U bent hier

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, collega's, ik zal het kort en bondig houden. Hoewel anderstalige nieuwkomers slechts 1 procent van de totale schoolbevolking uitmaken, halen ze in de tellingen een aandeel tussen de 6 en 12 procent van de problematische afwezigheden. Ongeveer 16 procent van de anderstalige nieuwkomers in het onthaaljaar was vorig schooljaar meer dan 30 halve dagen afwezig. Steeds vaker gaat het bij anderstalige nieuwkomers om vluchtelingenkinderen, die soms rechtstreeks uit oorlogsgebied komen. Schoolgaan is voor deze kinderen met angsten en depressies vaak niet de eerste bekommernis. Toch is scholing voor hen essentieel voor hun integratie en voor een sterke nieuwe start. Onderwijs liet zeven extra traumapsychologen aanwerven om deze kinderen te begeleiden, maar de coördinatie van het onthaalonderwijs van het Katholiek Onderwijs Vlaanderen vreest dat dit project wordt stopgezet in november, zo lazen we recent in de krant.

Ik wil u daarover enkele vragen voorleggen. De eerste is allicht overbodig, maar ik stel ze toch. Ziet u de aanstelling van traumapsychologen als een meerwaarde? Zo ja, wordt het project voortgezet of uitgebreid? Zo neen, wordt een alternatieve opvang van de doelgroep uitgewerkt? Welke andere aanvullende manieren ziet u als mogelijke hulp bij het voorkomen van problematische afwezigheden van anderstalige nieuwkomers? Mijn vraag is ingegeven door de zorg te voorkomen dat men in het onderwijsveld onnodige problemen zou kennen.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, deze vragen zijn ingediend op het moment dat we een informele gedachtewisseling met Vluchtelingenwerk Vlaanderen hebben gehouden. Onder hen ook een OKAN-coördinator (onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers) en een pedagogisch begeleidingsexpert voor OKAN. Ondertussen hebben we al een hoorzitting over OKAN gehouden en is Vluchtelingenwerk Vlaanderen hier ook al officieel op bezoek geweest. De vragen zijn dus al een beetje gedateerd. Toch leerden we uit het informeel overleg dat een hervorming van de organisatie van OKAN zich opdringt. Het rapport bevestigt dat. Het systeem is nu zo dat er per vier leerlingen telkens tien uur bij komt of af gaat. Dat betekent bijvoorbeeld dat door het vaak plotse vertrek van een leerling er plots minder lesuren zijn. Dat zorgt ervoor dat de lesuren enorm fluctueren. Dat zorgt ook voor zeer veel onzekerheid bij de leerkrachten, met als gevolg dat er een gigantisch verloop van leerkrachten ontstaat. De scholen kampen zo met een voortdurend verlies van opgebouwde expertise. Dat is jammer, want zeer veel OKAN-leerkrachten doen hun job met hart en ziel.

Ook is er nog te weinig professionalisering van en voor de leerkrachten. De nascholing is vaak te vrijblijvend. Ook zitten de aangeboden nascholingen te snel vol, dikwijls nog voor ze zijn aangekondigd. Er is vaak geen tijd voor een structurele opleiding. De schoolsfeer leent zich hier ook niet altijd toe: er vallen dan immers lesgaten. Er zou structureel tijd moeten worden vrijgemaakt voor opleiding, nascholing en professionalisering.

Minister, op welke basis gebeurde de berekening van de lesuren? Wilt en kunt u dit systeem herbekijken? Zult u onderzoeken of er geen beter systeem kan worden gevonden? Zult u meer investeren in lerarenopleiding, nascholing en professionalisering? Hoe wilt u de scholen ondersteunen om leerkrachten op nascholing te kunnen laten gaan? Wilt u onderzoeken of er ook ruimte kan worden vrijgemaakt in de lerarenopleiding?

Mijn tweede vraag gaat over de psychosociale begeleiding van jonge vluchtelingen en asielzoekers. Op het informeel overleg zaten ook drie vertegenwoordigers van de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB’s). De CLB’s nemen een belangrijke rol in bij de ondersteuning van jonge vluchtelingen en asielzoekers. Zij zorgen vaak voor een belangrijk stuk psychosociale begeleiding van jonge vluchtelingen en asielzoekers. De centra voor geestelijke gezondheidszorg (cgg’s) kampen met zeer lange wachtlijsten. Het CLB mag en kan in de tussentijd kortstondige begeleiding verzorgen. De tijd ontbreekt vaak en ze mogen jongeren maar maximaal acht keer zien. Er loopt op dit moment ook een project dat CLB’s helpt expertise te verwerven op het vlak van traumabegeleiding. Er is daarvoor een voltijdse kracht per provincie uitgetrokken. Het project loopt echter af en men is nog niet zeker of het voortgezet kan worden.

Wilt u de wetgeving aanpassen zodat de CLB’s de jongeren meer dan acht keer kunnen zien? Wilt u bekijken hoe u de CLB’s meer kunt ondersteunen bij het opnemen van een psychosociale ondersteunende rol? Hoe evalueert u het project? Wat is de motivatie achter de mogelijke stopzetting? Wilt u in middelen voorzien om het project voort te zetten?

Mijn derde vraag gaat over verhuisbewegingen tijdens het schooljaar van minderjarige asielzoekers en vluchtelingen. In juni waren er nog steeds verhuisbewegingen in volle gang. U zei in het verleden dat u dat wou voorkomen, en als het niet anders kan, dat men dan tenminste toch wacht tot wanneer het schooljaar is afgelopen. U hebt gezegd dat u hierover regelmatig zou overleggen met uw federale collega’s. U sprak ook van het garanderen van een zorgzaam traject. Kinderen van asielzoekers zitten in een zeer precaire situatie. Ze zijn ver van huis en spreken bij aankomst onze taal niet. Ze hebben een moeilijke tocht achter de rug. Ze missen vrienden en familie. Ze hebben een onzekere toekomst, want ze weten vaak niet welk lot hun zal beschoren zijn.

We vragen ook al een tijdje naar een duidelijk systeem van informatiedeling tussen de oude school en de nieuwe school. Bijvoorbeeld zou een leerdossier mee verhuizen, met de leerling. Nu zorgt gebrekkige informatiedeling er vaak voor dat de schoolcarrière in het gedrang komt. Twee dagen voor een geplande verhuizing tast men soms nog in het duister. Iedereen doet zijn best, maar dit is geen zorgzame manier om om te gaan met jongeren.

Minister, hoe lopen de gesprekken met het federale niveau? Om de hoeveel tijd wordt er samengezeten? Hoe verloopt dit overleg? Hoe evalueert u de samenwerking? Is er aan het federale niveau gevraagd om een hogere prioriteit te geven aan onderwijsverstrekking in het asielbeleid? Wilt u erop aandringen dat er geen verhuisbewegingen meer buiten de grote vakantie plaatsvinden, zodat de leerlingen hun schooljaar kunnen afmaken? Het kan toch niet dat kinderen op 7 juni, wanneer ze het schooljaar afwerken, moeten verhuizen.

Wilt u werk maken van zo’n leerdossier? Hoe wilt u de continuïteit van de schoolcarrière van die leerlingen garanderen? Hoe wilt u werken aan een betere informatiedeling, zowel tussen de Dienst Vreemdelingenzaken als tussen de scholen, met het nodige respect voor de privacy? Deze knelpunten zijn al vaak aan bod gekomen, maar een verbetering zien we niet. Er moet echt iets gebeuren.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, u kwam vorig weekend met het nieuws naar buiten dat 8 op de 10 diploma’s van vluchtelingen, asielzoekers en subsidiair beschermden worden erkend door NARIC-Vlaanderen. NARIC ontving in 2016 4354 aanvragen tot erkenning van een of meerdere buitenlandse diploma’s. 1 op 5 aanvragen werd ingediend door erkende vluchtelingen, asielzoekers en subsidiair beschermden. In 2016 werd over 512 dossiers beslist die betrekking hadden op deze groep. U verklaarde dat de erkenning van diploma’s een belangrijke hefboom is voor integratie en tewerkstelling. Niet alleen vergroot de erkenning van diploma’s de kansen op de arbeidsmarkt voor deze personen, maar ook volgende stappen in het onderwijs: “Het onderwijs wordt toegankelijker en kan gerichter leertrajecten opzetten voor studenten”, stelde u. Laat dat laatste nu een van de elementen zijn die volgens Vluchtelingenwerk Vlaanderen en de Vlaamse Vereniging voor Studenten ontbreekt in ons onderwijssysteem.

Recent bespraken wij met Vluchtelingenwerk Vlaanderen de onderwijskansen van vluchtelingen en asielzoekers. Hoewel heel wat mensen zich dag in, dag uit inzetten om deze kinderen en jongeren te ondersteunen, blijkt toch dat er nog heel wat drempels zijn. Ook de Vlaamse Vereniging van Studenten deelde dat standpunt in een opiniebijdrage in de krant.

Nog veel te veel jongeren verlaten ons onderwijssysteem zonder een diploma. Daar zijn verschillende redenen voor. Zo zijn onze onderwijsverwachtingen niet afgestemd op hun startprofiel en specifieke behoeftes. De focus ligt al te vaak nog te zeer op het taalniveau in het secundair onderwijs, waardoor andere capaciteiten niet verder worden ontwikkeld en veel opleidingen voor de groep ontoegankelijk blijven. Bovendien is de toegankelijkheid tot het hoger onderwijs beperkt. Men weet vaak niet waar te beginnen om een opleiding in welke vorm dan ook te starten omdat de informatie niet volledig doordringt. Ook financieel zijn de uitdagingen voor potentiële studenten groot. We hebben het er al vaker over gehad in de commissie: de procedures van NARIC zijn nog al te vaak onduidelijk, of ze duren te lang. De uitbreiding van het aantal personeelsleden werd ook nog eens teruggeschroefd.

Jongeren boven de 18 jaar hebben bij aankomst nog minder kansen. Opties in het tweedekansonderwijs of opleidingen aan een centrum voor volwassenenonderwijs (CVO) of VDAB blijven onderbelicht, wat ervoor zorgt dat ze daar niet worden naar toegeleid. Tot slot hebben jongeren boven de 18 zonder papieren al helemaal geen recht meer op onderwijs.

Minister, hoe wilt u de trajectbegeleiding in het secundair onderwijs zodanig verder ontwikkelen dat ook deze personen hun weg vinden naar het hoger onderwijs, schakeljaren en maatprogramma’s? Zult u een centraal punt per regio organiseren waar nieuwkomers met een educatief perspectief voor de nodige expertise terechtkunnen, om zich te informeren en zich te laten begeleiden om verdere stappen te ondernemen in het onderwijs? Vluchtelingenwerk Vlaanderen vraagt dat.

Wilt u meer voorbereidingstrajecten installeren om de kansen voor deze groep in het hoger onderwijs te vergroten? Zult u daarvoor samenwerken met de verschillende bevoegde instellingen: de onderwijsinstellingen, de agentschappen voor integratie en inburgering, de CVO’s, VDAB en de lokale overheden? Hoe wilt u tijdige, correcte en duidelijke informatie verspreiden over de toelatingsprocedures voor deze groep, alsook over de financiële voorwaarden? Hoe wilt u versnippering in dezen tegengaan? Op de Engelstalige websites van de universiteiten en de hogescholen staat uiteraard informatie over het inschrijvingsgeld voor niet-EU-burgers, maar vluchtelingen weten niet altijd dat zij een ander bedrag moeten betalen. Hoeveel tijd doet NARIC er gemiddeld over tussen de aanvraag voor de erkenning van een diploma en de beslissing? Erkent u dat de verwerkingstijd van de aanvragen stijgt, maar dat daar geen middelen tegenover staan?

De voorzitter

Aangezien dit een gedachtewisseling is en de minister een geïntegreerd antwoord heeft voorbereid, kunnen de parlementsleden, die geen vraag hebben ingediend en zich wensen aan te sluiten, nu al tussenkomen.

Mevrouw Brussel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Zoals mevrouw Soens daarnet uitlegde, kan er ook in het hoger onderwijs wat meer gebeuren om jonge mensen die, ofwel nog aan het studeren zijn, ofwel net afgestudeerd zijn, nog wat beter op pad te helpen. Veel vluchtelingen of asielzoekers komen aan in ons land en willen verder studeren. Ze willen aan hun PhD werken of willen met de PhD die ze behaald hebben aan de slag en het wordt hen niet zo gemakkelijk gemaakt. Eigenlijk denk ik dat er vooral een aantal praktische zaken zijn die NARIC zou kunnen doen om de transparantie van de informatie te vergroten en om alle informatie beter te centraliseren. Daar kan de Vlaamse overheid werk van maken in samenwerking met de hogeronderwijsinstellingen, want nu zien de jonge mensen de bomen door het bos niet meer. Ook het informeren van diensten die als eerste vluchtelingen en asielzoekers onthalen, zoals Fedasil en de OCMW’s is belangrijk. Die zijn heel vaak niet op de hoogte van de procedures van NARIC en van de kansen die er zijn in hoger onderwijs voor die jonge mensen.

Deze week was er bij de Jonge Academie een studiedag over dit thema. Ik ben er zelf ook gaan spreken. Ik heb een aantal getuigenissen gehoord van jongeren die terechtkomen bij het OCMW, die wel degelijk kwalificaties hebben, maar die te kennen geven dat het heel erg lang duurt vooraleer hun kwalificatie, het niveau of de specifieke erkenning in orde komt. De procedures bij NARIC zijn lang: voor de ene procedure betreft het 60 dagen en voor de niveau-erkenning van het diploma is dat 120 dagen. Er worden heel wat documenten gevraagd en sommige zaken worden te bureaucratisch benaderd. Men zou in samenspraak met die hogeronderwijsinstellingen moeten kijken welke documenten de meest relevante documenten zijn die gevraagd moeten worden aan de mensen die hier toekomen. Het is niet meer dan normaal dat er een onderzoek wordt gedaan, versta me niet verkeerd. Maar het kan toch ook niet de bedoeling zijn dat mensen met kwalificaties veel tijd verliezen en door de OCMW’s naar jobs worden toegeleid die onder het niveau zijn. Vooral als we weten dat er een tekort is aan ingenieurs is het pijnlijk vast te stellen dat wie een PhD Engineering heeft en wel degelijk over competenties en kennis beschikt, door de werkwinkel aangemoedigd wordt om ruiten te gaan wassen, om maar één voorbeeld te geven. Dat is tijdsverlies en het zou beter zijn dat iemand die geen kwalificaties heeft, liever ruiten kan gaan wassen om zijn brood te verdienen.

De mensen op de juiste plaats krijgen, wat meer efficiëntie, op die punten is er werk aan de winkel. Er zijn initiatieven, bijvoorbeeld van UAF, die al lang bestaan en die nog altijd actief zijn en jonge mensen daarin begeleiden. Er zijn zeker al best practices. Er zijn ook voor hoger opgeleiden uit risicogebieden de best practices van Scholars at risk. Er gebeurt dus al heel wat, maar sommige mensen zien de bomen door het bos niet omdat de informatie veel te versnipperd is en niet snel tot bij de juiste personen geraakt. Er zijn praktische oplossingen mogelijk. Minister, mocht u al een idee hebben hoe u daarin verbetering wilt aanbrengen, dan hoor ik dat graag van u. Vanuit onze fractie willen we gerust een aantal suggesties doen.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, OKAN-leerlingen zijn een kleine groep in ons onderwijs, maar ze verdienen grote aandacht, niet het minst omdat OKAN-leerlingen een zeer kwetsbare groep vormen die vaak heel wat hebben meegemaakt en heel wat met zich meedragen. We zien ook een opmerkelijke stijging van het aantal meldingen van problematische afwezigheid bij OKAN-leerlingen, voornamelijk voor het schooljaar 2015-2016. Naast de oorzaken van spijbelen in het reguliere onderwijs, onder andere door schoolmoeheid of familiale problemen, spelen bij OKAN-leerlingen ook ander factoren een belangrijke rol zoals de precaire leefomstandigheden van vluchtelingen.

Spijbelen is ook vaak een voorbode van schooluitval en schoolachterstand. Zoals al veelvuldig is aangehaald, blijkt dat OKAN-leerlingen vaker een C-attest krijgen dan andere leerlingen en dat de overstap van de OKAN-klas naar de gewone klas vaak misloopt. Om schooluitval en schoolachterstand te vermijden en de problemen bij de wortels aan te pakken is het belangrijk om nog intensiever in te zetten op taalbaden Nederlands en integratie. Uit de aanbevelingen van AgODi blijkt dat het aangewezen is om in het gevoerde beleid ten aanzien van spijbelen en schooluitval specifieke aandacht te besteden aan de OKAN-leerlingen. Zou u concreet kunnen meegeven hoe u die aanbevelingen zult verwerken in uw beleid omtrent spijbelen en schooluitval?

Ook een goede coaching en samenwerking tussen de school, het CLB en andere betrokken actoren is van primair belang voor onze kwetsbare groep van leerlingen. Uit het AgODi-rapport blijkt dat het OKAN-beleid op scholen niet of beperkt besproken wordt op personeelsvergaderingen. Ook is er een beperkte samenwerking met externe actoren. Graag had ik vernomen of er een structureel overleg plaatsvindt tussen de traumapsychologen, coaches, scholen, het CLB en belangrijk externe actoren. Als die er is, hoe evalueert u die samenwerking?

Dan wil ik nog iets kwijt over de vraag van mevrouw Soens. Ze zegt – en ik citeer uit haar vraag – dat “de focus vaak nog te zeer op het taalniveau in het secundair onderwijs” ligt. Dat vind ik verbazend, want net het machtig zijn van de taal is dé manier om te integreren. Naast een diploma is talenkennis de beste garantie voor een mooie toekomst. Enkel hogeronderwijsinstellingen hebben ook taalvoorwaarden om te kunnen starten met een opleiding. Voldoet een student niet aan de taalvoorwaarden dan kan hij of zij een intensief taalbad Nederlands volgen. Ook het belang van het Nederlands wordt door onze hogeronderwijsinstellingen erkend.

Onze fractie pleit voor een versnelde erkenningsprocedure bij NARIC. Onze collega Daniëls kaartte deze kwestie al eerder aan. We wensen een uitbreiding van de automatische erkenning en een spoedprocedure voor mensen die op korte termijn een diploma moeten kunnen voorleggen, uiteraard zonder afbreuk te doen aan de kwaliteitscriteria.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, toen de onderzoekers naar de commissie kwamen, heb ik vragen moeten stellen die overbodig waren geweest als het onderzoeksrapport voordien was bezorgd. Uit wat u vanochtend hebt gezegd, heb ik begrepen dat u op dat vlak leerwinst hebt gemaakt en dat u in de toekomst dat onderzoeksrapport wel vroeger zou geven. Dat lijkt mij wijs, zodat we de debatten die we met de onderzoekers hebben, niet enkel moeten voeren op basis van de slides die ze hebben geprojecteerd. Ik heb nu het rapport, en ik zal u wellicht een aantal vragen stellen waarvan u zult zeggen dat ik ze aan de onderzoekers moet richten.

De eerste vraag betreft het OKANS-rapport, dat een onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek (OBPWO-onderzoek) is. Waarom is er gekozen voor een cartografie en niet voor een effectiviteitsonderzoek? We hebben in kaart gebracht wat er is, maar niet of het werkt of niet werkt. Dan wordt het raar om aanbevelingen te doen, zonder effectiviteitsonderzoek. Dat is een moeilijkheid in het rapport.

Ten tweede, in het licht van de gekozen doelgroep en de methodologie, is er een bepaalde groep gevolgd, maar die OKAN-leerlingen – ik heb er vroeger ook bij mij op school gehad – starten op verschillende momenten verspreid over het hele schooljaar. Dan is natuurlijk de vraag wanneer we gaan kijken hoever ze staan. Een leerling die gestart is op 1 september, heeft natuurlijk een heel ander parcours dan een leerling die gestart is op 1 mei. Wat gaan we daarmee doen in de toekomst? Wat is dat, één jaar OKAN? Zoals mijn collega’s al hebben opgemerkt: wat met de vervolgcoaches, of de vervolg-OKAN, of moeten we geen traject maken, waarbij een leerling langer dan één jaar in de OKAN-klas kan zitten? Kortom: welke lading dekt precies die omschrijving van één jaar OKAN?

Het gaat hier om een OBPWO-onderzoek binnen Onderwijs en er wordt dan gezegd dat die leerkrachten heel veel tijd steken in het welbevinden van die leerlingen. Ook bij ons op school was het zo dat die leerkrachten tegelijk ‘moeder’ – want het waren vooral vrouwelijke leerkrachten – en ‘leraar’ voor die leerling waren.

Er wordt heel veel tijd besteed aan acclimatiseren, gesprekken, psychologie, en je kunt in onderwijs je tijd maar één keer gebruiken. In het onderzoek heb ik niet teruggevonden in welke mate hoeveel tijd waaraan wordt besteed. Ik weet niet of dat een onderzoeksvraag was en of dat gemeten is. Het gevolg is dat hoe meer tijd je niet kunt besteden aan onderwijs, formeel of informeel, omdat je hem besteedt aan welzijn, het logisch is dat die leerlingen vertraging oplopen. We moeten ons er niet over verbazen dat er daardoor meer leerlingen in het bso terechtkomen, aangezien de omvang van hun kennis en vaardigheden minder groot is, omdat de tijd die daaraan werd besteed, beperkt is geweest. Welke structurele samenwerking ziet u daar met Welzijn in lichte structuren? Ik wil vermijden dat er hele overlegstructuren moeten worden opgezet, waar er in een aparte vergaderzaal met veel mensen over de leerlingen wordt gesproken, maar niet met de leerling en de ouders wordt gewerkt. Dat is tijdrovend. Hoe kan welzijn hierin een rol spelen?

Bij de data die we van AgODi hebben gekregen, zaten veel interessante zaken uit decreten die we zelf hebben goedgekeurd. Ik wil terugkomen op één punt: voor OKAN hebben we ontwikkelingsdoelen. In welke mate moeten we die ontwikkelingsdoelen aanscherpen of bijsturen om de mogelijkheid te hebben dat die OKAN-leerlingen aansluiting krijgen met de rest van het onderwijs? Als we vaststellen dat ze niet goed aansluiten, is de vraag waar we moeten op ingrijpen om dat te verhelpen. Moeten we OKAN verlengen? Moeten we nog sterker inzetten op Nederlands? Moeten we Welzijn meer betrekken? Moeten we die ontwikkelingsdoelen, die we nastreven, maar niet noodzakelijk bereiken bijsturen? Daarmee komen we al op glad ijs: de ontwikkelingsdoelen moet je beheersen om vlot door te stromen naar het volgende jaar. Maar het zijn ontwikkelingsdoelen, dus ook als ze niet bereikt zijn, laten we de leerlingen toch doorstromen en dan zijn we verbaasd als ze hun diploma niet behalen. Dat lijkt mij, de facto, het logisch gevolg van het feit dat we ontwikkelingsdoelen hebben vastgesteld in een periode, onafhankelijk van het moment waarop de leerlingen binnenkomen.

Dat je met vier moet zijn om middelen te genereren, betekent dat er een soort van nullijn is getrokken. Maar wat als in het kader van spreiding, en zeker voor vluchtelingen die in het kader van lokale opvanginitiatievan (LOI’s) verspreid worden, de kans groot is dat je onder het aantal van vier zakt. Hoe kunnen we scholen toch die ondersteuning bieden? Dat zijn veelal scholen die daar net geen ervaring meer hebben, met de eerste die binnenkomen. Mijnheer De Meyer zal mij vergeven dat ik opnieuw de Wase hoofdstad aanhaal, maar met Vluchtelingen Ondersteuning Sint-Niklaas (VLOS) in de achtertuin is daar wel al enige ervaring mee, maar er zijn ook andere gemeenten in Vlaanderen die die ervaring niet hebben. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat ze, mits wat ondersteuning, daar toch in kunnen komen?

In een van de aanbevelingen is er sprake van drie fasen: het taalbad, de semi-geïntegreerde fase en de volledige integratie. Zonder daar termijnen op te kleven – en zoals mevrouw De Meulemeester het al zei: als je als Alice in Wonderland rondloopt en je verstaat de mensen niet, dan wordt begrijpen moeilijk zo niet onmogelijk. Ik denk dus dat we dat stuk misschien nog wel iets meer in perspectief moeten plaatsen.

Over de schoolloopbanen die in het OKANS-onderzoek zijn opgenomen is de vraag of er rekening is gehouden met de context waarin die OKAN-leerling zit. Een OKAN-leerling die in Langemark-Poelkapelle in de klas zit, zit in een andere omgeving dan een leerling die in een OKAN-klas in Anderlecht zit. Zowel qua omgevingstaal als qua mix van mensen waartussen hij zich bevindt zijn er verschillen. Is dat al dan niet meegenomen en in welke mate speelt dat een rol?

Met andere woorden: heeft een OKAN-leerling in een volledig Nederlandstalige omgeving meer kans om geen schoolse achterstand op te lopen dan de leerling in een context waarin hij minder wordt getriggerd om effectief Nederlands te leren?

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Voorzitter, ik zal zeer punctueel zijn want er is al veel gezegd. Ik sluit eerst aan bij de vragen van mevrouw Meuleman.

Uit het onderzoek blijkt heel sterk dat OKAN-teams niet altijd voldoende vertrouwd zijn met de ontwikkelingsdoelen en de didactische tools. Er zijn instellingen die al geruime tijd NT2 aanbieden en daarmee vertrouwd zijn. Welke pistes kunnen we bekijken om uitwisselingen tussen OKAN-scholen en NT2-instellingen te stimuleren? Er kan misschien winst zijn, niet zozeer voor wat betreft de ontwikkelingsdoelen maar dan toch voor wat betreft de didactische tools. Door het onderzoek krijgen we nu toch de indruk dat iedereen op zichzelf heel creatief aan de slag probeert te gaan. Dan kunnen we daar misschien winsten uit halen.

Bij de onderwijsinspectie zagen we dat wanneer men de toegekende uren volledig voor OKAN gebruikt en de drie verschillende financieringen volledig voor het onthaalonderwijs gebruikt, men daarmee veel betere resultaten behaalt. We spraken daar al over in het kader van een actuele vraag. Minister, u zei dat we zouden bekijken hoe we dat nog beter kunnen stimuleren en hoe ook de uren in de reguliere werking beter besteed kunnen worden. Hebt u daarin al initiatieven genomen?

In het onderzoek zelf moesten heel wat kwesties worden bekeken. Uiteraard is er de impact. Ik verwijs naar wat de heer Daniels zei over effectiviteit. We missen daar inderdaad misschien een kans. Wat is de impact van het onthaalonderwijs op de schoolloopbaan, de resultaten en de leerwinsten van de jongeren? Maar ook op de school- en leerlingenkenmerken die die schoolloopbanen beïnvloeden? In welke mate heeft het OKAN-onderwijs daar invloed op?

Er zijn twee organisatiemodellen: het onthaalonderwijs zelf en de begeleiding vanaf het tweede jaar door de vervolgcoaches. De middelen situeren zich op drie niveaus. Dat zijn allemaal belangrijke dingen, die uit het onderzoek blijken.

Het onderzoek leert dat er nood is aan een intensief taalbad bij de start. We zien dat er in veel scholen met pull-outklassen wordt gewerkt. Men wordt uit de klas gehaald en keert er dan naar terug. Dat komt misschien het welbevinden of het welzijn of het integreringsproces ten goede. Maar men merkt toch ook dat de intensieve taallessen bij de start belangrijk zijn en dat er meer nood aan is. In welke mate kunnen we dat stimuleren? Moet er aan de organisatie nog iets worden toegevoegd om daarin een beter evenwicht te vinden?

Ook de ouderbetrokkenheid bleek een heel cruciale factor. Als de ouders zich voluit inzetten om te integreren, heeft dat invloed op de prestaties van de leerlingen. Hoe kunnen we nog meer initiatieven nemen om binnen het onthaalonderwijs en binnen het NT2-gegeven de communicatie met de ouders en zo hun betrokkenheid te stimuleren?

Uit het onderzoek kwam ook het gegeven van het zittenblijven sterk naar voren. Het gaat hier niet over het gewone zittenblijven, het gaat hier ook over het integratieproces, over het leren van de taal. Soms geeft het gewoon rust en ruimte wanneer kinderen nog eens een jaartje kunnen overdoen. Dat is soms nodig om hun het nodige zelfvertrouwen te geven. In het onderzoek heb ik niet teruggevonden in welke mate het zittenblijven een positief gevolg heeft voor de verdere loopbaan. Behalen die kinderen uiteindelijk een attest? Kunnen zij hun verdere schoolloopbaan succesvol afronden? Kunnen we dat nog op een andere manier te weten komen? Zou het nuttig zijn om dat verder te onderzoeken? Als we het zittenblijven als een winst ervaren – en OKAN-lesgevers doen dat dikwijls – mag de negatieve toon die met betrekking tot dat gegeven in het onderzoek zit daaruit verdwijnen. Wat is een jaar op een mensenleven? Het is positiever het als een winstjaar te zien dan als een verloren jaar. Zo krijgt het een positievere ondertoon.

Kunnen we dat nog op een andere manier te weten komen op basis van wat er uit het onderzoek is gebleken? Of moet daar verder onderzoek rond gebeuren? Als OKAN-lesgevers het zittenblijven dikwijls als een winst ervaren, dan mag de negatieve toon die in het onderzoek rond dat gegeven hangt daaruit verdwijnen. Wat is een jaar op een mensenleven? Misschien is het gewoon een winstjaar in plaats van een zittenblijfjaar. Zo krijgt het een positievere ondertoon.

Minister, u hebt al maatregelen genomen voor de vervolgcoaching. We hebben ervoor gezorgd dat de begeleiding, ondersteuning en opvolging efficiënter kunnen verlopen en dat die meegaan naar de scholengemeenschap waar de kinderen naartoe gaan. U hebt ook de omkadering uitgebreid. Er is in 9,2 miljoen euro extra voorzien voor de vervolgcoaches. Dat is op 1 september 2016 gestart. Hebt u er al zicht op of dit tot betere resultaten heeft geleid? Hoe heeft men dat ingezet? Werd het allemaal flexibel genoeg aangewend, zodat er ook meer winst uit te halen was? Stonden de extra middelen in verhouding met de werklast en het takenpakket van de vervolgcoaches? Daar had het inspectieverslag toen op gewezen, het inspectieverslag waarop deze maatregelen zijn gebaseerd.

Het onderzoek zelf biedt relatief weinig zicht op de schoolloopbanen na OKAN. Dat is toch ook een taak van de vervolgcoaches? We moeten daar op de een of andere manier meer op inzetten. Minister, hoe kunt u daar eventueel aan tegemoetkomen?

Minister, u ging bekijken in welke mate we de drie manieren van financiering anders moeten invullen. De vorige keer zeiden we hoe we dat moeten kleuren en niet kleuren. We willen de flexibiliteit niet verliezen. Hebt u daar al iets mee gedaan? Kunt u daar wat meer duiding over geven? 

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Voorzitter, ik had mijn vragen over het overleg. Ik had nog niet gereageerd op het OKAN-onderzoek.

Minister, u zult mij misschien stout vinden, maar we hadden mondeling afgesproken – informeel en het stond dus niet in het verslag – dat het rapport ons ter beschikking zou worden gesteld. U had beloofd dat wij dat tijdig zouden krijgen, zodat wij dat zouden kunnen bestuderen. Wij hebben daar herhaaldelijk op aangedrongen. Toch werd dat rapport ons niet ter beschikking gesteld. Ik vind dat jammer. Ik begrijp dat u graag uw communicatie in de hand houdt. Maar wij moeten toch ook deftig parlementair werk kunnen verrichten. Daarom is het belangrijk dat wij op voorhand over die documenten beschikken. U kunt die dan voor iedereen op hetzelfde moment vrijgeven. U moet daar niet zoveel schrik voor hebben. Ik vond dat een zeer jammerlijke zaak.

Het is inderdaad een zeer grondig en diepgaand en lijvig onderzoek geworden. Er komen een aantal zaken uit naar voren die we heel serieus moeten nemen. De inspanningen en het engagement op het vlak van OKAN-onderwijs zijn gigantisch. Dat werd meermaals bevestigd, zowel door de onderzoekers als door Vluchtelingenwerk, die diepgaander en kwalitatief onderzoek hebben gedaan en scholen hebben bezocht waar ze met leerkrachten hebben gesproken. De heer Daniëls zei het al: dat zijn half leerkrachten, half moeders. Ze zijn met die jongeren bezig op een zeer betrokken manier. Uit het rapport blijkt niettemin dat de resultaten op het vlak van de schoolcarrière van die jongeren uitblijven. De cijfers tonen aan dat de doorstroom naar een zeer beperkt aantal richtingen gaat. Er is een zeer hoge ongekwalificeerde uitstroom. Er zijn een pak meer zittenblijvers. We zien dat soms in het Programme for International Student Assessment (PISA), met betrekking tot jongeren met een migratieachtergrond of kinderen uit sociaal zwakkere economische milieus. Dit is PISA in het kwadraat en nog veel meer. Als je als vluchteling in ons onderwijs aankomt, zijn je onderwijskansen en je kansen op een succesvolle schoolcarrière heel beperkt.

Dan moeten we toch vragen durven te stellen over de manier waarop de zaken worden georganiseerd.

Minister, u zegt altijd dat we ondertussen al meer hebben geïnvesteerd, dat we voor het eerst met deze regering OKAN-middelen hebben vrijgemaakt voor het kleuteronderwijs – en ik ben daar blij mee –, dat deze Vlaamse Regering extra vervolgcoaches heeft ingezet. Daarmee houdt het rapport geen rekening. Het was afgerond voor de huidige asielcrisis. De Vlaamse Regering heeft inderdaad extra geïnvesteerd in de opvang van vluchtelingen in het onderwijs. In de hoorzitting hebben de onderzoekers dat heel duidelijk erkend. Toch moeten we vragen stellen over de manier waarop OKAN wordt georganiseerd en over de effectiviteit daarvan. Zelfs met de extra middelen moeten we ons afvragen of we meer van hetzelfde blijven doen. Is dit de meest efficiënte manier om een aantal zaken te blijven doen?

Over een aantal knelpunten die naar voren kwamen, had ik het al in mijn vraag. Ze kwamen ook in het overleg met Vluchtelingenwerk naar voren. Maar ze zaten nog veel duidelijker vervat in het OKAN-rapport. Het gaat dan over expertiseopbouw bij leerkrachten. Dat is een heel belangrijk punt, minister. Gaat u nog proberen om tegen het eind van deze legislatuur hier iets aan te doen? Hoe kunnen we die expertiseopbouw bij OKAN-leerkrachten behouden en blijven garanderen?

Het ging ook over de manier waarop het OKAN-onderwijs nu wordt georganiseerd in het secundair onderwijs. We doen dat met een afgebakend OKAN-jaar. Dat is vooral een taalbadjaar. Daarna worden de leerlingen losgelaten in het gewone onderwijs. We zien daar een cesuur: de integratie in het gewone onderwijs verloopt zeer moeizaam. De onderzoekers zeggen dat we zouden moeten proberen te werken in drie fasen: een initieel taalbad, een semi-geïntegreerde fase met deels taalbad en apart onderwijs en deels integratie in de gewone school, en daarna een volledige integratie onder zeer goede begeleiding in het gewone onderwijs. Dat is logisch, want nodig om mee te kunnen in het gewone onderwijs. Met een taalbad kun je woordenschat oppikken en je taal verbeteren, maar het zal niet genoeg zijn om in het aso mee te kunnen en om vakken te kunnen volgen in het gewone onderwijs. Die manier van werken zou anders moeten. De onderzoekers vragen duidelijk wat de overheid en het beleid kunnen doen om op dat vlak een aantal zaken anders aan te pakken.

Ook op welzijn moet worden ingezet – en dat komt ook aan bod in mijn vraag. Ik ga dat dus niet meer herhalen. Dat kwam naar voren uit het gesprek met Vluchtelingenwerk en uit het OKAN-rapport.

Er moet ook zeer sterk worden ingezet – en dat heb ik nog niet vernoemd – op informele taalverwerving: hoe kunnen we ervoor zorgen dat kinderen niet alleen deel uitmaken van de school maar ook van alles rond de school: het verenigingsleven, de sportclubs, enzovoort? Vluchtelingenwerk stelde zeer concreet voor om te werken met buddy’s. Ze hebben daar zeer goede resultaten mee. Minister, is dat iets wat u verder wilt uitbouwen?

Mevrouw Krekels gaf al aan dat ook op het vlak van ouderparticipatie nog wat dingen zouden moeten kunnen worden gedaan. Wat is uw reactie? Welke beleidsaanbevelingen wilt u ter harte nemen? Bent u van plan om deze legislatuur nog rekeningen te houden met een aantal van de beleidsaanbevelingen, die toch wel een aantal structurele vragen bevatten en hervormingen vragen?

Minister, men zei ook dat het nuttig en nodig is om nog wat vervolgonderzoek te doen, onder andere naar de effectiviteit van de vervolgcoaches. Bestaat de intentie om een aantal zaken die door de onderzoekers werden aangegeven verder te onderzoeken?

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik heb zeer boeiende gedachtewisselingen meegemaakt met de mensen van Vluchtelingenwerk en met de onderzoekers hier in de commissie. Op basis van al deze input kwamen in beide voorstellingen vijf belangrijke elementen naar voren. In welke mate wilt u extra aandacht schenken aan die elementen, die belangrijk zijn voor de toekomst?

Een eerste element is dat vanuit de beide invalshoeken wordt gesteld dat inclusief en geïntegreerd werken in ons onderwijs belangrijk is voor deze specifieke doelgroepen. Een tweede element is dat de nodige flexibiliteit aan de dag moet worden gelegd, ook wat OKAN betreft.

We hebben binnen ons leerplichtonderwijs de flexibele trajecten. We moeten vaststellen dat die zeer beperkt worden aangewend om in te spelen op wat leerlingen op bepaalde momenten nodig hebben. Hier blijkt dat voor leerlingen die een andere moedertaal hebben en die vanuit een volledig anderstaligheid in ons onderwijs terechtkomen, de nodige flexibiliteit aan de dag moet kunnen worden gelegd om hen te ondersteunen en dat het kader daar in de toekomst nog meer mogelijkheden voor moet bieden.

Een derde element dat zeer sterk naar voren is gekomen, is dat zowel leerkrachten als CLB’s en de pedagogische begeleidingsdiensten nood hebben aan verdere professionalisering om te weten op welke manier ze moeten inspelen op de noden die deze leerlingen hebben. Ook daar heb ik de vraag op welke manier daar nog beter dan vandaag op kan worden ingespeeld.

Een vierde element is dat het heel belangrijk is, zeker voor de kinderen die op de vlucht zijn, dat we hun ontwikkeling in de breedte bekijken. Vanuit Onderwijs moet worden bekeken hoe de ontwikkeling van deze kinderen kan worden versterkt buiten de schooltijd. Vanuit de school moeten inspanningen worden geleverd om linken te leggen met andere organisaties waar kinderen de kans krijgen om te participeren aan activiteiten in hun vrije tijd omdat dat hun taal en hun inburgering kan versterken. Daar worden vandaag nog kansen onbenut gelaten. Op welke manier zijn er mogelijkheden om dat te versterken?

Een laatste punt is ouderbetrokkenheid. We hebben er al verschillende malen over gespreken hoe belangrijk die is. Zowel uit het onderzoek als uit de gedachtewisseling met de mensen van het vluchtelingenwerk komt tot uiting dat ouderbetrokkenheid nog te weinig een aandachtspunt is vanuit Onderwijs en dat het op een zeer enge manier wordt benaderd, enkel als een uitnodiging om aanwezig te zijn op oudercontacten op school. Dan komt men tot de vaststelling dat de ouders ofwel niet aanwezig zijn, ofwel moeilijk begrijpen waarover het gaat. Zowel vanuit het vluchtelingenwerk als vanuit de onderzoekers is duidelijk gesteld dat ouderbetrokkenheid veel ruimer moet worden benaderd en dat ook andere elementen in kaart moeten worden gebracht en benut om die ouderbetrokkenheid het leren van leerlingen binnen de school versterkt. Ook daar is het nodig om bijkomende initiatieven te nemen zodat vanuit scholen op een andere manier wordt gewerkt in het belang van anderstalige leerlingen.

Dat zijn vijf elementen die als conclusie kunnen worden getrokken en die in de toekomst moeten worden versterkt in het belang van de ontwikkeling van deze leerlingen. Hierbij stel ik gewoon de vraag in welke mate u mogelijkheden ziet om daar vanuit uw beleid mee een ondersteuning aan te bieden.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, er zijn zeer veel vragen die interessant zijn als basis voor onze gedachtewisseling. Ik zeg eerst iets over mijn leerwinst. Ik had het rapport op voorhand gezien en het is ook op voorhand met ons besproken. Ik heb ook een aantal kritische bedenkingen bij het rapport. Die zal ik straks met jullie delen. Mijn grote zorg in dit dossier zit in het feit dat ik het belangrijk vond dat de onderzoekers zelf de primeur zouden krijgen om het rapport aan jullie voor te stellen, want als je dat rapport botweg in je handen krijgt, zou je daar een ongenuanceerd verhaal uit kunnen afleiden. Ik ben geconfronteerd met iets wat ik niet had verwacht, namelijk dat het rapport, ik weet niet hoe, toch in de media geraakt is en dat datgene wat ik wilde vermijden door het rapport niet ter beschikking te stellen, namelijk grote krantenkoppen die zegden dat het allemaal slecht was, toch gebeurd is. Ik vind dat verschrikkelijk spijtig.

Ik had in mijn vorige bevoegdheden de gewoonte om zaken in primeur aan het parlement te geven. Iedereen vond dat heel aangenaam. Ik had gedacht dat het in dit geval ook zo zou gebeuren, maar dat is niet gelukt. Als er nog eens een dergelijk rapport ter beschikking wordt gesteld, kan dat wat mij betreft op voorhand worden bezorgd. Ik heb dat ook gedaan met scholenbouw, als ik me niet vergis. Jullie hebben dat gevraagd, ik heb dat dan gedaan. Ook daar was er geen communicatie gepland, tot ik de avond voor het rapport Scholenbouw verscheen, een journalist aan de lijn kreeg die zei dat hij het volledige rapport had. Hij was een zeer negatief artikel aan het maken, waarna ik me verplicht voelde om te reageren. Ik vind dat spijtig. Ik vind dat je soms de kans moet geven aan het parlement om dingen als eerste te krijgen.

Collega Meuleman, ik zal dat nog eens nakijken. Ik weet dat ik aan u beloofd heb om het rapport Vluchtelingen van onze begeleidingscommissie op voorhand over te maken. Ik heb dat ook gedaan. Maar van dit weet ik het niet. Als ik dat op voorhand aan u beloofd zou hebben, dan is die belofte niet nagekomen. Maar enfin, het stond toch in de krant. Het was geen positief artikel. Er is een reden waarom ik het niet wilde, maar het is toch gebeurd. Maar u hebt vandaag de kans om aan mij vragen te stellen.

Wat jullie waarschijnlijk wel weten, is dat dit rapport niet door mij besteld is. Het is een rapport dat in de vorige legislatuur is besteld door toenmalig minister Pascal Smet. Het is van start gegaan in juli 2014, toen de nieuwe regering net was gevormd. Over de methode, de cartografie enzovoort, heb ik niets te zeggen gehad. Dat lag op voorhand vast. De methodiek was bepaald. Er was wel een opvolgingscommissie die het hele proces heeft gevolgd.

Ik heb heel veel respect voor de onderzoekers die het rapport hebben gemaakt, maar ik heb zelf een paar zorgen rond het rapport. Mijn administratie is hier vorige week geweest om een aantal technische vragen te beantwoorden. Ik heb hun gevraagd om een kritische analyse van het rapport te maken. Zij hebben dat naar mij toe gedaan.

Het allerbelangrijkste voor onze administratie is dat sommige onderzoeksvragen die zijn geformuleerd, door de methode die is toegepast, nauwelijks of niet zijn beantwoord. Ik geef een paar voorbeelden. Er zijn onderzoeksvragen gesteld met betrekking tot de impact van leerling- en schoolkenmerken en de impact van het onthaalonderwijs op de schoolloopbanen van anderstalige nieuwkomers. Die zijn maar heel beperkt beantwoord. Ook de onderzoeksvraag met betrekking tot de succesfactoren en de knelpunten in verband met het profiel van OKAN-leerkrachten en vervolgschoolcoaches en de verschillende rollen die zij opnemen, is maar heel partieel beantwoord. Onze administratie heeft ook vastgesteld dat voor het secundair onderwijs de externe doorstroom na het onthaalonderwijs niet altijd afdoende gevat is omdat men alleen de binnenschoolse bewegingen heeft meegenomen. Dat heeft wel wat impact op de beleidsaanbevelingen.

Er zijn heel veel zaken die ik ondersteun. Kijk maar naar het belang van professionalisering – ik kom daar straks nog op terug – en aan de voldoende psychosociale ondersteuning die er moet zijn. Die vaststellingen zijn niet nieuw. Als ik jullie vragen hoor, worden die ook door jullie gedeeld.

Nog eens, ik heb bijzonder veel respect voor het onderzoek dat is gebeurd, maar ik vind wel dat een aantal van de aanbevelingen wat fors op zichzelf staan, en mijn administratie deelt deze bevinding. Ik geef een voorbeeld. De onderzoekers schuiven in beleidsaanbeveling 3 een volledig nieuw model voor OKAN naar voren in het secundair onderwijs, en daar zijn een aantal andere aanbevelingen aan gekoppeld. Maar die aanbeveling wordt geformuleerd op basis van een beperkte beantwoording van de onderzoeksvragen, ze wordt geformuleerd op basis van analyses die voornamelijk gebaseerd zijn op gegevens van anderstalige nieuwkomers binnen één school. Ze houdt geen rekening met de vaststelling dat het onderzoek nergens aantoont dat het model niet werkt. Het houdt ook geen rekening met het feit dat geen van de actoren die voor dit onderzoek bevraagd zijn, het huidige model fundamenteel in vraag stelt. Men wil verder aan de slag met het huidige model. Dan krijg je plots een rapport dat zegt dat het allemaal moet worden herdacht.

Het rapport geeft heel weinig rekenschap van de haalbaarheid van dat totaal nieuwe model voor de scholen en de overheid. Ik vind in het nieuwe model niet voldoende het met zekerheid te verwachten positieve effect op de schoolloopbanen van de OKAN-leerlingen. Ik maak me dus wel zorgen over het model dat naar voren wordt geschoven. Ik heb daar ook een pak vragen rond die ik beantwoord wil zien.

Voor het basisonderwijs is er een aanbeveling voor een zo geïntegreerd mogelijk model, met een heel kort, hevig trajectaanbod. Ik begrijp dat men zich afvraagt of dat wel oké is. Anderzijds zie je dat onthaal- en klasleerkrachten, directies en leerlingen de enkele uren waarin er een apart aanbod gegeven wordt, positief en zelfs noodzakelijk vinden. Je mag niet onderschatten uit welke traumatische situaties sommige jonge kinderen komen. U hebt de data gezien die worden verwerkt. Dit rapport houdt totaal geen rekening met de laatste vluchtelingencrisis. Ik heb met minister Vandeurzen grondig bekeken hoe de jongeren zijn die hier binnenkomen. Als je dan bekijkt wat de verschillen zijn in capaciteiten en in traumatische beleving van de jongeren, dan kan het zeer nuttig zijn om die jongeren wat apart te plaatsen.

Dit ter inleiding op het hele rapport. Er zitten heel waardevolle zaken in het rapport. U hebt het al gezegd en ook mijn administratie heeft het al gezegd: de context rond OKAN is zowel qua instroom, organisatie als beleid, zeer sterk gewijzigd tegenover het moment van de vraagstelling en de gegevensverzameling van het onderzoek. De verhoogde instroom van vluchtelingen was enorm en blijft ook nu nog aanhouden. Als je vandaag langs de Dienst Vreemdelingenzaken gaat – ik passeer daar vrij frequent – dan is het daar nog altijd druk.

Ik wil ook nog benadrukken – en ik was blij dat ik dat van sommigen onder u vorige week ook heb gehoord – dat de manier waarop onderwijs, zowel de leerlingen maar ook de leerkrachten en de scholen, de besturen maar ook de koepels en het beleid, hebben gereageerd ten aanzien van de recente vluchtelingencrisis, namelijk ogenblikkelijk, met open armen, flexibel en gericht op één doel, namelijk elk kind recht op onderwijs geven, vind ik fantastisch. Ik zal dat blijven herhalen. We moeten kritisch kijken naar de manier waarop alles loopt, maar wat gebeurd is en hoe onderwijs zijn mannetje heeft gestaan in toch wel zeer uitdagende tijden, vind ik een schitterende zaak.

Het is zeer gemakkelijk om over OKAN te spreken, maar het gaat wel om onvermoeibare inzet van honderden leerkrachten, om plaats en tijd die gemaakt is voor bijkomende kinderen. Samen gaat het om een enorme maatschappelijke opdracht. Als ik de vergelijking maak met het schooljaar 2014-2015, spreken we voor het schooljaar 2015-2016 over een stijging met 74 procent OKAN-kinderen in het basisonderwijs en 64 procent OKAN-kinderen in het secundair onderwijs. Alles samen gaat het om een stijging met 3351 leerlingen. Vlaanderen, en in het bijzonder ons onderwijs, heeft laten zien dat we draagkracht en flexibiliteit hebben. Als ik dan een krantenkop zie, ‘OKAN krijgt een dikke onvoldoende’, dan bloedt mijn hart en vind ik dat een bijzonder spijtige zaak. Dat neemt niet weg dat we moeten blijven werken aan het steeds beter organiseren van het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers zodat het nog kwaliteitsvoller en efficiënter wordt.

De aanleiding voor het OKAN-onderzoek was de vaststelling dat men eind vorige legislatuur geen zicht had op de concrete praktijken met betrekking tot het onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers in het leerplichtonderwijs en de betekenis van dit onderwijs voor de verdere schoolloopbaan van de jongeren. De regelgeving was op dat ogenblik al meer dan tien jaar van kracht en men wist eigenlijk niet waar men stond.

De onderzoeksopdracht was drieledig: een analyse van het onthaalonderwijs van anderstalige leerlingen, een analyse van de instrumenten die daarvoor ingezet worden en een beschrijving van de mate waarin de beoogde doelstellingen worden gerealiseerd. De focus lag op de schoolloopbaan van de leerling, het profiel van het onderwijspersoneel dat professioneel met OKAN bezig is en de concrete praktijken. Voor de schoolloopbanen werd gebruikgemaakt van data die betrekking hadden op de periode 2008-2009 getransponeerd tot 2012-2013.

Ik heb u daarnet mijn bemerking gegeven dat niet alle onderzoeksvragen zijn beantwoord. Het is positief dat het onderzoek bevestigt dat er een aantal noden zijn, waar we al een aantal beleidskeuzes in hebben gemaakt.

Ik geef u een paar voorbeelden. We geven 950 euro werkingsmiddelen aan kleuterscholen per anderstalige kleuter om te werken rond taal. Je kunt daar niet vroeg genoeg mee beginnen. We geven de mogelijkheid voor scholen en schoolgemeenschappen om op eender welk moment in het schooljaar met OKAN-onderwijs te starten. Collega Daniëls, u stelde hier de relevante vraag hoe zich dat verhoudt tot de doelen. Als je altijd kunt instromen, hoe moet je dan gaan meten? Er is een investering van 500.000 euro voor traumapsychologen in elke provincie en in Brussel en een investering van 10 miljoen euro om extra cursussen NT2 in te richten voor vluchtelingen. Het is al gezegd, voorzitter, ouderbetrokkenheid is veel meer dan het rapport gaan halen, het betekent ook samen de taal leren, samen leren hoe het onderwijs bij ons georganiseerd is enzovoort.

Hoe pak ik het vervolgtraject aan wat OKANS betreft? Ik heb er heel wat uit geleerd. De aanbevelingen zijn zeer interessant. Een aantal zaken worden niet beantwoord: de moeilijkheden voor scholen om ouders te betrekken, de specifieke noden van 11- en 12-jarigen, de tijd in het basisonderwijs is vaak te kort om de eindtermen te halen. Daar wordt geen antwoord op geformuleerd. Secundaire scholen hebben ook verdere professionaliseringsnoden en expertisedeling en -borging voor OKAN-leerkrachten en volgschoolcoaches. Dat is een antwoord dat ik wel wil geven omdat het voor mij prioritair is.

Dit najaar wil ik van start gaan met een breed traject met alle OKAN-belanghebbenden. We hebben immers heel wat input gekregen. Het is vandaag duidelijk geworden dat we een sterk onthaalonderwijs hebben, dat de verhoogde instroom van de voorbije jaren vlot opgenomen is, maar we zien ook echte noden. We zien die deels in het OKANS-onderzoek en we horen die ook op het terrein. We moeten nu samen vanuit de aanbevelingen die zijn gedaan in het OKANS-onderzoek, kijken wat we daarnaast nog hebben. We hebben zeer interessante informatie van mijn eigen werkgroep Vluchtelingen over de manier waarop het onthaal gebeurd is. De Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) heeft een vraag aan mij gericht om betrokken te mogen worden. De Vlor vraagt ook om de onderzoekers eens te kunnen spreken. Voor mij is dat zeker prima, maar het moet allemaal dit najaar gebeuren, om dan te kijken waar we gericht kunnen bijsturen. Ik zal niet zomaar blind het rapport volgen om bij te sturen om de reden die ik u al heb vermeld, maar ik vind wel dat er een aantal pertinente aandachtspunten zijn. Mijn voorstel is nu om zeker niet het kind, het bestaande systeem, met het badwater weg te gooien, maar integendeel om het gericht te versterken met een aantal zaken die noodzakelijk zijn.

Wat we beleidsmatig zeker al willen doen, is de inhoudelijke versterking van de lerarenopleiding door meer aandacht te hebben voor de context. Hoe leer je Nederlands aan jongeren die het Nederlands niet machtig zijn? Ik denk dat elke leerkracht in Vlaanderen dat zou moeten kennen, want die meertalige context zal zich in de toekomst iets vaker voordoen. ‘Community service learning’, leren door maatschappelijk engagement, heeft een plaats in de hogescholen. Voor de contexten om een tweede taal en meertaligheid te verwerven, hebben we al maatregelen genomen om alles soepeler te maken in het basisonderwijs.

We hebben nog ander OKAN-onderzoek: de Onderwijsspiegel 2016. Onze eigen inspectie heeft zeer interessant materiaal over OKAN-onderzoek. Het is goed dat we dat leggen op het OKANS-onderzoek omdat de inspectie ook wat diversiteit tussen scholen heeft vastgesteld. Collega Krekels zegt terecht dat waar alle middelen worden gebruikt, je betere resultaten ziet. We kunnen daar gebruik van maken om betere expertisedeling te doen. We willen een aantal initiatieven nemen naar professionalisering en nascholing. Er zit heel wat in de pijplijn, maar ik wil samen met jullie tot een aantal optimalisaties komen van het nieuwe systeem. De onderzoekers weten dat ik er niet voor gewonnen ben om alles op de schop te laten gaan.

Ik vond trouwens ook dat Piet Van Avermaet dat op een goede manier geduid heeft in de commissie. Het was zeker ook niet zijn bedoeling… ik denk dat hij eerder ongelukkig was met de manier waarop het onderzoek in de markt is gezet. U zult begrijpen dat dit geen initiatief was van mijzelf.

Laat me starten met de vraag over de problematische afwezigheden in het onthaalonderwijs, over de traumapsychologen en het project van die traumapsychologen. Dat waren vragen van de heer De Meyer en mevrouw Meuleman. De vluchtelingencrisis stelt niet alleen de scholen maar ook de CLB’s voor nieuwe uitdagingen door een verhoogde instroom van anderstalige nieuwkomers. Het tegemoetkomen aan de psychosociale en emotionele noden van jonge vluchtelingen is een kritische succesfactor voor integratie in het regulier onderwijs en de normale schoolloopbaan.

Het structureel aanbieden van psychosociale ondersteuning is een van de aanbevelingen uit het OKANS-onderzoek. Ook uit de presentatie van Vluchtelingenwerk Vlaanderen onthoud ik de expliciete vraag naar een aangepaste psychosociale zorg. Ook zij zijn dus vragende partij. Deze zorg is duidelijk een gedeelde zorg. Het herkennen en aanpakken van deze problematiek is erg belangrijk. We hebben voor het schooljaar 2016-2017 0,5 miljoen euro vrijgemaakt voor zeven traumapsychologen. Die zijn aangeworven, en ze hebben de reguliere werking van de CLB’s versterkt. Ook Solidariteit en Trauma (Solentra) is daarbij betrokken en onze traumapsychologen hebben daar een meerdaagse opleiding gevolgd.

Het project heeft als doel om door middel van de ondersteuning door traumapsychologen de lokale CLB-medewerkers niet alleen te versterken, maar de aanwezige en vergaarde expertise ook te delen en te borgen. Omdat deze traumabegeleiding van cruciaal belang is, heb ik bij de begrotingsopmaak 2018 een fiche ingediend om deze begeleiding met een jaar te verlengen.

We hebben binnen de regering niet afgesproken om dat structureel te organiseren, voor altijd, omdat we eerst de resultaten wilden van wat die zeven mensen gedaan hebben. Het was ook de bedoeling dat ze de bestaande CLB-medewerkers gingen versterken. Ik heb wel een fiche ingediend omdat ik denk dat het nuttig is dat we zeker ook voor volgend schooljaar die traumabegeleiding behouden.

Er zijn zeker nog noden bij de CLB’s. U weet dat wij op dit ogenblik druk aan het werken zijn om onze leerlingenbegeleiding zelf te herzien en de CLB-werking te herbekijken. Expertisedeling en professionalisering, over de onderwijsnetten heen, is voor mij echt wel van belang. We kunnen een hele discussie voeren over de CLB’s, netgebonden, niet netgebonden, omdat we daar op de grens zitten tussen de pedagogische projecten van de scholen en de integrale jeugdhulp waarvoor ze ook het scharnierpunt zijn, maar voor mij staat het als een paal boven water dat de organisatie van een CLB niet uitmaakt, dat men sowieso de expertise moet delen over de grenzen heen. Ook professionalisering moet men delen.

Met hun draaischijffunctie moeten CLB’s kunnen doorverwijzen naar meer gespecialiseerde hulp. Minister Vandeurzen heeft aangekondigd dat hij ettelijke miljoenen extra vrijmaakt in het kader van de jeugdhulp. Dat is ook goed nieuws voor onze CLB’s omdat zij soms vaststellen, als ze doorverwijzen, dat er wachtlijsten zijn. Als minister Vandeurzen investeert in jeugdhulp, heeft dat sowieso een positieve impact op de werking van onze centra voor leerlingenbegeleiding.

Mijnheer De Meyer, ik kan verwijzen naar het cijferrapport van AgODi. Het aantal meldingen van problematische afwezigheid is in het schooljaar 2015-2016 verdubbeld tot 16,2 procent. Dat is aanzienlijk meer dan het cijfer in het gewone voltijds onderwijs, maar het ligt in de lijn van het cijfer van ons deeltijds beroepssecundair onderwijs. Ik zal die cijfers wat toelichten.

In de cijfers van AgODi zitten ook nog leerlingen die nog eventjes ingeschreven zijn in een bepaalde school, terwijl hij of zij alweer naar het buitenland vertrokken is of naar een ander asielcentrum werd overgeplaatst. Er zitten afwezigheden bij die eigenlijk niet zo moesten zijn geregistreerd, maar die er zo in geraken omdat de leerlingen volgens de regels afwezig zijn. Daarnaast moeten we er rekening mee houden dat er vaak vanwege de procedures die lopen, lesmomenten gebruikt worden om voor deze leerlingen alles tijdig in orde te brengen. Dat verloopt een beetje chaotisch in het begin.

Het rapport onthaalonderwijs 2014-2016 van AgODi geeft aan dat diverse oorzaken aan de basis kunnen liggen. Deze oorzaken zijn vaak dezelfde als die bij spijbelaars in het reguliere onderwijs, waarvoor ik het actieplan tegen schooluitval heb opgemaakt. Daarnaast vermoedt AgODi dat er ook oorzaken zijn die explicieter aanwezig zijn bij deze doelgroep, zoals de precaire leefomstandigheden in het geval van vluchtelingen en in het bijzonder de niet-begeleide minderjarigen.

Ook verhuisbewegingen zorgen ervoor dat leerlingen als problematisch afwezig geregistreerd staan, terwijl ze soms effectief al verhuisd zijn. In deze context is het dan ook belangrijk om aan te sturen op een intensieve samenwerking tussen scholen, CLB’s en externe betrokkenen.

Ik heb het al gezegd: als iemand verhuist, moet het dossier mee verhuizen. De scholen moeten kort op de bal kunnen spelen. Dat zou geautomatiseerd moeten worden. Ik heb gezegd dat dat juist is, maar we hadden hier net ook de discussie rond de participatie en de betrokkenheid van de ouders. Ik vind het van belang dat ouders weten hoe belangrijk het is dat al die gegevens mee worden overgedragen. In die zin vind ik het contact tussen ouders en school zeer relevant.

Mevrouw Meuleman, wat de berekening van de lesuren betreft, verwijs ik naar de toelichting die vorige week door mijn administratie, onder andere over de berekening van lesuren, werd gegeven. In de toen uitgereikte powerpointpresentatie ‘Verhoogde instroom van kinderen van vluchtelingen in het onderwijs’ vindt u alle informatie over het systeem. Ik wil het allemaal nog eens herhalen, ik heb hier drie bladzijden vol uitleg daarover, maar ik ga dat nu niet doen. U kunt gerust nog vragen stellen. Ze hebben toch hun best gedaan om dat complexe systeem uit te leggen.

Ik zei het al, scholen kunnen op eender welk moment in het schooljaar met OKAN-onderwijs starten. We hebben dit systeem echt wel geflexibiliseerd. Daarnaast – en ik ben daar echt wel trots op – hebben we sinds 1 september 2016 de middelen voor vervolgschoolcoaching voor de begeleiding, ondersteuning en opvolging van leerlingen die doorstromen van het onthaaljaar voor anderstalige nieuwkomers naar het vervolgonderwijs fors opgetrokken naar circa 9 miljoen euro.

Ook de berekeningswijze is gewijzigd. Elke contactschool van een scholengemeenschap en elke school met OKAN buiten een scholengemeenschap ontving vanaf het schooljaar 2016-2017 0,9 uren-leraar vervolgschoolcoaching per regelmatige leerling in OKAN. Met dit systeem – waar circa 9 miljoen euro in werd geïnvesteerd – is de personeelsomkadering voor vervolgschoolcoaches toegenomen. Op dit ogenblik tellen we 621 vervolgschoolcoaches, in 2014 waren dat er maar 143. Dat is een verviervoudiging, dat is een zeer, zeer goede zaak.

Ik vind deze coaches erg belangrijk. Ik heb de onderwijsinspectie gevraagd om te monitoren wat de activiteiten zijn van deze coaches. Ze moeten natuurlijk wel een meerwaarde vormen voor de carrières van de leerlingen. Ik verwacht de resultaten van deze oefening voor de start van het nieuwe schooljaar. Dat lijkt me zeer nuttig voor de commissie om daarover dan te kunnen spreken.

Naast de specifieke uren-leraar OKAN en de uren-leraar vervolgschoolcoaching genereren OKAN-leerlingen ook de reguliere omkadering, ze tellen met andere woorden gewoon mee bij de leerlingenaantallen voor het berekenen van de omkadering. De reguliere omkadering is vrij aan te wenden. De onderwijsinspectie was wel kritisch ten aanzien van de aanwending van deze reguliere middelen. Volgens hen is er een correlatie – ik durf het nog geen causaal verband te noemen – tussen de aanwending van die uren en de mate waarin scholen erin slagen de ontwikkelingsdoelen na te streven. Als dat er is, lijkt het nuttig om de scholen daarop te attenderen.

Willen we dit systeem herbekijken? Mevrouw Meuleman, ik heb daar deels al op geantwoord. Ik wil zeker gericht versterken en verbeteren, maar niet van nul starten. We hebben al een aantal bijkomende maatregelen getroffen.

Wat de betaalbaarheid betreft, is er voor het basisonderwijs een aanbeveling rond de toekenning van minstens vier aanvullende lestijden vanaf de eerste anderstalige nieuwkomer, die dan meteen worden toegekend voor het volledige schooljaar. Deze maatregel betekent een minimale meerkost van 5,5 miljoen euro. Dit bedrag is per definitie een onderschatting. Het exacte bedrag is immers niet te berekenen, aangezien de anderstalige nieuwkomers in scholen die de drempel van vier anderstalige nieuwkomers niet halen, vandaag niet geregistreerd worden.

Wat het secundair onderwijs betreft, stellen de onderzoekers een drie-fasen-model: een taalbad, beperkt in tijd; een semi-geïntegreerde fase, eveneens beperkt in tijd; en volledige integratie in het reguliere onderwijs.

Ik ben zeker voorstander van een onderwijs dat zo veel mogelijk is afgestemd op de mogelijkheden van de leerling, maar ik maak een aantal kanttekeningen bij dit voorstel. Zo stel ik vast dat het onderzoek niet aantoont dat het huidige model niet zou werken. Dat heb ik net ook al gemeld. Bovendien stelt geen van de voor dit onderzoek bevraagde actoren dit in vraag. Het voorstel houdt – wat mij betreft – ook niet volledig rekening met de haalbaarheid voor scholen, want dat moet dan nog overal op deze manier geïntegreerd geraken.

De onderzoekers redeneren in hun beleidsaanbevelingen alsof OKAN-leerlingen binnen eenzelfde school of scholengemeenschap doorstromen. Dat is echter niet zo. Slechts één derde van de OKAN-leerlingen stroomt door binnen dezelfde school. In het onderzoek werden – ik heb het al gezegd – vooral scholen bevraagd die ook vervolgscholen zijn. Dat is een van de redenen trouwens waarom we de vervolgschoolcoaching veranderd hebben. Vroeger was het zo dat de vervolgschoolcoaching altijd zat waar de OKAN-klas zat. Dat had tot gevolg dat als leerlingen in een bepaalde school de OKAN-lessen gevolgd hadden en dan uitwaaierden naar andere steden, bijvoorbeeld naar Antwerpen, dat ze daar in een school aankwamen waar nul vervolgschoolcoaches waren, terwijl deze wel nog aanwezig waren in de school die de jongeren ondertussen verlaten hadden. Dat hebben we dus aangepakt.

In de praktijk zijn er nu ook al secundaire scholen die experimenteren met meer flexibele trajecten. Deze praktijk bevestigt misschien de aanbeveling uit het OKANS-onderzoek om in meer geïntegreerde leertrajecten te voorzien met het oog op een snellere en meer gefaseerde doorstroom naar het regulier onderwijs. Het lijkt mij goed om deze piste verder te onderzoeken, maar ook rekening te houden met het feit dat twee derde ook elders gaat. De noden op het vlak van flexibilisering wil ik zeker bekijken.

Voor de anderstalige nieuwkomers in het kleuteronderwijs hebben we de voorbije twee jaar bijna 8 miljoen euro vrijgemaakt. Dat zijn toch wel grote bedragen.

Betreffende de opleiding, professionalisering en nascholing is voor mij toch een van de belangrijkste vaststellingen uit het OKANS-onderzoek dat zowel het basis- als het secundair onderwijs, zo voelen wij aan, een bijzonder grote nood heeft aan professionalisering. Dat betekent expertiseopbouw via lerarenopleiding, nascholing, begeleiding, expertisedeling en -borging. Dit is een bevestiging van wat de onderwijsinspectie in haar Onderwijsspiegel 2016 reeds aangaf. Ook Vluchtelingenwerk Vlaanderen vraagt een uitgebreid en aangepast professionaliseringsaanbod.

Scholen beschikken nochtans over veel autonomie en hefbomen om dat professionaliseringsbeleid te voeren. In het referentiekader van de onderwijskwaliteit (ROK) staat concreet beschreven wat dat precies behelst. Uit het OKANS-onderzoek blijkt in ieder geval dat zowel OKAN-leerkrachten als reguliere leerkrachten nood hebben aan zeer concrete en praktische ondersteuning. Daar moeten we echt werk van maken. Ook pedagogische begeleidingsdiensten spelen hier een belangrijke rol.

Sinds mei is het voor leerkrachten bovendien mogelijk om via KlasCement in te tekenen op professionaliseringsactiviteiten. In het najaar gaan we hierover een uitgebreide communicatie doen naar leerkrachten. De verhoging van de middelen vervolgschoolcoaching komt dat zeker ten goede. Wat betreft de lerarenopleidingen werken we ook aan het versterken – ik heb dat al vaak gezegd – van het curriculum. Ik verwijs naar al wat ik daarover al verteld heb.

Het merendeel van de aandachts- en knelpunten, noden en aanbevelingen raken aan of hebben raakpunten met de kernopdrachten van de diverse O(K)AN-actoren. O(K)AN-actoren beperken zich niet tot onderwijspartners alleen zoals leerlingen en ouders. Voor mij zijn ook de andere overheden, de onthaalbureaus en de vrijetijdsorganisaties belangrijke partners. Uiteraard heeft de overheid in de verdere aanpak van de aandachts- en knelpunten, noden en aanbevelingen een belangrijke rol te spelen, maar ik vind het belangrijk om het evenwicht tussen het ‘wat’ en het ‘hoe’ te respecteren.

Ik heb – zoals ik net gezegd heb – aan mijn administratie gevraagd om in het najaar een participatief proces op gang te trekken, en onze gezamenlijke studie- en werkdag is ondertussen vastgelegd op 21 november 2017. Samen met alle O(K)AN-actoren willen we dan reflecteren over de vaststellingen en beleidsaanbevelingen. Als de commissie dat nuttig zou vinden, wil ik kijken of de parlementsleden ook uitgenodigd kunnen worden. Dat stond niet in mijn voorbereiding, maar gelieve mij op de hoogte daarvan te houden.

U had een vraag met betrekking tot de verhuisbewegingen van minderjarige asielzoekers, mevrouw Meuleman. Alle kinderen, ongeacht hun verblijfsstatuut, hebben recht op kwaliteitsvol onderwijs en op gelijke onderwijskansen. Op dat punt verschil ik met u niet van mening. Ik heb daaromtrent in het verleden al uitvoering geantwoord op vragen om uitleg. Bij verhuisbewegingen moet er voldoende aandacht gaan naar de continuïteit van de school- en onderwijsloopbaan. Dat betekent dat de partners goed moeten samenwerken. Elke keer opnieuw beklemtoon ik deze noodzaak tijdens het periodiek overleg ‘vluchtelingen en onderwijs’; u weet dat ik dat zelf in het leven heb geroepen, ik zit dat ook voor, en het vindt plaats op mijn kabinet.

U vraagt mij naar een algemene stand van zaken met betrekking tot de samenwerking met Fedasil. Mevrouw Meuleman, Fedasil is op alle vergaderingen van het overleg een zeer actieve en betrokken partner. Ze zijn er altijd, ze proberen echt zo goed mogelijk te werken. Een van de eerste drempels die Vluchtelingenwerk Vlaanderen aanhaalt om tot maximale kansen te kunnen komen voor een schoolloopbaan die aansluit bij de mogelijkheden en interesses van de leerling, zijn net die verhuisbewegingen en de schoolveranderingen die ermee gepaard gaan. Daarom stond dit thema opnieuw op de agenda van het gecoördineerd overleg ‘vluchtelingen en onderwijs’. Dat vond plaats – ook op mijn kabinet – op 26 juni 2017 met Fedasil, het Rode Kruis, het Agentschap Integratie en Inburgering, de onderwijspartners, mijn administratie en mijn kabinet.

AgODi stelde dit voorjaar de impactanalyse voor. Die brengt verschillende bronnen van verhuisbewegingen in kaart: verhuisbewegingen naar aanleiding van de sluiting van de collectieve opvanginitiatieven, bijvoorbeeld in Lubbeek en Dendermonde; verhuisbewegingen naar aanleiding van transitie, namelijk een doorstroming vanuit collectieve naar lokale opvang; verhuisbewegingen op eigen initiatief van vluchtelingen; verhuisbewegingen naar aanleiding van het beëindigen van de asielprocedure; verhuisbewegingen wegens disciplinaire maatregelen.

In de impactanalyse van AgODi worden vier aanbevelingen geformuleerd: één met betrekking tot de noodzaak van een verbeterde centrale registratie en drie met betrekking tot de nood aan het inbrengen van een onderwijslogica binnen het opvangnetwerk en de nood – ik erken het – aan het inbrengen van een opvanglogica binnen onderwijs. We hebben elkaar leren kennen in het voorbije jaar en we moeten elkaar nu wat logischer leren begrijpen. U hebt de impactanalyse toch allemaal gekregen? Zo niet, laat ik ze u bezorgen.

Bij de impactanalyse kondigde ik een aantal concrete acties aan. Eerst en vooral, ik denk dat ik het hier al heb vermeld, wil ik een structureel overleg in plaats van ad-hocoverleg tussen AgODi en Fedasil. We zijn samengekomen op 8 mei en op 6 juni. Begin juli 2017 is er een nieuw overlegmoment gepland. Ook volgend schooljaar zal dit overleg plaatsvinden. Tijdens deze uitwisselingsmomenten focust het overleg zich op de eerste twee bronnen van de verhuisbewegingen, namelijk de sluiting van de collectieve opvangcentra en transitie van collectieve naar lokale opvang. We gaan dan in op de actuele verschuivingen binnen het opvangnetwerk. Vanuit Onderwijs en Vorming wordt altijd de bezorgdheid geuit om de continuïteit van de onderwijs- en schoolloopbanen maximaal te garanderen. Daarom hebben we nu gezegd dat we het overleg gestructureerd gaan houden, ook als de vluchtelingencrisis wegvalt; we blijven elkaar zien om elkaars logica beter te leren kennen.

Twee, het organiseren van een uitwisselingsmoment. Op 12 mei 2017 organiseerde AgODi samen met Fedasil een uitwisselingsmoment tussen de opvangpartners, de LOP-deskundigen en de onderwijsverstrekkers waarin het thema verhuizen centraal stond. Dat was zeer nuttig en interessant. Alle partners hebben dat als zeer positief onthaald. De vraag werd expliciet gesteld om dergelijke uitwisselingsmomenten in de toekomst te herhalen. We krijgen dan iedereen bij elkaar, we kunnen leren van elkaar, dat was een zeer goed initiatief.

Wat de geplande verhuisbewegingen betreft, blijf ik erop aandringen dat schoolveranderingen zo veel mogelijk tijdens een schoolvakantie gebeuren. Ik gaf deze bezorgdheid voor het eerst al in juni 2016 mee met staatssecretaris Theo Francken. Ook nadien heb ik dit nog meermaals aangekaart. Onze federale partners zijn zich dan ook bewust van deze zorg. Maar ik besef ook dat verhuisbewegingen niet altijd kunnen wachten tot op het einde van het schooljaar. In het geval dat een verhuis tijdens de zomervakantie niet lukt, vraagt AgODi wel aan Fedasil om het moment waarop de effectieve verhuis zal plaatsvinden, zo snel mogelijk te communiceren met de scholen, zodat de verhuis op een geordende wijze kan gebeuren.

In de loop van de zomervakantie van 2017 sluiten de collectieve opvanginitiatieven van Dendermonde en Lubbeek. Voor het COI Dendermonde is nu al duidelijk waar de opgevangen jongeren terecht zullen komen. Voor de jongeren van Lubbeek zal de verhuisbestemming begin augustus bekend zijn. Zodra we weten naar welke school deze leerlingen worden toegeleid, kan worden gewerkt aan de overdracht van informatie. De LOP-deskundigen zullen dit mee opvolgen. Ook tijdens het komende schooljaar zal AgODi alle ontwikkelingen in het opvangnetwerk van nabij opvolgen.

Wil ik werk maken van een leerdossier? De doorstroming van informatie is reeds uitgebreid aan bod gekomen tijdens de commissievergaderingen van 6 oktober 2016, 8 december 2016 en 16 maart 2017. Dat wordt ook door Vluchtelingenwerk Vlaanderen aangehaald in hun presentatie. Zoals ik in de commissievergadering van 8 december 2016 heb gezegd, gaat mijn voorkeur niet uit naar een automatisering van de informatiedoorstroom. Het is voor mij wezenlijk dat informatie tussen de scholen wordt overgedragen met toestemming van de ouders en voogden. Het is een aspect van de betrokkenheid waarop zo hard wordt gehamerd. De overdracht van informatie is bij elke verhuisbeweging een gedeelde verantwoordelijkheid. De scholen, de opvangverantwoordelijken, het CLB en de ouders moeten beseffen dat leerlingen die in een opvangvoorziening verblijven, kunnen verhuizen. Daarom is het belangrijk dat zij vooraf nadenken hoe zij zich kunnen organiseren. Een overdrachtsdossier dat het gezin kan meenemen naar de volgende school, zou al van bij de start kunnen worden voorbereid. Vluchtelingenwerk Vlaanderen vraagt ook naar meer uniformiteit op het vlak van doorstroomdossiers. Ik onderschrijf dat volledig. Dit lijkt mij een element dat in het kader van het participatief proces en op het niveau van het gecoördineerd asieloverleg kan worden opgenomen.

De termijn waarbinnen ouders en school kunnen worden geïnformeerd over de op til zijnde verhuis hangt af van de reden van verhuis. De ervaring leert ons dat het vaak om een korte termijn gaat. Dat heeft me ook verrast. Via diverse kanalen blijf ik actief inzetten op het sensibiliseren rond het belang van een ‘warme overdracht’ bij een verhuis van vluchtelingenkinderen die een schoolverandering tot gevolg heeft.

Tijdens het coördinerend overleg op 15 februari 2017 signaleerden de vertegenwoordigers van het GO! en de onderwijskoepels geen problemen meer met betrekking tot de overdracht van informatie. Dankzij het overleg is er aandacht uitgegaan naar de warme overdrachten, wat goed is.

Over vluchtelingen in het hoger onderwijs zijn er vragen van mevrouw Soens, en van andere volksvertegenwoordigers. Ik vermoed dat u met deze vraag naar trajectbegeleiding in het secundair onderwijs vraagt naar de onderwijsloopbaanbegeleiding zoals die in het secundair onderwijs wordt georganiseerd. Ik zie onderwijsloopbaanbegeleiding als een instrument waar elke leerling in het secundair onderwijs van moet kunnen profiteren. In die zin is ook het VLOR-rapport geredigeerd. Ondanks het feit dat dit rapport advies geeft over de versterking van de onderwijsloopbaanbegeleiding specifiek voor leerlingen die willen doorstromen naar de arbeidsmarkt, kunnen we daar interessante elementen uit halen.

Als overheid kan ik uiteraard wel tools aanreiken – zoals bijvoorbeeld Columbus –, maar heel vaak situeren deze elementen zich vaak op het niveau van het beleidsvoerend vermogen van de school. En zo komen we snel terug op twee belangrijke kernwoorden uit het OKAN-rapport, met name de professionalisering en de expertisedeling, ook ten voordele van een onderwijsloopbaanbegeleiding die ook voor vluchtelingen performant en efficiënt is. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat er al veel goed werk op onze scholen gebeurt. Naast het durven inzetten van flexibele leerwegen die maatwerk kunnen verschaffen waardoor de jongere ademruimte krijgt en successen kan sprokkelen, kan een vervolgschoolcoach nuttig werk verrichten.

De groep van vluchtelingen is een groep leerlingen met specifieke psychosociale en emotionele noden. Hieraan tegemoetkomen is bijgevolg een kritische succesfactor voor hun integratie in het regulier onderwijs en een kwaliteitsvolle schoolloopbaan. Onderwijs kan hier zeker niet alleen aan zet zijn. Samenwerking met andere beleidsdomeinen en partners is absoluut nodig. In dit kader wil ik wijzen naar lopende projecten in het kader van het Europees Asiel-, Migratie- en Integratiefonds (AMIF), die gecofinancierd worden door mijn collega bevoegd voor inburgering en integratie. Deze projecten zijn gericht op de centrale begeleiding van 15- tot 19-jarige anderstalige nieuwkomers. Mijn administratie is daarbij betrokken.

Wil ik meer voorbereidingstrajecten organiseren? Veel instellingen voor hoger onderwijs hebben procedures en nemen maatregelen. Het installeren van voorbereidingstrajecten is daar een onderdeel van. Op 14 maart 2017 heeft de VLOR een advies goedgekeurd over de vluchtelingenproblematiek in het Vlaamse hoger onderwijs. Binnen de VLIR is men begonnen met de uitwerking van een actieplan ten aanzien van de vluchtelingenproblematiek in het Vlaams hoger onderwijs. Dit actieplan zal de verschillende initiatieven die al genomen zijn, bundelen en beter op elkaar afstemmen. Het zal ook actiepunten bevatten voor een verdere ontwikkeling. Ik verwacht dat de VLHORA niet zal achterblijven.

Wat het volwassenenonderwijs betreft, heeft de Vlaamse Regering op 1 februari 2016 geletterdheidsmodules Nederlands en Leren Leren ingevoerd. Alle CVO’s die onderwijsbevoegdheid hebben, kunnen deze geletterdheidsmodules organiseren. De verspreiding van tijdige, correcte en duidelijke informatie is een element van het VLIR-actieplan. Ik kan ook verwijzen naar het Europese project Guidance and Orientation for Adult Learners (GOAL) waar mijn departement sinds 2015 trekker van is. Dit project focust onder andere op de uitbouw en de optimalisering van lokale en nationale netwerken om deze doelgroep te bereiken en te ondersteunen. In de samenwerkingsverbanden van de Stap en de leerwinkel – dit zijn de lokale partners van GOAL – is er een sterke focus op anderstaligen en laaggeschoolde volwassenen met een migratieachtergrond. De internationale evaluatie van dit Europese GOAL-project zal volgend schooljaar worden afgerond op basis van zes landenevaluaties. Dan zullen zowel de Vlaamse als internationale evaluatieresultaten worden voorgesteld.

Wat de afhandelings- en doorlooptijden van NARIC-Vlaanderen betreft, geef ik de secretaris wat cijfertabellen mee. NARIC blijft onder druk staan en de vooropgestelde afhandelingstermijnen worden vaak niet gehaald. Uit de cijfers blijkt ook dat de afhandelings- en doorlooptijden voor de dossiers in 2016 in vergelijking met 2015 lager lagen en de dossiers bijna altijd binnen de vooropgestelde afhandelingstermijn werden afgehandeld. Door de Vlaamse Regering werd in de begroting van 2016 in een extra budget voor NARIC-Vlaanderen voorzien ten bedrage van 200.000 euro. Deze middelen werden ingezet om tijdelijk twee extra personeelsleden aan te werven voor de dossierbehandeling. NARIC-Vlaanderen heeft in 2016 dan ook met succes ingezet op de doorlooptijd van dossiers ingediend door vluchtelingen. Gezien de piek van de asielcrisis voorbij is, werden deze middelen voor 2017 niet meer voorzien. Ik moet echter vaststellen dat het aantal aanvragen voor de gelijkwaardigheid van buitenlandse diploma’s in de eerste helft van 2017 in vergelijking met de eerste helft van 2016 is gestegen. Dit zal wellicht een ‘uitgesteld effect’ zijn. De piek van de asielcrisis is inderdaad voorbij, maar de aanvraag om het diploma gelijkwaardig te verklaren, is nog niet voorbij. Het zou kunnen dat we alsnog moeten ingrijpen, zeker wanneer die mensen op het punt staan werk te vinden.

Collega’s, ik eindig met de vaststelling dat in het kader van het beleid rond onthaalonderwijs voor anderstalige nieuwkomers de laatste twee jaren een pak maatregelen zijn doorgevoerd. We proberen alles nog wat performanter te maken, en in dat verband heb ik u het vervolgtraject duidelijk geschetst.

Jos De Meyer (CD&V)

Na het uitzonderlijk uitvoerig antwoord kan ik erg kort zijn. Ik wil toch nog iets zeggen over het onderzoeksrapport, over het antwoord op mijn specifieke vraag en ook nog de algemene bespreking. Ik waardeer het dat u de primeur over het onderzoeksrapport aan het Vlaams Parlement geeft. Dat vereist wel dat velen de nodige discipline opbrengen: ik heb het niet graag dat ik ’s ochtends, voor ik naar de commissie kom, al commentaren in de kranten zie staan. Dat kan niet, al besef ik dat dit niet de verantwoordelijkheid van u alleen is.

Wat betreft uw antwoord op mijn vraag noteer ik dat wat u zei over de traumapsychologen in het onderwijs, geruststellend is. De afwezigheden moeten in de juiste context worden gelezen. Wat de algemene bespreking betreft, sluit ik me graag aan bij de milde en terechte appreciatie van de minister over de inzet op alle niveaus voor het onthaalonderwijs. Het is goed dat dit in deze commissie aan bod is gekomen.

Ik ben blij dat de traumabegeleiding wordt voortgezet. Wat de verhuisbewegingen betreft, zou toch harder op tafel moeten worden geklopt. U zegt dat de samenwerking met Fedasil zeer goed is en ook u er alles aan wilt doen. Vluchtelingenwerk heeft een actie gevoerd, onder de slogan ‘Mensen zijn geen conserven’, want in de vakantie zijn veel kleine opvanginitiatieven gesloten moeten worden. Kinderen werden verplicht te verhuizen. Uw partij zetelt in de Federale Regering: u kunt daar toch op tafel kloppen? Er moet meer gebeuren dan zeggen dat het niet kan. Ik ben ervan overtuigd dat u al inspanningen deed op het vlak van informatiedoorstroming. Maar als ik in mijn omgeving eens rondkijk, dan stel ik vast dat een aantal kinderen uit een school zijn verdwenen, maar niemand weet waar ze nu zijn. Dat kan toch niet?

Minister, ik begrijp uw reserves en uw framing van dat onderzoeksrapport niet zo goed. De onderzoekers hebben immers herhaaldelijk gezegd dat er ontzettend veel inspanningen worden gedaan, dat de Vlaamse Regering extra inspanningen heeft gedaan enzovoort. Ze vragen ook geen complete omkering van het huidige systeem. Het is niet zo dat alles overhoop moet worden gegooid en veranderd omdat er niets goed zou zijn. Ze geven toch echt wel duidelijk een aantal pijnpunten aan, en die lijken me allemaal stuk voor stuk terecht. Een ervan is de overgang. Kinderen zitten een jaar in de geborgenheid van een OKAN-klas. Dat is goed. Ze kunnen daar een beetje op adem komen. Dan komt echter de grote breuk, na die OKAN-klas, en eigenlijk moet men ervoor zorgen dat dat veel geleidelijker gaat. Enerzijds is dat voor hun welzijn, voor het zich goed voelen, anderzijds is men in die OKAN-klas een heel jaar lang vooral of alleen maar bezig met taal en zou er eigenlijk al vroeger naar andere vakken moeten worden gekeken. Men zou sneller de beide moeten doen om ervoor te zorgen dat die schoolcarrière sneller verloopt. Dat zijn dus al twee heel terechte knelpunten.

Het derde terechte knelpunt is die opbouw en het borgen van die expertise bij leerkrachten. Daar moet naar worden gekeken. Dat is heel belangrijk. U hebt aangegeven dat u dat wilt doen. Een aantal zaken in uw antwoord stellen me echt wel gerust.

Dan is er de effectiviteit van de vervolgcoaches: hoe kunnen we die zo effectief mogelijk inzetten? U hebt daar immers een serieuze investering in gedaan. Laten we er dan ook voor zorgen dat die maximaal rendeert. U hebt gezegd dat u daarover bij het begin van volgend schooljaar met een rapport komt. Oké, we zullen dat dus afwachten.

Ik meen echter dat men een aantal van de beleidsaanbevelingen echt wel ter harte kan nemen, zonder alles overhoop te gooien omdat niets zou deugen op het vlak van OKAN. Dat wordt niet gevraagd. Dat lijkt me echt niet de teneur te zijn geweest van die onderzoekers.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Ik wil eerst nog even reageren op de opmerking van collega De Meulemeester. Ik heb niet gezegd dat taal niet belangrijk is, maar wel dat alleen maar focussen op taal, zonder dat er ook andere capaciteiten en andere competenties worden ontwikkeld, natuurlijk niet zorgt voor een goede toeleiding naar het hoger onderwijs. Taal is natuurlijk één ding, maar een jongere heeft natuurlijk veel meer nodig om in het hoger onderwijs te beginnen dan enkel taal.

Minister, u heb niet geantwoord op mijn vraag of u bereid zou zijn om een centraal punt per regio te organiseren waar de nodige expertise aanwezig is om jongeren te informeren en te begeleiden om verdere stappen in te zetten in het onderwijs. Dat is eigenlijk een specifieke vraag van Vluchtelingenwerk Vlaanderen. Ik wil die vraag steunen. Dat lijkt me absoluut een goed punt te zijn.

U zegt tot slot dat NARIC onder druk blijft staan. Ik ben natuurlijk benieuwd naar de tabellen. U zegt dat in 2016 de behandelingstermijn korter was. Er zijn dan ook twee extra personeelsleden bij gekomen om die termijn korter te maken. In die middelen is in 2017 niet meer voorzien. U zegt ook dat de aanvragen in 2017 opnieuw zijn gestegen. Ik heb daarvoor gewaarschuwd bij de bespreking van de begroting voor 2017. Die middelen worden teruggeschroefd, terwijl we weten dat de aanvragen om de diploma’s te erkennen later zouden komen, dat die nu pas komen. Ik zou u dus toch willen vragen om daar voor 2018 zeker oog voor te hebben, om opnieuw in die middelen te voorzien, zodat die doorlooptermijn toch opnieuw korter wordt.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, ik ben blij dat u ook zegt dat het onderzoeksrapport zijn beperkingen heeft, in die zin dat er natuurlijk plotseling een vluchtelingenklik is gekomen, dat dat het beeld vertekent. Ook hoeven we OKAN zoals we dat vandaag kennen, niet helemaal overboord te gooien. Dat zou immers geen goede zaak zijn, vooral voor die leerlingen die, als dat zou gebeuren, dan in het nieuwe terechtkomen. Dan moet alles worden heruitgevonden. Dat lijkt me absoluut geen goede zaak te zijn.

Wat de opvolging van die leerlingen betreft, dat vind ik wel een belangrijk punt. Daarmee bedoel ik: wat doen we het jaar nadien met iemand die in april binnenkomt in een OKAN-klas? Ik denk ook dat we eens moeten bekijken of die ontwikkelingsdoelen in OKAN zo zijn geformuleerd dat we die leerlingen maximale kansen geven om aan te sluiten in de klas in het jaar dat op OKAN volgt, of we daar misschien moeten bijsturen zodat meer leerlingen uit OKAN vlot kunnen aansluiten.

Mevrouw Soens, wat die taal betreft, ik vind dat wel sterk. Ik heb het al regelmatig gezegd en ik ga het nog eens zeggen: Nederlands leren, dat wil niet zeggen dat men in een klas zit en daar Lijmen/Het been van Elsschot vanbuiten moet leren en opzeggen, of dat men Guido Gezelle vanbuiten moet opdreunen. Uiteráárd is dat met inhoud, uiteraard is dat Nederlands leren in de context. Uiteraard gaat dat over het functionele, en ook over schooltaalwoorden, om überhaupt een kans te hebben. Dat is waarover het gaat bij die taalbaden, maar als men dat natuurlijk zo karikaturaal blijft afschilderen, dan moet het ons ook niet verbazen dat scholen daar wat raar naar kijken en zich afvragen of ze dat wel zouden doen. Zo is het natuurlijk niet.

Minister, het is een goede toevoeging die u in het begin hebt gedaan. Ik had er niet bij stilgestaan, maar het is waar. Het design van het onderzoek is inderdaad van vorige legislatuur, op het conto van minister Smet. Mijn opmerkingen over cartografie en geen efficiëntie moet ik dus eigenlijk tot iemand anders richten, en niet aan uw adres.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het is geen kritiek. Ik zal daar misschien mee starten. De ochtend toen het artikel in De Standaard stond, hebben we een schrijnende brief gekregen van een zeer trotse groep OKAN-coaches van het Vrij Technisch Instituut Aalst. Ze hebben heel hun werking uit de doeken gedaan. Ze voelden zich behoorlijk in hun kruis getast over de manier waarop ze werden voorgesteld. Ik vind dat erg jammer. Mevrouw Meuleman, u zei daarnet dat die onderzoekers dat hebben genuanceerd. Dat is juist. Dat was een zeer goede voorstelling. Dat was ook de reden waarom ik het zo belangrijk vond dat zij dat konden doen. Tot ’s avonds moest ik qua toon horen dat het een dikke onvoldoende kreeg, dat het allemaal niet goed was. Ik vind dat zo erg, als je ziet hoe Onderwijs met de vluchtelingencrisis is omgegaan. Ik vind dat andere beleidsdomeinen daar ook iets van kunnen leren. Kijk naar hoe we leerkrachten hebben gevonden die eens een jaar OKAN wilden doen. Vroeger zat die OKAN-expertise ook bij een paar scholen in Vlaanderen. Plots moesten overal scholen dat leren, maar die expertisedeling is daardoor ook een pak gemakkelijker geworden. Er is dus zo veel gebeurd, en dan krijg je zo’n negatieve intro. Dat vond ik wel spijtig.

Die vervolgcoaches uit Aalst zeggen me dat ze zich graag zien als een verbinding tussen OKAN enerzijds – het OKAN-team, de leerlingen, de ouders, de voogden, de begeleiders – en alle belangrijke partners in de opvang en begeleiding van ex-OKAN-leerlingen, dus de vervolgscholen, de OCMW’s, de CLB’s, de stad, het lokaal overlegplatform, het Agentschap Integratie en Inburgering en zovele anderen. Mevrouw Soens, daarmee probeer ik ook op uw vraag te antwoorden. Zij zeggen dat zij eigenlijk die verbindingsfunctie kunnen vervullen. Als we zo’n punt zouden maken, dan zou dat opnieuw iets extra’s zijn, terwijl die coaches dat zelf kunnen doen. Dat is eigenlijk ook hun rol, ervoor zorgen dat die doorstroming wat beter kan. Ik denk dus dat we dat eens moeten bekijken. Ik ben dus nogal geneigd om positief op uw vraag te antwoorden. Ik vind dat een goed idee, maar de vraag is of we alweer iets nieuws moeten maken, of dat bijvoorbeeld niet kan worden gedaan door de vervolgschoolcoaches. Daarvoor kunnen de mensen uit Aalst misschien ook als model dienen.

Mevrouw Soens, wat NARIC betreft, het kan zijn dat u dat hebt gezegd. Ik zou dat niet durven te betwisten. Als daar meer middelen nodig zijn, dan is het evident dat we dat gaan doen. Ik heb ook al gezegd dat ik bereid ben om die procedure te herbekijken. We dachten eerst te werken met een erkenning qua niveau, dus zeggen dat het een bachelor of een master is, zonder al te zeggen waarmee dat precies gelijkwaardig is. Sommigen zeggen echter dat dat dan ook weer problemen schept, dat het beter is dat we dat grondig en in één keer doen. Ter zake zullen we in de komende periode dus nog een en ander moeten trancheren.

Mijnheer Daniëls, mevrouw Soens, dan is er de taal. Hoe meer ik actief ben in Onderwijs, hoe meer ik ook toch het belang wel zie van die harde focus op taal. Als je de taal onvoldoende spreekt, dan kun je je gewoon niet integreren in de samenleving. Mevrouw Soens, ik heb het echter ook niet zo begrepen dat u dat onnuttig vindt. Er zijn natuurlijk ook andere zaken. OKAN is niet alleen taal. OKAN is ook: hoe functioneer ik in de samenleving? Die focus op taal moet er echter wel zijn, en dat is ook waarom ik het zo belangrijk vind dat we snel die basisgeletterdheid ook in dat secundair onderwijs inschuiven. Ik zeg dat nog eens. Ik heb het gisteren ook in het parlement gezegd.

Ik stel immers vast dat men soms zegt niet meer te hard te zullen werken aan die basis, terwijl we vaststellen dat er nog heel veel jongeren zijn die die basis nodig hebben. Kijk naar de PISA-resultaten: een op de vijf haalt het basisniveau niet dat je als 15-jarige moet halen.

Mevrouw Meuleman, u hebt een aantal pertinente opmerkingen gemaakt, maar we moeten ter zake een gulden middenweg proberen te vinden. Sommige contracten met centra voor collectieve opvang waren jaarcontracten, van jaar op jaar. Als ik zeg dat we de onderwijslogica ook een beetje moeten binnenbrengen in het netwerk dat de opvang organiseert, dan heeft dat ook daarmee te maken. Je kunt perfect een contract maken dat eindigt met een schooljaar. Au fond vind ik echter dat kinderen niet thuishoren in een centrum voor collectieve opvang. Ik ben er een groot voorstander van om te proberen gezinnen met kinderen zo snel mogelijk naar een kleinschalig initiatief te laten gaan. Als ik dan moet kiezen tussen mensen tot het einde van het schooljaar laten zitten in de collectieve opvang of sneller kunnen switchen naar een LOI, dan zou ik persoonlijk ook wel kiezen voor het tweede, omdat een LOI maakt dat mensen kunnen integreren.

Kan het beter? Zeker. Er zijn echter zeker ook al dingen aangepast. Het is goed dat mensen van uw partij misschien ook federaal voldoende druk blijven zetten. Onderwijs kan het niet alleen oplossen. We kunnen wel proberen om begrip te vragen. Dat begrip is er ook. Op een bepaald moment is er een centrum voor collectieve opvang gesloten, waren de mensen wat verspreid en heeft men voor vervoer gezorgd zodat jongeren naar de oude school konden blijven gaan. Men heeft geprobeerd om dat zo goed mogelijk op te vangen, met de omstandigheden die er waren. Mocht er echter nog eens een crisis komen, dan is het van belang dat we lessen hebben getrokken en dat men daar ook bij de organisatie federaal rekening mee houdt. Ik heb toch wel het gevoel, gelet op het feit dat er een zeer actieve aanwezigheid was op alle vergaderingen die er zijn geweest, dat men echt wel bereid is om dat te doen.

Laat nu het door mij geschetste vervolgtraject door velen worden besproken. Het OKAN-rapport is een van de rapporten. Laten we proberen het tegen het einde van het jaar allemaal eens te worden over een aantal verbeteringen.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, ik had nog enkele kleine vraagjes. Ik had het even over dat zittenblijven gehad. Ik denk dat daar niet verder op is ingegaan. Als men de schoolloopbanen beter gaat opvolgen, dan zou ik willen vragen dat ook dat aspect zou worden meegenomen, dat wordt bekeken of dat ene jaar dat men dan zogezegd even verliest, dan toch wel voldoende winst oplevert op termijn.

Er is ook met de onderzoekers van gedachten gewisseld over het feit dat OKAN-leerkrachten vaak niet zeker zijn of ze het volgende schooljaar nog kunnen doorgaan. Soms is er onvoldoende continuering of kan er onvoldoende continuering worden gegarandeerd, zodat opgebouwde expertise ook wat verloren dreigt te gaan. We hebben het dan bijvoorbeeld even gehad over de vraag of we een statuut of iets dergelijks voor die leerkrachten moeten creëren. Wat is uw standpunt daarover?

Minister Hilde Crevits

Vroeger zat de OKAN-expertise op een paar plaatsen. Ik denk dat het in Wingene is dat er een opvangcentrum is voor vluchtelingen. De scholen daar vinden dat heel normaal. Die hebben een permanente OKAN-expertise, omdat dat een blijvend centrum is. Wat hebben we nu geleerd? Dat er op heel veel plaatsen eerste expertise is ontstaan. Die mensen vormen wel een netwerk. Ik heb dat ook gezegd. Voor mij is het van belang dat dat netwerk kan blijven bestaan, want sowieso zal OKAN worden afgebouwd. Ze zullen dat op andere momenten kunnen inzetten. Ik denk dat het kunnen versterken van die netwerken nu het belangrijkste is, maar het is een aandachtspunt dat u terecht aanhaalt.

De voorzitter

De vragen om uitleg en de gedachtewisseling zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.