U bent hier

De voorzitter

De heer De Gucht heeft het woord.

Voorzitter, minister-president, vanaf 1 januari 2017 werd de advisering van het agentschap Onroerend Erfgoed ingeperkt. De oorzaak van die transitie was het grote kerntakenplan van de Vlaamse overheid. Deze kerntakenplannen passen in de ruimere oefening van de Vlaamse overheid om haar bestuurlijk beleid doelmatiger en vooral ook efficiënter te maken, een oefening die werd aangekondigd in ons Vlaams regeerakkoord.

Bij het kerntakenplan van het agentschap Onroerend Erfgoed vormt de inperking van de advisering een belangrijk onderdeel. Zo werd het advies over onroerend erfgoed opgenomen in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed en de vastgestelde inventaris houtige beplantingen met erfgoedwaarde vervangen door een zorg- en motiveringsplicht voor administratieve overheden bij vergunningsplichtige aanvragen. Bij vergunningsaanvragen die betrekking hebben op percelen die palen aan een beschermd monument, verleent het agentschap sinds dit jaar niet langer een advies. Inzake vergunningsaanvragen die zijn gekoppeld aan de vastgestelde inventaris en/of tot de gemeentelijke autonomie behoren, verleent het agentschap ook niet langer een advies sinds dit jaar. Aansluitend daarbij zal het agentschap geen gebruik meer maken van de beroepsmogelijkheid tegen de beslissing van de vergunningverlener.

Verder wordt de procedure over de opmaak en goedkeuring van een beheersplan vereenvoudigd. De formele aanvraag tot opmaak van een beheersplan en de goedkeuring daarvan worden geschrapt. Als lokale besturen zelf een beheersplan opmaken, indien ze zelf eigenaar of gebruiker zijn, bijvoorbeeld bij stads- en dorpsgezichten, of ze dat op vraag van eigenaars of gebruikers doen als gevolmachtigde, moeten bij de opmaak van het beheersplan de volgende bijkomende gegevens worden aangeleverd: een voorstel voor ZEN-erfgoed (zonder economisch nut) en een voorstel van handelingen die worden vrijgesteld van toelating of van melding.

Het kerntakenplan stelt dus een wijzigende rol van de overheid voorop, van een controlerende naar een faciliterende rol. Dat is trouwens niet meer dan normaal. We kunnen echter voorlopig reeds vaststellen dat, ondanks de erkenning van actoren, er nog steeds een sterk controle uitgaat van de Vlaamse administratie. Zo is er het systematisch gebruik van bindende adviezen op basis van artikel 4.3.3. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsook de sterke controle op de opmaak en goedkeuring van de archeologienota’s, wat ik in deze commissie trouwens al diverse malen heb aangekaart.

Minister- president, hoe beoordeelt u de cultuuromslag van het agentschap anno 2017? Stelt u ondertussen een draagvlakvergroting vast voor onroerend erfgoed in Vlaanderen? Heeft uw beleid reeds voldoende de lokale besturen gesensibiliseerd op het vlak van dat vergunningsbeleid? Hoe beoordeelt u de valorisatie van de erkende actoren? Bent u bereid om via de erkenning van bepaalde actoren precies meer vertrouwen en autonomie te geven aan de belangrijke spelers binnen de sector en binnen het uitgebreide werkveld? Ik denk daarbij aan de archeologen. We hebben we daar al een paar keren over gehad. Zal deze cultuuromslag aan bod komen bij de evaluatie van het Onroerenderfgoeddecreet, waarnaar we allen uitkijken? Zo ja, hoe gaat men dat meten? Waarom blijft de archeologienota onderworpen aan een dure en vooral omslachtige goedkeuringsprocedure? Is daar ook geen ruimte voor vereenvoudiging, bijvoorbeeld door de vergunningverlenende instantie te laten aangeven in welke zones en vanaf welke perimeter men een echte archeologienota wenselijk acht? We hebben het daar ook al even over gehad.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Mijnheer De Gucht, u verwijst naar het regeerakkoord. Ik wil u er toch op wijzen dat er sprake is van twee aparte zaken. In het regeerakkoord staat enerzijds de cultuuromslag als doel op zich, en anderzijds de beperking tot het uitvoeren van de kerntaken. Er zijn een aantal kerntaken die verband houden met die cultuuromslag, of die er een impact op hebben, maar het is niet het kerntakendebat of de kerntakenbeslissing op zich die aan de basis ligt van de cultuuromslag of er de sleutel toe is. De cultuuromslag gaat in eerste instantie over een andere attitude van de medewerkers van het agentschap Onroerend Erfgoed, over de ingesteldheid, de houding van die mensen. Dat is dus een mentaliteitswijziging. Ik heb altijd gezegd dat zoiets diverse acties vergt. Dat vergt dat dat men op die mensen inspreekt. Dat vergt dat men optreedt wanneer bepaalde situaties zich voordoen. We hebben dat hier onlangs nog meegemaakt naar aanleiding van het kerkenbeleidsplan dat is gevraagd. Dat is dus een patroon waarin een evolutie tot stand moet worden gebracht. Het agentschap heeft daar ook tal van initiatieven voor genomen in de voorbije tweeënhalf jaar, onder andere inzake klantgerichtheid, oplossingsgerichtheid, overleg met belanghebbenden en samenwerking. Ik ga daar niet in detail op in.

Daar zijn de eerste positieve resultaten van te merken. Een – weliswaar beperkt –klantentevredenheidsonderzoek toont aan dat die klantentevredenheid toeneemt, van 6,6 naar 8 op 10. Er zijn ook steeds meer positieve reacties van stakeholders op structureel overleg met het agentschap zelf. Ik kan ook zeggen – maar wie ben ik – dat ik op diverse plaatsen in Vlaanderen op het terrein van betrokkenen, privé en publiek, hoor dat er een positieve, oplossingsgerichte dialoog en samenwerking is geweest met de erfgoedconsulent. Ik denk dat we al een hele weg hebben afgelegd, zonder dat we kunnen zeggen dat de doelstelling is bereikt. Er is nog elke dag de vaststelling dat er werkpunten zijn.

Over het draagvlak voor onroerend erfgoed heb je twee grote, tegenstrijdige meningen. Sommigen zeggen dat er onvoldoende draagvlak is in Vlaanderen voor onroerend erfgoed. Ze verwijzen naar het nimbysyndroom, naar de administratieve rompslomp. Andere mensen staan er heel positief tegenover. Er zijn zelfs mensen die vragen om hun eigendom beschermd te krijgen. Er is bijvoorbeeld ook telkens het enorme succes van Open Monumentendag. Je ziet dat telkens honderdduizenden Vlamingen daarvoor worden gemobiliseerd. Om dat dus objectief te meten, zal het agentschap wetenschappelijk onderzoek laten uitvoeren, een draagvlakonderzoek dat wetenschappelijk onderbouwd is. Als je immers afgaat op wat wordt gezegd, op wat je zelf denkt te voelen in de samenleving, dan leidt dat tot tegenstrijdige conclusies in dezen.

Er moet ook een onderscheid worden gemaakt tussen dat draagvlak enerzijds en de cultuuromslag bij het agentschap anderzijds. Het ene heeft uiteraard ook met het andere te maken. Het draagvlak voor onroerend erfgoed wordt onder meer mee bepaald door de manier waarop onze administratie omgaat met de stakeholders, met de publieke overheden, met de aanvragers van een premie, met het verlenen van allerlei akkoorden en dergelijke meer. Onder andere, bijvoorbeeld, het grote aantal lokale actoren die actief worden inzake onroerend erfgoed, lijkt me toch wel aan te tonen dat er meer draagvlak is ontstaan.

In de voorbije 3 jaar hebben 23 intergemeentelijke samenwerkingsverbanden zich laten erkennen als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst. Ze vertegenwoordigen in totaal 162 gemeenten, die op die manier een eigen onroerenderfgoedwerking uitbouwen en inzetten op onroerenderfgoedzorg. Daarnaast zijn er nog 17 erkende onroerenderfgoedgemeenten. Een van de factoren of criteria voor die erkenning is de wijze waarop de gemeente werkt aan de verbreding van het draagvlak. Elke erkende onroerenderfgoedgemeente moet ook beschikken over een adviesraad die het onroerend erfgoed als taak toebedeeld heeft gekregen.

Je kunt dus zeggen dat er op lokaal vlak een sterke uitbreiding is van de betrokkenheid, van eigen beleidsontwikkeling, zowel intergemeentelijk als gemeentelijk.

Dan is er de sensibilisering van de gemeenten. Het is natuurlijk zo dat de gemeenten, de lokale besturen zelf kiezen hoe ze zich voorbereiden op een eventuele uitgebreidere verantwoordelijkheid in de onroerenderfgoedzorg. Dat is voor ons een principe. Denken we aan het wegvallen van de bindende adviezen verleend door het agentschap. De lokale besturen nemen een aantal taken over met het in werking treden van het kerntakenplan, bijvoorbeeld adviestaken in het kader van de zorgplicht. Om een lokaal erfgoedbeleid uit te werken heeft de administratie ervoor gezorgd dat er omkadering is. Er zijn handleidingen ter beschikking gesteld, bijvoorbeeld over het verankeren van erfgoed in ruimtelijk beleid. Er is begeleiding bij het herinventarisatie van erfgoed. Er zijn toelichtingen, bijvoorbeeld over de regelgeving. Het agentschap maakt dit jaar ook werk van een nota over de invulling van de zorg- en motiveringsplicht ter ondersteuning van de lokale besturen, en zal dat ook gaan toelichten op de ondertussen toch wel geïnstitutionaliseerde overlegmomenten met de gemeenten.

Het agentschap heeft in 2015 en in 2016 infosessies georganiseerd voor de gemeenten die overwogen om een erkenning als onroerenderfgoedgemeente aan te vragen. Door het wegvallen van een aantal adviestaken kan het agentschap zich uiteraard meer gaan toeleggen op zijn faciliterende rol en die rol ook intenser op zich gaan nemen. U weet dat het agentschap ook geen bindende adviezen meer verleent.

De zorg voor het onroerend erfgoed is echter een gedeelde verantwoordelijkheid. Daarom zijn er in het decreet verschillende soorten erkenningen opgenomen, zoals voor onroerenderfgoedgemeenten, intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten, onroerenderfgoeddepots, archeologen en metaaldetectoristen. Sommige van die actoren waren al actief nog voor de inwerkingtreding van het Onroerenderfgoeddecreet, maar kenden nog geen decretale verankering. Denken we maar aan de intergemeentelijke archeologische diensten, de intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten, de archeologische bedrijven en de metaaldetectoristen. Ze namen wel al een rol op zich, maar de taakverdeling duidelijk vastleggen was natuurlijk moeilijker bij gebrek aan decretale basis. De erkenning zorgt ervoor dat het voor die actoren nu begrijpelijker is op welke manier ze complementaire taken op zich kunnen nemen binnen dat decretaal kader.

De erkenning van de onroerenderfgoedgemeenten is nieuw. Die kwam er naar aanleiding van de interne staatshervorming, waarbij werd beslist dat nog twee bestuursniveaus zouden focussen op de onroerenderfgoedzorg, namelijk de Vlaamse overheid en de gemeentelijke overheid. Daarmee is aan het principe van de subsidiariteit ook in dit decreet uitwerking verleend.

De erkenning van onroerenderfgoeddepots is een nieuw gegeven. Ik stel vast dat er na de inwerkingtreding van het decreet heel wat beweegt. Ik gaf daarnet al enkele cijfers, maar geef nog eens het totale plaatje. Er zijn op dit ogenblik 17 erkende onroerenderfgoedgemeenten, 23 erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten met dus 162 aangesloten gemeenten, 13 erkende onroerenderfgoeddepots, 140 erkende archeologen als natuurlijk persoon, 24 archeologen als rechtspersoon en 1248 erkende metaaldetectoristen.

De evaluatie betreft een evaluatie van de onroerenderfgoedregelgeving, zoals u weet. Die evaluatie zal gebeuren op basis van cijfers over de jaren 2015 en 2016. De gevolgen van het kerntakenplan, geïmplementeerd vanaf 1 januari 2017, zijn daarin dus niet terug te vinden. De evaluatie is geen evaluatie van de werking van het agentschap.

Ik kom tot de archeologienota. Ik verwijs in de eerste plaats naar de uitvoerige antwoorden die ik gaf op de vragen van onder andere uzelf en mevrouw Van Werde hieromtrent. Ik wil echter beklemtonen dat het geenszins klopt dat de archeologienota onderworpen is aan een omslachtige goedkeuringsprocedure. Uit een objectieve vergelijking tussen het Archeologiedecreet en het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet blijkt dat de rol van de overheid, van het agentschap dus, sterk is teruggedrongen. Onder het Archeologiedecreet besliste de Vlaamse overheid over zowat alles inzake archeologie. Onze administratie schreef zelf de bijzondere voorwaarden uit. Nu reduceert het Onroerenderfgoeddecreet de beslissingsbevoegdheid van de overheid tot de strategische momenten in het onderzoek, namelijk de melding van het vooronderzoek met ingreep in de bodem en de bekrachtiging van de archeologienota en de nota. Uit overleg met de erkende archeologen blijkt ook dat ze zelf vragende partij zijn voor ondersteuning en begeleiding bij hun opdracht en voor toezicht in de sector door de Vlaamse overheid.

De vereenvoudiging die u suggereert, is dus al doorgevoerd bij de overgang van het Archeologiedecreet naar het Onroerenderfgoeddecreet.

Wat de rol van de vergunningverlenende instantie betreft, belet niets dat steden en gemeenten input leveren over de percelen die kunnen worden toegevoegd op de kaart van gebieden waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, maar ook andere informatie die kan worden verwerkt in de centrale archeologische inventaris mag altijd worden aangeleverd.

Tot slot maken de oppervlaktecriteria en de vrijstellingen wel degelijk deel uit van de evaluatie van het Onroerenderfgoeddecreet. Hier zal ook op ingegaan worden met het evaluatierapport.

De voorzitter

De heer De Gucht heeft het woord.

Minister-president, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord.

Een archeoloog heeft een universitair diploma en een erkenning. Ik weet dat verscheidene archeologen vandaag niet altijd het beste werk leveren, dat kan gebeuren, maar die moeten er dan uit op basis van steekproeven. Wanneer zij hun werk niet op de juiste manier doen, moeten zij gewoon hun erkenning verliezen. In een systeem waarbij mensen of bureaus van archeologen worden erkend, kan men evengoed met steekproeven werken in plaats van dat door een volledig team te laten doen. We moeten daarnaar evolueren.

Wanneer er vandaag twijfels zijn bij sommige archeologen die meermaals tekortschieten, dan moeten we daartegen optreden. U vindt in Open Vld een partner voor de maximale bescherming van het archeologisch erfgoed in Vlaanderen en van het onroerend erfgoed in het algemeen. We moeten ervoor zorgen dat wat er nog rest, en er is jammer genoeg al ongelofelijk veel verdwenen, zo goed mogelijk wordt beschermd.

Er is een takenpakket overgeheveld naar de lokale overheden. We moeten ervoor zorgen dat die lokale overheden daar op de juiste manier mee omgaan en daartoe worden gesensibiliseerd. Een dialoog is daar van enorm belang.

De overlegmomenten tussen de archeologen en de onroerenderfgoedconsulenten verlopen, zo blijkt uit signalen vanop het werkveld, niet altijd even goed. Dat zou te maken hebben met het feit dat er niet altijd een even goede bereikbaarheid is en dat er soms te veel op het bord van de erfgoedconsulenten ligt.

Tot slot wil ik nog een opmerking maken die misschien overkomt als een fait divers maar dat niet is. De telefonische bereikbaarheid van de diensten is enorm teruggeschroefd. Ik heb het dan over de dienstverlening ten aanzien van de mensen die daarmee worden geconfronteerd. Wanneer men vandaag een voltijdse betrekking heeft en niet de mogelijkheid heeft om een telefoongesprek te voeren dat geen 5 minuten maar een stuk langer duurt, dan gaat dat niet tenzij men een dag vakantie neemt. Over de middag is men niet bereikbaar, in de voormiddag en in de namiddag is men een aantal uren bereikbaar. Men heeft dus een wekelijkse bereikbaarheid van ongeveer 15 uur, wat volgens mij te weinig is wanneer men ervoor wil zorgen dat iedereen die daarmee wordt geconfronteerd, op de juiste manier telefonisch wordt geholpen.

De voorzitter

Mevrouw Van Werde heeft het woord.

Minister-president, ik vertel niets nieuws en u hebt al vaak aangegeven dat er inderdaad werk moet worden gemaakt van een cultuuromslag. Dat gaat echter niet van vandaag op morgen. Zoals u daarnet zei, is daar een mentaliteitswijziging voor nodig en dat neemt tijd in beslag. Naarmate echter de lokale besturen, de intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten (IOED’s) en de onroerenderfgoedgemeenten groeien in dat proces, zal de administratie Onroerend Erfgoed ook meer durven en kunnen loslaten.

Wat de archeologie betreft, is er heel wat gebeurd. Dat weet u ook, mijnheer De Gucht. Het aantal weigeringen van de archeologienota’s is gedaald, er wordt nog op hoofdlijnen gecontroleerd en we hebben een archeologienota light geïntroduceerd. Mensen kunnen dus sneller besluiten dat de kans op bodemarchief minimaal is. Onroerenderfgoedgemeenten kunnen de archeologienota intussen zelf bekrachtigen, ook de archeologienota light. Ze kunnen ook zelf beslissen of en wanneer er onderzoek nodig is. Het agentschap komt dan niet meer tussenbeide. Dit is eigenlijk een oproep voor nog meer onroerenderfgoedgemeenten, maar ik zie dat het aantal stijgt.

Het kan inderdaad nog beter en daarom zal ik binnenkort een voorstel van decreet voorleggen met een aantal aanpassingen aan de regelgeving. Mijnheer De Gucht, u zei net dat de minister in Open Vld een 'partner in crime' vindt om het erfgoed nog beter te evalueren en te beschermen. Ik hoop dat ik in u ook een 'partner in crime' vind om dat voorstel van decreet te steunen.

De voorzitter

Dat is dan een nieuwe versie van Bonnie en Clyde.

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Ik zal niet mogen meedoen, vrees ik. Een 'partner in crime' wil ik ook niet echt zijn.

Minister-president, uit uw antwoord heb ik begrepen dat het geen kerntaak meer is van het Vlaamse niveau en dat een aantal taken verhuizen naar het lokale of intergemeentelijke niveau.

Ik heb begrepen dat de IOED’s 162 gemeenten omvatten en dat er 17 erkende onroerenderfgoedgemeenten zijn. Dat is al een mooi resultaat. Wanneer we echter dit beleid echt goed willen uitrollen, moeten we een maximaal dekkend geheel hebben in Vlaanderen. Als we de competentie verwachten op het lokale of intergemeentelijke niveau, dan is de vraag of er nog stimulansen worden gegeven en of er regelmatig nog nieuwe aanvragen bij komen. Hebt u ook de ambitie om dat gebiedsdekkend te maken?

In een correspondentie met het agentschap heb ik dezelfde opmerking gemaakt als de heer De Gucht over de dienstverlening. De nieuwe procedure bespaart tijd bij de Vlaamse overheid omdat niet over alles advies moet worden gegeven, maar dat belet niet dat die lokale besturen, opdrachtgevers, archeologen en bouwheren vaak vragen hebben en met die vragen terecht moeten kunnen bij diezelfde dienst. Het is niet omdat het niet meer moet dat het niet meer mag en men dus geen advies meer kan vragen. Ik denk dat dit net ook aansluit bij uw beleidsintentie, minister-president, dat het agentschap, de inspectie en de medewerkers eerder een coachende rol hebben dan een inspecterende, controlerende rol. Dat is wat u wilt en ook wat ik wil. Ik ben vragende partij – en misschien heeft dat te maken met het volume aan personeelsleden of met een omslag van de regelgeving, ik ben daar mild in maar ik krijg dat verhaal ook regelmatig in mijn mailbox – dat die coachende rol maximaal wordt opgenomen door de diensten.

De voorzitter

Minister-president Bourgeois heeft het woord.

Minister-president Geert Bourgeois

Mijnheer De Gucht, ik begrijp dat het overleg niet altijd even goed of gestroomlijnd verloopt – het hoofd van het agentschap zit bij ons – maar ik hoor ook veel positieve zaken. Dat er nog werkpunten zijn, daar ben ik het mee eens. Wanneer het gaat over echt flagrante gevallen, dan vraag ik om die te signaleren aan het agentschap. Wanneer bepaalde zaken echt niet vooruitgaan en er in plaats van een coöperatieve werking eerder een obstruerende werking is, dan moet men daar iets aan doen. Ik hoop dat die gevallen zich niet meer voordoen, maar als dat zo is, dan moet daartegen opgetreden worden.

Het overleg met de steden en gemeenten door het agentschap gebeurt intensief. Vanmorgen is er nog samengezeten met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.

De telefonische bereikbaarheid is nu conform het charter van de Vlaamse overheid, maar het is de bedoeling om dat nog te verbeteren. De aanwerving van mensen uit de buitendiensten loopt nu met de bedoeling om tegen de jaarwisseling de dienst nog te versterken en met een algemeen infoloket te kunnen werken. Nu is dat conform, maar blijkbaar ook niet meer dan dat, het charter van de Vlaamse overheid inzake bereikbaarheid. Er is inderdaad een verbetering nodig, het agentschap maakt daar nu werk van op de manier die ik zonet heb geschetst.

Mijnheer De Gucht, wanneer die archeologienota’s telkens opnieuw slecht blijken te zijn en niet voldoen, dan zullen de erkenningen ook worden ingetrokken. Wie slecht presteert, zal niet langer over een erkenning kunnen beschikken.

Wat de vraag over bijkomende steden en gemeenten betreft, betreur ik dat van de grotere steden voorlopig alleen Leuven bereid is om die stap te zetten. Dat is gekoppeld aan de beleids- en beheerscyclus van de steden en gemeenten waarover we in de voorbije periode regelmatig hebben gepraat in het kader van binnenlands bestuur. De programma’s van de gemeenten verlopen volgens een cyclus van drie jaar. Wie nu niet is ingestapt, moet dus wachten tot de volgende instap.

De voorzitter

De heer De Gucht heeft het woord.

Minister-president, wanneer we het hebben over onroerend erfgoed, is het zeker niet de bedoeling om dat aan te vallen. Ik wil er gewoon op wijzen dat er misschien wat schort, ofwel aan de personeelsbezetting, ofwel aan de overlast in het dossierbeheer waardoor sommige afspraken wellicht moeilijker verlopen. Bovendien zijn er niet zoveel archeologen maar hun aantal stijgt wel. Om dan die twee agenda’s op elkaar te laten aansluiten, is niet altijd evident. U kent dat wellicht ook uit uw eigen functie.

Ik kijk in elk geval uit naar de evaluatie. Er komt ook een voorstel van decreet en een voorstel van resolutie waaraan we nog hard aan het werken zijn. We hopen dat we het beleid daarmee kunnen ondersteunen en ervoor kunnen zorgen dat het onroerend erfgoed en de archeologienota’s die daarbij horen, in de toekomst op een goede manier worden ontwikkeld.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld

van Ann Brusseel aan minister Geert Bourgeois
1819 (2016-2017)
van Tine Soens aan minister Geert Bourgeois
1844 (2016-2017)
Vraag om uitleg van Manuela Van Werde aan Geert Bourgeois, minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed, over historische liften in gebouwen

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.