U bent hier

De heer Poschet heeft het woord.

Voorzitter, Vlaanderen is wereldkampioen jeugdwerk. Elke week zetten tienduizenden jongeren zich belangeloos in om fijne activiteiten aan te bieden aan kinderen en jongeren. Het opbouwen van een vertrouwensband is daarbij essentieel, vooral voor jeugdverenigingen die samenwerken met maatschappelijk kwetsbare kinderen en jongeren. Er is echter een tendens in het brede beleidsveld waarbij het jeugdwerk preventief wordt ingezet om maatschappelijke problemen zoals radicalisering en discriminatie tegen te gaan. Op zich is er voor onze fractie niets fouts aan om de kracht van het jeugdwerk in te zetten ten voordele van andere maatschappelijke doelstellingen. We ontvangen echter signalen van ongeruste jeugdwerkers, die vrezen dat ze voortaan zullen worden verplicht om bijvoorbeeld informatie door te geven aan de politie bij vermoedens van radicalisering van jongeren waarmee ze aan de slag zijn in hun organisatie.

Het doorgeven van informatie aan lokale overheden, politie of externe professionele hulpverleners kan getuigen van de beste intenties in de omgang met jongeren, maar doorbreekt ook de vertrouwensband tussen de jongere in kwestie en de jeugdwerker, en die band is juist van cruciaal belang in deze vorm van jeugdwerk. Meer nog, het doorgeven van informatie doorbreekt de discretieplicht die bijvoorbeeld expliciet is opgenomen in de deontologische code van enkele jongerenorganisaties. Het doorgeven van informatie kan enkel in samenspraak met de jongere in kwestie of bij uitzonderlijke situaties, zoals bij noodtoestanden, door wettelijke verplichtingen enzovoort. Dit past ook in een ruimere discussie over het beroepsgeheim. Dat was een van de gevoeligste punten die we hebben behandeld bij de opmaak van de gezamenlijke en kamerbrede resolutie van 19 mei 2015 over de strijd tegen radicalisering. Met vijf andere collega’s van CD&V hebben we dat ook opgenomen in onze conceptnota betreffende de aanpak van radicalisering van 11 maart 2015. Daarin vermeldden we het belang van een goede band tussen de jeugdwerker en de begeleide jongeren enerzijds en een constructieve dialoog met externe partners anderzijds. De jeugdwerkers moeten daarin worden ondersteund en gevormd. Geenszins mogen ze worden verplicht om vertrouwelijke informatie door te spelen.

Op langere termijn kan de breuk van die vertrouwensbanden veel schade berokkenen bij de groep van maatschappelijk kwetsbare jongeren. Op deze manier verliezen ze immers het vertrouwen in het jeugdwerk en de samenleving. Minister, ook uw projectoproep ‘bruggenbouwers binnen en naar het jeugdwerk’ sluit aan bij die beleidsvisie. Ik citeer: “Hoofddoel is het realiseren van jeugdwerk voor kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. De projecten moeten een brug slaan tussen bestaande jeugdwerkingen in de vrije tijd en/of andere organisaties die kinderen en jongeren in hun brede diversiteit bereiken. Voorbeelden zijn kinderen, jongeren en gezinnen in armoede, met een migratieachtergrond, met een handicap, in instellingen, enzovoort. Bruggenbouwers leggen contacten met jongeren en/of gezinnen, aanbieders van vrije tijd en andere partnerorganisaties: ze informeren en sensibiliseren in beide richtingen, zorgen ervoor dat ze rechtstreeks aanspreekbaar blijven, starten individuele trajecten op, brengen drempels in kaart, detecteren lacunes… Anderzijds zorgen zij voor verbinding van jongeren en/of gezinnen, doordat ze naar het bestaande aanbod leiden, een bestaand aanbod naar de jongeren brengen, nieuw aanbod creëren samen met (rondhangende) jongeren, ontmoeting opzetten tussen (rondhangende) jongeren en andere jongeren, buurtbewoners, instanties.”

Minister, hebt u ook signalen opgevangen over de onrust in het jeugdwerk met betrekking tot het in het gedrang komen van die discretieplicht? Wat is uw mening hierover? U hebt gisteren bekendgemaakt welke ingediende aanvragen voor dit project inzake bruggenbouwers werden geselecteerd. Zou u een toelichting kunnen geven bij het aantal ingediende dossiers? Als ik goed heb geteld, zijn er twaalf geselecteerd. Hoeveel zijn er in totaal ingediend? Hoe werden ze beoordeeld en wat is de motivering voor de gekozen projecten?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Er was eerst uw vraag over de onrust in het jeugdwerk en de discretieplicht, waar u terecht naar verwees. Ik deel de mening over het belang van een goede band tussen jeugdwerkers en begeleide jongeren enerzijds, en van een constructieve dialoog met externe partners anderzijds. Jeugdwerkers mogen geenszins worden verplicht om vertrouwelijke informatie door te spelen. We moeten vermijden dat er een breuk zou komen in de vertrouwensband die soms moeizaam werd opgebouwd. De afdeling Jeugd volgt het Vlaams overleg inzake radicalisering nauwgezet op en organiseert op regelmatige basis een sectoroverleg over de preventie van extreem geweld en de rol die het jeugdwerk daarbij kan spelen. Ze vangt inderdaad die signalen ook op. Jeugdwerkers krijgen vragen om informatie uit verschillende hoeken, en het is niet altijd duidelijk wat kan en hoe die informatie wordt gebruikt. Kan dat? In welke gevallen? De vraag is ook hoe men erover in gesprek kan gaan met besturen, lokale besturen in het bijzonder, en veiligheidsdiensten. Welke informatie kunnen ze dan delen, welke afspraken moeten er dan worden gemaakt met de partners, en wat hebben de jongeren daarover te zeggen?

Ik stel ook vast dat de jeugdsector ter zake zelf al wel wat expertise heeft ontwikkeld en er samen mee aan de slag is gegaan. De Ambrassade zette het op de agenda van zijn sectortweedaagse en Uit De Marge organiseert er een hele studiedag over, op dinsdag 9 mei in Brussel, onder de titel ‘Deontologie onder druk: hoe omgaan met vertrouwelijke informatie?’.

In het jeugdwerk krijgt men heel wat informatie toevertrouwd. Welke informatie mag worden gedeeld en welke niet, en met wie, en geeft de discretieplicht dan een antwoord op die vragen? Al in 2010 lanceerde Uit De Marge ook een deontologische code die werd vormgegeven met praktijkwerkers en experten. Het werd een leidraad bij morele discussies over hoe men moet handelen als jeugdwerker. Op de studiedag van 9 mei staat men stil bij de code en de veranderende context waarin men die moet toepassen. De studiedag richt zich naar jeugdwelzijnswerkers met discretieplicht of jeugdwelzijnswerkers die kennis willen maken met de discretieplicht, wat niet hetzelfde is als het beroepsgeheim. Via workshops gaan ze op zoek naar manieren om in de praktijk met morele dilemma’s om te gaan.

We volgen die gesprekken aandachtig op. Ik heb er vertrouwen in dat men in de jeugdsector zeer genuanceerd zal omgaan met eventuele verontrustende situaties. Ik heb de jeugdsector ook eerder via een brief gevraagd om zich open op te stellen ten aanzien van en desgevallend samen te werken met de lokale integrale veiligheidscellen (LIVC’s), maar ik blijf er alert voor dat het jeugdwerk zijn rol van jeugdwerk kan en mag blijven spelen, in vertrouwen met kinderen en jongeren. Een vertrouwensbreuk zou inderdaad daadwerkelijk veel schade berokkenen bij de groep van maatschappelijk kwetsbare jongeren, die op die manier ook het vertrouwen zouden kunnen verliezen, niet alleen in de jeugdwerkers en de veiligheidsdiensten, maar ook in de samenleving als geheel. Of misschien moet ik zeggen ‘verder zouden kunnen verliezen’.

Dan was er uw specifieke vraag met betrekking tot de bruggenbouwersprojecten. 66 projecten werden tijdig ingediend. Op basis van de ontvankelijkheidscriteria werden 2 tijdig ingediende projecten toch afgewezen, omdat de indieners niet beantwoordden aan de vereiste dat ze een vzw moeten zijn. De projecten van die organisaties kwamen dus niet in aanmerking voor verdere beoordeling. Er bleven er dus 64 over. Die werden beoordeeld door een groep van 13 ‘lezers’, als ik ze zo mag noemen. Elk project werd door minstens 2 mensen gelezen en beoordeeld op een online formulier. De groep bestond uit ambtenaren van de afdeling Jeugd en 3 externe deskundigen. Aan de hand van de scores op de diverse beoordelingscriteria werd dan een eindscore berekend, waarbij rekening werd gehouden met de vooraf bepaalde weging per criterium.

Ik breng even de criteria in herinnering. Het voorgestelde initiatief moet een brug slaan tussen een organisatie met een link naar kwetsbare kinderen en jongeren en een jeugdwerkinitiatief. Outreachend werken strekt tot aanbeveling. Dat criterium woog voor 25 procent mee in de beoordeling. Het project moet ook planmatig en doelgericht worden aangepakt en er moet voldoende garantie zijn voor een kwaliteitsvolle uitvoering ervan. Ook dat criterium telde voor 25 procent mee. Het project moet vernieuwend en creatief zijn. Dat telde voor 20 procent mee.

Dan waren er nog drie criteria, die elk voor 10 procent meetelden: er wordt samengewerkt met lokale besturen en andere partners op het terrein; er is een stuurgroep en de doelgroep wordt betrokken in de ontwikkeling, uitvoering en evaluatie; het initiatief is duurzaam en overdraagbaar. Dat laatste is niet onbelangrijk. Vooral dat laatste is toch ook wel een uitdrukkelijke doelstelling van de projectmiddelen op dit ogenblik.

Op basis van die eerste lezing werden 24 dossiers geselecteerd, namelijk alle projecten die in de eerste ronde afgerond 80 procent scoorden. Die werden bezorgd aan de jury. De jury vergaderde op 31 maart 2017 en deed een voorstel voor subsidiëring van 12 projecten op basis van die 6 criteria.

Inmiddels is de beslissing genomen. Ik ga u nu de namen van de organisaties geven en waar ze zich ongeveer situeren, maar ik stel voor dat ik u met betrekking tot de motivering ervan het volledige jurydocument bezorg. Men heeft er immers een hele kluif aan om dat te lezen en verder af te wegen.

Het gaat om Circusplaneet uit Gent, JES vzw met een project in Antwerpen, JES vzw met een project in Brussel, VOC Opstap vzw uit Tielt en PIN (Partners in integratie) vzw Beersel. Ook is er de vzw Cultureghem, die in Anderlecht, Brussel en zelfs een stukje Vlaams-Brabant actief is met dit project. Er is ook Limburgs Steunpunt Straathoekwerk vzw, dat bovenlokaal in Riemst, Opglabbeek, Bree, Tongeren, Genk en Bilzen zal werken. Er is JOC Ieper vzw, dat uiteraard in Ieper actief is. Ook is er de Jeugdbond voor Natuur en Milieu (JNM), die in Sint-Jans-Molenbeek zijn kernwerking heeft. Er is Koraal vzw, dat bovenlokaal in Antwerpen, Schoten en Wommelgem actief is. Er is een nieuw project J@M in Mechelen, en ten slotte is er Jong vzw uit Gent, u zeker ook welbekend. De bijkomende informatie volgt.

Deze beslissing is nu wel voorgelegd aan de Inspectie van Financiën, die ter zake nog advies moet uitbrengen, maar ik ga er wel van uit dat alle betrokkenen definitief, met goedkeuring door de inspectie, voor 20 mei op de hoogte kunnen worden gebracht. Er werd immers niet afgeweken van het voorstel van de jury. Dan kan het voorbehouden subsidiebedrag binnen die totaalenveloppe van 500.000 euro ook worden meegedeeld. De projecten kunnen dan starten vanaf 1 juni 2017.

De geselecteerde projecten zullen uiteraard verder worden opgevolgd en geëvalueerd. In functie daarvan werd een opdracht voor een begeleidingsonderzoek uitgeschreven. De praktijken zullen in samenwerking met het beleidsnetwerk diversiteit worden gebundeld en ontsloten voor andere organisaties. De geselecteerde projecten dienen daaraan mee te werken. Dat is evident. U begrijpt dat we echt wel hopen dat alle projecten, of zeker een aantal, een verdere inspiratie qua methodiek met zich mee kunnen brengen voor de jeugdsector in de breedte. Dat is wel degelijk de bedoeling, maar goed, eer we daar dan aan toe zijn, zijn we al gemakkelijk weer een jaar verder. Het is interessant om daar in de commissie de nodige opvolging aan te geven. Voorzitter, mochten alle grote werven in deze commissie ooit achter de rug zijn, kan het zelfs interessant zijn om een terreinbezoek te brengen aan een aantal van die organisaties, ook voor mij, want het is niet zo dat ik die allemaal in detail ken. Een aantal zijn me zeer goed bekend, een aantal minder.

Ik vind het ook goed dat de jury uitdrukkelijk gekozen heeft voor een goede spreiding en dus niet alleen in Gent, Antwerpen en Brussel projecten heeft geselecteerd. Op die manier kan worden bekeken wat men doet, waarin men slaagt, op welke muren men eventueel nog stoot en wat dit als inspiratie en leertraject met zich kan meebrengen voor de bredere sector. Dat laatste is voor mij de belangrijkste vraag.

Ik noem de twee extremen van de organisaties die hiervoor hebben ingetekend. Een grote en eerbiedwaardige organisatie, die nog altijd heel nadrukkelijk op het terrein is ingeplant, is JES vzw. Dat is misschien een usual suspect bij het intekenen op dit soort oproepen. Maar bijvoorbeeld bij J@M is het interessant dat men daar een ‘grassroots’-project heeft opgericht om te zien hoe we onze jeugdbewegingen nog meer dan ze nu al openstaan, voor wie dan ook effectief openstellen. Dat is een heel andere aanpak en professionaliteit. Het is een vallen en opstaan. Daartussen bevinden zich alle andere organisaties. Ik ben blij dat er organisaties bij zijn die minder bekend zijn. Ik ben ook benieuwd naar Tielt, Beersel, Wommelgem en Ieper in het bijzonder.

De heer Poschet heeft het woord.

Ik kijk vooral uit naar Riemst en Opglabbeek.

Minister, over de discretieplicht zegt u min of meer letterlijk: “Desgevallend moeten de jeugdorganisaties zich openstellen voor lokale veiligheidsdiensten.” Maar er komen geen algemene richtlijnen vanuit de afdeling Jeugd, over hoe eventueel richting moet worden gegeven aan deontologische codes. Dat heb ik genoteerd.

Ik wil echt niet de lastigaard uithangen, dat ligt echt niet in mijn karakter, maar ik begrijp niet goed waarom u gisteren communiceerde welke twaalf projecten subsidies krijgen, terwijl de Inspectie van Financiën nog officieel haar goedkeuring moet geven. Daardoor weten een aantal organisaties nu nog niet of ze nu al dan niet iets krijgen. Zijn diegenen die niet werden geselecteerd daarvan op de hoogte gebracht? Indien dat nog niet het geval is, wanneer zal dat dan gebeuren?

Mijn belangrijkste punt gaat over het duurzaam maken van die projecten. Wat gaan we daarmee doen? Hoe gaan we de informatie die wij daarbij verzamelen, de werkzame technieken die we daarbij vaststellen en de lessen die we daarbij trekken uit die projecten verankeren en gebruiken voor de 54 andere, niet-geselecteerde projecten? Die organisaties kunnen misschien ook putten uit de ervaringen die zijn opgedaan door de 12 geselecteerden. Hoe gaan we daarmee op langere termijn aan de slag?

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Ik sluit mij aan bij de heer Poschet: jeugdwerkers hebben inderdaad een heel belangrijke taak. Zij kunnen jongeren vooruithelpen in de maatschappij. Zij kunnen een vertrouwensband opbouwen met jongeren. Dat is zeer zeker heel belangrijk. Maar het is ook van cruciaal belang om een voldoende evenwicht te vinden tussen enerzijds de vertrouwensband en anderzijds de opkomende signalen van een beginnende radicalisering. We spreken terecht over de waardevolle functie van het jeugdwerk en de daarbij horende vertrouwensband, maar is de veiligheid van de maatschappij niet minstens even waardevol?

De lokale integrale veiligheidscellen (LIVC’s) zijn een forum waarop alle actoren informatie meegeven en op een vertrouwelijke manier met elkaar kunnen spreken. Het voordeel hier is dat andere actoren daar mee aan tafel zitten. Als er potentieel gevaar zou zijn, kunnen zij dat beter inschatten. Stel dat de alarmbellen niet alleen bij een jeugdwerker maar bijvoorbeeld ook bij leerkrachten afgaan, dan kunnen zij dat daar samen bespreken. Dan kan er effectiever worden ingegrepen. Een goed evenwicht is dus heel belangrijk. Wanneer er echt verontrustende signalen zijn, moet dat gemeld worden. Wanneer iedereen op zijn eigen eiland blijft, zal de potentiële tijdbom gewoon verder tikken.

In de handleiding voor lokale besturen over radicalisering wordt specifiek gesteld dat samenwerking en informatie-uitwisseling cruciaal zijn. Er wordt ook gesproken over de vertrouwensband met de verschillende partners. Daarbij moet telkens de afweging worden gemaakt tussen ‘need to know’- en ‘nice to know’-informatie. De signalen kunnen trouwens ook geanonimiseerd worden besproken, om de privacy van personen en het beroepsgeheim van de eerstelijnswerkers te beschermen. Het is dus een enerzijds-anderzijdsverhaal.

Ik woon zelf in een kleine gemeente. We hebben daar een radicaliseringsambtenaar. Het is heel belangrijk dat we ook uit de kleinere projecten in kleinere gemeenten iets kunnen leren. Dat moet ook worden doorgegeven aan gemeenten die geen project toegestaan hebben gekregen. Ik ben dus ook heel nieuwsgierig naar de evaluatie van die projecten.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Er zal altijd een spanning zitten tussen enerzijds het jeugdwerk dat zich openstelt voor verschillende partnerschappen, en liefst zoveel mogelijk, en anderzijds de deontologie en de discretie. Het is wel degelijk goed, en het is ook de bedoeling, dat het jeugdwerk zich in die partnerschappen kan inschrijven en daarover ook communiceert. Ik denk dat de deontologische code, als je het zo mag noemen, met die richtlijnen van Uit De Marge, voor hen de verzekering vormt om daarin niet te ver te gaan – en ik verwijs naar het eerste deel van mijn antwoord.

Mijnheer Poschet, ik weet niet of het echt verschil zou uitmaken indien het departement Jeugd die richtlijnen zou formaliseren of bekrachtigen en op die manier ronddelen, dan wel of een van de ‘peers’, een van de leidende gelijke verenigingen, ze zou delen met de rest van de jeugdsector. Ik denk op het eerste gezicht dat dat laatste voldoende is. Ik vind niet dat een soort omzendbrief daarin een volgende stap zou moeten zetten. Met andere woorden: ik wil u op het hart drukken dat wij die spanningsvelden wel degelijk monitoren. Op zichzelf proberen wij dan met organisaties zoals Uit De Marge en onze administratie die coaching te geven aan jeugdwerkers die hierbij vragen zouden hebben. Op dit ogenblik is dit het weefsel om hiermee om te kunnen gaan. Het is ook geen toeval dat Uit De Marge zegt de deontologische code nog eens te zullen toetsen in de veranderende omstandigheden. Mochten die omstandigheden nog veranderen in die zin dat de druk op het jeugdwerk nog groter wordt, dan moeten we zeker bijkomende initiatieven onder ogen durven te nemen.

Gisteren heb ik uitdrukkelijk gecommuniceerd welke projecten in het Brusselse aan bod zouden komen. Gekoppeld aan Bruggenbouwers zijn er, zoals u weet, ook middelen vrijgemaakt voor de projecten rond Straatburgerschap, maar dan via een andere subsidielijn, namelijk de Brussel-projectenpot. Ze liggen wel heel sterk in elkaars verlengde. In totaal gaat het over twintig projecten: twaalf via Bruggenbouwers en acht via Straatburgerschap. Elf komen er uit het Brusselse.

Iedereen heeft informatie gekregen over wie er geselecteerd is en wie niet. Die informatie is wel degelijk doorgegeven. Dat is niet ongebruikelijk. Het advies van de Inspectie van Financiën is geen opschortende voorwaarde, zeker wanneer men de regels van de kunst 100 procent respecteert, zoals we hier hebben gedaan.

Dan is er de terechte vraag hoe we dit allemaal duurzaam gaan maken. We beginnen niet van nul. Het jeugdwerk begint nooit van nul. Er is zeker de expertise binnen het jeugdwerk zelf om vanuit de Vlaamse Jeugdraad en met de koepels in het Jeugdwerk dit traject parallel en samen met ons te lopen om ervoor te zorgen dat een aantal zaken die uit de nog opstartende maar ook uit de bestaande projecten worden geleerd verder naar de vloer kunnen gaan, ook rekening houdend met het feit dat de vloer voor een heel groot deel uit vrijwilligers bestaat. De Vlaamse Jeugdraad gaat er wel degelijk mee akkoord om dit mee te bekijken. Hij beschouwt dit ook als een noodzaak. Daar ontstaat een dynamiek van binnenuit, die we zeker zullen begeleiden waar nodig en als men ons dat vraagt.

Met betrekking tot dit ene traject dat we nu met deze projecten aan het lopen zijn kunnen we al een aantal lessen trekken uit de acht projecten in het kader van radicalisering. Dat zal binnenkort gebeuren. Ze hebben een positieve identiteitsvorming in het jeugdwerk als doelstelling. De projecten die ik net heb opgesomd, liggen in het verlengde daarvan. In die zin is het wel degelijk een continuüm. Naast de expertise die de Jeugdraad en de koepels naar beneden zullen laten stromen, zal ook die begeleidingsopdracht waarnaar ik net verwees de nodige antwoorden moeten bieden.

Het is een ‘work in progress’. We komen hier en daar op ‘terra incognita’. We hebben het spanningsveld dat hier al terecht is aangehaald en dat nog zal worden aangehaald: wat moet er dan allemaal en wat mag er dan allemaal, en waar houdt het professionele jeugdwerk op en waar begint het vrijwilligersjeugdwerk? Ik ben me van al die spanningsvelden bewust. Het zijn daarom nog geen onoverkomelijkheden. Ik stel voor dat we die oefening samen aangaan. Ik wil met u bekijken wat een realistische timing is om hierover dan dat debat te hebben. Ik kan heel voorzichtig zeggen dat het binnen zes maanden zal zijn, maar het kan ook iets langer duren. Dan zullen we kunnen zeggen wat het betekent om te verduurzamen binnen het brede jeugdwerk. Ik ben daar vragende partij voor en u – in verschillende nuances – ook, zoals zeker ook het jeugdwerk zelf. Ik wil graag die discussie intens met uw commissie aangaan.

De heer Poschet heeft het woord.

Minister, dank u voor uw bijkomende antwoorden. De discussie tussen discretieplicht en verplichting tot informatie-uitwisseling is een ‘thin blue line’. Ik weet niet of het soms een andere kleur heeft, maar in dit geval is het ‘blue’. Het is wel belangrijk om die maatschappelijk kwetsbare jongeren een vertrouwensomgeving te geven en om voorbeelden uit de praktijk aan te reiken. Als zij aanvoelen dat wat er gebeurt rechtstreeks naar de lokale veiligheidsdiensten gaat, blijven zij de week nadien weg. Dan dreigt er een parallelle samenleving te ontstaan, die voor mijn CD&V-fractie absoluut geen optie is. Dat zou op veel kortere termijn een veel groter veiligheidsprobleem kunnen stellen dan de discretieplicht.

Dit boeiende debat is zeker nog niet uitgeput. Wij kijken uit naar het vervolg ervan.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.