U bent hier

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Minister, het zal u misschien niet echt verrassen dat ik nog eens terugkom op de cofinanciering.

Er komt 1 miljard euro vrij, en daarvan gaat 368 miljoen euro naar Vlaanderen. Ik heb er al vaak voor gepleit om vanuit Vlaanderen in de nodige cofinanciering te voorzien. Ik heb de bijzondere wet eens bekeken, en daarin meer specifiek het artikel 92, waarin de mogelijkheid tot cofinanciering wordt verwoord. Ik lees letterlijk: “Wanneer een of meerdere gewesten op aanvullende wijze de investeringen in de aanleg, de aanpassing of de modernisering van de spoorlijnen wensen te financieren, overeenkomstig artikel 6 (…), sluiten de federale overheid en het of de betrokken gewesten in elk geval een samenwerkingsakkoord dat voor het of de betrokken gewest(en) de evenredigheid bepaalt die de in artikel 6 (…), bedoelde aanvullende financiering mag aannemen in verhouding tot de financiering van de investeringen die gerealiseerd zijn ter uitvoering van het federaal meerjareninvesteringsplan. Dit samenwerkingsakkoord wordt gesloten voor een duur die de vervaldatum van het overeenkomstige federale meerjareninvesteringsplan niet mag overschrijden.”

Daar worden dan randvoorwaarden aan verbonden: “onder de voorwaarde van het afsluiten van een samenwerkingsakkoord overeenkomstig artikel 92bis (…), en voor een periode die beperkt is tot de duur ervan, de bijkomende financiering voor investeringen in de aanleg, aanpassing of modernisering van de spoorlijnen, alsook van de bijkomende uitrusting op de onbewaakte stopplaatsen, om hun zichtbaarheid en intermodaliteit met openbaar vervoer, actieve vervoerswijzen, taxi’s en autodelen te verbeteren voor zover deze verder gaan dan de investeringen die voorzien zijn in een meerjareninvesteringsplan dat effectief in voldoende financiering door de federale overheid voorziet teneinde een aantrekkelijk en performant aanbod voor het spoorvervoer dat goed aansluit op de andere vervoermiddelen te verzekeren op het gehele grondgebied, en in een door het bovengenoemde samenwerkingsakkoord vastgelegde evenredigheid ten opzichte van de federale financiering.”

Dat is technische en droge kost, minister, maar niet onbelangrijk, want ik concludeer hieruit dat een samenwerkingsakkoord kan worden gesloten tussen één gewest en de federale overheid. Ik heb mij toen misschien een beetje snel laten wegzetten, maar ik citeer uit uw antwoord van 20 april: “Heel concreet wil dat hier zeggen dat we een samenwerkingsakkoord zouden moeten afsluiten, bij mijn weten niet alleen met de federale overheid, maar ook met alle andere gewesten …. Er staat verder ook nog: ‘in een door het bovengenoemde samenwerkingsakkoord vastgelegde evenredigheid ten opzichte van de federale financiering’. Dat wil zeggen dat de verhouding die communautair zit in het federale investeringsplan, moet worden gerespecteerd in het samenwerkingsakkoord. Heel concreet lees ik dan hoe de 60/40-verhouding moet zitten in die cofinanciering. Als Wallonië bijvoorbeeld 0 euro zou willen cofinancieren – vanuit de logica dat er een samenwerkingsakkoord zou zijn –, dan zouden wij 60 procent van 0 euro kunnen investeren, en dat is dus ook niet veel. Dat is dus de bijzondere wet tot hervorming der instellingen. Ik denk dat het een passage is uit de laatste staatshervorming, maar het is niet alsof dat een reddingsboei zou kunnen zijn die onmiddellijk in ons bereik is om te zorgen voor een plan B.”

Nu lijkt de 60/40-sleutel ons een element te zijn voor de federale financiering, waar we het een tweetal weken geleden nog uitgebreid over gehad hebben, maar niet noodzakelijk voor de cofinanciering. Die evenredigheid waarnaar de bijzondere wet in het kader van cofinanciering verwijst, lijkt te slaan op een evenredige verdeling van de federale, respectievelijk gewestelijke tussenkomsten voor een project. Op die manier laat cofinanciering de gewesten toe meer te doen in functie van hun eigen noden.

Ik verwijs hierbij graag naar een verslag van de bespreking van de zesde staatshervorming, met toenmalig staatssecretaris voor Staatshervorming Servais Verherstraeten. Ik citeer uit dat verslag: “De staatssecretaris verduidelijkt dat er geen sprake is van prefinanciering. De federale overheid moet voldoende blijven investeren. Gewesten kunnen bovenop bij financieren voor eigen noden. Vlaanderen kan ook bovenop financieren als Wallonië dan niet doet en omgekeerd.”

Minister, op welk element in de bijzondere wet baseert u zich om te beweren dat de 60/40-norm geldt voor de aanvullende financiering door de gewesten? Bent u van oordeel dat het al dan niet mogelijk is om een samenwerkingsakkoord in het kader van cofinanciering af te sluiten tussen één gewest en de federale overheid?

De voorzitter

Minister Weyts heeft het woord.

Minister Ben Weyts

Ik kan kort zijn. Maar ik ben alleszins blij te weten dat u zich soms snel laat wegzetten. We noteren die mogelijkheid. (Gelach)

Het is inderdaad zo – het was trouwens in de marge van een andere vraagstelling, herinner ik mij – dat wij als één gewest ook een samenwerkingsakkoord kunnen sluiten. Dat is belangrijk. Ik neem dat natuurlijk ook mee, zoals ik ook gezegd heb in de plenaire vergadering, als een vaste wil om een cofinancieringsregeling uit te werken. Ik heb dat ook laten opnemen in de beslissing van het Executief Comité van de Ministers van Mobiliteit (ECMM), namelijk expliciet de mogelijkheid toevoegen tot het sluiten van zo’n samenwerkingsakkoord tussen Vlaanderen en de federale overheid, dus eenzijdig. Dat is al meegenomen in de conclusie van de vergadering van het ECMM op 6 juni.

We hebben intussen ook al een eerste bespreking gehad over het investeringsplan zelf, want dat is natuurlijk het eerste wat we moeten doen: een akkoord hebben over de investeringen die vanuit Infrabel gedaan zullen worden, wat Vlaanderen betreft. Want als je wilt cofinancieren, gelet ook op die evenredigheid, wil dat zeggen dat je enkel iets kunt cofinancieren wat Infrabel ook gaat investeren. Dus enkel spoorinvesteringen die Infrabel wil doen, kunnen we cofinancieren, gelet op de voorwaarden met betrekking tot de evenredigheid. Dat maakt dus dat we daar nog wel een discussie te gaan hebben, maar ik moet zeggen dat de eerste vergadering wel in een positief klimaat heeft plaatsgevonden.

De voorzitter

De heer Ceyssens heeft het woord.

Minister, ik kan mij indenken dat, vanuit het uitgangspunt dat één gewest een samenwerkingsovereenkomst kan sluiten met de federale overheid, dat een veel comfortabelere situatie is dan waar u eerst naar verwees, namelijk dat het met een samenwerkingsakkoord moet zijn – waar we dan schrik voor hadden – met het Waalse Gewest en dergelijke meer. Ik denk dat op dat vlak twee hindernissen opgeruimd zijn en dat we ook aan de tafel kunnen.

We moeten de discussie over de kip of het ei niet voeren, maar als wij als Vlaanderen mee gaan cofinancieren, dan lijkt het mij evident dat we daarover ook regels opstellen of voor onszelf uitmaken wat wij mee willen cofinancieren. En dan denk ik dat dat in onderhandelingen een sterke uitgangspositie is tegenover de federale overheid, om te kunnen zeggen dat we inderdaad wel willen cofinancieren, maar enkel als het over deze en deze en deze projecten gaat. Ik kan mij niet voorstellen dat als men daar vandaag in een vrij strak carcan zit wat betreft investeringsruimte, dat op een moment dat Vlaanderen zegt te willen cofinancieren voor die en die projecten, men niet mee in die richting gaat. Want dat betekent dat op het moment dat men investeert, er extra investeringen mee worden opgenomen en dat die investeringen dus ook een stuk versterkt en vergroot worden. Ik denk dat dat een uitgangspositie is waar wij als Vlaanderen misschien een sterkere houding in kunnen nemen in de toekomst.

Ik zal alleszins met belangstelling verder opvolgen hoe dit verder gaat verlopen. Ik denk ook dat we niet langer moeten zeggen dat dat samenwerkingsakkoord iets is dat ik-weet-niet-hoelang moet gaan duren. Als wij daar als Vlaanderen geld veil voor hebben, dan kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat wij op een snelle manier tot een akkoord moeten komen met de federale overheid.

De voorzitter

De heer Keulen heeft het woord.

Goede collega’s, voorzitter, minister, we moeten hier alle intellectuele blokkades laten vallen en gaan voor het resultaat. In deze legislatuur was ik de eerste die de term cofinanciering in de mond nam op het ogenblik dat de meeste collega’s zich nog beperkten tot prefinanciering. We werken hier met de voorstellen van collega Ceyssens voor de Vlaamse reiziger en voor het Vlaamse bedrijfsleven. De federale overheid is amechtig als het gaat over financiën en ook de spoormaatschappij deelt in die beperkte financiële ruimte waarbinnen de federale overheid moet werken. Ik wil het nog altijd meemaken dat, als we bereid zijn geld op tafel te leggen, de nationale spoorwegmaatschappij NMBS en Infrabel – vooral die laatste – zouden zeggen dat het voor hen niet hoeft. Dat zou pas een provocatie van formaat zijn. Wij willen tot resultaten komen. Om het op z’n Deng Xiaopings te zeggen: of de kat nu wit of zwart is, als ze maar muizen vangt.

Het gaat hier opnieuw over de Vlaming die op een of andere manier dienstverlening wil verkrijgen via de spoorwegen. Zeker voor de formule van de cofinanciering moeten we dat letterlijk tot het uiterste uitputten om eindelijk tot resultaten te komen. Dit is ook een kwestie van politieke geloofwaardigheid. Of dat nu federaal of Vlaams is, voor de mensen maakt het niet uit. Binnen de investeringen van de spoorwegen moeten we onze fairshare krijgen als Vlaamse Gemeenschap. Daarnaast moeten we alles doen wat we kunnen om een versnelling hoger te schakelen om de Vlaming als reiziger en als bedrijfsleven te dienen.

Minister Ben Weyts

Daar heb ik weinig aan toe te voegen, afgezien van de lijst die we hebben van prioritaire investeringen. Als we cofinancieren, dan zal dat enkel ten aanzien van die projecten zijn.

Minister, u neemt me de woorden uit de mond. Daarmee wou ik concluderen. We hebben een duidelijke Vlaamse spoorvisie, minister. Die kunnen we op tafel leggen. Ik wil er trouwens nog aan herinneren dat zelfs in de Vlaamse spoorvisie een goed jaar geleden de prioriteit der prioriteiten is gesteld: lijn 18. Wat ons betreft kunt u met Vlaams geld naar federaal minister Bellot gaan en zeggen: als u eindelijk aan die lijn 18 begint, in Vlaanderen hebben we daar centen veil voor.

Minister, de mechanismen liggen er. In Vlaanderen hebt u nu meer bevoegdheden dan in het verleden. Daarom doe ik een warme oproep: gebruik die om ervoor te zorgen dat er in Limburg ook spoorverkeer mogelijk wordt in de toekomst.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.