U bent hier

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Voorzitter, minister, Vlaamse sporters geven jaarlijks gemiddeld 1525 euro per gezin of 548 euro per sportbeoefenaar uit aan hun sport. Dat blijkt uit een doctoraatsonderzoek van de KU Leuven, gebaseerd op de uitgaven van 13.000 sporters. Dat geld wordt gespendeerd aan sportmateriaal, het lidgeld van een club, toegangsgeld, verplaatsingen enzovoort.

Opmerkelijk is dat mensen met een hogere opleiding en een hoger inkomen vaker aan sport doen en er ook meer geld aan uitgeven. Nog opmerkelijker is dat ook de subsidies vanuit Vlaanderen om sportbeoefening te stimuleren, voornamelijk bij die hogere inkomens terechtkomen. De diverse overheden in Vlaanderen geven jaarlijks 33 tot 41 euro subsidie per lid van een sportclub. De investeringen in sportkampen, zwembaden en sporthallen zijn daar uiteraard niet bijgeteld. De voornaamste beweegreden om sporters te subsidiëren, is natuurlijk om meer mensen aan het bewegen te krijgen, want een gebrek aan lichaamsbeweging verhoogt het risico op ziektes en vroegtijdig overlijden.

Nu blijkt uit het onderzoek dat de subsidies die vandaag naar Vlaamse sporters gaan, niet terechtkomen bij de groepen die die het meest nodig hebben. Ik citeer even de onderzoeker, Erik Thibaut: “Ze bereiken vandaag vooral de hogere inkomens via sportkampen, sportclubs of andere sportmogelijkheden. Maar fitnessabonnementen en breedtesportevenementen zoals loopwedstrijden zijn net niet in clubverband. Terwijl deze ook veel lagere inkomens bereiken.” De onderzoeker lanceert daarom het voorstel van de invoering van een sportcheque, vergelijkbaar met de cultuurcheque. De redenering erachter is eenvoudig: lagere inkomens die budget bijkrijgen, spenderen dat vaker aan sport dan de hogere inkomens, die er sowieso gemakkelijker geld aan uitgeven.

Sommige gemeenten hebben vandaag al zo’n sportcheque, maar er zijn strenge voorwaarden aan gekoppeld, bijvoorbeeld dat je die moet gebruiken in een gesubsidieerde sportclub, of dat enkel minderjarigen de cheque kunnen aanvragen. Het voorstel van Erik Thibaut gaat ruimer. Hij stelt een algemene sportcheque voor, waarmee iemand sportmateriaal of -kledij kan kopen, maar evengoed bijvoorbeeld een fitnessabonnement. Hij wijst erop dat mensen met een lager inkomen immers vaker in commerciële clubs sporten, zoals de fitnessclub. Die zijn immers flexibeler en vaak betaalbaarder dan sommige jaarabonnementen in een niet-commerciële club.

Minister, hoe staat u tegenover het idee van de invoering van een algemene sportcheque in Vlaanderen? Ziet u dat haalbaar? Waarom wel? Waarom niet?

Wat is uw reactie op dit onderzoek, waaruit blijkt dat de subsidies om meer Vlamingen aan het sporten te krijgen, voornamelijk terechtkomen bij de hogere inkomens? Welke maatregelen kunt u nemen om dat mattheuseffect te vermijden? We willen immers net dat alle mensen in alle segmenten van onze samenleving meer gaan sporten, niet het minst mensen met lagere inkomens, die natuurlijk gevoeliger zijn voor gezondheidsrisico’s. Welke initiatieven neemt u vandaag vanuit Vlaanderen om ook die lagere inkomens aan het sporten te krijgen? Een aantal ziekenfondsen betalen vandaag al een deel van de kosten van een fitnessabonnement of een ‘start to run’ terug. De onderzoeker stelt dat het ook een idee kan zijn dat de Vlaamse overheid via die weg haar steentje zou bijdragen. Wat vindt u van dat idee?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Annouri, ik dank u voor deze vraag. Ik zal u misschien al wat ontgoochelen: ik ben geen fan van het invoeren van een algemene sportcheque voor alle Vlamingen, want ik vind dat dat net een mattheuseffect creëert, maar dan andersom. Mensen met een hoger inkomen zouden dan ook een sportcheque krijgen, terwijl ik denk dat ze die niet nodig hebben. We zouden natuurlijk alleen een sportcheque kunnen geven aan de mensen met een lager inkomen, maar dat lijkt me ook geen goed idee. Dat zou betekenen dat we, naast een systeem van herverdeling via belastingen, de sociale zekerheid en de pensioenregeling, ook nog eens een herverdeling zouden doen waarbij we het inkomen van een bepaalde groep gaan verhogen. Dat is al niet gemakkelijk: waar leg je de grens? Daarbovenop zouden we dan ook nog paternalistisch gaan bepalen waaraan die groep dat inkomen dan moet besteden.

Ik ben er voorstander van om mensen positief te stimuleren om binnen hun mogelijkheden autonoom de keuze te maken om te sporten. Laat ons dus stimuleren en ervoor zorgen dat iedereen aan bod kan komen, maar niet met een algemene regel als de sportcheque.

We zien dat die problematiek veel ruimer is dan alleen een geldelijk aspect. Uit een doctoraatsstudie van mevrouw Vandermeerschen van dezelfde onderzoeksgroep aan dezelfde universiteit, Sport en Beweging in Leuven, blijkt dat mensen, vooral mensen in armoede, ook moeilijkheden ondervinden inzake mobiliteit of bereikbaarheid. Men is niet altijd vertrouwd met het aanbod en de bijhorende gebruiken. Men ervaart vaak schaamte. Men heeft schrik om de stap te zetten: hoor ik daar wel thuis? Kan ik daar wel mee?

Het is vooral een combinatie van culturele, psychologische, sociale en ook financiële drempels die mensen met een lager inkomen ervan weerhouden om te participeren. De cheque zou daar dus ook geen oplossing voor bieden. Ik vind het dus geen goed idee om een cheque te geven aan iedereen, van hoog tot laag inkomen, als je weet dat het inkomen maar één element is.

Daarnaast zijn er nog praktische bezwaren. Waar trekken we de grens? Stimuleren we hier of daar misschien geen werkloosheidsval? Je moet dat in zijn geheel bekijken. Als je hier steun krijgt en daar steun krijgt, zus steun krijgt en zo steun krijgt, en je pakt morgen een job aan en je verliest al je steun, zijn we dan niet achteruit aan het gaan? Het alleen op sport gaan doen, vind ik geen goed idee.

Wat is ook administratief nodig om zo’n systeem uit te rollen? Hoe kunnen we dat echt gaan controleren? Kortom, ik vind zo’n algemene sportcheque zeker geen goed idee.

Uit verschillende studies weten we inderdaad dat mensen met een hoger inkomen, een hogere opleiding, een hogere socio-economische status en dergelijke, veel meer participeren aan sport dan mensen met een laag inkomen of een lagere opleiding. Ik denk ook dat we een onderscheid moeten maken tussen een laag inkomen en armoede. Waar we wel absoluut iets voor moeten doen, is mensen in armoede overtuigen en stimuleren. We moeten iedereen positief overtuigen en stimuleren. Binnen het beschikbare budget kunnen we zien wat we kunnen doen in het sensibiliserende. Maar waar het echt nodig is, moeten we ook financieel optreden. Dat zou ik dan voorbehouden voor mensen in armoede.

Voor mensen in armoede nemen we bijkomende maatregelen. Om ervoor te zorgen dat het mattheuseffect afgezwakt wordt, zijn er op Vlaams niveau verschillende maatregelen om ervoor te zorgen dat de subsidies ook ingezet worden voor mensen in armoede. Ik zal er een paar meegeven. Ik zal niet in detail treden. We hebben dat hier en daar al besproken.

De subsidies van het Participatiedecreet, zoals onder andere het Fonds Vrijetijdsparticipatie, worden integraal ingezet in functie van kansengroepen, waaronder ook mensen in armoede. Via het lokale netwerk wordt actief ingezet op het wegwerken van de drempels tot participatie. We hebben ook het decreet op de georganiseerde sportsector, waar sportfederaties extra subsidies kunnen krijgen als ze sportkampen organiseren die goedkoper zijn voor kinderen in armoede, of om een laagdrempelig sportaanbod voor doelgroepen te ontwikkelen – u kent het aanbod van a tot z – of om de kwaliteit van het jeugdbeleid van de sportclubs te verhogen. U weet ook dat wij heel wat extra aandacht besteden in gelijkheid voor iedereen aan armoede en G-sport.

Ons eigen Sport Vlaanderen biedt kortingen van 50 procent voor de eigen sportkampen voor mensen in armoede. Een reductie van de inschrijvingsprijs alleen is, zoals ik al zei, zeker niet genoeg. Echt gaan samenwerken – en Sport Vlaanderen doet dat ook – met sociale partners uit de doelgroep om die doelgroep te gaan betrekken, is daarin essentieel, omdat het financiële maar één element is van het geheel.

Binnen het doelgroepenbeleid ligt de focus op mensen in armoede en niet alleen op alle lage inkomens. Als antwoord op uw derde vraag verwijs ik naar mijn antwoord op uw vraag om uitleg nummer 1926 en vraag om uitleg nummer 1938 van collega Wouters, die we hier in de commissie besproken hebben op 26 mei vorig jaar. In dat antwoord heb ik u uitgebreid toegelicht welke initiatieven er op Vlaams niveau zijn genomen voor mensen in armoede.

Daarbovenop wil ik u zeggen dat we ook nog een aantal nieuwe initiatieven hebben genomen het afgelopen jaar in functie van die problematiek. We hebben een bijkomende subsidie gegeven aan het Vlaams Instituut voor Sportbeheer en Recreatiebeleid (ISB) om drie zaken te realiseren.

Ten eerste: enkele steden en gemeenten worden begeleid om via buurtsport – en dat is volgens mij een van de beste zaken om mensen met een laag inkomen of mensen in armoede te betrekken – meer kinderen of jongeren uit kansengroepen te bereiken of om via buurtsport in te zetten op competentieontwikkeling bij jongeren in kansengroepen. U kent mijn project bij VDAB, waar ik probeer om sport in te schakelen voor competentieontwikkeling. Het is dus niet alleen om in ander netwerk terecht te komen dankzij sport, maar ook om aandacht te hebben voor competenties die je in de toekomst kunt gebruiken om een job te krijgen.

Ten tweede: een vormingstweedaagse ‘Sport en Armoede’, die ontwikkeld werd door het Netwerk tegen Armoede – ik vind dat altijd belangrijk dat de mensen die die mensen en de problematiek goed kennen, betrokken worden – in samenwerking met ISB, de Vlaamse Sportfederatie (VSF), Demos en verenigingen waar armen het woord nemen, om een online cursus te maken, zodat meer mensen bereikt kunnen worden.

We hebben het ISB tevens gevraagd enkele steden en gemeenten te begeleiden tijdens het realisatietraject voor laagdrempelige sportruimten, beweegvriendelijke publieke ruimten en open sportinfrastructuur. Die drie bijkomende initiatieven zijn er specifiek op gericht het accent meer te leggen op mensen in armoede en mensen met een lager inkomen.

Daarnaast hebben we de stad Oostende een bijkomende subsidie toegekend voor een proefproject met sociale sportcoaches. Zij worden ingezet voor de toeleiding naar en retentie in sportclubs van mensen in armoede. Op die manier spelen we echt in op wat ik uit de andere studie heb geleerd. Het gaat niet enkel om de centen. Vaak zijn er ook drempels van sociaal-culturele of andere aard.

Vorig jaar heb ik enkele valorisatietrajecten gestart, waarvan er twee specifiek voor de doelgroepen zijn bedoeld. Binnen die trajecten heeft de VUB een toolkit voor sportaanbieders ontwikkeld. Die toolkit staat in functie van de competentieontwikkeling van kwetsbare jongeren door middel van vrijwilligerswerk in de sportsector. Iemand kan sporten, maar hij kan ook vrijwilligerswerk uitvoeren in een sportclub. De KU Leuven heeft een methode ontwikkeld voor sportfederaties en -clubs om een light sportaanbod te ontwikkelen dat de drempel moet verlagen. Die trajecten zijn zo goed als klaar. We zullen de resultaten aan de sportsector voorstellen op een kennisdag over breed sporten op 6 juni 2017 in Technopolis.

Zoals ik eerder al heb verklaard, krijgt Demos op basis van het Participatiedecreet ondersteuning. Vanaf dit jaar voorzie ik in een bijkomende subsidie van 50.000 euro vanuit de sportbegroting. Dit maakt het mogelijk bijkomend in te zetten op sport.

Mijnheer Annouri, mijn antwoord op uw laatste vraag is kort. Ik vind het positief dat de ziekenfondsen de sportparticipatie bevorderen door bepaalde kosten terug te betalen. Langs de ene kant zorgt dit voor investeerders. Langs de andere kant hebben ze er zelf voordeel bij. Ik zie echter geen reden waarom de Vlaamse overheid hier nog iets bovenop zou plaatsen.

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Volgens mij zijn we het op dit punt oneens.

Ik wil echter een paar zaken verduidelijken. U hebt terecht verklaard dat er geen begripsverwarring mag ontstaan: mensen in armoede en mensen met een lager inkomen zijn twee verschillende groepen. Zoals u zelf hebt gesteld, heeft mijn vraag om uitleg niet zozeer betrekking op mensen in armoede, maar op mensen met een lager inkomen. Over de elementen die u hebt opgesomd, hebben we al een paar keer gedebatteerd. Het is een onderscheid dat we moeten maken. Daarover ben ik het eens. We hebben al een paar keer gedebatteerd over de maatregelen die worden genomen en we zullen dat nog doen. In eerste instantie gaat het echter om de mensen die in een lagere inkomensschaal zitten.

Op dit vlak is het onderzoek heel duidelijk: er is een probleem. De mensen met een hoger inkomen halen veel profijt uit de bestaande subsidiëring, maar voor de mensen met een lager inkomen geldt dit veel minder. Het voorstel in verband met de sportcheque zou volgens mij geen ander mattheuseffect sorteren, zoals u hebt gesteld, maar zou gewoon voor een meer gelijkwaardige verdeling zorgen. De mensen zouden dat bedrag zelf kunnen gebruiken op de plek waar ze zelf naartoe willen gaan, zoals fitnesscentra, Start to Run en andere vormen van sportbeleving die niet in aanmerking komen voor allerlei vormen van subsidies aan sportclubs en dergelijke. Dat is het grote pleidooi dat wordt gehouden. Er wordt voor gepleit die verandering door te voeren.

Als we het hebben over mensen in armoede en over sociale stigma’s, moeten we hiermee tijdens de debatten zeker rekening houden. Dit is echter zeer specifiek. Het gaat namelijk om een ongelijke verdeling tussen de hogere inkomens, die een groter deel van de taart inpikken, en de anderen. We moeten ervoor zorgen dat iedereen hier profijt uit kan halen. Net daarom blijven we ervoor pleiten hierover na te denken en op zijn minst te onderzoeken wat de gunstige gevolgen kunnen zijn.

Minister, volgens mij zou dit een gunstig effect kunnen hebben. Volgens u is dat niet het geval. Is er een manier waarop we in kaart kunnen brengen wat de gevolgen zouden kunnen zijn vooraleer we de discussie voortzetten? Volgens u zou dit geen effect hebben. Ik wil er geen welles-nietesspelletje van maken. Kunnen we dat al dat niet op een bepaalde manier in kaart brengen?

De voorzitter

De heer Wouters heeft het woord.

Peter Wouters (N-VA)

Mijnheer Annouri, ook wij zullen een beetje van mening verschillen. We zijn er niet van overtuigd dat een Vlaamse sportcheque zou werken.

We kunnen de vergelijking maken met de discussie die in deze commissie over cultuurparticipatie is gevoerd. Tijdens het debat met minister Gatz heeft hij verklaard dat de cheque vooral zijn weg vindt naar de mensen die al naar de cinema of het theater gaan. Die mensen kennen de weg al en maken hier gretig gebruik van. De beoogde doelgroep wordt eigenlijk niet bereikt.

Ik verwijs in dit verband naar de vraag om uitleg van de heer Moyaers over de geringe beleidsaandacht voor Multimove en Sportkompas van 6 oktober 2016. Ik heb dat toen ook al eens aangehaald. Het is een goede zaak dat dit wordt voortgezet en dat het laagdrempelig blijft. Ik heb toen echter ook al verklaard dat de rol van de lokale overheden op dit vlak zeer belangrijk is.

In Antwerpen vallen de sportcheques zelfs onder de districtsbevoegdheden. Hierdoor kunnen we zeer kort op de bal spelen. We zien de noden en we zien welke groepen we niet bereiken. Jongeren zijn de meest kwetsbare groep, zeker als de ouders niet willen sponsoren. Een jongerensportcheque helpt dan om het bedrag naar beneden te halen. Op die manier krijgen we die jongeren in het circuit van de clubs en dergelijke.

Mijnheer Annouri, we kennen allebei alle laagdrempelige clubs die rond het Rivierenhof bestaan. Zij leveren goed werk met die cheques.

De senioren vormen ook een moeilijke groep om aan het sporten te krijgen. Ook voor hen werken wij al met die cheques. Die vinden ook de weg naar de Start to Run’s. Het is natuurlijk altijd de zaak hoe je een zo breed mogelijk publiek bereikt. Misschien is dat uw oproep, om dat via Vlaanderen te promoten. Maar dan spreken we meer over de promotie, over hoe we mensen aan het sporten krijgen, dan over de middelen van de sportcheque. We kunnen veel beter oordelen over de lokale noden.

De voorzitter

De heer Moyaers heeft het woord.

Bert Moyaers (sp·a)

Het zal niet verbazen dat ik iets nauwer het gedachtegoed van de heer Annouri volg.

Mijnheer Wouters, u zegt dat de lokale overheden een heel belangrijke rol spelen. Ik ben daar ook van overtuigd, zeker in de zeer landelijke gebieden. Daar is het aanbod sowieso veel minder. Thuis in mijn dorp is spelen bij de voetbalploeg onder de kerktoren zowat het enige wat je kunt doen. In dergelijke gevallen zou een sportcheque interessant kunnen zijn.

Ik geloof heel sterk in de uitrol van de UiTPAS. Die kan hierin een belangrijke rol spelen. Hoever staat het daarmee? Is daar al zicht op?

Minister, ik heb horen zeggen dat u het Vlaams Instituut voor Sportbeheer en Recreatiebeleid (ISB) extra subsidies geeft om buurtsport te kunnen promoten. Dat is positief. Hoever staan we daar met de gemeenten die in dat project zijn gestapt? Toen ik het de laatste keer vroeg, had ongeveer één gemeente op vijf een buurtsportproject. Dat is natuurlijk een goed project, dat verder zou moeten kunnen worden uitgerold.

We hadden het ook over armoede. Minister Homans kent daar toch ook een en ander van. In september 2016 communiceerde zij dat zij projecten tot 860.000 euro zou geven voor tussenkomsten voor kinderen in armoede. Die tussenkomsten zouden er kunnen zijn voor sportoutfits. Kunnen u en minister Homans hier niet structureel samenwerken aan projecten? Zou dat geen grotere impact hebben?

De voorzitter

De heer Poschet heeft het woord.

Joris Poschet (CD&V)

Minister, ik heb over de OCMW’s een vraag die aansluit bij de vorige spreker. Hebt u plannen voor de samenwerking met OCMW’s, bijvoorbeeld in het kader van het Fonds Vrijetijdsparticipatie? U weet dat OCMW’s soms een beperkt budgetje hebben om hun klanten te ondersteunen om eens naar een theatervoorstelling te gaan of om het lidgeld voor een voetbalclub te betalen. Werkt u daar structureel samen?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Annouri, misschien verschillen we van mening. Uw voorstel en het voorstel van de onderzoeker hielden in: een sportcheque voor iedereen. Er zijn 6 miljoen Vlamingen. U had het over een budget van 500 euro. Neem nu dat Vlaanderen de helft financiert en we geven 6 miljoen Vlamingen elk 200 euro. Dat is 1,2 miljard euro. (Opmerkingen van Joris Poschet)

Ik ben altijd blij als er iemand voorrekent. Maar laat ons ernstig zijn, beste collega’s. Het budget voor Sport is een klein budget. Mijnheer Annouri en mevrouw Van Eetvelde, vanmorgen was ik in de commissie Werk en Economie. Als ik daar mijn budget voorstel, dan gaat dat over bedragen die tien tot honderd keren hoger liggen. We hebben dus een klein budget. Binnen dat budget zie ik een sportcheque voor allen niet zitten. Compleet niet. Dat betekent dus, opnieuw: focussen. Vraagt u dan aan mij waar er moet worden gefocust, dan zeg ik dat we lage inkomens moeten sensibiliseren en dat we de OCMW’s en de gemeenten moeten laten spelen. Dat gebeurt met het Participatiedecreet. De OCMW’s zijn daarbij betrokken en kunnen er een deel van de middelen mee creëren. Laat ons dan ook inspelen op armoede. Dat is mijn voorstel. We moeten armoede aanpakken. Dat zijn de projecten waarvoor ik extra budgetten vrijmaak binnen het beperkte budget van Sport.

U stelt voor om het niet voor iedereen te doen, enkel voor diegenen die onder een bepaald inkomen zitten. Dat zijn netto lonen. Wij gaan het conditioneren, terwijl er misschien heel andere noden zijn en er voor een deel herverdeling nodig is. Ik heb het daar wat moeilijk mee.

Mijnheer Moyaers, de stand van zaken over de UiTPAS moet u aan minister Gatz vragen. Ik heb daar geen overzicht van.

Voor buurtsport hebben wij een nulmeting gedaan en we zijn nu bezig met de eenmeting. Dit jaar gaan we die eenmeting doen en daarna kunnen we daar een stand van zaken van geven.

Uiteraard is het geen enkel probleem om samen te werken met minister Homans. We zullen dat bekijken. Het is op mijn voorstel dat ze dat voorbeeld heeft aangehaald. Die zaken proberen we samen te realiseren.

Mijnheer Moyaers, misschien zou ik wel willen meedoen met u, maar ik heb het budget niet. Dan zet ik in op armoede en sensibilisering als middel om iedereen aan het sporten te krijgen.

De voorzitter

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, het financiële argument is wel een valabel argument. Als u zegt dat er een groot budget is, dan hebt u volledig gelijk. Het spreekt voor zich dat het niet gaat over 6 miljoen Vlamingen. De drie maanden oude baby van mijn buren komt natuurlijk niet in aanmerking voor een sportcheque. We moeten dus niet die simplistische optelsom maken. Maar goed, ik volg u dat het een heel moeilijke financiële oefening is.

Dat neemt niet weg dat we niet moeten kijken naar die 500 euro die de Vlaming zelf investeert, maar laten we het dan anders bekijken. Die 33 tot 41 euro die Vlaanderen subsidieert aan de sportclubs, komt vooral bij de hogere inkomens terecht. Dat is een van de conclusies van dat onderzoek. Dat is natuurlijk net de aanklacht die we doen. Het budget dat we hebben en dat we voor alle Vlamingen vrijmaken, komt terecht bij de hogere inkomens en minder bij de lagere inkomens. Dan moeten we op zijn minst de oefening doen hoe we er kunnen voor zorgen dat dat bij iedereen terechtkomt. Die handschoen moeten we opnemen. Over hoe dat precies moet gebeuren, zal de Groenfractie zeker nog voorstellen doen. Die conclusie is voor mij de belangrijkste uit het onderzoek, en daar moeten we aandacht voor blijven hebben.

Bart Caron (Groen)

De UiTPAS en de kortingssystemen die op de UiTPAS zijn geïmplementeerd, zijn een interessante inspiratiebron om gericht beleid te voeren voor de juiste doelgroep tegen een voor de samenleving betaalbare som geld. We moeten dan bekijken hoe snel en hoe efficiënt we dat kunnen uitrollen voor Sport.

Ik geef dit mee omdat we er zelf jarenlang over hebben nagedacht hoe we dat efficiënt kunnen maken, zonder stigmatisering, zonder dat je een stempel op je voorhoofd krijgt: ik ben een arme luis of ik ben een sukkelaar. Dat stigma moeten we vermijden.

Die doelstelling delen we. De vraag is alleen wat de meest efficiënte en duurzame manier is om dat te bereiken.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.