U bent hier

De heer Depoortere heeft het woord.

Voorzitter, minister, de Gezinsbond heeft op 15 mei jongstleden de resultaten bekendgemaakt van een onderzoek dat de bond zelf heeft gevoerd bij een aantal Vlaamse en Brusselse ouders, ongeveer 1400. Spijtig genoeg heb ik uit het onderzoek niet kunnen afleiden waar die gezinnen zich situeren. Ik denk dat dat ook wel van belang is, maar ik ga verder op de problemen die de Gezinsbond opsomt. Ze vragen in het kader van het onderzoek onder meer meer opvangplaatsen voor kinderen van alle leeftijden, die betaalbaar zijn en met meer gezinsvriendelijke openingsuren.

Het blijkt dat bijna alle gezinnen, 94 procent, aangaven dat ze in vakantieperiodes op zoek moeten naar geschikte opvang voor de kinderen. Dat gaat nogal gepaard met wat stress, want veel van die gezinnen blijken niet onmiddellijk een dergelijke opvang plaats te vinden. Nog moeilijker wordt het wanneer ze meerdere kinderen hebben en ze van de ene plaats naar de andere moeten rijden om hun kind ergens te kunnen thuisbrengen.

Daarnaast heeft het onderzoek ook uitgewezen dat vooral vakantiekampen populair zijn. Bijna zeven op de tien ouders schrijven hun kind of kinderen in voor minstens één kamp zonder overnachting, 30 procent kiest voor een kamp met overnachting. Minder dan één op de vier ouders is tevreden over de opvang. Ze zijn vooral gefrustreerd over de soms krappe openingsuren van opvanginitiatieven, de hoge kostprijs en een gebrek aan flexibiliteit bij de aanbieders. Ook de onzekerheid over een plaatsje zorgt bij veel gezinnen voor stress.

De Gezinsbond vraagt dus initiatief van de Vlaamse overheid, in de vorm van een decreet over opvang en vrije tijd van schoolkinderen. De Gezinsbond vraagt concreet dat de prijzen, waar mogelijk, inkomensgerelateerd zijn en dat wie meerdere kinderen inschrijft, korting krijgt.

Minister, ik ben me er uiteraard van bewust dat er vorig jaar een hele bespreking is geweest in deze commissie, met de nota van de Vlaamse Regering over de krachtlijnen voor een nieuwe organisatie voor de opvang en vrije tijd van kinderen. Blijkbaar voldoet dit dan toch niet en blijft het bij woorden. Vanuit het terrein vraagt men toch meer daden. Ik vraag dan ook aan u, minister, wat uw reactie is op die concrete vragen van de Gezinsbond. Welke maatregelen kan de Vlaamse overheid bijkomend nemen om de kinderopvang tijdens de schoolvakanties efficiënt te laten verlopen? In het kader van ‘meten is weten’ zou het misschien interessant zijn dat de overheid het initiatief zou kunnen nemen om al die verschillende opvanginitiatieven in kaart te brengen zodat ouders digitaal op een website terecht zouden kunnen om te zien waar zij hun kinderen het snelst kunnen inschrijven.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega's, ik had mijn vraag gesteld aan de minister van Onderwijs en de minister van Welzijn omdat de problematiek van de kinderopvang raakvlakken heeft met beide beleidsdomeinen, getuige de conceptnota van de Vlaamse ministers Crevits en Vandeurzen van twee jaar geleden over de opvang en vrije tijd van schoolkinderen.

Zoals collega Depoortere al heeft gezegd, trok de Gezinsbond vorige week op de Dag van het Gezin aan de alarmbel in verband met de al vaak geslaakte noodkreet naar meer opvangplaatsen voor kinderen van alle leeftijden, die betaalbaar zijn, uiteraard gezinsvriendelijke openingsuren hebben en kwaliteitsvol zijn. De noodoproep was ook de noodkreet van vele ouders. Daar was de Gezinsbond graag een stem voor.

In het onderzoek focuste men voornamelijk op de vakantieopvang. Daar geven heel wat ouders aan dat het regelen van die vakantieopvang een bron is van grote stress. 94 procent van de gezinnen – daar zijn we waarschijnlijk allemaal bij – moet vooral tijdens de zomervakantie op zoek naar bijkomende opvang. Meer dan de helft van de ouders moet dat een half jaar op voorhand al plannen. Zeven op tien gezinnen geven aan dat de vakantieopvang, bijzonder in de lange zomervakantie, stress meebrengt. Wat ik zelf redelijk angstaanjagend vond, is dat maar net meer dan 20 procent tevreden is over de kinderopvang voor de kleintjes, en a fortiori gold dat voor de vakantieopvang, die dan ook nog vaak als weinig betaalbaar wordt aangestipt.

Ook in de conceptnota van de sp.a-fractie, ‘Vlotter van crèche naar klas en club’, gaven wij vorig jaar aan dat we pleitbezorgers zijn voor een nieuw model voor opvang, onderwijs een vrije tijd van jonge kinderen onder de leeftijd van 14 jaar, een model dat beter aansluit bij de realiteit en het dagelijkse leven van de diverse gezinsvormen in Vlaanderen, met oog voor kwaliteit, flexibiliteit en betaalbaarheid.

Minister, twee jaar geleden hebt u vanuit de Vlaamse Regering een conceptnota geschreven, samen met uw collega Crevits, over de opvang en vrije tijd van schoolkinderen. De Gezinsbond geeft aan een decretale verankering te verwachten. Hoever staat het met die timing? Wanneer mogen we daarover een ontwerp van decreet verwachten?

Hoe zult u kwaliteitsvolle naschoolse opvang op maat van werkende en alleenstaande ouders versterken en voldoende vakantieopvang garanderen?

Mijn derde vraag slaat vooral aan bij de naschoolse opvang en de flexibiliteit en de dekkingsgraad ervan. Hoe kunt u eventueel het concept van brede scholen, wat door heel veel fracties ook in dit parlement wordt gedragen, verder faciliteren zodat ook de nood aan kinderopvang na school voor een stuk wordt gelenigd.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Minister, collega’s, werkende ouders hebben moeite om tijdens de vakantie de gepaste opvang te vinden. Daarom organiseren sommige ouders die zelf. Daarbij gaan ze zelf opvang organiseren in een beurtrol. Op die manier deden in Vlaanderen 250 gezinnen mee, opgedeeld in zeven groepen, en er zouden nog nieuwe groepen in ontwikkeling zijn. Sommige steden zoals Kortrijk en Gent moedigen het fenomeen aan.

Bedrijven zoeken al langer naar oplossingen. Sommige bedrijven organiseren professionele opvang, maar nu zijn er ook bedrijven die meestappen in het idee van de coöperatieve kinderopvang. Ze betalen hun personeel voltijds, maar het personeel wordt vrijgesteld om één dag op de vijf in te staan voor de opvang van een groep kinderen van de collega’s.

Ouders ervaren heel wat stress bij het boeken van vakantieopvang omdat ze dat ook al heel veel maanden op voorhand moeten doen zonder dat ze eigenlijk al een goede inschatting kunnen maken van hun vakantieplannen. Ouders met kinderen die nog maar net naar de kleuterklas gaan of die nog maar net naar de lagere school gaan en kinderen met een handicap ervaren de meeste moeilijkheden om een gepaste opvang te vinden. Ook ouders die deeltijds werken, vinden moeilijk opvang aangepast aan hun werksituatie.

Minister, is er een duidelijk zicht op de vraag en het aanbod naar vakantieopvang in Vlaanderen? Opvang zoeken voor bepaalde doelgroepen en in bepaalde werksituaties lijkt een groot probleem. Hoe kan hieraan worden geremedieerd? Werkgevers en ouders zoeken zelf oplossingen. Aan welke regelgeving is deze coöperatieve vakantieopvang onderworpen?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, opvang en vrije tijd is een breed begrip en omvat heel wat activiteiten, los van de naam die eraan wordt gegeven, zoals middagopvang, buitenschoolse kinderopvang, jeugdbeweging, crea-atelier, sportles enzovoort. Het gaat om aanbod vanuit verschillende bevoegdheidsdomeinen: onderwijs; cultuur, jeugd en sport, en welzijn met de kinderopvang.

Zoals omschreven in de conceptnota van de Vlaamse Regering die we op 6 januari 2016 indienden hier in het Vlaams Parlement, omschrijven we de contouren voor een toekomstig Vlaams beleid inzake al die activiteiten. Zoals u weet, moet een voorstel tot decreet inzake opvang en vrije tijd van kinderen een geïntegreerd aanbod via een samenwerking over onderwijs, cultuur-jeugd-sport en welzijn heen, met een sterke regierol voor de lokale besturen verankeren. De optie is inderdaad dat de lokale overheid op termijn de verantwoordelijke wordt voor de organisatie van dat aanbod.

De afstemming en het ontsluiten van het aanbod is een belangrijke lokale opdracht. In die optiek staat er ook geen algemeen Vlaamse platform op stapel om vraag en aanbod aan elkaar te linken. Het is zo lokaal en moet uitgaan van wat de lokale noden zijn en van wat er lokaal op een geïntegreerde manier en door samenwerking kan worden aangeboden, dat het echt niet mogelijk is om dat op het Vlaamse niveau te bemeesteren.

Het belang van kwaliteitsvolle opvang en vrije tijd voor kinderen, gezinnen en samenleving mag niet worden onderschat: het biedt ontplooiingskansen aan kinderen in hun vrije tijd, het laat gebruikers toe om te participeren aan de arbeidsmarkt, een opleiding te volgen of deel te nemen aan activiteiten die bijdragen aan hun persoonlijke ontwikkeling en het bevordert sociale cohesie en gelijke kansen.

Dat ouders ruim gebruik wensen te maken van het opvang- en vrijetijdsaanbod in vakantieperiodes is geen verrassing en blijkt al uit onderzoek van Kind en Gezin in 2012. De overheid levert op dat vlak aanzienlijke inspanningen. Daarnaast wordt er eveneens ruimte gelaten aan krachten binnen de samenleving. Ouders die samen initiatief nemen om vakantieopvang te organiseren, verdienen daarbij ons respect. Hetzelfde geldt voor gezinsvriendelijke initiatieven van bedrijven, die we aanmoedigen.

Merk op dat op dit ogenblik al veel mogelijk is. Zo wordt bijvoorbeeld voor gemelde vakantieopvang geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten van organisatoren naar rechtspersoon en is dus ook coöperatieve buitenschoolse kinderopvang mogelijk. Ook het toekomstige decreet Opvang en Vrije Tijd zal zeker niet bedoeld zijn om dergelijke en andere initiatieven te belemmeren, maar moet integendeel mogelijk bestaande belemmeringen opheffen en nieuwe initiatieven faciliteren. Lokale besturen en actoren zullen in een regelluw kader nog of veel meer dan vandaag kunnen inspelen op nieuwe mogelijkheden en lokale dynamieken.

De volgende stap is de juridische vertaling van de conceptnota ‘Krachtlijnen voor een nieuwe organisatie van de opvang en vrije tijd van kinderen’ naar een decreet.

De Vlaamse Regering heeft hiervoor de nodige ruimte gegeven voor een breed gedragen parlementair initiatief en wil daar graag haar medewerking aan verlenen. Samen met u hoop ik dat we op korte termijn daarover meer duidelijkheid hebben. In afwachting van het decreet Opvang en vrije tijd komen er vanuit het beleidsdomein geen grote wijzigingen aan het huidige vakantieaanbod.

Met betrekking tot het concept ‘brede scholen’ kunnen we melden dat minister van Onderwijs Crevits een masterplan Scholenbouw heeft opgesteld. Het werd in de zomer 2015 door de Vlaamse Regering goedgekeurd en wordt nu volop uitgevoerd. In dat masterplan zitten vijf strategische doelstellingen vervat, samen met een reeks operationele doelen en concrete acties. De vierde strategische doelstelling focust op de schoolgebouwen van de toekomst. Er wordt heel wat aandacht besteed aan het multifunctioneel gebruik van schoolinfrastructuur en het delen van schoolgebouwen. Dit is ook conform de conceptnota van de Vlaamse Regering waarover we het daarnet hadden.

Dit is interessant voor het principe van de brede school. Het gegeven van de brede school is echter een breed begrip, dat op verschillende manieren kan worden ingevuld. Belangrijk is dat de invulling van een dergelijke school van onderuit kan groeien, dat het niet van bovenaf wordt opgelegd, maar dat het op verschillende plaatsen op verschillende manieren kan worden ingevuld. Zo zal een brede school er op het platteland wellicht anders uitzien dan een brede school in een grootstedelijke omgeving. Dit heeft met veel factoren te maken. Men kan dit stimuleren, maar het is cruciaal dat een dergelijke brede leer- en schoolomgeving voor kinderen en jongeren lokaal echt van onderuit kan groeien. Dat betekent ook dat de lokale autonomie volop moet kunnen spelen. Het is niet nodig om dit van bovenaf, centraal gestuurd en met strenge regels op te leggen. Wel is het van belang om een klimaat te scheppen waarin een dergelijke brede leer- en schoolomgeving kan gedijen.

Tijdens de vorige legislatuur heeft het Steunpunt Diversiteit & Leren de taak op zich genomen om expertise te verzamelen en uit te wisselen, en om onderzoek naar de brede school bijeen te brengen. Op de website www.bredeschool.org is de nodige informatie terug te vinden voor wie met een brede school wil starten of al bezig is. Onze houding is subsidiair: wij willen ondersteunen en knelpunten mee uit de weg ruimen, maar laten dit eerst en vooral van onderuit groeien.

Wat de infrastructurele component betreft, zetten we flink in op het multifunctioneel gebruik en het delen van schoolgebouwen. Na de schooltijd, in het weekend of tijdens de vakantieperiodes biedt dat enorm veel mogelijkheden. In de Schoolgebouwenmonitor van 2013 werd een onderzoek uitgevoerd: in ruim 62 procent van de vestigingsplaatsen wordt de infrastructuur ook buitenschools gebruikt, met een gemiddelde van 17 uur per week. Dat is al iets, maar nog niet spectaculair veel. Het toont aan dat de scholen er wel al mee bezig zijn. Er zit zeker nog groeipotentieel in. In het nieuwe projectspecifieke DBFM-programma (Design, Build, Finance, Maintain) voor de schoolgebouwen is multifunctionaliteit daarom een van de decretaal vastgelegde criteria waarop de ingediende clusters van potentiële DBFM-projecten zullen worden getoetst bij de beoordeling en finale selectie van de kandidaat-DBFM-scholenbouwprojecten.

De heer Depoortere heeft het woord.

Minister, het klopt dat de conceptnota waarvan sprake meerdere bevoegdheden overschrijdt. Het gaat om de bevoegdheden Onderwijs, Cultuur, Sport, Jeugd, Welzijn enzovoort. Maar het gevaar is nu net dat we naar een versnippering gaan van maatregelen. U haalt zelf het voorbeeld aan van de brede school. Dat is op zich een goed initiatief, maar het is noodzakelijk om een breder decreet te hebben dat al die bevoegdheden kan samenbundelen in één decreet. Zo zullen de mensen op het terrein en de gezinnen zien wat kan en wat niet kan.

Minister, ik ben blij dat u dit nieuwe decreet op korte termijn in het vooruitzicht plaatst. Ik vermoed dus dat we binnenkort dit decreet op ons bord zullen krijgen om te bespreken.

Het is alleszins positief dat er wordt gewerkt in een regelluw kader. Ik weet uiteraard dat de lokale besturen een zeer grote rol moeten spelen. Het is inderdaad van groot belang dat de regeltjes, die Vlaanderen soms al te veel oplegt, hier zoveel mogelijk achterwege zullen worden gelaten.

Misschien nog één aanvulling. U zegt dat het niet mogelijk is om op Vlaams niveau vraag en aanbod op elkaar af te stemmen, laat staan om daarvoor een platform te ontwikkelen. Ik wil er u toch attent op maken dat op de website van Kind en Gezin een zoekfunctie is geïnstalleerd waarmee men een opvangplaats kan zoeken. Ik heb die zoekfunctie vandaag nog eens gecheckt, maar eigenlijk zou men hem er beter af halen, want hij werkt niet naar behoren – en ik druk mij voorzichtig uit.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, dank u voor uw antwoord. U geeft terecht aan dat volgens het voorgaande onderzoek van Kind en Gezin sinds 2012 en wellicht al veel vroeger de nood aan vakantieopvang voor heel wat gezinnen nijpend en schrijnend is. Ik ben het met u eens dat de lokale regiefunctie daar van het grootste belang is, net omdat er verschillende beleids- en bevoegdheidsdomeinen in het spel zijn. Daarom moet het lokale beleidsniveau de nabijheid van de opvang kunnen coördineren. Dat ondersteunen wij, zoals wij ook denken dat met betrekking tot het ter beschikking stellen van het aanbod de website van de stad of de gemeente een betere toegangspoort is dan die van Kind en Gezin, laat staan die van andere Vlaamse platformen die verderaf staan van ouders en jongeren in hun gezins- en thuissituatie.

Minister, ik heb begrepen dat het Vlaams Parlement het initiatief zal nemen voor een decretaal kader. Mijn fractie zal daar haar steentje toe bijdragen. Ik weet niet of er initiatieven zijn of besprekingen lopen. Wij zijn zeker bereid om onze input te leveren. Wij hebben die conceptnota ook zelf geschreven. Het is niet omdat de sp.a-fractie in de oppositie zit dat zij daar geen constructieve bijdrage zou kunnen leveren.

Uiteraard volg ik, via de commissie Onderwijs, de brede school van iets nabijer. Het masterplan Scholenbouw maakt inderdaad melding van het multifunctionele gebruik van schoolgebouwen. Dat is een eerste belangrijke stap in de goede richting. Wij denken dat het loutere openstellen van een gebouw te weinig incentives geeft om effectief een kwaliteitsvolle opvang te garanderen. Er moet ofwel vanuit de lokale overheid ofwel vanuit de departementen Onderwijs, Welzijn, Sport, Cultuur een inhoudelijke en financiële input zijn om dat principe te doen functioneren, anders doet men louter een beroep op het vrijblijvende initiatief, dat gelukkig heel veel scholen, organisaties en verenigingen in buurten, gemeenten en steden al hebben. Maar als men dat aanbod kwaliteitsvol en betaalbaar wil maken, moet er een algemener kader zijn en is hier een financiële injectie door lokale overheden maar zeker ook door de Vlaamse overheid zeker op zijn plaats.

Minister, u zegt dat u in dit beleidsdomein een subsidiaire houding aanneemt en dat u niet in de plaats van het lokale niveau treedt. Maar voor een belangrijk thema als de opvang van kinderen en de organisatie van de vrije tijd van kinderen zou ik verwachten dat het Vlaamse niveau toch enige ambitie heeft. Vandaar de nood aan een kaderdecreet maar ook de absolute nood aan financiële investeringen. De bevoegdheid doorschuiven naar het lokale niveau legt, als men dat zonder middelen zou doen, veeleer een hypotheek op kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid, dan dat het een incentive zou geven.

Ik heb absoluut begrip voor uw pleidooi voor lokale autonomie, dat ik deel, maar sta mij toe om de subsidiaire houding toch wat afwachtend te vinden. Ik heb het gevoel dat dat de houding is die in heel het kinderopvang- en vrijetijdsgebeuren van jonge kinderen speelt, een afwachtende houding, nochtans in een sector die niet alleen maatschappelijk voor heel wat meerwaarde zorgt, met de ontwikkeling en ontplooiing van kinderen, maar ook zelfs economisch kan renderen. Hoe meer ouders op een kwaliteitsvolle manier hun kroost kunnen achterlaten in de opvang, hoe meer stimuli naar kwaliteitsvol werk en naar voltijds werk voor de ouders die dat willen, ook voor de alleenstaande ouders, ook op maat van kinderen in bijvoorbeeld co-ouderschap of nieuwe gezinsvormen. Wij denken dat de Vlaamse overheid hier veel meer piloot kan en moet zijn dan ze dat tot op vandaag geweest is. We reiken graag de hand om daar op een constructieve manier aan mee te werken.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Bedankt voor uw antwoord, minister. U zegt dat er geen platform is, omdat het vooral gaat om lokale noden. U hebt daar volgens mij volledig gelijk in. We hebben hier al de hoorzittingen gehad omtrent het nieuwe decreet en de buitenschoolse kinderopvang. We zijn het er allemaal over eens dat de lokale overheid die regierol in handen moet hebben. Het zal niet evident zijn, omdat de verschillende initiatieven ook anders gesubsidieerd worden. Lokale besturen staan daar voor een belangrijke uitdaging.

Het zal zeer belangrijk zijn – en dat is ook duidelijk naar voren gekomen in de hoorzittingen – dat we aandacht hebben voor specifieke doelgroepen. Ik denk maar aan kinderen met een beperking, kinderen uit kansarme gezinnen. Er zal daar ergens een wisselwerking nodig zijn tussen de lokale besturen enerzijds en de Vlaamse overheid anderzijds, om die knowhow en de nodige ondersteuning daarin te bieden. We zien vaak dat de mensen op het terrein daar onvoldoende mee vertrouwd zijn. Het is absoluut noodzakelijk dat wij als Vlaamse overheid de lokale besturen daar verder in ondersteunen.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

We hebben natuurlijk ook de studie van de Gezinsbond gelezen. De vaststelling is dat heel wat ouders problemen ondervinden met vakantieopvang van kinderen. Wij hebben hier de conceptnota besproken in heel ruime hoorzittingen, met heel veel verschillende sprekers vanuit diverse hoeken. De doelstellingen waar we met een nieuw decreet naartoe gaan, zijn duidelijk. Enerzijds willen we de mogelijkheid creëren voor ouders om een goede combinatie te maken van arbeid en gezin, dus ook wanneer zij moeten werken. Het gaat dus niet alleen over vakantieopvang, maar ook over de ruime buitenschoolse opvang, dus ook tijdens het schooljaar. We willen ouders dus de mogelijkheid geven om een job te combineren met een gezin, dus na schooltijd doorheen het schooljaar, maar ook tijdens de vakantie.

Maar daarnaast willen we ook vanuit de positie van een kind kijken hoe die opvang dan zo goed mogelijk kan worden ingevuld. Hoe kan die mee ontplooiingskansen geven voor kinderen in zaken die ze graag doen, die ze kunnen, waar ze interesse in hebben, in een sportclub, in deeltijds kunstonderwijs en zo verder? En hoe kunnen ze ook gewoon op een leuke manier spelen, zich amuseren en met andere kinderen samen ravotten en dergelijke meer?

Lokale besturen doen op dat vlak nu ook al heel veel. Er wordt hier vaak gezegd dat we die regierol aan de lokale besturen gaan geven, en dat is natuurlijk ook de bedoeling, maar dat betekent niet dat we van nul beginnen. De lokale besturen doen nu vaak al heel veel, ook in de organisatie van speelpleinwerking en dergelijke meer. Het zal erop aankomen om te zoeken naar een goede afstemming: hoe kunnen we het hele aanbod dat er is, bij elkaar leggen en afspraken maken rond de manier waarop het aanbod dan ook volledig kan worden ingevuld en voldoen aan de vraag? En hoe kunnen kinderen het best participeren aan wat ze ook het liefste doen? Dat is ook van belang.

En voor wie er nog vragen over had, collega’s: wij werken inderdaad aan een voorstel van decreet ter zake, dat ik hoop hier binnenkort samen met jullie te kunnen bespreken.

Mevrouw Jans heeft het woord.

De Gezinsbond heeft er ons weer attent op gemaakt hoe belangrijk die opvang buiten de schooluren is, na de schooluren en tijdens de grote vakanties. Ik denk dat iedere ouder dat wel ervaart als de vakantieperiode eraan komt, en zelfs veel eerder nog. Dat is altijd een rush in het zoeken naar oplossingen voor de vakantieperiodes. Maar ook na de schooluren is het niet evident om van het ene naar het andere te crossen als ouder, van de sportwerking naar de muziekschool naar de speelpleinen. Iedereen weet dat dat heel ingewikkeld is. Ik denk ook dat iedereen het erover eens is dat we daar een tandje bij moeten steken. Er moet meer opvang zijn. Die flexibele uren moeten er zijn. Het moet haalbaar zijn voor ouders om de kinderen naar de opvang te brengen of andere oplossingen te zoeken, zoals de Brede School, wat inderdaad een mooi voorbeeld is van hoe het beter kan.

We hebben hier inderdaad hoorzittingen gehouden. Collega Schryvers zei dat we veel mensen gehoord hebben. En er zijn natuurlijk zeer veel invalshoeken. Als je kijkt vanuit de sector van de buitenschoolse kinderopvang, is er een heel andere mentaliteit dan vanuit de sector van jeugd en vrije tijd, op het vlak van regeltjes, personeel, financiering. We zitten daar dus met een heel breed aanbod, en daar proberen we aan te werken, collega Schryvers. Daarvoor moeten we ook naar een voorstel van decreet gaan, waarbij we al die verzuchtingen op een goeie manier kunnen bundelen. Het mag niet zijn dat wij vanuit Vlaanderen weer een kaderdecreet schrijven waarin we strenge regeltjes opstellen, en dan aan de lokale besturen zeggen: jullie hebben de regierol, maar dat moet binnen een heel strikt kader. Dat is ook niet wat wij willen. Wij moeten nu de volgende weken en maanden hard werken aan dat voorstel van decreet rond vrije tijd en opvang, maar we moeten ons ook wel bewust zijn van de vele moeilijkheden die we nog gaan tegenkomen op dat pad.

We moeten gaan naar een goede oplossing, naar een goed voorstel van decreet, dat ertoe bijdraagt dat we iedereen die nood heeft aan buitenschoolse opvang of vrijetijdsopvang, op een goede manier een oplossing kunnen bieden.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, de bedenking die een aantal onder u gemaakt hebben, namelijk dat er op het terrein al heel wat pragmatisch en goed georganiseerd en aangeboden wordt, is juist. Als ik op een aantal plaatsen word uitgenodigd en ik zie hoe men daar de link legt tussen scholen, het hele aanbod van de schoolvakanties enzovoort, denk ik dat er al heel wat goede praktijken bestaan.

Het is mij opgevallen dat toen deze commissie besliste om hoorzittingen te organiseren, de belangstelling van de parlementairen voor deze commissie zeldzaam groot was. Ik zag hier mensen verschijnen uit allerlei commissies die wij hier normaal niet echt wekelijks ontvangen. Maar het zegt wel iets over het feit dat verschillende sectoren hierin betrokken zijn en dat, naarmate het moment nadert waarop hier een beleidskader voor moet worden uitgetekend en de theorie naar de praktijk vertaald, toch nog wat overleg vereist is.

We hebben vanuit de regering duidelijk aangegeven, ook in het overleg met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), waar ook zeer veel vragen waren rond het decentraliseren van taken, dat er heel veel voor te zeggen is om de lokale verankering te organiseren. Maar we zullen daar inderdaad een decretaal kader voor nodig hebben. Dat wil voor alle duidelijkheid niet zeggen dat wij onze financiële inspanningen moeten stoppen. Het is natuurlijk de bedoeling – en dat is ook gebleken uit de conceptnota – dat die inspanningen doorgaan en dat dat geleidelijk aan versterkt wordt met een groeipad, waardoor die middelen naar de lokale overheden kunnen schuiven die nu vanuit Welzijn als onderdeel van dat buitenschoolse kinderopvangaanbod worden bijgedragen.

Er zijn tijdens de hoorzittingen vragen gesteld over de rechtszekerheid en de continuïteit van de buitenschoolse kinderopvang die door Kind en Gezin wordt gefinancierd. De mensen die dit hebben gevolgd, hebben dat goed begrepen – zodra dit vanuit de lokale budgetten moeten worden gefinancierd. Er zijn signalen dat een antwoord noodzakelijk is. Ik blijf er echter van overtuigd: indien we dit, zeker tijdens de schoolvakanties, goed willen doen, moeten we beschikken over de lokale motor om de link te leggen tussen alles wat hiervoor mogelijk in aanmerking kan komen. In dat opzicht zullen we natuurlijk blijven investeren in de voorschoolse kinderopvang, in de Huizen van het Kind, in de kinderarmoedebestrijdingsprojecten en dergelijke.

Volgens mij beseft iedereen dat we een kader moeten creëren dat de integrerende rol van de lokale overheden ten aanzien van al die sectoren bevestigt. Er moet een regelgeving komen die het mogelijk maakt de bestaande initiatieven geleidelijk in te schuiven en daar een plek in te geven.

De heer Depoortere heeft het woord.

Er zal niemand ontkennen dat er zeer goede initiatieven worden ondernomen op lokaal vlak. Mijn bezorgdheid gaat ernaar uit – en het blijkt ook wel uit de studie van de Gezinsbond – dat de situatie heel verschillend kan zijn van gemeente tot gemeente. In sommige gemeenten zal die vakantieopvang zeer netjes georganiseerd zijn en voldoende georganiseerd voor iedereen. Bij andere zal dat dan waarschijnlijk niet het geval zijn. Ik verwijs trouwens naar wat u zelf zei over de infrastructuur, waar u zegt dat er een groot verschil is in het gemeenschappelijk delen van schoolinfrastructuur in een plattelandsgemeente of in een stad. Dat klopt, maar al die zaken leiden er mij in feite toe om nog meer dan in het begin in te zetten op dit nieuw decreet, want ik denk dat het wel een noodzakelijke voorwaarde is om die stress en ongerustheid bij veel ouders met kinderen weg te nemen.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, ook ik ben in blijde verwachting met betrekking tot de decretale regeling. Ik heb begrepen dat het Vlaams Parlement een initiatief zal nemen. Indien dit tot een gewenst en goed resultaat kan leiden inzake een kwaliteitsvolle, betaalbare en toegankelijke kinderopvang, neem ik aan dat de Vlaamse volksvertegenwoordigers van sp.a in de commissie Welzijn bereid zijn hand-en-spandiensten te leveren waar dat nodig zou zijn.

U hebt duidelijk vermeld dat heel wat ouders zelf de handen uit de mouwen steken. We moeten hen hiervoor uiteraard alle respect betuigen. We mogen dit niet belemmeren, maar we moeten dit faciliteren. U wilt dit onder lokale regie laten verlopen. Ik ben hier blij om, maar uiteraard moet de Vlaamse overheid hiervoor een groeipad uittekenen ten aanzien van de bijkomende financiering. We zullen dit uiteraard monitoren. Mensen respecteren en hun acties niet belemmeren, is natuurlijk nog iets anders dan faciliteren. We blijven wat op onze honger met betrekking tot concrete initiatieven die de ouders tijdens de komende zomervakantie wat meer uit de nood zouden kunnen helpen dan nu het geval is.

Het is een beetje mijn indruk dat de sense of urgency, die door de studie van de Gezinsbond nog eens is aangetoond, bij de Vlaamse Regering enigszins afwezig is. Dit bezorgt heel wat ouders stress, en dat is niet wat u beoogt.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Met het decreet betreffende buitenschoolse kinderopvang staan we voor een enorme uitdaging. Het is onze taak dit zo snel mogelijk aan te pakken.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.