U bent hier

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Minister, op 27 juni 2017 bracht u de langverwachte communicatie over de beleidskeuze in het kader van de overdracht van de bevoegdheden Cultuur en Jeugd van de provincies naar de Vlaamse overheid. Op de website van het departement werd een verduidelijkende nota gepubliceerd, met ook het ‘Transitiereglement voor de subsidiëring van culturele projecten met een regionale uitstraling’ en de overzichtstabellen per provincie met de bedragen die per organisatie worden overgeheveld. Het zijn natuurlijk die overzichtstabellen die een aantal mensen wakker hebben gemaakt en waardoor mijn vraag is opgeborreld.

Ik heb eerst een kleine vraag. In het overzicht ontbreekt het bedrag voor het provinciale jeugdverblijf Hanenbos in Dworp. U hebt al enkele keren beloofd dat dat bedrag er zou komen, maar het staat er niet in. We hebben dat via het minidecreet overgedragen aan de vzw Algemene Dienst voor Jeugdtoerisme (ADJ). Hoe zit dat nu met dat bedrag? Is dat nog altijd niet bepaald? Waarom staat dat daar niet in? Dat is toch belangrijk voor het personeel en de verdere werking van Hanenbos?

In de overzichtstabellen per provincie valt ons op dat voor de subsidieverdeling wordt teruggegrepen naar de toekenningen in 2014. Men heeft dat ergens geprikt op die datum. Ik neem aan dat er ergens moest worden gestart. Maar er werd geen rekening gehouden met de latere evoluties. Concreet: voor de nominatieve subsidies en voor de gereglementeerde werkingssubsidies voor culturele, sociaal-culturele en artistieke initiatieven werd gekozen voor de bedragen en begunstigden van 2014. Alleen voor de amateurkunsten – toneelkringen, orkesten en koren – wordt die update wel doorgevoerd, zo grondig dat zelfs rekening zal worden gehouden met de deelname aan tornooien die later dit jaar nog plaatsvinden.

Gevolg: een aantal organisaties die in 2015, 2016 en 2017 al dan niet voor de eerste keer werkingssubsidie kregen, vallen voortaan uit de boot. Ik geef het voorbeeld van Cas-co, opgericht in 2015. Dat heeft toen middelen gekregen van de provincie: 5000 euro en de jaren daarop 10.000 euro. Die vinden we niet terug in de lijst zoals die bij het opstellen van de vraag op de website stond. Ik neem aan dat dit allemaal nog eens kan worden bekeken. Ik kan nog meer voorbeelden geven. Zo heb je aan de andere kant van Brussel de School van Gaasbeek, enzovoort. In West-Vlaanderen heb je Spots op West, dat in 2016 10.000 euro en in 2017 15.000 euro kreeg en dat nu niet is terug te vinden op die lijst.

Organisaties die in 2014 een subsidie kregen maar daarna niet meer, zouden nu ‘uit het niets’ opnieuw geld krijgen, zelfs als ze het niet meer nodig hebben – daar werd niet naar gevraagd. Een aantal van deze organisaties of toch zeker de projecten waarvoor de subsidies toegekend werden, bestaan niet meer maar zouden toch nog gesubsidieerd worden. Een concreet voorbeeld : CultuurNet werd in de lijst op de website opgenomen voor 35.000 euro. De provincie Vlaams-Brabant gaf CultuurNet in 2014 een nominatieve subsidie voor een medewerker die de gemeenten moest overtuigen om zich aan te sluiten bij het UIT-netwerk. Ondertussen werd de subsidie stopgezet omdat zo goed als alle gemeenten daaraan meewerken. Minister, hoe motiveert u deze beleidskeuze – voor zover we hier van beleidskeuze kunnen spreken? Vanwaar dit verschil in behandeling tussen de verschillende sectoren?

De bedragen kloppen soms ook niet met wat er werkelijk werd ontvangen. Zo stond er voor het Landjuweelfestival 3000 euro ingeschreven. Maar zij hebben in 2016 van Antwerpen 15.000 euro gekregen en van West-Vlaanderen 10.000 euro. Dat zijn misschien misrekeningen of ongelukkige zaken. Ik ben heel benieuwd naar het antwoord.

Het transitiereglement waarborgt in 2018-2019 de subsidiëring van culturele projecten die het lokale niveau overstijgen. Ook culturele initiatieven met bovenlokale ambities die podiumkansen voor jongeren creëren, kunnen subsidies aanvragen binnen dit reglement. De eerste deadline voor de indiening van projectvoorstellen is 1 oktober 2017. Subsidieaanvragen moeten worden ingediend via de online applicatie KIOSK van het departement. Voor de provinciale tornooien van amateurgezelschappen zoals koren, fanfares en toneelgezelschappen biedt dit reglement niet echt een oplossing. In de nota ‘Beleidskeuzes’ staat dat de organisaties in 2018 en 2019 de bedragen ontvangen die ze toegekend kregen na de laatste wedstrijd waaraan de groep deelnam. In 2018 en 2019 zullen er geen nieuwe wedstrijden georganiseerd worden. Het departement zal dan samen met de amateurkunstenorganisaties een nieuw toekomstgericht beleidskader uitwerken dat zal worden opgenomen in het toekomstige decreet Regionaal cultuurbeleid. In welke overgangsmaatregel wordt er voorzien voor amateurkunstenorganisaties die van plan waren om in 2018 of 2019 aan een wedstrijd deel te nemen en die nu zonder subsidiemogelijkheid komen te zitten?

Een bijkomend vraagje: in de nota staat jeugd opgesomd, maar in het transitiereglement niet. In het reglement gaat het over amateurkunsten, sociaal-cultureel werk en erfgoed, maar woorden als ‘jongeren’ of ‘jeugd’ staan er niet meer in. Het is echt onduidelijk of jongerenorganisaties die cultureel-educatieve zaken aanbieden, zullen mogen meedoen aan een oproep voor 2018-2019.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Voorzitter, collega's, ik geef u het overzicht inzake de provinciale overdracht van de  bevoegdheden inzake cultuur en jeugd, en ook de antwoorden op uw vragen. Het basisprincipe is het voeren van een tweestromenbeleid. Op korte termijn verzekeren we de continuïteit in 2018 en 2019. Op langere termijn gaan we voor een regionaal cultuurdecreet en een decreet houdende de subsidiëring van bovenlokaal jeugdwerk, jeugdhuizen en jeugdwerk voor bijzondere doelgroepen.

Inzake de overdracht van taken en bevoegdheden werken we met een transitiereglement voor culturele projecten met regionale uitstraling. We werken erg transparant. De projecten moeten van bovenlokaal niveau zijn. Alle sectoren behalve film en letteren worden opgenomen. Zowel niet-commerciële rechtspersonen als feitelijke verenigingen komen in aanmerking. Complementariteit aan het Vlaamse cultuurbeleid is belangrijk. Ik benadruk dat deze oefening is totstandgekomen samen met de provincies. Voor 2018 en 2019 zijn er vier indienmomenten, te beginnen in het najaar van 2018.

Het transitiereglement voor culturele projecten met regionale uitstraling is niet voor organisaties die een facultatieve subsidie ontvangen in het kader van de overgang van de provincies of een toevoeging aan de structurele enveloppe krijgen. Het gaat dus over het kleine en middelgrote werkveld. De subsidie bedraagt maximaal 25.000 euro, en dat is zo afgesproken met de provinciale diensten. De beoordeling gebeurt door de administratie op basis van erg open criteria. De provinciale diensten zullen aan die beoordeling meewerken, waarvoor dank. Ik beslis uiteindelijk, maar zal me houden aan de beoordeling van de administratie die dus wordt geholpen door de provinciale diensten.

Wat is de timing? Vorige week is de algemene bekendmaking gebeurd. De indiening gebeurt op 1 oktober, met een beslissing voor het eind van 2017. Nadien volgen andere indienmogelijkheden. De indiening gebeurt via KIOSK. De infosessies zijn gepland. In de komende weken zal er nog een schrijven volgen naar alle organisaties die door de provincies worden gesubsidieerd.

In de continuering van de werkingsmiddelen komen organisaties terecht die niet in het transitiereglement zitten. Werkingssubsidies of nominatims bij provincies zitten niet in de projecten, maar ze krijgen een verlenging van hun subsidie. Watou zit daar bijvoorbeeld in. Er zijn ook aanvullende subsidies voortvloeiend uit Vlaamse decreten: die worden toegevoegd aan hun enveloppe. We gebruiken het referentiejaar 2014, want dat is in het belang van de sector. Het was het laatste jaar waarin de provincies een normaal beleid in de volheid van hun bevoegdheden hebben gevoerd. Nadien was dat ook nog het geval, maar toch zijn er in 2015 en 2016 sommige zaken afgebouwd. Ook diegene die na 2014 zijn opgericht, kunnen natuurlijk meedoen. Wat Letteren en Film betreft, worden de initiatieven toegevoegd aan het VFL en het VAF. Lijsten die nu circuleren zijn nog niet definitief, wijzigingen zijn nog mogelijk.

Een moeilijker punt betreft de wedstrijden van amateurkunstenorganisaties – van de muziekensembles, koren en theatergezelschappen. De subsidies worden gecontinueerd volgens de ranking van de laatste wedstrijd waaraan werd deelgenomen. Nog niet alle wedstrijden zijn afgelopen, dus het bedrag is nog niet voor alle organisaties gekend. We willen alle cycli gelijktijdig laten samenkomen, om vanaf 2020 een nieuw wedstrijdformat uitwerken, in samenwerking met de koepelorganisaties. De winnende ensembles zullen hun subsidie ontvangen, andere kunnen een subsidie aanvragen aan de hand van het transitiereglement.

In het Culturele-erfgoeddecreet zullen regionale elementen worden opgenomen. We zullen overnemen wat er nu bestaat, om dat in de grote culturele-erfgoedronde te verankeren. Op korte termijn werken we met het transitiereglement.

Het consulentschap is een specifieke invalshoek. De continuering zal in de overgangsfase – in de volgende twee jaar – in het departement gebeuren. De evaluatie zal rekening houden met de bovenbouwoefening. Ook het regionaal depotbeleid zal in de overgangsfase in het departement inkantelen. Er wordt overlegd met FARO, het Vlaams steunpunt voor cultureel erfgoed. Dat neemt niet weg dat een aantal projectmatige erfgoedsubsidies via het transitiereglement kunnen worden aangevraagd. Het globale depotbeleid zal in de komende tijd door de Vlaamse Regering worden uitgewerkt. We staan voor een oefening met investeringen voor depotuitbouw in de provincies. Voorlopig is er enkel een state-of-the-artdepot in Ieper.

Wat het streekgericht bibliotheekbeleid betreft, is het de bedoeling dat het eengemaakt bibliotheeksysteem wordt overgenomen door Cultuurconnect. De gunning voor dat systeem zal in het najaar gebeuren. Het interbibliothecair leenverkeer zal door Cultuurconnect worden overgenomen. Het streekgericht bibliotheekbeleid, met de  bibliotheekconsulenten, zal in het departement worden ingekanteld. Na de overgangsperiode van 2018-2019 zal worden onderzocht welke plaats het in het regionaal cultuurdecreet kan krijgen.

Wat Jeugd betreft, is de aanpak mutatis mutandis vergelijkbaar. Het referentiejaar is hetzelfde en we zullen de subsidies voor 2018-2019 volgens dezelfde principes overnemen. Met het decreet bovenlokaal jeugdwerk staan we al iets verder, want het is een kleinere, overzichtelijkere sector. Het voorontwerp van het decreet wordt voor het zomerreces 2017 aan de Vlaamse Regering voor principiële goedkeuring voorgelegd. Het bundelt verschillende subsidielijnen en is gericht naar vier groepen van initiatiefnemers: geprofessionaliseerde jeugdhuizen, geprofessionaliseerd jeugdwerk met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren; het bovenlokaal jeugdwerk met kinderen en jongeren met een handicap en de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.

De krachtlijnen zijn vergelijkbaar. In het voorontwerp voorzien we in meerjarige structurele ondersteuning. De administratieve lasten moeten klein worden gehouden. Het beleid moet ook complementair zijn aan dat van de lokale besturen. De inwerkingtreding zal gefaseerd gebeuren, in 2020 en 2021. We willen ook het Jeugdwerk voor allen uitbouwen, waarbij wordt ingezet op inclusie. Het moet lokaal worden gerealiseerd. Het flankerend beleid staat op de slides: we komen er nog op terug wanneer het decreet in het najaar hier aan bod komt.

Vanaf 2020 willen we ook in dialoog met het werkveld een nieuw beleid implementeren, naast het maximaal garanderen van de continuïteit. Wat de regionale verschillen betreft, vragen sommigen in de perifere provincies om de middelen niet in de driehoek Antwerpen-Gent-Brussel te concentreren. Ik vind dat men daar een punt heeft. De veelheid van initiatieven in geheel Vlaanderen moet worden aangemoedigd. Er zal rekening worden gehouden met de bovenbouwoefening, en dan komen zaken aan bod als praktijkondersteuning inzake streekgericht bibliotheekbeleid, het erfgoedbeleid met daarin een belangrijke rol voor het consulentschap en talentontwikkeling. Nu is het nog te vroeg om er diep op in te gaan.

Participatiebevordering is een ander inhoudelijk element. De cultuurcentra hebben misschien het gevoel dat Vlaanderen hen loslaat, maar dat is schijn, want met een regionale, participatiebevorderende en spreidende rol zullen wij nieuwe initiatieven ontwikkelen. In het najaar zal het regiodecreet door de Vlaamse Regering worden goedgekeurd. Het regionaal jeugddecreet zal in het najaar al in het Vlaams Parlement worden besproken. Het regionaal cultuurdecreet zal eerder in het voorjaar van 2018 in het Vlaams Parlement komen. De uitrol zal in 2020 gebeuren.

Ik geef de lijst van instellingen en de bijpassende bedragen weer. We kregen de tabel van de provincies, aangepast met de indexering van de werkingsmiddelen, zodat ze voor 2018 bruikbaar zijn. Naast de werkings- en personeelsmiddelen voegden we een overhead van niet-toewijsbare kosten toe, ten belope van 20 procent. De gesprekken met overnemers en lokale overheden zijn gevoerd.

Het Roger Raveelmuseum krijgt 400.000 euro. Verschillende pistes liggen nog op tafel. We nemen het museum over, maar de vraag blijft of er partners zijn waarmee een samenwerking kan. Mu.ZEE en het Permekemuseum in Jabbeke krijgen 2.640.000 euro. Het aandeel van de provincie nemen we over. De gesprekken met de stad Oostende zijn vlot verlopen. Het Provinciaal Architectuurarchief Antwerpen is goed voor 502.000 euro. Het wordt overgenomen door het Vlaams Architectuur Instituut. We nemen Z33 over. We leverden een financiële inspanning en brachten het bedrag op 2.027.000 euro, exclusief wat men nog via het Kunstendecreet krijgt. Het heeft ook te maken met de Limburgse vraag voor ‘gelijkberechtiging’. De vzw wordt opgericht, in overleg met de Limburgse actoren. Jeugdverblijfcentrum Hanenbos krijgt 875.000 euro, bovenop het surplus dat men via ADJ ontvangt. Collectie Bulskampveld voor overgenomen door CAG; het bedrag is 257.000 euro. Het Lijsternest – zowel het museum als de schrijversresidentie – wordt overgenomen door het Letterenhuis en Passa Porta, het bedrag is 370.000 euro.

Dan komen we bij de instellingen die wij niet overnemen, maar die naar de lokale overheden gaan. Be-PART is op dit ogenblik geschat op 650.000 euro. Dat bedrag zal niet meer substantieel veranderen. We zijn wel nog in gesprek met de twee steden die daarover nog aan het bikkelen zijn. Dat is interessant en ik ben een toeschouwer. Ik probeer duidelijk te maken dat het de Vlaamse overheid is die bepaalt waar die instellingen naartoe gaan en niet de lokale overheden. Als u weet dat op de lijst van vorige zomer Kortrijk en Waregem staan, dan zullen het ook Kortrijk en Waregem zijn. Over de verhoudingen waarbinnen dit gebeurt en de inhoudelijke samenwerking – want dat is wel het belangrijkste – wordt nu nog onderhandeld, maar ik maak me sterk dat we hieruit zullen geraken tot nut van het algemeen belang, met een licht versterkte partner in het zuiden van West-Vlaanderen. Het engagement van de steden, ook financieel is in deze niet zonder belang.

Er waren heel wat tribulaties met het gebouw en de collectie van de provinciale erfgoedbibliotheek Westflandrica. De collectie wordt nu veilig en wel overgebracht naar Kortrijk en zal daar voor 730.000 euro een goede bewaring en hopelijk ook ontsluiting kennen. Men kan daar als goede West-Vlaming allerlei bedenkingen bij maken, maar ik pas mij aan aan de veranderende omstandigheden en ik kijk altijd naar de doelstelling: waar kan de inhoudelijke werking het best veilig ondergebracht worden? Na enig beraad hebben we dat daar gevonden.

Het schrijvershuis Anton Van Wilderode is specifiek. Het is iets kleins omdat het enkel over de overdracht gaat van onroerend goed, er is geen werking meer. Daarom gaat het voor een klein bedrag naar Moerbeke.

Dan zijn er ook nog wat grotere kleppers. Het Gallo-Romeins Museum wordt voor 4.000.000 euro overgedragen aan de stad Tongeren. Die gesprekken zijn rond. De Provinciale Bibliotheek Limburg wordt voor 4.800.000 euro overgedragen aan de stad Hasselt. De laatste gesprekken zijn daar bezig, maar vallen nu in de finale plooi. Het Caermersklooster wordt voor 835.000 euro overgedragen aan de stad Gent. Daar is geen probleem, er zijn nog enkele aspecten inzake de immobiliën die nog meespelen voor de stad en de provincie, maar niet zozeer voor de Vlaamse overheid. De overdracht van dat klooster staat in de sterren geschreven en is geregeld.

Voor Antwerpen hebben wij een bijzondere museumstichting voor drie musea mee goedgekeurd en ondersteund: het Modemuseum, het Museum voor Edelsmeedkunst, Juwelen en Diamanten en het Fotomuseum zullen voor 10.056.000 euro worden overgedragen om daar de verdere werking mogelijk te maken. De Arenbergschouwburg zal voor 2.510.000 euro aan de stad Antwerpen worden overgedragen. Voor De Studio gaat het enkele over de infrastructuur, want dat heeft niet te maken met de werking van Villanella op zich. Dat is een organisatie die gesubsidieerd wordt vanuit Vlaanderen en dat kan projectmatig ook vanuit de provincie, of vanuit andere overheden, dat moeten we dan bekijken, maar daar gaat het enkel over het gebouw.

We zullen wellicht nog wat kleinere problemen en verwikkelingen tegenkomen, maar we hebben ons uiterste best gedaan om voor de zomer daarover volledige duidelijkheid te geven, zodat iedereen, minstens in theorie, weet waar hij aan toe is. We zullen nog bijkomende inspanningen leveren op vlak van communicatie om dat ook in de praktijk te brengen. Alles staat gereed om de overdracht van die culturele en jeugdbevoegdheden in Vlaanderen en in voorkomend geval naar een aantal steden en gemeenten in goede banen te leiden.

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Minister, u bracht een tamelijk indrukwekkend verhaal. Het is geen cadeau om zo’n transitie in goede banen te moeten leiden! Er zullen wellicht nog wat vragen overblijven, ook zelfs nog na deze discussie, maar het is geen gemakkelijke opdracht om, nu de provinciale subsidies vanaf volgend jaar zullen wegvallen, te zien hoe dat allemaal door Vlaanderen moet worden bewerkstelligd. U pakt dat op een goede manier aan, ook door in die overgang in 2018 en 2019 te voorzien, en dan in 2020 met het nieuwe decreet te komen. We staan volledig achter die aanpak.

Mijn vragen zijn voor het grootste deel al beantwoord. Rond ADJ en Hanenbos is er nu eindelijk duidelijkheid en ik denk dat het bedrag zich situeert in de buurt van de oorspronkelijke vraag en wat door jullie op een bepaald ogenblik is voorgesteld, dus dat lijkt mij een redelijk bedrag. Over die andere instellingen ga ik mij niet uitspreken. Ik heb dat in het verleden minder gevolgd, anders dan voor Hanenbos omdat dit vanuit mijn provincie kwam. Daarover is nu duidelijkheid, waarvoor dank.

Wat het transitiereglement betreft, zijn er vier indienmomenten. Dat vind ik heel goed: we moeten er rekening mee houden dat dit over organisaties gaat die niet gewoon zijn om op het niveau van Vlaanderen mee te spelen, die provinciaal ook altijd heel goed werden begeleid. Ik vind het dus goed dat er meerdere indienmomenten zijn en dat kunnen we vanuit de CD&V-fractie enkel toejuichen. 

Dan kom ik tot de facultatieve subsidies die in de tabellen staan. Heb ik goed begrepen dat u van het referentiejaar 2014 niet echt af gaat? U zegt in feite: wie er nu niet in staat, blijft in onzekerheid zitten, want die kunnen dan wel projecten indienen in het andere reglement. Dat brengt een stukje onzekerheid mee: ze moeten eerst een project indienen en hopen dat het aanvaard wordt. Ik hoop dat ik dat zo juist begrepen heb. Het is afwachten wat het reglement gaat teweegbrengen en hoeveel aanvragen er zullen zijn. Het is te hopen dat er op die manier een aantal kunnen worden opgevist. Ik hoorde u zeggen dat iedereen nog een brief gaat krijgen. Ik neem aan dat ook degenen die in 2015, 2016 en 2017 provinciale subsidies kregen, niet in uw lijst staan. Als zij zich dus op het reglement zullen moeten baseren om nog iets te krijgen, neem ik aan dat zij ook persoonlijk zullen worden verwittigd. Dat moet vrij snel gebeuren, aangezien de eerste indiendatum 1 oktober is.

Dan wil ik nog iets zeggen over het regiodecreet dat er nog moet komen. Daarover zal de hele discussie volgend jaar nog verder gevoerd worden. We kunnen wel akkoord gaan met de grote krachtlijnen, maar ook hier is een stukje waakzaamheid of bezorgdheid voor al die kleinere organisaties aan de orde. Op één of andere manier zullen ze in dat decreet hun plaats moeten vinden. Over de talentontwikkeling spreekt u van het “uittekenen en ontwikkelen van een semiprofessioneel beleid vertrekkende vanuit de good practices binnen het amateurbeleid van de provincies”. Bij de amateurkunsten heb je de semi-professionelen en daarnaast ook de “echte” amateurs. In welke mate zullen die toch nog aan bod komen? Daar zou ik graag een duidelijk antwoord op hebben. Het is niet zo geruststellend dat hier sprake is van een semiprofessioneel niveau omdat we niet van elke amateurvereniging kunnen verwachten dat ze zich plots optillen tot dat semiprofessionele niveau. We hadden daar wel de wedstrijden, waar u ook iets over gezegd hebt, en die kwaliteitsbevorderend werkten. U zoekt daarvoor nog naar een oplossing samen met de amateurkunstensector. Daar vragen we toch enige omzichtigheid om te zorgen dat iedereen aan boord kan blijven, ook de pure amateurgezelschappen die onder de kerktoren actief zijn. Dat zijn vrijwilligersverenigingen van mensen die graag kunst beoefenen op hun niveau. Kwaliteit mag er zijn, daarvoor waren er de wedstrijden, maar we kunnen niet van iedereen een semiprofessioneel niveau verwachten. Ik denk dat u daarover het best nog wat meer duidelijkheid schept.

Het depot-consulentschap vinden we heel belangrijk. We gaan er ook mee akkoord dat heel Vlaanderen mee moet in het verhaal. Ik woon zelf in het centrum, maar ik heb alle begrip voor de collega’s uit de periferie, dat zij ook voldoende ondersteuning moeten blijven krijgen.

We kijken met belangstelling uit naar het netwerk jeugdwerk voor allen, waar we nog nooit over gehoord hadden. Daar zal specifiek rond inclusie gewerkt worden met de jeugdwerkverenigingen die specifiek werken met bepaalde doelgroepen. We zullen dit in elk geval opvolgen en ik hoop dat daar de bestaande adviesorganen ook mee hun zeg kunnen doen over hoe dat zich verder zal ontwikkelen. Er kan nooit te veel aandacht zijn voor inclusie, om iedereen mee te hebben, ook in het jeugdwerk.

De heer Meremans heeft het woord.

Zoals mevrouw Brouwers zei, is dit een hele operatie geweest. We staan al ver, maar we hadden gehoopt dat het sneller zou gaan. We moeten nu vooruit kijken. We begrijpen dat een aantal zaken moeten worden gecontinueerd. We hadden gehoopt op een continuering in 2018 en op nieuw beleid in 2019. Die timing was niet langer haalbaar en het is belangrijk dat we duidelijkheid hebben voor 2018 en 2019 en dat we volop meewerken aan een goed regiodecreet.

Er is 63 miljoen euro overgeheveld wat betreft cultuur. We zijn tevreden dat die overgehevelde middelen ons toch in staat stellen om die ‘warme’ overdracht te doen, met respect voor de initiatieven die de provincie al ontwikkeld en ondersteund heeft. We zijn tevreden dat we dat kunnen blijven doen, zonder dat de Vlaamse overheid daarin ergens gaten zou moeten opvullen.

In verband met het transitiereglement is het belangrijk dat we een aantal beoordelingscriteria hebben opgenomen. Het is het recht van elk provinciebestuur om bepaalde initiatieven te ondersteunen. Tegelijkertijd is het voor ons ook belangrijk en getuigt het van goed bestuur dat we bij de overname een aantal parameters en criteria gaan bekijken en beoordelen.

Ik heb enkele vragen. Wat betreft het transitiereglement, geeft u aan dat ook medewerkers van de provincie zich zullen buigen over het dossier. Zal dat gebeuren voor de eerste ronde in oktober 2017? Op welke manier gaat u een goede beoordeling garanderen voor de eerste indiendatum?

Er is een voortdurende spanning tussen continuering en vernieuwing. Dat is niet eenvoudig en dat is geen gemakkelijke opdracht. Hoe zult u daarmee omgaan? Is er een apart budget voor dat transitiereglement?        

De vraag over de werkingsmiddelen is beantwoord.

De conclusie voor ons is dat het goed is dat er duidelijkheid is en dat de overdracht geregeld is. Dit is niet volledig zonder een duidelijk en evenwichtig regiodecreet. We hopen ons daar in de commissie nog verder over te buigen. We zullen nagaan en evalueren hoe we dat in de toekomst willen regelen.

Ik sluit me aan bij de opmerking van mevrouw Brouwers over de amateur- en semiprofessionele kunsten. Ik wil daar ook duidelijkheid over vragen.

Dit is goed werk, maar we hebben wat vertraging opgelopen. Het is belangrijk dat daar dit najaar via het regiodecreet een vervolg aan kan worden gekoppeld.

Mevrouw Coudyser heeft het woord.

Wat het transitiereglement betreft, wil ik benadrukken dat we voor die continuering en die warme overdracht gaan. Eerst waren er twee oproepmomenten, de sector vroeg er drie, maar als ik het goed begrijp, zijn er nu zelfs vier oproepmomenten. Dat betekent dat we daar heel flexibel en positief mee omgaan, en dat is goed voor de sector. Daarmee verzekeren we het hele veld van orkesten, theatergezelschappen, koren – een heel breed spectrum – de volgende twee jaar van werkingssubsidies. Dat is de kortetermijnoplossing. De langetermijnoplossing, het regiodecreet, moeten we nog uitgebreid bespreken. Ik denk dat het belangrijk is dat we met die uitgangspunten die hier zijn geformuleerd aan het werk gaan. We moeten daar die regionale spreiding, verschillen en dynamiek in krijgen.

Wat ik ook heel belangrijk vind, is dat we die semiprofessionele kunstenaars stimuleren. Uit het regiodecreet en uit die twee jaar halen we die ‘good practices’ naar boven en gaan we na hoe we daar verder mee kunnen omgaan. Een eventueel nadeel, die overbrugging van twee jaar, kan dus ook een voordeel worden waarbij we nagaan wat er leeft binnen die verschillende regio’s en hoe we zo goed mogelijk een regionale cultuurwerking naast het Vlaams beleid en complementair daarmee mogelijk kunnen maken.

We moeten ons ook de vraag durven stellen wat een regio dan moet doen in dat complementair verhaal. Ik wil er hier ook op wijzen dat puur lokale zaken thuishoren op het lokale niveau. Wanneer men op lokaal vlak iets wil doen met verschillende organisaties, moet men dat overhevelen naar het lokale niveau. Op regionaal niveau kan men dan zaken versterken die voor de regio belangrijk zijn.

In het transitiereglement worden de criteria van cultureel ondernemerschap opgelegd. Er zijn organisaties die grotere bedragen krijgen. Daar worden de principes van goed bestuur en van cultureel ondernemerschap uitgetekend. Watou zit niet in dat transitiereglement en staat ook nog niet op de lijst. Ik herinner me echter de vorige bespreking daarover waarbij specifiek over Watou is gezegd: “De voorwaarden inzake transparantie van de structuur en helderheid over de delegaties van het beslissingsproces moeten er zijn. Transparantie houdt ook in dat er gedragenheid moet zijn van het bestuur dat louter uit derden kan bestaan en niet uit door familiebanden verbonden personen. Deze voorwaarden zullen nog verder worden uitgeklaard vanuit onze eigen administratie en naar ik verneem, ook vanuit de stad Poperinge.”

Welke stappen zijn intussen gezet? Hoe garanderen we dat tegen 2020 de principes van goed bestuur worden toegepast door de vzw? We dragen die vzw een warm hart toe voor haar artistieke werking, zij heeft absoluut een meerwaarde, zeker in die regio, maar wanneer we ze een warm hart toedragen, moeten we er ook voor zorgen dat die principes van goed bestuur worden toegepast en dat er financiële transparantie komt. Zo niet, stevenen we af op een catastrofe, ook wanneer ik zie dat die vzw intussen ook met Damme samenwerkingsakkoorden sluit. Het is dan ook belangrijk dat de steden en gemeenten en de Vlaamse overheid zeer goed weten wat daar allemaal gebeurt. We moeten dit van nabij opvolgen. De vraag is alleen hoe we dat het best aanpakken.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Ik zal het vooral hebben over de bevoegdheid Jeugd. Ik heb twee specifieke vragen over de werkingsmiddelen.

Er wordt voorzien in een facultatieve subsidie voor de organisaties die de subsidies al hebben ontvangen en die nu worden overgeheveld. Een klein aantal organisaties kreeg echter middelen via de aanbesteding of de overeenkomst. U zegt dat die nog in kaart worden gebracht. Hebt u enig idee wanneer dit gefinaliseerd zal worden en op welke manier die middelen zullen worden overgenomen? Zal dat via facultatieve subsidies gebeuren?

Wat de krachtlijnen van het decreet betreft, wilt u via projectsubsidies de mogelijkheid bieden aan verenigingen om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en administratieve vereenvoudiging. Hebt u zicht op het budget dat kan worden uitgetrokken voor enerzijds de structurele ondersteuning en anderzijds de projectsubsidies? Op welke manier denkt u de administratieve last te beperken?

Tot slot een laatste vraag over het netwerk Jeugdwerk voor Allen. Is er een vraaggestuurd aanbod voor de lokale besturen en verenigingen rond het thema inclusie? Op die manier gaat de expertise zeker niet verloren. Het beleid dat de voorbije jaren werd ontwikkeld om jongeren en kinderen met een handicap of in een maatschappelijk kwetsbare situatie zo veel mogelijk te laten deelnemen aan het jeugdwerk is een heel goede zaak. Het gaat over een specifieke expertise die kinderen en jongeren met een handicap meer mogelijkheden geeft in het vrijetijdswerk. Ik ben dan ook blij dat daar voldoende aandacht aan wordt besteed.

De heer Van de Wauwer heeft het woord.

Worden de bedragen die hier worden genoemd bij de overheveling naar de lokale overheden, jaarlijks ter beschikking gesteld? Elk jaar opnieuw gaan die bedragen dus naar de lokale overheden?

Namens mijn fractie wil ik ook een aantal vragen stellen en bedenkingen formuleren.

Een groot deel van deze operatie komt neer op Vlaamse centralisatie, een klein deel wordt overgeheveld naar de lokale besturen maar Vlaanderen pikt heel wat van die provinciale middelen, bevoegdheden en beleidsruimte in. Dat kan soms nuttig zijn, bijvoorbeeld in het geval van een depotbeleid, maar in een aantal andere gevallen vind ik dat toch wel bizar.

Dit is een zeer open reglement. Iedereen kan proberen, behalve diegenen die al structureel Vlaamse middelen hebben. Op zich is het interessant dat er een open toegangspoort is. Er worden wel wat vage criteria geformuleerd, maar eigenlijk gaat dat alle richtingen uit. Ik ben daar niet zo gelukkig mee, te meer omdat al die projecten ook door de administratie zullen worden beoordeeld. Ik ken de administratie heel veel kwaliteiten toe, maar ik vind dat kwalitatieve beoordeling daar niet bij hoort. Ik vind het fundamenteel niet oké dat de weging enkel en alleen door de administratie gebeurt.

Zij mag uiteraard haar rol spelen en ze moet het geheel en de strategie van dit soort van reglement ontwikkelen, maar ik mis daar een richting, een visie, een tendens achter. Wat willen we wel en wat willen we niet? Ik geef een voorbeeld uit de lijst van de overnemers. Op de lijst van de provincie Oost-Vlaanderen krioelt het logischerwijze, en historisch te verklaren, van koren, harmonieën, fanfares enzovoort. Die worden nu wel overgenomen met bedragen die nog moeten worden bepaald, maar zijn dat de potentiële kandidaten voor dit soort van reglement? Is het daarop dat we mikken? Het boek voor de cultuurspreiding is nog maar afgeschaft, wat ook een vorm van verlengd lokaal cultuurbeleid was, en nu komt daar op een zeer vreemde manier een zeer open reglement zonder richting. Ik ben voorstander dat de minister de finale beslissing neemt maar dit reglement is niet richtinggevend, ook niet richting het regeldecreet dat nog moet komen, ook niet impliciet. En de beoordeling deugt dus niet – en dat zeg ik met drie uitroeptekens erachter, want hiermee wordt een traditie en een goede gewoonte in Vlaanderen doorbroken.

Het wordt een administratieve soep van jewelste, wellicht met een slechte smaak. Wanneer de administratie, waar ik veel compassie mee heb, al die aanvragen moet behandelen, en dat in tijden waarin vooral koppen worden gesneld bij de administratie, is dat niet echt de ideale piste voor de toekomst. Het zal heel veel werkkracht en manuren vergen en wellicht zal men daarvoor een beroep doen op een aantal ex-provinciale ambtenaren om dat allemaal te verwerken, maar is dat nu echt een kerntaak van de Vlaamse overheid? Ik heb daar de grootste vragen bij.

Dit is als een tang op een varken. We gaan hier tientallen ambtenaren inzetten voor het behandelen van lokale dossiers en misschien 10 procent bovenlokale dossiers. Wanneer we de lijn rechttrekken en we schaffen het decreet Lokaal Cultuurbeleid af, dan moeten we hier ook de lijn rechttrekken, maar dat gebeurt niet. Minister, ik begrijp dat u tijdens de eerste twee jaren een overgang ziet en geen brokken wilt maken, maar dan zou ik daar toch op middellange termijn een lijn en een visie willen zien, nog niet afgerond maar wel in aanzet.

Wie wordt daar nu beter van? Door een dergelijk reglement te maken, riskeert men niet alleen die duizend oude aanvragen te krijgen maar ook duizend nieuwe, en nog eens duizend mensen te moeten ontgoochelen omdat een verwachtingspatroon wordt gecreëerd dat nooit zal worden ingevuld. ‘On verra’, maar ik kan daar moeilijk mee om. Vooral de weging tussen disciplines en de beoordeling kan ik niet delen. Ik kan akkoord gaan met andere elementen, zoals geen cumulatie met structurele subsidies, maar eigenlijk kunnen we zeggen dat iedereen die nog geen geld krijgt van Vlaanderen, mee kan doen in alle mogelijke disciplines en richtingen. Dat is wat er staat.

Wat de lijsten en het referentiejaar betreft, begrijp ik dat er is gekozen voor 2014 omdat de provincies toen nog niet wisten dat ze hun bevoegdheden zouden verliezen en men ervan uitging dat dit een onverdacht moment was, maar dat is niet helemaal waar. Er zijn een aantal subsidies die al in dat jaar zijn overgeheveld naar Vlaanderen. Er is een eerste ronde van verevening geweest in 2014 en dat kan men heel goed zien in de lijsten. Ik geef twee voorbeelden uit West-Vlaanderen.

Er zijn kunstorganisaties die subsidies uit 2014 overgenomen krijgen van 10.200 euro en er zijn organisaties die onder hetzelfde decreet vallen en 1600 euro krijgen. Dat is gebaseerd op toevalligheid, op de al dan niet door minister Schauvliege of door uzelf – het is geen politieke verantwoordelijkheid die ik aanduid, het is een administratieve opmerking die ik maak – aan het eind van de rit overgehevelde bevoegdheden. Er zit geen logica in.

Een ander voorbeeld gaat over een aantal subsidies aan organisaties die toen niet in het Kunstendecreet zaten maar daaruit waren gevallen waar de provincie een compenserende hoge vergoeding aan heeft gegeven. Intussen zitten die organisaties wel in het Kunstendecreet maar die hoge subsidie blijft nog twee jaren doorlopen. Ik gun het kleinVerhaal bijvoorbeeld dat van harte, laat dat duidelijk zijn, maar dat is niet logisch. Dat snijdt geen hout.

Zoals mevrouw Coudyser al zei, staat bovendien de vzw Kunst Watou niet op de lijst van de bedragen van 2014. De afspraak was dat we die bedragen zouden overnemen. Waarom staat die niet op de lijst, minister? Waar is dat op gebaseerd?

Wat de overname van de instellingen betreft, kan ik voor 90 procent uw principes van overname – lokaal of Vlaams – delen. Ik ben het niet eens met die inkanteling van de provincies, maar als het dan toch moet, is deze keuze een juiste keuze over de grote lijn. Maar dat creëert op lokaal vlak wel bizarre situaties. Steden die zelf musea hebben opgericht tijdens de voorbije twintig jaar en er zelf miljoenen euro’s in hebben geïnvesteerd, mogen dat blijven doen in de toekomst. Gemeenten die een museum cadeau krijgen van de provincies, krijgen er dan nog eens de portemonnee bij. Het is terecht dat ze het geld erbij krijgen maar ten gronde is dat absoluut niet eerlijk. Het is niet eerlijk, noch ten aanzien van die steden, noch ten aanzien van die musea, noch ten aanzien van de provincies maar dat doet op zich niet ter zake. Hier wordt eigenlijk een bevoordeling die steden al hadden omdat de provincies ze betaalden, voor eeuwig gecontinueerd, ad aeternam. Dat is wat er gebeurt. Ik vind dat dit ten aanzien van de bescheiden budgetten waarin het Cultureelerfgoeddecreet voorziet voor bijvoorbeeld de regionale musea, totaal niet eerlijk is. Dit is niet oké. Bovendien versterkt dit ook ad aeternam de posities van die straks ex-provinciale musea. Dat klopt niet. Ik heb alle liefde voor het Fotomuseum, het Diamantmuseum, en ik vind het een verstandige optie om een stichting op te zetten in Antwerpen, maar daarmee ontsnappen zij aan het beleid van de stad Antwerpen en krijgt Antwerpen er 10 miljoen euro ad aeternam bij.

Ik heb niets tegen de verzelfstandiging van musea, en het is slim van hen om dat op die manier in te kantelen als ex-provinciale musea – en Luk Lemmens zal daarvoor blijven applaudisseren – maar dit is beleidsmatig niet juist. Ik zal dat blijven zeggen. Maar de realiteit is nu eenmaal wat ze is en die inkanteling moet nu eenmaal gebeuren. Ik zie ook niet hoe dat op een andere manier kan worden georganiseerd maar het is toch wel bizar.

Daarnaast zet dit ook veel druk op de verhouding van de Vlaamse musea en de Vlaamse instellingen tout court. We hebben een aantal grote instellingen die zijn opgenomen in het Cultureelerfgoeddecreet met daarnaast een aantal middelgrote musea. Hoe verhouden die zich ten aanzien van die grote instellingen? Waarom krijgen zij historisch een bevoorrechte verhouding met de Vlaamse overheid?

Ze worden bijna toevallig – ik kan het maar zo zeggen – Vlaamse overheid. Ze hebben daardoor een soort van levensverzekering. Ik ben het niet eens met de manier waarop er wordt ingekanteld. Ik heb er ook geen concreet alternatief voor. Ik stel maar vast wat ik vaststel. Daardoor krijg je de meest bizarre situaties. Zo arriveert Westflandrica in Kortrijk omdat één burgemeester van één stad gedonder heeft met een provincie en met de Vlaamse overheid. Daardoor wordt een cultuurhistorisch archief dat hoort bij de provinciehoofdstad en bij een bestuurlijke en culturele ontwikkeling van een provincie in mijn stad gezet. Mocht ik schepen zijn in mijn stad, ik zou het niet hebben aanvaard. Ik zeg het zoals het is: omdat het er niet thuishoort. Elke stad heeft een rol te spelen. Er is een rol voor Brugge. Renaat Landuyt zal misschien niet graag horen wat ik zeg, maar ik meen het: dit is niet oké. De Vlaamse overheid had in dit geval wat dwingender mogen optreden – maar dat terzijde.

Dan heb je Be-Part. Het is plezant. De niet-West-Vlamingen moeten maar eens op de webpagina van KW, dat is de Krant van West-Vlaanderen, de gemeenteraadsverslagen lezen. Aan die in Kortrijk en Waregem werden hele pagina’s inkt besteed. Minister, ik nodig u toch uit om eens met de dames en heren van beide steden aan tafel te zitten en een uitweg te creëren. In Waregem is men veel te laat wakker geschoten, en in Kortrijk was men heel vroeg wakker. En nu bedenkt men plots wat een bizarre situatie dat soort overname is.

Ik kom tot de principes van het regiodecreet. Ik ben het eens met de drie principes, ware het niet dat ik er geen enkele vorm van regionaal cultuurbeleid in terugvind. Ik vind daar terug: de Vlaamse overheid die vanuit een centralistische gedachte bovenlokale initiatieven zal beoordelen en subsidiëren. Dat is geen regionaal cultuurbeleid. Dat is iets vreemds, dat ik niet kan benoemen. Als je op termijn een regionaal cultuurbeleid maakt, moet er een link worden gemaakt met de regio’s. Dat moet het liefst bestuurlijk gebeuren, via intergemeentelijke samenwerking of regionale beoordelingscommissies – ik denk maar hardop, ik moet het decreet niet schrijven. Er moet een organisatorische en bestuurlijke link zijn met de regio’s. Anders, sorry, maar stop er dan mee! Het is niet de taak van Vlaanderen om een organisatie die een bovenlokaal maar streekgericht evenement opzet vanuit Vlaanderen te financieren. Je kunt toch niet het lokale cultuurbeleid afschaffen en dan dat doen? Dat is toch niet logisch?

Minister, ik houd hier een warm pleidooi voor. Er moeten in dat regiodecreet regionale bindingen zijn, anders is dat provinciaal cultuurbeleid op grote afstand van de provincies. Dat komt nooit goed. En binnen vijf of tien jaar zal de volgende minister van Binnenlands Bestuur daar het mes in zetten. Collega’s, als jullie het overeind willen houden in de budgetten en als jullie een betekenis willen geven aan dat regionale cultuurbeleid, dan moeten jullie dat invullen. Deze namiddag discussiëren we over de bovenbouw. Dat moet ook daar een verlengstuk krijgen via een of andere organisatie voor lokaal en regionaal cultuurbeleid. Je moet dat inhoudelijk blijven voeden. Je moet dat juist positioneren. Je moet daar ideeën en praktijkontwikkeling – want daar gaat het over – aan toevoegen, anders wordt dat een verloren verhaal. Minister, het spijt mij dat ik het zo hard zeg. Het geluk van het twee jaar continueren van het huidige beleid is dat daarover kan worden nagedacht.

Ik begrijp dat een aantal dingen door particuliere organisaties kunnen worden opgenomen. Ik denk daarbij aan de wedstrijden en de amateurkunsten. Ik juich dat toe. Er wordt over nagedacht, er zullen nieuwe modellen komen. Dat kan gebeuren. Het is veel juister dat de landelijke organisaties, die al wat jaren hebben, dat doen.

Ik hoop dan ook dat de financiële middelen die de provincies daarvoor hebben ingezet – en dat waren er behoorlijk veel, believe me! – worden overgedragen naar de organisaties, zodat ze dezelfde kwaliteit en kwaliteitsnormen kunnen realiseren. Ik wil net als mevrouw Brouwers een pleidooi houden voor die wedstrijden. Dat is een belangrijk instrument. Dat gaat van Westtalent tot harmonie en fanfare en koor. Ze geven een belangrijke stimulans voor groepen om een hoger niveau te bereiken in de beoefening van hun kunst. Dat is een belangrijke zaak.

Mevrouw Segers heeft het woord.

Mijnheer Caron, ik deel volledig uw bezorgdheden. De pijnpunten die naar boven komen, tonen dat de beslissing die bij het begin van deze legislatuur werd genomen om de provincies af te slanken en de verantwoordelijkheid voor Cultuur daar weg te halen een heel slechte beslissing was. Ik blijf daar bij. Nu blijkt dat het regiodecreet ook een Vlaams decreet is. Samen met het decreet Lokaal Cultuurbeleid is ook het oormerken van de middelen voor de lokale besturen afgeschaft. Je ziet dat er een gat ontstaat tussen het Vlaamse en het lokale niveau, vooral in de kleine gemeenten. Voor de steden vrees ik niet zo, maar de financiële middelen en ook de uitbouw van expertise op het vlak van cultuurbeleid en erfgoed van de kleine gemeenten zullen in zeer sterke mate verdwijnen. Zij komen in elk geval heel sterk onder druk te staan.

Dat tegen 2020 alles in kannen en kruiken zal zijn, neemt de onzekerheid op het terrein absoluut niet weg. Mijnheer Caron, de beoordeling hoort inderdaad niet door de administraties te gebeuren. Minister, wij kijken de ontwikkelingen heel bezorgd tegemoet.

De heer Meremans heeft het woord.

Het debat over de afslanking van de provincies ga ik niet opnieuw openen. Het is in juni vorig jaar en in het begin van deze legislatuur gevoerd. We hebben toen gezegd waarom we daar voorstander van waren.

Het regiodecreet is nog niet besproken. We zullen het bekijken als het op tafel ligt. Uiteraard kan je daarin niet zonder de term ‘regio’. Mijnheer Caron, daarover ben ik het met u eens. We hebben op het gebied van Cultuur al heel wat regionale samenwerkingsverbanden: bibliotheken, cultuurcentra, erfgoedcellen… Maar men zal daar ook op een regionaal niveau moeten denken en bekijken wat er in een regio mankeert en wat er moet bijkomen, hoe we het nieuwe talent kunnen ontplooien, wat er kenmerkend is voor de regio op cultuurgebied. We moeten samenwerken met de bestaande verbanden, die we inderdaad moeten responsabiliseren en meer vertrouwen geven. Dat lijkt mij voor het nieuwe regiodecreet de evidentie zelve.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik antwoord nu vooral op de bijkomende vragen. Ik zal niet zozeer de brede discussie voeren over of het nu een goede of een slechte zaak was in het verleden en waar we naartoe gaan in de toekomst. Daar zullen we nog genoeg tijd voor hebben.

Mevrouw Brouwers, die talentontwikkeling wordt geaxeerd in de presentatie op het semiprofessionele werkveld, maar wat dan met de amateurs? Dat is een terechte opmerking. Het is altijd een beetje het gevaar van een dergelijke presentatie die de transparantie ten goede komt omdat ze een aantal richtingen op tafel legt maar tegelijkertijd nog geen afgewerkte tekst is. Daardoor kunnen er bepaalde onduidelijkheden ontstaan. Ik vraag mij dan af of ik dat beter al gezegd had, of juist niet. Zouden we niet beter de tekst van het ontwerp van regiodecreet later in extenso bekijken? Daarin moeten die bekommernissen zeker terugkomen. Net zoals het spanningsveld tussen de heren Meremans en Caron over wat dat dan gaat betekenen voor het regionale beleid. Mijnheer Meremans, ik ben het volledig met u eens dat de inhoudelijke principes die hierin worden vooropgesteld en verder zullen moeten worden verfijnd en uitgewerkt, mogelijk zelfs bijgestuurd, een regionale landing moeten krijgen. Dat zal doorslaggevend zijn. Dus gelieve dit te bekijken als een work in progress.

Ik ga daar nu niet dieper op in. Ik geef vandaag een algemene stand van zaken, maar ik acht het zinvol om daarover pas van gedachten te wisselen en het debat aan te gaan wanneer we dat regiodecreet hier als tekst zullen voorleggen.

Mevrouw Brouwers, ik kan al uw vragen bevestigend beantwoorden – dat hebt u ook aan mijn lichaamstaal kunnen zien. De antwoorden gaan in de goede richting.

Het Netwerk Jeugd voor Allen waarop u hebt gealludeerd, is bijvoorbeeld zo’n zaak waar we al meteen van zeggen dat het een goede praktijk uit Oost-Vlaanderen is die we over de rest van Vlaanderen willen uitrollen. Een sterk beleidsconcept van een provincie kan in heel Vlaanderen een inclusief en sterk jeugdbeleid vooruithelpen.

Mijnheer Meremans, de medewerking van de dan nog niet Vlaamse ambtenaren die onder het gezag van de provincies werken zal voor de beoordeling van de eerste ronde op vrijwillige basis gebeuren. Met wat we nu weten, kunnen we zeggen dat dit vrij uitgebreid zal zijn. Ik juich dat toe. De budgetten die u opvraagt, zijn we aan het verfijnen. Ook het budget voor Jeugd waarnaar mevrouw Van Eetvelde vraagt, zal ik nog niet geven. Die bedragen hebben nog te maken met enkele losse eindjes binnen de globale enveloppe van 63 miljoen euro. Als je de bedragen van de instellingen optelt, heb je al één geheel. Als je de bedragen wilt vastleggen voor de transitiereglementen in Jeugd en Cultuur, hebben we in orde van grootte een idee, maar het zal afhangen van de laatste zaken die we binnen en met de provincies moeten uitklaren.

Mevrouw Van Eetvelde, uw vraag betreft wel degelijk facultatieve subsidies. Ook dat zal nu voor de zomer verder worden uitgeklaard, bepaald en gecommuniceerd.

Mevrouw Coudyser, u zegt dat sommigen zeer snel willen gaan. Zij willen nu al weten waar ze met het regionale cultuurbeleid naartoe kunnen. Anderen pleiten voor voorzichtigheid. We proberen beide dingen nu te verzoenen. Met de verschillende rondes die wij nu zullen lopen met de transitiereglementen, zullen wij een beter zicht krijgen op de zaken die hier door sommigen naar voren worden geschoven. Wat is werkelijk lokaal-lokaal? En wat doen we daar dan mee? En wat is inderdaad bovenlokaal en kan een plek krijgen in een regiodecreet? Dat zal maar over minstens twee en misschien drie indienrondes duidelijk worden omdat niemand tot nu toe dat volledige zicht heeft. Al die zaken worden tot nu toe per provincie ingediend. Dat is de normale weg. Voor het eerst zullen wij een aantal lijnen kunnen distilleren uit de ingediende projecten en vooral uit de aard van waarover dit gaat en van wat dit ons kan leren voor de toekomst. Er is geen andere weg dan deze overgang. Dit vergt inderdaad enige tijd maar dat is volgens mij geen probleem.

Mevrouw Coudyser, voor wat betreft Watou staat het goede bestuur of de good governance nog steeds op de agenda. We hebben vorig weekend gezamenlijk de blijdschap kunnen vieren over de voortzetting van het Kunstenfestival. Dat is goed. Maar wij zullen in functie van de samenwerkingsovereenkomst die wij voor 2018 zullen sluiten met Watou en in partnerschap met de stad die dingen van goed bestuur opnieuw op de agenda zetten. Die gelden trouwens niet specifiek voor Watou maar voor iedereen. Dat kan ik nu nog niet doen, want op dit ogenblik is dat nog een volstrekt provinciale en stedelijke aangelegenheid.

Mijnheer Van de Wauwer, ik preciseer dat de aan de instellingen gekoppelde bedragen die ik noemde wel degelijk jaarlijkse bedragen zijn. Ze worden bovenop het Gemeentefonds aan de stedelijke enveloppe gekoppeld en ze worden geïndexeerd.

Mijnheer Caron en mevrouw Segers, wij zullen de komende maanden de lijnen van het regionale cultuurbeleid zien. Dat zal nog een boeiend debat worden. U doet nu allemaal alsof het een groot probleem is. Ik zie er ook grote kansen in, om daarin, na de ontkoppeling van het lokale cultuurbeleid tussen Vlaanderen en de lokale besturen, wel degelijk het tussengewricht dat er vandaag is en dat zal nodig zijn in de toekomst, opnieuw te definiëren en dat verder te bekijken. Wat mij betreft, is dat eerder een positief en zelfs vrij aangenaam-spannend perspectief, in plaats van te zeggen dat we dit of dat niet hadden moeten doen. Dat kunt u de volgende maanden nog bij elk debat over dit onderwerp zeggen. Ik zal er dan akte van nemen, maar daar zijn we nu toch al een tijdje voorbij.

Mijnheer Caron, ik wil toch wel duidelijk zijn over de beoordeling van de projecten. Wanneer wij vandaag met dat transitiereglement de beoordeling van de projecten aan de administratie toevertrouwen, doen wij zeker op korte termijn niets anders dan wat in de provincies gebeurde. (Opmerkingen van Bart Caron)

Toch wel. U kunt misschien vanuit één provincie spreken, dat is altijd heel interessant, maar ik kan mij niet met één provincie bezighouden. Ik moet nu op korte tijd zekerheid geven aan vele projecten. Dan is er geen tijd te verliezen. Ik wil u zelfs meer zeggen: het zal een marginale toetsing zijn. De criteria zijn wat ze zijn. Voor u zijn ze te vaag. Ik heb ze niet te precies willen maken omdat ik anders voorafnames doe op het regionale cultuurbeleid waarover we het nog grondig moeten hebben. De continuïteit staat voorop. Het zal dus een marginale toetsing zijn waarbij eerst en vooral, naast het beantwoorden van het project aan de vijf criteria, zal worden bekeken of er al een subsidie was in 2014 en hoe hoog die was. Zo niet, mevrouw Brouwers, moeten we bekijken wat dat betekent voor dingen die er later zijn gekomen.

Als we voor continuïteit gaan, gaan we voor continuïteit. Ik wil daarover geen enkele twijfel laten bestaan. Natuurlijk, naarmate de rondes vorderen, zal er wel al een bepaalde lijn duidelijk worden. Die rondes zullen niet exact gelijk verlopen, net zoals een projectenronde in het Kunstendecreet ook nooit helemaal gelijk verloopt. Maar de principes blijven wel hetzelfde. Men kan echter geen twee dingen tegelijk doen. Men mag dat ook niet van mij vragen. Men mag dat aan geen enkele minister vragen. Dat is water en vuur verzoenen, en dat kan niemand.

Met andere woorden, wanneer wij de zekerheid willen geven over de warme overdracht, zal de toetsing zijn wat ze is. Wat dat voor de toekomst betekent, en welke rol commissies of andere beoordelingsorganen kunnen spelen, daarover wil ik geen enkele voorafname doen. Het zou kunnen dat we dat dan wel weer doen. Maar op dit ogenblik is er de zorg voor de continuïteit.

Los van allerlei beschouwingen, waarop iedereen recht heeft, denk ik dat ik op de bijkomende vragen heb geantwoord.

Voorzitter, ik wil, ook al is het debat nog niet afgerond, van de gelegenheid gebruikmaken om de administratie te danken voor de zeer intensieve begeleiding van dit toch wel zeer moeilijke dossier. Het is niet gebruikelijk, maar ik wil het hier toch doen. Frederik Beernaert zit daar, hij zal ons weldra verlaten voor andere kunstzinnige oorden. We zullen u dus niet volledig uit het oog verliezen, mijnheer Beernaert, maar bedankt voor de zeer goede opvolging van zeer complexe zaken. We verwelkomen ook Jan Denolf, die zijn West-Vlaamse dossierkennis en zijn West-Vlaamse koppigheid meebrengt om ons in het werk van Frederik verder in de goede richting te brengen. Wij hebben een stroper ingehaald, die vanaf nu boswachter zal worden genoemd – u begrijpt wat ik bedoel.

En we verliezen een boswachter, die nu opnieuw stroper wordt.

Mevrouw Brouwers heeft het woord.

Minister, dank u voor de uitvoerige toelichting. Ik ben heel blij dat u op het einde toch nog eens duidelijk hebt gemaakt dat het hier over een transitie gaat en dat we altijd hebben gepleit voor de continuïteit en een warme overdracht. Je kunt inderdaad niet alles tegelijk doen. Mijnheer Caron, misschien hebt u hier en daar principieel wel gelijk, maar ik sta op dit ogenblik wel volledig achter de minister.

Minister, u hebt het over continuïteit en u hebt het liefst dat er niemand uit de boot valt. Het is mij niet 100 procent duidelijk hoe het zit voor de cultuureducatieve jongerenorganisaties. Kunnen zij met dit reglement indienen? (Minister Sven Gatz knikt bevestigend)

Ja dus.

Ik blijf toch wat zitten met het referentiejaar 2014. Het is wat het is. Maar wij hadden gedacht dat het zou gaan over een enveloppe en niet per se over alle organisaties die per toeval in 2014 subsidie hebben gekregen. Het is nu zo, maar er zitten toch nog altijd rare dingen in de lijst op de website. Ik hoop dat die nog wordt uitgezuiverd. Ik geef een voorbeeld: Jeugd en Muziek. No offence, het is een fantastische organisatie die fantastische dingen heeft gedaan. Maar die organisatie is momenteel wel in vereffening. Voor Oost-Vlaanderen staan ze daar met 5000 euro, voor West-Vlaanderen met 2500 euro. Minister, ik vraag u om dat nog eens te bekijken. Door enkel met een referentiejaar en organisaties te werken en niet met de enveloppe, zitten daar inconsequente en rare dingen in. 

Minister, ik weet niet alleen van West-Vlaanderen maar ook van de provincie Antwerpen dat het beoordelen van projecten in verschillende rondes en disciplines wel degelijk ook inhoudelijk of kwalitatief of artistiek gebeurde. Ik ken het niet van elke provincie, maar het is wel zo.

De vraag om uitleg en de gedachtewisseling zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.