U bent hier

De voorzitter

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Sabine de Bethune (CD&V)

Minister-president, een artikel in Het Belang van Limburg meldde op 31 mei 2017 dat het Agentschap Onroerend Erfgoed in de provincie Limburg van start gaat met een openbaar onderzoek voor de inventaris bouwkundig erfgoed. Dit gebeurt naar verluidt omdat er sinds de vaststelling van de lijst van waardevolle gebouwen in 2009 nooit een openbaar onderzoek is geweest en omdat de eigenaars nooit persoonlijk op de hoogte zijn gesteld. Bedoeling zou zijn dat er elk jaar één provincie wordt afgewerkt.

Op een vraag van collega De Gucht in een recente plenaire vergadering wees u op de voordelen van deze lijst, maar ook op een aantal rechtsgevolgen. De rechtsgevolgen zijn weliswaar niet zo verregaand als bij een beschermd gebouw, maar hebben voor de eigenaars vaak wel een belangrijke impact. Zo moeten de lokale besturen er rekening mee houden in hun vergunningenbeleid. Ik citeer hiermee uit uw antwoord in de plenaire vergadering.

Dit inspireerde me tot enkele vragen en verduidelijkingen over deze demarche. We hebben geen kritiek op die demarche, we betwisten ze niet, begrijp me niet verkeerd. Integendeel zelfs.

Ten eerste zal het, als ik het goed heb begrepen, vijf jaar duren voor de provincies aan de beurt komen. Gezien de rechtsgevolgen voor de gebouwen die nu op de lijst staan, vraag ik me af of er geen risico op ongelijke behandeling of discriminatie van de eigenaars is. Zullen de burgers niet ongelijk worden behandeld in een provincie waar dit nog niet is gebeurd?

Ten tweede is dit een initiatief dat van bovenaf komt. De timing loopt over een periode van vijf jaar. Hebt u zicht op gelijkaardige herzieningsinitiatieven die lopen of op stapel zouden staan bij de lokale besturen of de intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten (IOED’s)? Volgens mij zijn zij ook bevoegd hiervoor, maar misschien heb ik het verkeerd. Ik weet het niet precies. Wordt dit op de lijst van het agentschap afgestemd indien een lokaal bestuur of een IOED de lijst herziet?

Ten derde vraag ik me af of ze soms naast elkaar zullen werken. Kunt u het samengaan van die eventuele dubbele bevoegdheid verduidelijken?

Ten vierde wil ik nog een stapje verder zetten. Hoe verloopt de arbitrage indien op basis van het nazicht van de provinciale lijst door het agentschap en van de lokale lijst door het gemeentebestuur of een IOED een andere conclusie wordt getrokken?

Ten vijfde heeft iemand me gevraagd hoe het zit met de kosten die de lokale besturen of de IOED’s in dit verband maken. Als het agentschap dit doet, is de vraag wie voor de kosten opdraait. Wordt dit eventueel gecompenseerd?

Dit is echter niet mijn hoofdvraag. Eigenlijk draaien al mijn vragen rond hetzelfde punt. Zijn de gemeentebesturen en de IOED’s bevoegd? Hoe zit het met de samenloop indien ze initiatieven nemen voor het vijfjarig plan van het agentschap is afgerond? Hoe verloopt in dat geval de arbitrage? Hoe zit het met de samenloop van de kosten? Hoe moet die samenloop eigenlijk gebeuren?

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Voorzitter, de organisatie van een openbaar onderzoek voor de vaststelling van de inventaris is een nieuwe, maar zeer grootschalige procedure. In totaal gaat het om meer dan 70.000 sites, verspreid over de vooralsnog 308 gemeenten in Vlaanderen. Onder meer om de risico’s te beperken, hebben we ervoor gekozen die nieuwe procedure stapsgewijs uit te rollen.

De geografische inventarisatie van het bouwkundig erfgoed per gemeente is een verantwoordelijkheid van de lokale besturen. Het agentschap voorziet in begeleiding voor de lokale besturen die dit wensen. De vaststelling van de inventaris van het bouwkundig erfgoed blijft een verantwoordelijkheid van de Vlaamse overheid. De rechtsgevolgen zijn immers ook in de Vlaamse regelgeving opgenomen.

Zowat alle erkende IOED’s zetten in op een inventarisatie of herinventarisatie. Momenteel zijn de Antwerpse IOED Noorder- en Voorkempen en de West-Vlaamse IOED Leiedal intensief bezig met het nazicht van de gegevens in de inventaris voor hun gebied. Alle gegevens worden doorgegeven aan het agentschap, dat ze meteen in de databank van de wetenschappelijke inventaris verwerkt. Ook erkende erfgoedgemeenten zetten in op de inventarisatie. Zo heeft het stadsbestuur van Leuven iemand aangeworven om het erfgoed in de stad te herinventariseren.

Het netwerk van de IOED’s heeft een eigen interne werkgroep voor inventarisatie opgericht om praktische ervaringen met de aanpak onderling te delen. Door dit netwerk zijn al afspraken gemaakt over de mate waarin de herinventarisatie door de IOED’s en de erfgoedgemeenten kan worden opgenomen in de databanken die het agentschap bijhoudt.

De vaststelling van de inventaris blijft een taak van het Agentschap Onroerend Erfgoed. De lijst waarvoor in Limburg een openbaar onderzoek loopt, is eerst door het agentschap gecontroleerd. Die controle heeft betrekking op de feitelijke gegevens van het object, namelijk de intekening op het plan, de benaming van het goed en de erfgoedkenmerken. Ook voor deze controle is de medewerking van de Limburgse gemeenten op vrijwillige basis gevraagd. In november 2016 zijn de 45 gemeentebesturen aangeschreven en daarvan hebben er 30 gereageerd. Ze hebben het agentschap lijsten gestuurd met correcties van de bestaande inventarisgegevens. Die lijsten zijn vaak in samenwerking met de IOED’s tot stand gekomen. Het is nog belangrijk mee te delen dat tijdens het openbaar onderzoek geen nieuwe items aan de lijst kunnen worden toegevoegd.

De geografische inventarisatie van het bouwkundig erfgoed is, na de implementatie van het kerntakenplan, aan de lokale besturen overgedragen. De lokale besturen die dit wensen, worden begeleid en ondersteund voor hun inventarisatieprojecten. Die projecten, die steeds vlot verlopen, hebben tot nu toe ongeveer 400 nieuwe relictfiches opgeleverd.

De 32 nieuwe fiches in de herinventarisatie van Genk zijn in de huidige vaststellingsprocedure opgenomen. Een ander voorbeeld is Beernem, een gemeente die in functie van het beheer aan de waardering van de bestaande inventaris wil werken. Het agentschap heeft meegewerkt aan de opmaak van een bestek om deze opdracht te kunnen uitbesteden. Die opdracht wordt momenteel uitgevoerd.

Indien een gemeentebestuur wil dat een onroerend goed in de wetenschappelijke inventaris van het agentschap wordt opgenomen, moet de selectie volgens een welbepaalde methodologie verlopen. Het aangeleverd materiaal moet aan de vooropgestelde standaarden voldoen. Dit is noodzakelijk om de eenvormigheid en de kwaliteit van de Vlaamse inventaris te garanderen. Hoe en waarom een item in een vastgestelde inventaris wordt opgenomen, is bepaalde in de inventarismethodologie, die in het ministerieel besluit van 17 juli 2015 is uitgeschreven. Ze staat ook uitgeschreven in een online beschikbaar gestelde handleiding.

Erfgoed dat niet voldoet aan de criteria die in de methodologie zijn bepaald, kan niet in de Vlaamse inventaris van het bouwkundig erfgoed worden opgenomen. Uit de recente ervaringen in Antwerpen, Genk en Leuven heeft mijn administratie kunnen afleiden dat het aantal relicten waarover de meningen verschillen uiterst beperkt is. Na overleg met alle betrokken besturen en onderzoekers is steevast een selectie doorgevoerd waar iedereen achter kan staan.

Ik wil er ook nog op wijzen dat gemeenten over eigen instrumenten beschikken om het behoud van het lokaal erfgoed te bevorderen, zoals de verankering van het erfgoed in een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of het opstellen van een gemeentelijke verordening. De opmaak van een erfgoedinventaris is voor een lokale overheid geen verplichting. Dit gebeurt op vrijwillige basis. We zien dat veel gemeenten hun erfgoed een warm hart toedragen en er zorg voor willen dragen.

Het agentschap blijft inzetten op de inventarisatie van erfgoed, maar dan op een andere manier. In plaats van alles zelf te inventariseren, zet het agentschap in op de begeleiding van lokale besturen en op het delen van kennis en expertise. Ook het onderhoud van de databank en de vaststelling van de inventaris vragen blijvende inspanningen, die ten laste van het agentschap vallen. Er wordt niet voorzien in een financiële compensatie, maar er wordt wel meer ingezet op een nauwe samenwerking met de lokale besturen en op een kwaliteitsvolle begeleiding.

De voorzitter

Mevrouw de Bethune heeft het woord.

Sabine de Bethune (CD&V)

Minister-president, ik dank u voor uw antwoord. Ik weet niet of ik het helemaal heb begrepen, maar dat ligt aan mij. Ik ben een beetje in de war met betrekking tot de Vlaamse wetenschappelijke bouwkundige inventaris waarvoor het agentschap de vaststellingen doet en uiteindelijk beslist wat wordt opgenomen. De gemeenten werken hier goed aan mee. Er is een goede wisselwerking. Een gemeentebestuur kan echter een andere inventaris opstellen, die u de geografische of lokale inventaris noemt. Die inventaris kan afwijken van de Vlaamse wetenschappelijke inventaris. Er zijn lokale inventarissen waarin niet alles noodzakelijkerwijze met de inventaris van het agentschap overeenkomt.

Als ik het goed heb begrepen, is enkel het agentschap bevoegd voor het openbaar onderzoek. De gemeenten zijn niet verplicht een openbaar onderzoek te houden. Dat is enkel een goed initiatief van het agentschap. Dat is uw bevoegdheid. Het staat de gemeenten vrij hier al dan niet aan mee te werken.

Ik ben een beetje verward omdat het werk van de gemeenten enkel in de inventaris wordt opgenomen indien ze de fiches gebruiken die het agentschap gebruikt en indien ze aan de criteria voldoen. Eigenlijk komt het daarop neer. Indien ze meer doen of iets anders doen, is dat op eigen conto en heeft dat enkel een lokale waarde.

Minister-president Geert Bourgeois

Mevrouw de Bethune, dat hebt u zeer goed begrepen. Daar komt het op neer. Indien ze relictfiches maken die aan de methodologie beantwoorden, wordt dat mee opgenomen. Indien er discussie zou zijn, kan hier eventueel een dialoog aan voorafgaan. Voor het overige is het een lokale inventaris die niet door het agentschap wordt vastgesteld.

De voorzitter

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Minister-president, ik wil hier nog even op inpikken. Lopen we dan niet het gevaar dat er veel onduidelijkheid ontstaat als er een lokale inventaris en een Vlaamse inventaris bestaat? Dat heb ik ook gelezen in de evaluatie van het decreet betreffende het onroerend erfgoed. Daar staat in dat de vaststellingspraktijk en de rechtsgevolgen niet voor alle inventarissen gelijk zijn. Dit draagt niet bij tot een consequent en eenduidig beleid.

Mijn vraag sluit aan bij de vragen van mevrouw de Bethune. Welke beleidssuggesties staan in het rapport om ervoor te zorgen dat er op Vlaams en lokaal bestuursniveau een duidelijk en coherent beleid komt ten aanzien van het bouwkundig, niet-beschermd patrimonium?

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Minister-president, op zich is dit een interessante vraag om uitleg, maar ik wil hier nog twee bijkomende vraagjes aan toevoegen. Mijn vragen zijn veeleer van informatieve aard.

Ik vind het een goede zaak dat de lokale besturen ook zelf initiatieven nemen om een eigen inventaris op te stellen. Ik wil het de lokale besturen niet ontzeggen ten aanzien van hun onroerend erfgoed een eigen beleid te kunnen voeren met gemeentelijke verordeningen of welk instrument ze hiervoor willen inzetten.

Bevatten de lokale inventarissen die gemeenten hebben opgesteld in principe meer of minder relicten dan de Vlaamse inventaris? Ik heb er alle begrip voor indien u die vraag nu niet kunt beantwoorden. Ik stel de vraag omdat gemeentebesturen dit wel of niet doen vanuit een grote belangstelling voor het onroerend erfgoed en de zorg voor dit erfgoed. De verwijzing naar de stad Leuven heeft die gedachte opgeroepen, maar dat is toeval.

Zijn er momenteel veel gemeenten die in het licht van de Vlaamse methodologie zelf onderzoek verrichten, of gaat het slechts om enkele gemeenten?

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Mevrouw Van Werde, ik zal eerst uw vraag beantwoorden. Volgens mij bevat de evaluatie een misverstand. Het gaat om het archeologische, bouwkundige en landschapserfgoed. Daar zijn diverse rechtsgevolgen aan verbonden. Het klopt dat die inventarissen andere rechtsgevolgen hebben.

Mijnheer Caron, de lokale inventarissen bevatten meer items. In principe nemen ze onze items op, aangevuld met wat ze lokaal inventariswaardig vinden. Dit gaat niet om veel gemeenten. In Antwerpen zijn het de districten Ekeren, Berendrecht, Zandvliet, Merksem, Deurne en de Tentoonstellingswijk. Verder is er nog Genk en is met betrekking tot Heverlee een samenwerkingsovereenkomst met de stad Leuven afgesloten. Er zijn plannen in Mechelen. Dat zal binnenkort van start gaan. Tot nu toe heeft dit ongeveer 400 nieuwe relictfiches opgeleverd.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.