U bent hier

Commissievergadering

donderdag 15 juni 2017, 14.29u

Voorzitter
van Elisabeth Meuleman aan minister Hilde Crevits
2388 (2016-2017)
De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

De databanken van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming bevatten geen informatie over de herkomst van het onderwijspersoneel, enkel over hun nationaliteit. Het is dan ook niet mogelijk om aantallen te geven van autochtone Belgen versus Belgen van buitenlandse herkomst. In het kader van het project Procrustes, een samenwerking tussen de KU Leuven, de Universiteit Gent en de Vrije Universiteit Brussel, gefinancierd door het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT), zijn we nu wel in staat om na een representatieve bevraging een beter zicht te krijgen op het aandeel leerkrachten met buitenlandse origine. Tot hiertoe moesten we het stellen met minder valabel materiaal verzameld door het Minderhedenforum in 2007.

Volgens deze nieuwe cijfers blijkt slechts 5 procent van de Vlaamse leerkrachten een grootmoeder te hebben die geboren is in het buitenland. Bij de leerlingen bedraagt dit aandeel bijna een kwart. Bij de leerkrachten gaat het in grote mate om wortels in West-Europese landen, voornamelijk onze buurlanden Nederland, Frankrijk en Duitsland. Leerkrachten met een grootmoeder geboren in Turkije, Marokko of Oost-Europese landen, zijn nog sterker ondervertegenwoordigd.

Ruim veertien jaar na het decreet Evenredige Arbeidsmarktdeelname moet er dringend werk worden gemaakt van een uitvoeringsbesluit. Diversiteit in de onderwijsberoepen moet hoger op de agenda. Voor het Vlaamse onderwijs is personeel uit diverse minderheidsgroepen broodnodig, niet alleen omdat overheden mee de verantwoordelijkheid moeten opnemen om tewerkstelling te bieden voor ondervertegenwoordigde groepen, maar ook vanwege het lerarentekort en omdat een weinig divers samengesteld lerarenkorps voor de leerlingen en de ruime gemeenschap rond de school, een impliciete boodschap uitstuurt. Dit is een element van het zogenaamde ‘hidden curriculum’ van een school, dat vaak krachtiger is dan het formele, expliciete curriculum. Bovendien biedt een divers korps meer rolmodellen aan wie leerlingen zich kunnen spiegelen.

Minister, wilt u zelf werk maken van het bijhouden van cijfers? Welke maatregelen wilt u nemen om jongeren met een migratieachtergrond te doen kiezen voor een carrière in het onderwijs? Wanneer zult u werk maken van een uitvoeringsbesluit evenredige arbeidsmarktdeelname?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Meuleman, u haalt een interessant thema aan. Als u het hebt over evenredige arbeidsdeelname, wil ik toch wel zeggen dat de keuze om leraar te worden in eerste instantie een individuele keuze van een leerling is. Ik kan moeilijk jongeren dwingen de keuze te maken om leerkracht te worden. Dat neemt niet weg dat het optrekken van de cijfers inzake diversiteit, als je een keuze maakt voor het lerarenberoep, voor mij een zeer oprechte uitdaging is.

In het Horizontale Integratiebeleidsplan Vlaanderen (2016-2019) staat als doelstelling dat tegen 2017 permanent en systematisch gegevens worden verzameld met het oog op het monitoren van de herkomstkloof in alle relevante domeinen. De Commissie Integratiebeleid heeft hiervoor een werkgroep opgericht die per beleidsdomein onderzoekt in welke mate het mogelijk en wenselijk is om te monitoren naar buitenlandse herkomst.

Samen met de beleidsraad onderwijs deel ik een aantal principiële bezorgdheden met betrekking tot registratie en monitoring van dergelijke gegevens. Natuurlijk weet iedereen dat het lerarenkorps vandaag geen afspiegeling is van de samenleving. Ik heb daar trouwens zelf al een boompje over opgezet, ook in de media. We moeten dus inzetten op een meer diverse instroom.

Wat betreft de registratie van studenten uit kansengroepen – collega Soens heeft daar een beetje als inspiratie gediend – zetten we op dit ogenblik samen met de Vlaamse Interuniversitaire Raad (VLIR) en de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) cruciale stappen. De VLIR en de VLHORA hebben een gezamenlijk charter over de registratie van kansengroepen uitgewerkt, alsook richtlijnen om de bepalingen van dit charter te operationaliseren. In het charter leggen ze vast welke studentenkenmerken elke hogeronderwijsinstelling minimaal en op een eenvormige manier zal registreren. We zijn gezamenlijk aan het bekijken op welke manier we deze gegevens kunnen registreren in de databank hoger onderwijs. Dit laatste is een werk dat nog moet gebeuren, maar dat iets meer tijd in beslag neemt, omdat we in het kader van de privacywetgeving voor registratie van bepaalde categorieën en voor het koppelen van de databank hoger onderwijs aan andere categorieën, een machtiging moeten vragen. De aanvraag moet worden ingediend bij de Vlaamse Toezichtcommissie. We verwachten, als we de hele procedure doorlopen hebben, dat de start van de effectieve registratie niet dit maar volgend academiejaar zal zijn.

Dan moeten we natuurlijk nog kijken wie die kansengroepen die we registreren, zijn, en hoe we dan de herkomstkloof registreren. Betekent dat dat iedereen verplicht wordt om melding te maken van de nationaliteit van de ouders of de grootouders? Als het gaat over de registratie van kansengroepen, zijn we er altijd van uitgegaan dat iedereen vrij is om zich te laten registreren. U kent de discussie over de mensen met een beperking: je kunt je laten registreren, maar je kunt ook beslissen om je niet te laten registreren. Ik wil dat liefst zo houden om niet iedereen te gaan labelen. Ik vind wel dat als je je laat registreren, je daar ook de voordelen van moet hebben. Dat betekent dat als er bepaalde gevolgen verbonden zijn aan die registratie, je die dan ook voluit moet krijgen.

Veel nuttiger voor mij is de vraag hoe we jongeren met een migratieachtergrond kunnen laten kiezen voor een carrière in het onderwijs. Diversiteit in het lerarenberoep start voor mij bij de studiekeuze na het secundair onderwijs en het traject dat gevolgd wordt in het secundair onderwijs. Binnen deze legislatuur zetten we in op de begeleiding bij het maken van een studiekeuze. Sinds vorig jaar is er de oriënteringsproef Columbus. Die is bedoeld om studenten beter te oriënteren naar het hoger onderwijs. Aansluitend is er de verplichte niet-bindende toelatingsproef met remediëringstrajecten. De beide instrumenten kunnen potentiële studenten helpen in het maken van hun studiekeuze. Dat kan ook positief zijn om met meer overtuiging en inzicht ervoor te kiezen om leraar te zijn.

Een andere maatregel is de subsidie van tutoringprojecten. We trekken nu jaarlijks 115.000 euro uit, maar u weet dat ik deze middelen volgend jaar wil verdubbelen. Ze hebben als doel studenten uit het hoger onderwijs op een gestructureerde manier te laten optreden als begeleider en rolmodel, met de bedoeling om leerlingen basis- en secundair onderwijs te ondersteunen bij het leer- en keuzeproces.

Daarnaast zijn er nog de investeringen in het sociaal beleid van de instellingen voor hoger onderwijs ten bedrage van 47 miljoen euro.

Er is zeker nog werk aan de winkel. Enige tijd geleden heb ik de Karel de Grote Hogeschool bezocht. Ik heb gevraagd me te tonen hoeveel studenten een migratieachtergrond hebben. Uit de cijfers die me zijn bezorgd, blijkt dat de studenten met een migratieachtergrond systematisch kiezen voor bepaalde studierichtingen, maar niet voor het onderwijs. Studierichtingen als informatica zijn enorm populair. Dat zijn de keuzes die jongeren maken. We zitten met een dubbel probleem in het hoger onderwijs. De deelname moet verhogen, maar we moeten de jongeren ook zo ver krijgen dat ze voor een lerarenopleiding kiezen.

Wat het uitvoeringsbesluit en de evenredige arbeidsdeelname betreft, verwijs ik naar het antwoord op schriftelijke vraag 284: “Het decreet houdende de evenredige participatie werd in 2007 aangepast, specifiek ten behoeve van het vrij onderwijs. In het decreet van 2002 viel onderwijs zonder meer onder de toepassing van dit decreet. Toch gingen stemmen op dat dit veel te ongenuanceerd was, vermits de vrije onderwijsinstellingen identiteitsgebonden ondernemingen zijn die wel een onderscheid mogen maken als werkgever op bepaalde gronden, zoals levensbeschouwing. Tegelijk zijn ook initiatieven genomen, onder meer in het kader van cao 7, die gericht zijn op het bereiken van dezelfde doelstellingen als deze die het decreet nastreeft. Er wordt bijvoorbeeld ingezet op maatregelen ten aanzien van personeelsleden die getroffen zijn door ziekte. Er is toen beslist niet de weg te kiezen van een uitvoeringsbesluit bij het decreet van 8 mei 2002.”

Wat de levensbeschouwelijke keuze betreft, heb ik ondertussen gemerkt dat er ondertussen ook binnen het levensbeschouwelijk onderwijs en het katholiek onderwijs heel wat tewerkstellingsmogelijkheden zijn voor mensen die een andere levensbeschouwing uitdragen. De barrières zouden daar moeten zijn weggewerkt.

Het blijft echter een enorme uitdaging jongeren en dan zeker jongeren met een migratieachtergrond voor het lerarenberoep te laten kiezen. Sommige mensen vinden het niet nodig dat leerkrachten een spiegel van de samenleving vormen, maar ik ben ervan overtuigd dat leerkrachten een niet te onderschatten factor kunnen zijn. Als rolmodel voor jongeren in onze secundaire scholen kunnen ze de integratie bevorderen en hun welbevinden mee vergroten.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, ik ben blij dat u hebt bevestigd dat u het belangrijk vindt dat het onderwijs een spiegel van de samenleving is. We moeten die rolmodellen voor de klas krijgen. In mijn vraagstelling heb ik de reden al aangehaald waarom dit interessant is. Dit zou een aantal impliciete vooroordelen wegwerken die er in het onderwijs kunnen zijn. We kunnen die wegwerken door ook mensen met een migratieachtergrond voor de klas te krijgen.

Het lijkt me belangrijk echt te durven meten. We moeten af van de taboes die in het debat al vaak aan bod zijn gekomen en die in mijn ogen vaak als een excuus gelden. We moeten dit bijhouden en meten. Indien we meten, kunnen we ons verwijderen van emoties en kunnen we het debat evidencebased voeren. Ik weet dat u er op alle vlakken een groot voorstander van bent alles cijfermatig in kaart te brengen en het beleid daarop af te stemmen. Dit is een goed vertrekpunt. Indien we dit niet doen, vertrekken we van indrukken of van bepaalde emoties die mensen hebben ten aanzien van bepaalde zaken. Ik dring er dan ook op aan hier werk van te maken.

De gelijkwaardige arbeidsdeelname blijft een spijtige zaak. Het katholiek onderwijs heeft verklaard een aantal engagementen te willen aangaan. Die engagementen zijn voor het katholiek onderwijs niet evident. Het katholiek onderwijs wil inspanningen leveren met betrekking tot het doopcertificaat, de levensbeschouwelijke tekens en dergelijke.

De dialoogschool stelt voorop dat het de bedoeling is in dialoog te treden. Het is dan ook belangrijk na te gaan of het bij woorden blijft of dat er ook vooruitgang wordt geboekt. Er zijn symbolisch belangrijke uitspraken gedaan. We moeten er echter voor zorgen dat er ook verandering op het terrein komt. Ik zou dat graag weten en monitoren. Indien dit niet gebeurt, blijft het enigszins gratuit. De overheid kan beslissen dat het katholiek onderwijs niet onder het decreet valt, maar dat er toch inspanningen worden verwacht. Dit geldt voor iedereen. Dat is een punt dat we netoverschrijdend naar voren willen schuiven. Er moeten nog inspanningen worden geleverd. Het mag niet bij woorden blijven. Er moeten op het terrein effectief een aantal zaken veranderen.

De voorzitter

Mevrouw Krekels heeft het woord.

Minister, toen ik de vraag om uitleg van mevrouw Meuleman las, kreeg ik een beetje een dubbel gevoel. U hebt zelf verklaard dat veel initiatieven worden genomen en dat zeer veel wordt gemonitord om na te gaan hoe we de diversiteit van het lerarenkorps moeten vergroten. U hebt terecht een aantal aspecten aangehaald. Het is goed dat dit gebeurt en we staan hier uiteraard achter.

Ik wil u echter wijzen op een gesprek dat ik enige tijd geleden heb gevoerd met meisjes van achttien jaar die een studiekeuze moesten maken. Uiteraard kwam het onderwijs toen ook ter sprake. Een van hen vermeldde dat haar zus die opleiding had gevolgd, maar nog steeds geen werk had. Ze wilde er niet aan beginnen omdat ze toch geen kans maakte. Ik heb toen gevraagd hoe dit komt en om welke redenen haar zus geen plaats in het onderwijs kan vinden. Ik had allerlei redenen verwacht, maar helaas was er slechts een reden. Ik begeef me nu op glad ijs, maar het gaat uiteraard om de hoofddoek. Hoewel de scholen haar dit vroegen, wilde ze haar hoofddoek niet afnemen. Als islamleerkracht mocht ze een hoofddoek dragen tijdens de levensbeschouwelijke lessen, maar tijdens de andere lessen moest de hoofddoek af. Om deze reden weigerde ze elke aanbieding die ze kreeg.

Daar volgde uiteraard een hele discussie over, maar dit is toch wel een gedeelde verantwoordelijkheid. We geven kansen. Mensen kunnen die kansen grijpen. We zijn hier toch nog altijd vrij om bepaalde voorwaarden op te leggen in een bepaalde werksituatie. In bedrijven gebeurt dat ook. In een school mag dat ook. Een school heeft het recht om te zeggen: ‘Voor een leerkracht in het basisonderwijs hebben wij graag neutraliteit voor de klas.’ Dat geldt dan uiteraard ook voor die leerkracht.

De kennis van het Nederlands is een ander verhaal. Iedereen weet dat je bepaalde proeven moet doen als je aan een lerarenopleiding begint: voor je articulatie en je stem en voor heel je spraak, maar uiteraard voor je kennis van je taal. Daar schort het nu soms ook wel. Die meisjes met wie ik toen sprak, behoorden tot de tweede en derde generatie. Zij spraken perfect Nederlands. Maar in sommige gevallen is er daar toch een struikelblok. We mogen dat niet ontkennen. We moeten erop blijven hameren dat een goede kennis en een goede verstaanbaarheid van het Nederlands heel belangrijk zijn.

Het komt van twee kanten. De overheid moet ervoor zorgen dat er kansen zijn en dat die kansen kunnen worden gegrepen. Maar uiteraard zijn er voor iedereen bepaalde voorwaarden waaraan iedereen moet voldoen.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Het is inderdaad belangrijk dat de leerlingen zich in het onderwijs kunnen herkennen. Je mag op school als leerkracht niet alleen maar blanke vrouwen van 40-plus zien rondlopen. Er moeten ook mannen zijn, wat jongere mensen, wat oudere mensen, mensen met allochtone roots… Er moet een afspiegeling van de maatschappij zijn. Niet alleen als rolmodel, maar simpelweg omdat als er geen diversiteit meer is dit een invloed heeft: op de werking van de school, op het denken van de kinderen, vooral van jongetjes. Dat is een beetje de situatie van ons onderwijs, minister.

Ik heb een aantal cijfers bekeken. Ik zie dat de Artesis Plantijn Hogeschool in Antwerpen, HOGent en de Erasmushogeschool Brussel een significante stijging hebben en een redelijk aantal studenten van allochtone origine in de lerarenopleiding. Een tijd geleden gaf een krantenartikel scholen als voorbeeld, maar vreemd genoeg zaten die drie scholen daar niet bij. Maar ze hebben wel hogere cijfers dan andere scholen. We moeten dat in zijn totaliteit bekijken. Het zou interessant zijn om na te gaan waarom studenten dan al dan niet kiezen voor die lerarenopleiding.

Mevrouw Krekels gaf het voorbeeld dat je inderdaad wel vaker hoort en dat je ook wel eens in de krant kunt lezen. Er was een tijd waarin meisjes die wilden verder studeren wel voor kleuteronderwijzeres mochten gaan van hun ouders en van hun papa, omdat dat nog paste voor jonge meisjes. Dat is geen goede motivatie om een opleiding tot kleuteronderwijzer te kiezen. Het waren daarom niet altijd slechte kleuteronderwijzers, integendeel, maar het is niet de juiste motivatie. Zo moet je vandaag ook niet voor een job of opleiding kiezen omdat je ergens wel een hoofddoek mag dragen. U begrijpt, denk ik, wat ik bedoel. We moeten op zoek gaan naar mensen met een intrinsieke motivatie voor de lerarenopleiding.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Minister, ik wil heel graag nog enkele dingen aanvullen. De cijfers maken duidelijk dat de aanwezigheid van leerlingen en studenten met een allochtone achtergrond in de lerarenopleiding nog ondermaats is. We kunnen dat veralgemenen tot de toegang tot hoger en universitair onderwijs. Die instroom is voor die gemeenschap veel te laag. Bij elk contact dat ik heb met de hogeschool en de allochtone gemeenschap in mijn stad probeer ik dat thema naar voren te brengen. Ik vraag hun wat de oorzaken zijn. In sommige situaties speelt bijvoorbeeld de hoofddoek. Maar ik hoor ook dat zij wel een hogere opleiding afmaken, maar er dan voor kiezen om niet te gaan werken. Of ze slaan een werkplaats af omdat de werkvloer er gemengd is. Dergelijke zaken zouden niet mogen spelen, zeker wanneer studenten de inspanning hebben geleverd om hoger of universitair onderwijs te volgen, om dan met dat diploma niets te doen of er niet mee aan de slag te gaan.

Minister, zijn er cijfers bekend over de lerarenopleiding en de instroom daar? Hoeveel studenten beginnen er aan die opleiding, maar maken ze om welke reden dan ook niet af, of komen er niet mee op de arbeidsmarkt terecht?

Mevrouw Krekels zei het al: een van de elementen die zeker ook kunnen meespelen, is de kennis van het Nederlands, zeker voor wat de instroom betreft in alle studierichtingen binnen het hoger onderwijs. Maar we weten zeer goed dat voor wie de lerarenopleiding binnenstapt meteen geldt dat elke leerkracht, ongeacht welk vak je geeft, sowieso een leerkracht Nederlands is. Er kunnen tekortkomingen zijn in de kennis van het Nederlands – en dat geldt zowel voor de autochtone als voor de allochtone studenten. Maar als het binnen de groep van allochtone leerlingen een extra struikelblok is, moeten we dat zeker bijspijkeren, om de maximale kansen in het hoger onderwijs, in de lerarenopleiding, te garanderen.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik vind het heel belangrijk om daar opnieuw aandacht aan te schenken. Een hele poos geleden kwam het in deze commissie vaker aan bod, maar intussen is het lang geleden dat we er nog over hebben gesproken. Er zijn andere thema’s die hier regelmatiger terugkomen. Ik vind het positief dat mevrouw Meuleman er nog eens op wijst dat het belangrijk is daar aandacht voor te hebben, sowieso voor de leerlingen die in de klas zitten. Daarnaast stel ik ook vast dat er jonge mensen zijn die voor de lerarenopleiding kiezen maar die na die opleiding merken dat ze moeilijk toegang vinden tot het onderwijs. Het zijn mensen met talent die heel goed onderwijs zouden kunnen aanbieden. Het is goed om te bekijken welke drempels vandaag nog worden ervaren, hoe die kunnen worden weggewerkt en na te gaan welke rol de overheid daarin kan spelen.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Meuleman, ik vermoed dat we in september 2018 kunnen starten, maar het blijft wat mij betreft de vrijheid van de student om zich al dan niet te laten registreren. We zullen goed moeten nagaan of we dat wel of niet verplichten.

Mevrouw Krekels, alles start natuurlijk met de keuze die men maakt om een opleiding te volgen. We zitten daar met een aantal problemen, u hebt verwezen naar de hoofddoek. Ik was gecharmeerd door een Gentse school, een school in het centrum van de stad, geen GO!-school maar een school waar men eigenlijk kan kiezen, die een compromis heeft gevonden met de ouders in de omgang met diversiteit en de hoofddoekproblematiek. Zij zijn overeengekomen dat de school eigenlijk een thuissituatie is en dat kinderen daar hun hoofddoek kunnen uitdoen. Wanneer er externen naar de school komen, kunnen ze de hoofddoek weer opzetten. Mits enige flexibiliteit kan men met respect tot goede oplossingen komen die ook op leerkrachten van toepassing zouden moeten zijn. Iedereen heeft natuurlijk recht op zijn eigen mening. Er is geen algemeen hoofddoekenverbod. Scholen zijn vrij om te beslissen of het wel of niet kan.

De directeur van die school heeft ook gezegd dat de instroom van kinderen met migratieroots perfect is en dat de ouders dat aanvaarden als een huiscontext op school. Ik vind dat dan ook een goede zaak. Men moet natuurlijk wel opletten dat men geen inbreuk pleegt op die regels wanneer men die school met camera’s gaat bezoeken.

Er kan veel worden opgelost met enige flexibiliteit, maar u hebt wel een punt, mevrouw Krekels, dat het engagement en het respect altijd van twee kanten moeten komen. Ik ben er echter van overtuigd dat we, als we in dialoog gaan, tot een oplossing komen. Ik was nog niet zo lang geleden in Limburg in gesprek met geëngageerde ouders, en het eerste onderwerp dat daar aan bod kwam, was de hoofddoekenkwestie. Dat begon vrij assertief, maar uiteindelijk zijn we in grote harmonie uit elkaar gegaan na een heel lang gesprek. En ik heb nadien niet beslist om een hoofddoek te dragen.

Het is mijn overtuiging dat het beter is om een school te hebben met een diversiteit aan leerkrachten. Ik heb artikels gelezen in de krant van mensen die beweren dat dat helemaal niet nodig is. Ik behoor niet tot die strekking. Ik denk dat het goed is dat een school een spiegel is van de maatschappij en een gezonde mix aan mensen heeft. Er is natuurlijk vrijheid om mensen aan te werven. Ik ga daar geen strakke regels opleggen. En zelfs als ik regels zou opleggen, hebben we niet voldoende mensen om dat allemaal gedaan te krijgen.

Wat de taalvereisten betreft, zijn er wel wat mogelijkheden. Er mag gedurende drie jaar een afwijking op de taalvereiste worden toegestaan om mensen de kans te geven. We kunnen dus soepel zijn als we dat willen.

Wat de rolmodellen betreft, wil ik verwijzen naar de Karel de Grote Hogeschool in Antwerpen. Die school heeft een A-raad waarin overleg wordt gepleegd met de studenten lerarenopleiding die een migratieachtergrond hebben. Er wordt voorzien in bijzondere begeleiding voor die groep bij hun studietraject. Ik weet dat de heer Daniëls dan zegt dat we iedereen moeten begeleiden, en dat klopt, maar als je er al weinig hebt, is het van belang om in dialoog te gaan en te zien waar de knelpunten liggen en na te gaan hoe die kunnen worden opgelost. Via deze groep en de netwerken van deze groep probeert men ook nieuwe jongeren aan te trekken. Dat start dan vanuit de basis en van daaruit probeert men breder te werken.

Mevrouw Brusseel, u verwees naar de hogeschool in Gent. Het is mogelijk dat er nog andere voorbeelden zijn, maar u weet dat mijn kabinetschef directeur is van de Karel de Grote Hogeschool, vandaar dat wij deze zaken met bijzondere interesse volgen. Ik vind dit in elk geval een goed voorbeeld van hoe men jongeren daarbij kan betrekken en hen probeert in te zetten om andere jongeren te stimuleren.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, dit is al een belangrijk signaal, maar wat mij betreft, mag het nog sterker. Er zijn problemen in het politiekorps in Mechelen, en Bart Somers heeft gezegd dat hij een zeer duidelijk signaal zal geven. Hij start speciale projecten waarbij mensen kunnen beginnen werken en intussen kunnen studeren. Er worden inspanningen gedaan om ervoor te zorgen dat het Nederlands beter wordt enzovoort.

In het verleden waren er ook projecten die een beetje gelijkaardig waren. Bij de politie is het ook zeer duidelijk dat men mensen heeft uit de gemeenschap om mensen binnen de gemeenschap aan te spreken. In het onderwijs kan het even belangrijk zijn om die rolmodellen te hebben. In het verleden waren er projecten voor kinderen met een migratieachtergrond die soms een moeilijke schoolcarrière achter de rug hebben. We kennen de cijfers en we weten uit PISA (Programme for International Student Assessment) hoe moeilijk het is, zeker voor leerlingen met een migratieachtergrond als zij van goede wil en gemotiveerd zijn, om een doorstart te maken en om recht te trekken wat fout is gelopen. Zij konden bijvoorbeeld beginnen als kinderverzorger, werden gedeeltelijk betaald en konden hun diploma nog halen. We willen de lat immers niet lager leggen. Bart Somers wil dat niet, en wij evenmin. Maar er moet wel kunnen worden gekeken of we geen inhaaloperatie kunnen maken, onder meer door te werken met die streefcijfers. Er zijn voorstellen om scholen te belonen die deze inspanningen doen. Ik zou nog een stapje verder willen gaan, maar het is toch belangrijk dat u een positief signaal geeft.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.