U bent hier

Commissievergadering

donderdag 6 juli 2017, 10.10u

Voorzitter
van Ingeborg De Meulemeester aan minister Hilde Crevits
2449 (2016-2017)
De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, in samenwerking met minister van Mobiliteit Weyts maakt u werk van een nieuw concept voor leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs. Dat vernieuwde concept zal vanaf 1 september 2017 een schooljaar lang worden getest in twee pilootgebieden, namelijk Roeselare-Hooglede-Izegem-Ingelmunster en Leuven-Heverlee, met het oog op een verdere, Vlaanderenbrede uitrol. In mijn schriftelijke vraag van 3 mei 2017 vroeg ik u naar de gehanteerde criteria met betrekking tot het toekennen van het leerlingenvervoer. U antwoordde dat het concreet toekennen van leerlingenvervoer verschilt tussen de beide pilootprojecten. In het pilootproject Leuven wordt het principe van de dichtstbijzijnde school verlaten. In het pilootproject Roeselare wordt het principe van de dichtstbijzijnde school enkel verlaten in het buitengewoon secundair onderwijs.

Minister, waarom worden er twee verschillende principes gehanteerd in de twee pilootgebieden inzake het toekennen van leerlingenvervoer? Welke implicaties zal een verschillende aanpak in de twee pilootgebieden hebben op het recht op leerlingenvervoer? Op welke manier zult u de resultaten van de pilootprojecten integreren in uw beleid?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw De Meulemeester, een van de centrale principes van de conceptnota betreffende het leerlingenvervoer in het buitengewoon onderwijs is dat we de regie lokaal leggen. Voor de toekomst wil dat zeggen dat elk verzorgingsgebied in Vlaanderen zal worden geresponsabiliseerd om op basis van een aantal algemene criteria zelf te bepalen welke leerlingen op welke manier recht hebben op leerlingenvervoer naar een bepaalde school. Die werkwijze maakt het mogelijk om lokaal meer specifieke criteria vast te leggen, op maat van de betrokken scholen en de vervoermogelijkheden binnen de lokale regio. Voor de uitwerking van de conceptnota is onder andere daarom bij de opstart van het plootproject gekozen voor een bottom-upaanpak: het voorliggende kader in de beide pilootgebieden is lokaal ontwikkeld. Die aanpak maakt dat er in beide pilootgebieden een verschillend kader is ontwikkeld waarbinnen het recht op leerlingenvervoer wordt bepaald. In de twee pilootgebieden blijft het recht op leerlingenvervoer als principe vooropstaan. Aangezien het nieuwe concept meer wil inspelen op de lokale context en daardoor meer maatwerk vereist, waarbij de zorgnood van het kind het uitgangspunt is, heeft het operationaliseren van het nieuwe concept als gevolg dat het recht op leerlingenvervoer voor twee vergelijkbare kinderen in de twee pilootgebieden verschillend kan worden ingevuld. Dat is natuurlijk eigen aan pilootprojecten. Als gevolg van de verschillende aanpak in de twee pilootgebieden zullen we een ruim beeld krijgen van de mogelijkheden die werken en de factoren die belemmeren. We zullen dus maximaal leren uit de twee projecten.

Hoe gaan we die dan integreren? Het pilootproject zal na afloop worden geëvalueerd. Het doel van de evaluatie is tweeledig: enerzijds nagaan wat het effect is van de uitwerking van de centrale principes in de conceptnota en anderzijds nagaan of een organieke implementatie, dus een uitrol voor heel Vlaanderen, haalbaar en wenselijk is. De resultaten van die evaluatie worden geformuleerd in een advies aan de Vlaamse Regering. Dat zal uiteraard ook worden voorgelegd aan het Vlaams Parlement. Wij zullen dan beslissen om dat al dan niet organiek te implementeren.

Het zal u niet verwonderen dat ik zelf een groot voorstander ben van oplossingen op maat en heel dicht bij de kinderen, maar we moeten bekijken of dat verzoenbaar is met de mogelijke verschillen die er dan zijn tussen kinderen. Het gevolg is dat je iedereen weliswaar gelijk behandelt als het gaat om het oplossen van de noden, maar dat je ook gaat kijken naar de context en dat de oplossingen niet voor elk kind dezelfde zijn. We zullen dat na het pilootproject zien. Ik hoor ook een aantal heel positieve geluiden. We zullen daarna zien of men het in Vlaanderen aankan dat we die vrijheid geven of niet.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat ik superbelangrijk vind, is inderdaad dat die zorgnood van het kind sowieso het uitgangspunt is. Ik begrijp ook dat men een stedelijke context en een meer landelijke context heeft. We zullen vanuit dat oogpunt kunnen bekijken welke effecten dat heeft. U zegt te zullen bekijken wat werkt en wat belemmert. Het lijkt me belangrijk om af te wachten hoe de pilootprojecten verlopen, om dan eens te bekijken hoe we dat kunnen integreren met zorg op maat.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.