de energiefactuur voor de mensen niet opnieuw begint te stijgen. De bedrijven moeten competitief blijven. We mogen dit niet overhaast in het wilde weg beslissen.

Ik denk dat dit sowieso op de agenda zal staan. Het zal ook deel uitmaken van het energiepact dat met de Federale Regering en met de andere gewesten zal worden afgesloten. We moeten hier niet op vooruitlopen. We moeten zeer zindelijk zijn in onze woordkeuze. Er is een heel groot verschil tussen de energiefactuur en de elektriciteitsfactuur. Op een aantal fossiele brandstoffen heb ik trouwens geen enkele impact. Ik heb geen impact op de stookolieprijzen. Dat zijn zaken die intrafederaal moeten worden geregeld.

Een van de lasten voor de warmtepompen zal sowieso dalen. Door de beslissing van het Grondwettelijk Hof zal de energieheffing sowieso verdwijnen. Dat is een van de elementen die een rol hebben gespeeld in de hoogte van de elektriciteitsfactuur.

Voorzitter, ik denk dat ik alle vragen heb beantwoord, maar ik ben niet helemaal zeker.  (Opmerkingen)

Minister, ik had nog een vraag gesteld over de timing van de warmtetoets. Voor wie is het instrument van de warmtetoets in de uitvoering eigenlijk bedoeld?

De warmtetoets is een bevoegdheid van de lokale besturen. De timing is een van de prioriteiten. De warmtetoets wordt door de lokale besturen uitgevoerd.

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Minister, dit heeft twee aspecten. De reden waarom ik deze vraag om uitleg een maand geleden heb ingediend, is dat in het plan staat dat vanuit het tweede scenario is vertrokken. Juridisch hebt u gelijk, maar u had ook een derde scenario zonder de centrale in Langerlo kunnen maken. Bovendien weten we nog niet wat met de centrale van Max Green zal gebeuren.

Ik heb uiteraard altijd verklaard een koele minnaar te zijn van de centrale in Langerlo en van de centrale van Max Green, maar ik was wel een voorstander van de installatie van Bee Power. Dat is immers een nieuwe installatie met een veel hoger rendement die aan een warmtenet is gekoppeld. Ik ben een koele minnaar van de centrale in Langerlo en van de centrale van Max Green omdat ik dat als oud ijzer beschouw. Die centrales hebben een zeer laag rendement. Iedereen weet dat dit mijn visie hierop is.

Uw plan is correct wanneer u het over de centrale te Langerlo hebt. Desalniettemin, ik heb dat rapport niet geschreven. Ik was verwonderd dat ze het gisteren hebben doorgestuurd. Ze vinden het niet realistisch en schatten het tekort in op 1000 megawattuur. U kunt daar nu geen antwoord op geven. U bent voluntaristisch en wilt vooruitgaan. Indien we de doelstelling voor 2020 willen halen, zal de rekening op een bepaald ogenblik echter moeten kloppen.

Wat de beheersoverdracht betreft, hebt u in de commissie verklaard dat de privésector het mag doen en dat u dat zeer graag zou zien. Het decreet betreffende de warmtenetten is van u afkomstig. Momenteel komt echter niemand zich aanmelden. Om die reden hebben we in het decreet niet voorzien in bundelingseisen. We hebben gesteld dat dit eventueel later nog zou volgen.

Indien de privésector dit mag doen, zou de privésector zowel producent, distributeur als verkoper kunnen worden. Momenteel is niet in bundelingseisen voorzien. We hebben in het decreet heel bewust veel verantwoordelijkheid gelegd bij de distributienetbeheerders. Er zijn drie keuzes. Op basis van die opties stellen we nu vast dat de privésector het altijd kan doen als er een verkaveling is. Ik heb ook telefoontjes van verontruste burgemeesters gekregen.

Er is een verkaveling die moet worden opgestart en men had gepland om met privaat initiatief het warmtenet uit te bouwen. Dat kan nog altijd. De gemeente moet een domeintoelating geven, zelfs al heeft men gekozen voor optie 1, zijnde integrale beheersoverdracht.

Eigenlijk was er gewoon in de commissievergadering van 5 mei afgesproken, omdat u betwijfelde of die keuzes mogelijk waren, dat u juridisch advies ging vragen aan het Vlaams Energieagentschap. Hebt u dat juridisch advies gekregen? Zo ja, wat was daar het antwoord op? U kunt dat eventueel schriftelijk overmaken.

De voorzitter

Mevrouw Rombouts heeft het woord.

Minister, ik wil jullie bedanken voor de bijkomende antwoorden. In het plan zitten heel veel zaken waar ik veel waardevolle elementen in zie.

Ik vraag naar de timing omdat er nog heel wat dingen worden vooropgesteld, een evaluatie en zaken die nog moeten worden uitgewerkt. We willen zelf aan de slag om die warmtenetten en het Warmteplan op een snelle manier vorm te geven in de realiteit. Daarom vragen we naar een timing. Als die timing nog niet heel scherp wordt gesteld, wat ik voor een deel begrijp van uw kant, dan hoop ik dat u het ons niet kwalijk neemt dat wij ongeduldig aan uw mouw trekken om te vragen wat de stand van zaken is en wat de timing is. Ik verwacht ook dat we dit in de komende maanden verder zullen opvolgen om te zien hoe die verdere uitrol zal plaatsvinden.

Minister, u erkent een aantal belemmeringen, zelfs rond die vijf jaar vergroening, en zegt dat misschien kan worden nagegaan hoe die belemmeringen kunnen worden opgevangen. Ik hoop dat, met het oog op specifiek nieuwe technieken zoals bijvoorbeeld dieptegeothermie, er voldoende ruimte is voor expertise-opbouw en eventueel experimenteerruimte binnen de wetgeving zodat we op het terrein bepaalde evoluties niet dadelijk moeten afremmen.

De warmtetoets is een instrument voor de gemeenten. Ik ben zeer benieuwd hoe dit effectief zal werken. Wij zijn een van de gemeenten die heel secuur willen nakijken op welke manier warmtenetten en meerwaarde kunnen betekenen voor ons grondgebied, ook omdat we in een regio liggen waar geothermie een kans kan hebben. Ik weet dat heel wat Kempense gemeentes met die focus kijken: hoe moeten we naar nieuwe projecten kijken, hoe moeten we dat warmtenet uitrollen, hoe moeten we die inschakelen op elkaar, wat als private ontwikkelaars afkomen? Ik zeg helemaal niet dat private ontwikkelaars in dezen geen belangrijke rol kunnen spelen, maar zij kunnen ook wel zorgen voor een lock-in en ze kunnen zorgen dat ze een eiland worden. Zij zouden ervoor kunnen zorgen dat misschien de kersen er worden uitgehaald en nadien de lasten om de minder interessante projecten uit te rollen, worden doorgeschoven naar de overheid. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. In die zin ben ik een grote voorstander van private ontwikkeling, maar in samenwerking met een overheid. Mijn vraag was niet of dit ‘moet’ met een intercommunale, integendeel. Ik denk trouwens dat het openbaar domein geen terrein is van een intercommunale, het behoort tot de specifieke bevoegdheid van de gemeente. Een gemeente kan dus wel – dat heb ik toch begrepen uit uw antwoord – de keuze maken om een eigen visie uit te bouwen, om na te gaan op welke manier zij wenst samen te werken met private ontwikkelaars, maar ook om na te gaan op welke manier zij een verantwoordelijkheid bij een intercommunale of bij de eigen diensten kan leggen om op een goede manier de visie rond warmtenetten uit te bouwen. Ik kan maar hopen, en ik ben er ook van overtuigd, dat heel wat gemeenten ook kijken naar private investeerders en ontwikkelaars om dat samen te doen, maar het is belangrijk dat het goed overwogen wordt en met een visie op lange termijn voor het hele grondgebied. In die zin ben ik ook blij met uw antwoord dat het niet ‘moet’, maar dat de ruimte er wel is en dat de regierol bij de gemeente ligt.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, we kijken uit naar het EPB-wijzigingsbesluit. We kijken uit naar uw voorstel met betrekking tot de ondersteuning van micro-wkk’s. We gaan samen de rendabiliteit van warmtepompen in het kader van een nieuw tarief opvolgen.

Ik wil nog één ding zeggen over het kerntakendebat van de netbeheerders, want daar waren we uiteindelijk gekomen. Ik denk dat op dit moment de discussie te veel gepolariseerd en ideologisch wordt gevoerd en dat het absoluut niet hoeft. De private sector en netbeheerders kunnen perfect een complementaire rol opnemen onder de regie van lokale besturen en de beheersoverdracht daaromtrent hoeft geen hinderpaal te zijn, wat door de meeste juristen ook al duidelijk is aangetoond.

Ik had vanmorgen – en dat is een ander luik van de dienstverlening van de netbeheerders – een groep bedrijven op bezoek die actief zijn in de relighting, in alle mogelijke energiebesparende investeringen voor lokale besturen. Zij pleiten er absoluut voor om de netbeheerders hun rol verder te laten opnemen en zeker niet te snoeien in de mogelijkheden die de netbeheerders op dat vlak bieden aan lokale besturen. Het is dus perfect mogelijk om netbeheerders en de markt samen hun werk te laten doen. Het is in het belang van beide om het debat op een goede manier en op een constructieve manier te voeren en ideologie in dezen achterwege te laten. 

De voorzitter

Minister Tommelein heeft het woord.

Mijnheer Bothuyne, dit is niet alleen een ideologische discussie. Het mag, want ideologie en overtuiging zijn niet verkeerd, maar ik heb het juridisch advies van VEA. Ik zal het overmaken. Het advies stelt heel duidelijk dat een exclusief gebruiksrecht tegengesteld is aan het decreet. Het decreet zegt dus duidelijk een exclusief gebruiksrecht niet kan. Dat is het advies dat ik kreeg van het Vlaams Energieagentschap. Ik heb trouwens ook nog weet van andere juridische adviezen in het land, van private juridische kantoren die ik hier niet moet bekendmaken, want het zijn interne gegevens die mij zijn bekendgemaakt, die net hetzelfde zeggen. Het is dus geen pure ideologische discussie. Voor alle duidelijkheid: ik ben niet tegen het feit dat er initiatieven kunnen worden genomen door distributienetbeheerders. Ik heb me daar nooit tegen verzet. Ik wil alleen vermijden dat private initiatieven het onderspit moeten delven voor initiatieven die worden genomen door de distributienetbeheerders en dat hun kansen worden verminderd en verkleind. Het is een bewuste keuze geweest om de warmtenetten niet exclusief aan de distributienetbeheerders te geven. We moeten ons daar dan ook naar gedragen en niet zeggen dat de distributienetbeheerders alle mogelijkheden moeten hebben om in concurrentie te gaan met private initiatieven zodat die private initiatieven er niet meer komen. Dat is mijn grootste bekommernis. Ook in het belang van de consument is dat belangrijk. Ik zal het advies overmaken aan de commissiesecretaris.

De voorzitter

De heer Gryffroy heeft het woord.

Ik wacht het advies af.

De gemeenten hebben ook drie keuzes. Dan is er ook geen probleem. De gemeenten kiezen voor de totale overdracht, maar zelfs met een totale overdracht is het nog niet onherroepelijk en is privaat initiatief mogelijk, want een gemeente is verplicht om een domeintoelating te geven.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.