U bent hier

Commissievergadering

donderdag 4 mei 2017, 10.00u

Voorzitter
van An Moerenhout aan minister Liesbeth Homans
1817 (2016-2017)
59 (2016-2017)
Externe sprekers
Liesbeth Homans (Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding)

Minister Homans heeft het woord.

Collega's, misschien is het goed om het kader nog eens te schetsen. U weet dat er een besluit van de Vlaamse Regering (BVR) is dat bepaalt dat er tweejaarlijks een voortgangsrapport over het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA) moet worden voorgelegd. Artikel 4 van het BVR bepaalt dat. Het rapport moet vóór 1 april worden voorgelegd aan de Vlaamse Regering en vóór 1 mei aan het Vlaams Parlement. We hebben de deadlines allemaal goed gerespecteerd – voorzitter, u hebt dat ook gezegd in uw inleiding. Wat moet er minstens instaan? De voortgang van de acties en het verslag van de werking van het Permanent Armoedeoverleg (PAO) moeten erin staan.

De inhoud van het voortgangsrapport gaat grosso modo over de stand van zaken van de actiefiches van de diverse ministers van de Vlaamse Regering, ook over de stand van zaken wat de armoedetoets betreft, de Armoedemonitor 2017 en het verslag van de werking van het ambtelijk Permanent Armoedeoverleg.

Collega's, voor alle duidelijkheid: wat momenteel voorligt, is dus enkel de voortgangsrapportage, dus louter een stand van zaken. Het is nog geen bijgestuurd plan. Het geactualiseerde plan zal er in juli zijn, zoals het decretaal vooropgesteld en verplicht is. Ik zal eerst de inhoud van de voortgangsrapportage toelichten en vervolgens ook het verdere traject op het einde van mijn toelichting nog eens uit de doeken doen.

Wat is de stand van zaken wat betreft de acties? Ik heb vandaag een en ander gelezen over de stand van zaken van de acties in een welbepaalde krant. Het klopte min of meer, ik ga niet discussiëren over een cijfertje te weinig daar en eentje hier. Ik denk dat het wel goed is om nog eens toe te lichten dat er 161 acties in totaal zijn opgenomen in het VAPA, waarvan er 135 in uitvoering zijn, er 4 nog moeten worden opgestart, er 7 volledig zijn uitgevoerd, er eentje vertraging heeft opgelopen, er 4 zijn vervallen en er 10 acties zijn uitgebreid, wat toch belangrijk is en het vermelden waard.

De conclusie is dus dat 94 procent van de acties lopen, zijn uitgevoerd of worden uitgebreid. Wat betreft de uitvoering van de actiefiches in het VAPA, zitten we dus op schema. Collega Van Malderen, dat is wat ik in vorige communicaties natuurlijk ook bedoelde met ‘we zitten op schema’ wat de voortgangsrapportage betreft. Wil dat zeggen dat we op schema zitten met de doelstellingen die we moeten halen inzake armoedebestrijding en het naar beneden halen van armoedecijfers? Neen, maar wel dat we op schema zitten wat de acties betreft. Dat wou ik toch nog eens eventjes gezegd hebben bij het begin van mijn toelichting.

Ter info: wat mijn concrete bevoegdheden betreft, is er het Huurgarantiefonds. Dat is allemaal meegenomen in de bespreking tijdens de commissie Wonen. Dat is ook deze commissie, maar het zijn meestal andere parlementsleden die die bevoegdheid opvolgen. We weten allemaal dat het Huurgarantiefonds eigenlijk zijn doel voorbijschiet, dat het niet goed is en dat we het beter willen maken.

Er heeft één project vertraging, meer bepaald het project ‘groeitrajecten’, waarin het volwassenenonderwijs samen met Kind en Gezin kansarme ouders een geïntegreerd aanbod moet bieden om hen sterker te maken. Dat is dus het uitgestelde project of het project dat toch wel een vertraging heeft opgelopen.

Wat is een uitgebreid project? U ziet ook dat er tien projecten zijn uitgebreid. Ik geef u een voorbeeld. Er is een bijkomend onderzoek over de regierol van lokale besturen inzake armoedebestrijding. Collega’s, het is goed om te weten dat we er wel degelijk heel sterk en fors op inzetten.

Ik wil toch even verwijzen naar de communicatie die ik gisteren heb gelezen over het lokaal armoedebeleid in de stad Kortrijk. Ik denk dat Kortrijk inderdaad een voorbeeld is. Ik ben het daar absoluut mee eens. Ik wil toch eventjes een en ander toelichten en de puntjes op de i zetten. Ik vind Kortrijk inderdaad een goed voorbeeld van hoe je lokaal armoedebeleid kunt voeren. Het is natuurlijk een en-enverhaal: wij geven de hefbomen en dikwijls ook de subsidies om het lokaal ook te kunnen uitvoeren. Dat is natuurlijk wel heel belangrijk.

Ik vond het een goed artikel. Ik denk dat vele andere lokale besturen aan Kortrijk een voorbeeld zouden kunnen nemen. Maar van twee zaken een: als ik lees wat de OCMW-voorzitter, de heer De Coene, uit Kortrijk zegt in het artikel – en hij mag zich inderdaad terecht trots op de borst kloppen –, haalt hij natuurlijk wel een aantal projecten aan die worden gefinancierd met Vlaamse middelen. Dat is goed, want daar dienen ze natuurlijk voor. Maar als er in hetzelfde artikel wordt gezegd dat de stad Kortrijk eigenlijk meer uitgeeft aan armoedebestrijding in het algemeen dan het budget dat de coördinerende minister, zijnde ikzelf, heeft voor armoedebestrijding, dan is dat toch wel een klein loopje nemen met de waarheid.

Ik geef u een aantal voorbeelden. Er zijn bijvoorbeeld een aantal projecten die gefinancierd worden door mijn collega Gatz, zoals bijvoorbeeld de vrijetijdsparticipatie. Het zijn middelen die terecht naar de lokale besturen gaan, dus ook naar Kortrijk, om die projecten gestalte te kunnen geven. Er zijn ook projecten die worden gefinancierd door de sectorale subsidies die onder mij vallen en zijn ingekanteld in het Gemeentefonds, en waar Kortrijk, terecht, ook een lokaal armoedebeleid mee voert. Dat is zeer goed.

Ik heb bijvoorbeeld ook gelezen – dat is goed, want u weet dat dat een van mijn stokpaardjes is – dat Kortrijk ook zeer intensief inzet op het energiezuinig maken van sociale woningen. Zeer goed, maar van wie komt dat geld? Dat komt van de Vlaamse Regering. Ik heb vorige week ook zeer duidelijk gecommuniceerd, maar er zijn natuurlijk geen vragen over gekomen omdat het iets te positief was, dat 2016 een recordjaar was: 866.000.000 euro in totaal, niet alleen voor nieuwbouw, maar ook voor het renoveren van sociale woningen. Een derde van dat budget gaat naar de renovatie van sociale woningen, omdat we weten dat mensen in die woningen tegenwoordig veel meer betalen aan hun energiefactuur dan aan de werkelijke huishuur.

Vind ik het lokale armoedebeleid in de stad Kortrijk goed? Ja, maar ik vind het eigenlijk wel heel kort door de bocht om te zeggen dat Vlaanderen niets doet en zij alles zelf doen omdat alle middelen en alle projecten die in het artikel werden opgesomd, worden gefinancierd met onder andere Vlaamse middelen. Dat is goed, en dat zullen we blijven doen, maar ik denk toch dat de nuance moet worden gebracht, en dat dat terecht is.

Mijnheer Van Malderen, ik richt me even tot u, en het zal niet de eerste en de laatste keer zijn tijdens deze toelichting. U noemt de zogenaamde 1 euromaaltijden voor de zoveelste keer een flop. Het is niet de eerste keer. Ik hoor altijd dezelfde kritiek: slechts 75 1 euromaaltijden per dag. Mijnheer Van Malderen, van twee zaken één. Ik heb nooit beweerd dat de 1 euromaaltijden mijn speerpunt zouden zijn in het bestrijden van armoede. Neen, ik heb dat nooit gezegd. Ik heb nooit beweerd dat met de 1 euromaaltijden alle armoede uit de wereld – of uit Vlaanderen althans – zou worden geholpen. Dat heb ik nooit gezegd. Dat u een karikatuur maakt van het hele project op zich, daar heb ik wel problemen mee.

75 1 euromaaltijden per dag kan men ook anders vertalen, zijnde meer dan 27.000 1 euromaaltijden op een jaar. Dat is natuurlijk een heel andere voorstelling. Dan breng je natuurlijk ook een heel andere boodschap, maar ik begrijp dat dit niet moet gebeuren vanuit de oppositie. Vandaar dat ik dus mijn kans grijp om een en ander in het juiste perspectief te plaatsen. 27.000 1 euromaaltijden die verstrekt zijn, kunt u een flop vinden. Ik vind dat goed. Elke gezonde maaltijd – en het zijn er meer dan 27.000 in Vlaanderen – die kan worden geboden aan een kind dat jammer genoeg in armoede moet opgroeien, vind ik een goede zaak. Ik vind dat een goede zaak.

Daarenboven gaat het over veel meer dan alleen het verstrekken van die 1 euromaaltijd op zich. Het gaat over een collectieve en integrale aanpak zoals bijvoorbeeld de gezinsondersteuning. U weet ook dat die 1 euromaaltijden niet op zich staan. Het gaat bijvoorbeeld ook over de betrokkenheid van de ouders. De ouders worden betrokken en worden aangesproken als ze zich met hun kind naar een sociaal restaurant begeven, of worden door de maatschappelijk werker die daar eventueel aanwezig is, aangesproken over bijvoorbeeld problematieken die zich afspelen in de school. Ik geef één voorbeeld: er is ook huistaakbegeleiding. Het gaat dus niet zozeer enkel over het aanbieden van die gezonde maaltijd aan 1 euro, maar het gaat eigenlijk over een integraal project, waar we ook de ouders in willen betrekken. Dat vind ik toch wel zeer belangrijk.

Wat ik ook zeer raar vind, is dat er in sp.a blijkbaar geen eenduidigheid is over wat men moet vinden van die 1 euromaaltijden. De heer Van Malderen zegt dat het een flop is – het is zijn volste recht om dat te vinden – , maar de heer De Coene prees gisteren in het artikel in De Morgen onder andere zijn beleid met de 1 euromaaltijden. Hij zegt in het artikel heel concreet: ‘Kortrijk, onze sociale restaurants, top. Wij bieden 1 euromaaltijden aan. Is zeer goed.’ Van wie krijgt hij dat geld, mijnheer Van Malderen? Van deze Vlaamse Regering, om nog maar eens de puntjes op de i te zetten. Nogmaals, ik heb er geen enkel probleem mee als Kortrijk als voorbeeld naar voren wordt gehaald. Ik heb daar geen enkel probleem mee, want lokaal armoedebeleid is zeer belangrijk. Van twee zaken een. Misschien kan sp.a eens gaan samenzitten om een eenduidig standpunt te bepalen, want het is iedere keer iets anders: de ene sp.a’er zegt dat het goed werkt en dat het goed is dat het een integrale aanpak is, terwijl hier in het parlement wordt gezegd dat het gewoon een flop is en er een karikatuur wordt gemaakt van het feit. Ik vind het in ieder geval een zeer goede zaak dat er 27.000 gezonde maaltijden, met huistaakbegeleiding en vooral met betrokkenheid van de ouders, in 2016 in Vlaanderen zijn geweest.

Mijnheer Van Malderen, u weet ook dat die projecten, om nog even door te gaan op die 1 euromaaltijden, lopen tot eind 2018. Los van Kortrijk – waar de heer De Coene het zelf als goed voorbeeld heeft aangehaald, en wie ben ik om hem tegen te spreken, wat ik ook niet ga doen –, zijn er natuurlijk ook nog andere goede voorbeelden. Ik verwijs bijvoorbeeld naar Mortsel, waar een nieuw project is opgestart. Het bestond nog niet. Het loopt er zeer goed, en is een goed en groot succes. Dan is er Leuven. Het stond vandaag wel niet in de media dat het succes in Leuven te danken zou zijn aan studenten, maar het is wel een aantal weken geleden in de media gekomen.

Voor alle duidelijkheid, collega’s: die 1 euromaaltijden gaan tot 12 jaar. Als je dus zegt dat het gewoon ligt aan het feit dat de studenten die in Leuven op kot zitten, ook 1 euromaaltijden kunnen gaan eten, trek je het echt wel in het belachelijke. Dat is gewoon niet waar.

Als jullie specifieke vragen hebben over acties van collega-ministers, is het natuurlijk de bedoeling om die vragen dan ook in de respectieve commissies te stellen. Dat is in het verleden ook altijd zo gebeurd. Het is goed om dat hier nog eens te herhalen.

Ook heel belangrijk is de stand van zaken van de armoedetoetsen. Ik kijk dan ook naar u, mijnheer Van Malderen, want ik ben benieuwd naar uw voorstellen. U hebt blijkbaar een nieuw recept voor de armoedetoetsen. Ik zal het straks wel horen. Er waren 33 dossiers die op de oorspronkelijke lijst stonden. Er zijn er ondertussen 12 toegevoegd. Dat maakt dus een totaal van 45 dossiers. Van die 45 zijn er 15 dossiers waar de armoedetoets lopend is. Bij 13 is de armoedetoets afgerond. Bij 12 dossiers moet de armoedetoets nog opgestart worden. Bij 5 dossiers werd de armoedetoets geannuleerd. Daar ging het over projecten van collega Bourgeois en collega Gatz. Die projecten hadden eigenlijk totaal geen impact op mensen in armoede en zijn van de lijst gehaald.

Mijnheer Van Malderen, ik ga even repliceren op uw communicatie van vandaag. Ik heb niet de gewoonte om terug te grijpen naar de vorige regeerperiode. Ik doe dat zelden. Ik denk dat het ook niet goed is om dat te doen. Maar u dwingt mij nu, mijnheer Van Malderen. Ik kan niet anders. Als het over de armoedetoets gaat, zijn er nu 45 dossiers. Ter vergelijking: in de vorige regeerperiode, toen uw partij de verantwoordelijke coördinerende minister had, zijn er 4 armoedetoetsen uitgevoerd. 4 ten opzichte van 45: dat vind ik toch een groot verschil.

Bij het eerste VAPA in 2010, dat door mijn voorgangster, collega Lieten, werd voorgesteld, stond er heel uitdrukkelijk: “De armoedetoets zal deze legislatuur worden ingevoerd.” Wanneer is dat gebeurd? In 2014, vlak voor de regeringswissel, dus eigenlijk vier jaar nadat het was aangekondigd.

Wat de armoedetoetsen betreft, kunnen wij zeer goede voorbeelden aanhalen. Ik heb die al bij andere gelegenheden aangehaald, niet alleen in de plenaire vergadering, maar ook in de commissie. De armoedetoets inzake de waterfactuur heeft er bijvoorbeeld voor gezorgd dat de sociale correctie is opgetrokken naar 80 procent. Over de armoedetoets bij de kinderbijslag is al heel veel gezegd. Het heeft een positief effect op de verlaging van de armoede. De sociale correcties zijn gestegen van 3,5 procent van het totale budget van de kinderbijslag naar 10 procent van het totale budget. En wat ook zeer belangrijk is, is dat men in het nieuwe systeem nu ook een sociale correctie kan krijgen als men een laag inkomen uit arbeid heeft, en niet alleen, zoals het in het oude systeem was, als men een uitkering krijgt. Dat vind ik een zeer goede zaak.

Ik ga hier niet alle armoedetoetsen uit de doeken doen. Ik zal zeer selectief zijn. Maar wat mijn eigen bevoegdheden betreft, is er bijvoorbeeld het decreet Lokaal Bestuur. Daarin werd het engagement opgenomen dat de specifieke welzijns- en armoedeproblematiek zal worden meegenomen in de vorming van de nieuwe gemeenteraad na de verkiezingen van 2018. We doen dat omdat we volop willen inzetten op de lokale besturen, die een armoedebeleid kunnen voeren met onze centen. Wij zijn heel blij dat we dat kunnen subsidiëren. Wij vinden het zeer goed dat dat een en-enverhaal is. De lokale besturen zijn nog altijd de best geplaatste actoren om aan te voelen wat er lokaal op het veld gebeurt.

Dan kom ik bij de Armoedemonitor 2017. Tenzij er vragende partijen zijn om het wel te doen, want dan ga ik er graag op in, ga ik het debat niet starten over de vraag of dit nu over cijfers van 2014 of 2015 gaat. Dat debat hebben we al gehad. Als u intellectuele eerlijkheid aan de dag legt, weet u wat het antwoord is. Ik wil verwijzen naar de armoederisicodrempel bij de Vlaamse huishoudens. In 2010 is dat 10,4 procent die dus onder de armoedegrens leeft. Dat was goed voor 650.000 gezinnen in 2010. In 2012 is dat ineens 11 procent. Dat is een stijging van 0,8 procent. Het gaat dan concreet over 700.000 personen of gezinnen, zoals u wilt. In 2014 is het 11,1 procent, dus opnieuw een stijging van 0,3 procent. En in 2015 is het 10,3 procent of 650.000 personen of gezinnen.

De bevolking neemt natuurlijk alsmaar toe. Dat komt ook in andere commissies aan bod. Dat is door allerlei factoren, niet alleen migratie, maar bijvoorbeeld ook de vergrijzing en dergelijke meer. Ik vind dat zeer goed dat mensen langer blijven leven, maar de bevolking neemt dus toe, en dus moet je die cijfers en die jaren toch ook met de nodige nuance bekijken. Ik heb natuurlijk nooit gezegd dat alle doelen bereikt zijn, collega’s. Ik wil dat nog wel eens benadrukken, dat niet alle doelen zijn bereikt en dat we nog behoorlijk wat tandjes bij zullen moeten steken. Ik vind het goed dat ook andere bestuursniveaus, bijvoorbeeld de lokale besturen, hier hun verantwoordelijkheid nemen.

Collega’s, laten we ook niet blind zijn voor het feit dat die cijfers en die doelstellingen zijn vastgelegd in het jaar 2008. Die moeten gerealiseerd zijn tegen 2020. Dat is het zogenaamde Pact 2020. Als we nu natuurlijk anno 2017 zeggen dat er sinds 2008 eigenlijk niets is veranderd en we blind zijn voor de zaken die wel degelijk zijn veranderd, bijvoorbeeld de economische conjunctuur en de vluchtelingencrisis … Ik weet dat daar kritiek op is en dat er mensen zijn die zeggen dat dat daar niets mee te maken heeft.

In april 2017 heb ik nog een zeer interessant artikel gelezen van de OCMW-voorzitter van Gent, de heer Coddens, die niet tot mijn partij behoort, maar tot sp.a. Hij zei dat, wat zijn stad Gent betreft, de vluchtelingencrisis wel degelijk een impact heeft op de armoedecijfers in Gent. Ik vind dat dus niet uit. Dat is gewoon een tendens. Ik wil daar nog aan toevoegen dat ook het Federaal Planbureau zegt dat sinds het uitbreken van de laatste vluchtelingencrisis het aantal leefloners is gestegen. Dat is een objectieve vaststelling, waar we niet onderuit kunnen.

Wil dat zeggen dat we ons daarachter moeten verstoppen en geen enkele verantwoordelijkheid moeten opnemen? Neen, dat heb ik ook helemaal niet gezegd. Ik zal dat ook niet doen. Maar het is wel belangrijk om een en ander in het juiste perspectief en de juiste context te plaatsen. Want 2008 is bijna tien jaar geleden. Nu zeggen dat de situatie eigenlijk ongewijzigd is gebleven, vind ik zeer kort door de bocht.

Ik wil nog meegeven dat ook mijn voorgangster, minister Lieten, op het einde van haar regeerperiode in 2014 heeft aangegeven dat ze het aantal personen in armoede jammer genoeg niet heeft kunnen doen dalen en dat het aantal personen in armoede van 610.000 in 2007 zelfs gestegen was naar 700.000 in 2013. En nu zijn het er dus 650.000 in 2015.

Mevrouw Lieten heeft toen als argumenten aangehaald: de economische crisis, de conjunctuur en dergelijke meer. “Dat maakt het natuurlijk niet gemakkelijk om het vooropgestelde cijfer van 430.000 in 2020 te halen”, dixit collega Lieten in 2014. Toen werd het dus blijkbaar wel aanvaard dat men naar bepaalde tendensen verwees die afweken van de oorspronkelijke beginsituatie in 2008. Maar nu, in 2017, mag men niet naar een aantal externe factoren verwijzen, die toch wel ontegensprekelijk een impact hebben op de armoedecijfers en die zelfs ook door sp.a’ers worden bevestigd.

Natuurlijk is het zo dat bepaalde groepen extra kwetsbaar blijven en zullen blijven. Ik geef u het voorbeeld van de alleenstaanden. Het is heel belangrijk dat we een blijvend inclusief beleid voeren ten voordele van iedereen, en extra inzetten waar nodig op die groepen, bijvoorbeeld het verhogen van de sociale correcties van de watertarieven. Ik heb u daarnet al gezegd dat die verhoogd is tot 80 procent. Na de armoedetoets is er ook een aanpassing gekomen met het oog op de bescherming van de positie van alleenstaanden, wat ook zeer belangrijk is.

Wij hebben er met deze meerderheid voor gekozen, collega’s, om het recept te veranderen ten opzichte van de vorige legislatuur. Wij zijn afgestapt van het pamperbeleid van de vorige legislatuur, met enkel rechten en geen plichten. Wij trekken het nu open naar een beleid dat meer inzet op sociale mobiliteit voor die mensen voor wie het mogelijk is. Ik ben er mij terdege van bewust dat er altijd een groep zal zijn waar het niet mogelijk is en dat we daar blijvend op moeten inzetten.

We zijn afgestapt van het constant opentrekken van een blik aan subsidies en extra ambtenaren en het bestellen van extra onderzoek. We werken aan de zelfredzaamheid van mensen. En wie ben ik om – nogmaals – een prominente sp.a’er tegen te spreken in dezen? Het was Philippe De Coene die gisteren in De Morgen zei dat activering zeer belangrijk is. Als we vaststellen dat de werkloosheidscijfers in Vlaanderen systematisch dalen, jaar na jaar, dan heeft dat natuurlijk wel te maken met het feit dat we ook expliciet inzetten op de activering. Ik ben er nog altijd van overtuigd dat het hebben van een inkomen uit arbeid, het hebben van een job, de beste remedie is om niet in armoede te moeten vallen of de beste remedie is om uit de armoede te kunnen raken, met dien verstande – ik blijf het herhalen – dat er altijd personen zullen zijn die we blijvend zullen moeten ondersteunen. We zullen dat ook doen. We zullen onze verantwoordelijkheid daarin ook opnemen.

Gratis bestaat niet. Daar zijn we ook van afgestapt. Als men zegt dat iets gratis is, wil dat zeggen dat andere groepen daar per definitie voor betalen. Wij werken nu aan de maximale zelfredzaamheid, in de mate van het mogelijke, in plaats van aan de zogenaamde gelijkheid, zoals in het verleden altijd naar voren werd geschoven. Wij denken dat onze sociale correcties en onze armoedetoetsen – niet alleen van mij, maar van al mijn collega’s in deze Vlaamse Regering – wel degelijk effect hebben.

Het toont ook aan dat de recepten uit het verleden niet werkten. Ik wil dat nog eens heel duidelijk stellen. U kunt lacherig doen over deze acties. U kunt lacherig doen over de 1 euromaaltijden. U kunt lacherig doen over de participatieprojecten die zijn opgestart, participatieprojecten waar kindjes die jammer genoeg in armoede moeten leven, de kans krijgen om bijvoorbeeld deel te nemen aan het socioculturele leven of het sportgebeuren, die lid kunnen worden van een sportclub, van een muziekschool, om zo te kunnen participeren aan deze maatschappij en zich niet meer uitgesloten voelen. Het gaat over veel meer dan alleen een bijdrage aan het lidgeld. Het gaat bijvoorbeeld ook over het ter beschikking stellen en financieren van outfits, van het kunnen laten meegaan op sportkampen en dergelijke meer. Ik vind dat zeer belangrijke projecten. Zijn dat de speerpunten waardoor de armoede zal dalen? Neen, maar ik vind dat zeer belangrijke projecten waar we op inzetten. Wat de speerpunten wel zijn om de armoede te doen dalen, is de switch die deze regering heeft gemaakt in de aanpak, de integrale aanpak.

Iedere minister zet vanuit zijn of haar bevoegdheid en verantwoordelijkheid in op die armoedetoetsen en op die sociale correcties, waardoor we kunnen werken aan een daling van de armoedecijfers. Natuurlijk hebben wij in Vlaanderen niet alle hefbomen in handen. Ik weet niet in welke mate ik bevoegd ben voor bijvoorbeeld belastingschijven en dergelijke meer. Als ik me niet vergis, is dat niet mijn bevoegdheid, laat staan een bevoegdheid van deze Vlaamse Regering, maar is dit een federale bevoegdheid en zitten belangrijke hefbomen op het federale niveau. Ik kan nogmaals verwijzen naar wat daar al is gerealiseerd. Zo zijn de laagste inkomens, de uitkeringen en de pensioenen opgetrokken. Verder is de welvaartsenveloppe voor veel meer procent aangewend dan tijdens de vorige legislatuur enzovoort.

Wat we ook vaststellen in de Armoedemonitor 2017 is dat Vlaanderen op het vlak van de armoede-indicatoren in de Europese vergelijking doorgaans bij de best presterende landen hoort. Moeten we daar fier op zijn? Neen, want alles kan nog beter, maar het is wel goed om dat hier even te duiden.

De doelstelling van Pact 2020 is dat het aandeel inwoners in Vlaanderen dat in armoede leeft, laag ligt in vergelijking met de best presterende Europese landen. Vlaanderen staat momenteel op de tweede plaats, na Tsjechië.

Er is een opvallende daling van het armoederisico bij ouderen en gepensioneerden. Dat zou misschien wel iets te make kunnen hebben met het beleid dat de Vlaamse en de Federale Regering voeren zoals het optrekken van de laagste pensioenen en uitkeringen, en het doorvoeren van sociale correcties voor bepaalde groepen. U kunt daar allemaal heel lacherig over doen, maar dat is gewoon de realiteit. Ik vind deze cijfers niet uit, die staan allemaal zwart op wit te lezen in de Armoedemonitor.

De werkloosheidsgraad is voor het eerst sinds 2011 significant gedaald. Ik gebruik hier zeer bewust en opzettelijk het woord ‘significant’, want het gaat wel degelijk om een behoorlijke daling. Werk is de belangrijkste buffer tegen armoede, we zien zeker in Vlaanderen de werkloosheidscijfers maand na maand dalen.

Activering is belangrijk. Ik had het al over Kortrijk en u verwijst daar ook naar. Het artikel over het lokale armoedebeleid in Kortrijk is bij mij in zeer goede aarde gevallen. Zij maken gretig gebruik, en dat is hun volste recht, van de subsidies die ze van deze Vlaamse Regering krijgen om dat beleid gestalte te kunnen geven.

Het besluit van de Vlaamse Regering bepaalt dat twee jaar na de inwerkingtreding, op 3 juli 2015, het Actieplan moet worden geëvalueerd en bijgestuurd. De bijsturing moet het voorgangsrapport, een analyse van de gewijzigde maatschappelijke ontwikkelingen die relevant zijn voor het armoedebestrijdingsbeleid en nieuwe initiatieven per beleidsdomein bevatten.

Concreet wordt nu de informatie uit dit voortgangsrapport geanalyseerd, wat intussen zo goed als afgerond is, en wordt nagegaan op welke punten het VAPA moet worden bijgestuurd. Ook dat is intussen gebeurd, begin juli kunnen die bijsturingen worden voorgelegd. Ik had het liefst beide samen gedaan, maar het is niet gelukt om ze beide door de Vlaamse Regering te krijgen. Ik lees nu dat de bijsturing er niet is, maar die moest er ook nog niet zijn, mijnheer Van Malderen. Die moet er pas begin juli zijn en die zal er tegen dan ook zijn. Ik zeg u alleen dat ik persoonlijk voorstander was om alles in één keer te doen, maar dat dit niet door iedereen werd gesteund.

Zitten we op schema? Kan alles beter? Ja, alles kan beter. Hebben we al resultaten geboekt? Ja zeker. Hebben we goede armoedetoetsen? Ja. Hebben we het verschil gemaakt met het beleid uit het verleden? Wel degelijk. Hebben we veel sociale correcties? Ja, we hebben eigenlijk meer rechtvaardige sociale correcties doorgevoerd zodat men de mensen niet stimuleert om in een uitkering te blijven hangen. Mensen die van een uitkering naar een (laag) inkomen gaan, mogen ook niet worden uitgesloten. Dat zijn systematische correcties die we doorvoeren. Alles kan dus beter, maar ik denk dat deze Vlaamse Regering wel al behoorlijke inspanningen heeft gedaan voor die mensen die dat het meest nodig hebben in onze maatschappij. We hopen dat de cijfers nog meer zullen dalen. U kunt nu veel zeggen, maar niet dat de cijfers niet zijn gedaald.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Bijna 40 minuten lang heb ik de minister aangehoord. De methode die we in deze commissie hadden gekozen om een gedachtewisseling te koppelen aan een aantal vragen die zijn ingediend door een aantal collega’s en door mezelf, moest eigenlijk toelaten om in te gaan op die vragen. Minister, op die manier had u in uw betoog al een aantal antwoorden kunnen geven. Na bijna 40 minuten zit ik op dat vlak ongelooflijk op mijn honger, want u hebt ervoor gekozen om het te hebben over het lokaal beleid in Kortrijk, om mensen te citeren uit Gent en om uw voorgangster te citeren. Allemaal goed, maar ik blijf op mijn honger over wat nu eigenlijk uw beleid is en wat het resultaat daarvan moet zijn.

Ik stel vast dat u verdergaat op de ingeslagen weg om heel defensief te reageren op opmerkingen, kritiek en voorstellen die mensen hebben.

Heel algemeen inleidend, voor ik een aantal andere dingen ga zeggen, wil ik erop wijzen dat armoedebestrijding een vorm van maatschappijkritiek is. Onze samenleving heeft een mechanisme dat ervoor moet zorgen dat we de ongelijkheid in een samenleving dusdanig kunnen beperken dat langs de onderkant van die samenleving mensen niet in armoede verzeild geraken. Wij slagen er blijkbaar onvoldoende in om dat mechanisme bij te sturen. Dat betekent dat iedereen die verantwoordelijkheid neemt wanneer het gaat over het voeren van het beleid, ook op het vlak van armoedebestrijding, zich altijd blootstelt aan die kritiek. Maar dat is niet erg, je moet dat gewoon omturnen en ten goede keren en daar een aantal maatregelen aan koppelen.

Het is mogelijk – dat is mijn stellige overtuiging – om armoede terug te dringen. Het bewijs is wat u hebt gezegd over het verbeteren van de positie van ouderen. Maar in tegenstelling tot wat u zegt, heeft dat niets te maken met het recente regeringsbeleid, maar alles met een grotere arbeidsparticipatie van vrouwen en met de tegemoetkoming in de hulp aan bejaarden die in het kader van de staatshervorming deel uitmaakt van het Vlaams middelenpakket.

Minister, u zegt dat de uitkeringen zijn opgetrokken, maar toch blijven ze onder de armoedegrens zitten. Er is een groot probleem met de manier waarop u cijfers probeert te stellen, zelfs te manipuleren en in een verhaal te plaatsen dat u dient, maar waar geen enkele persoon in armoede een stap voorwaarts mee zet. Ik vind dat heel zware kritiek ten aanzien van u, maar u noopt me ertoe om dat te doen. Dat is een keuze die u maakt.

Ik wil iemand citeren die in dezen als expert geldt, met name Wim Van Lancker, die op 12 april naar aanleiding van een aantal uitlatingen van u stelde: “Ze lijkt de instrumenten waarmee ze haar beleid moet ondersteunen niet goed te begrijpen. Daarbij komt haar ideologische visie die haar belet om een goede diagnose van het armoedeprobleem te stellen. Dat resulteert in weinig effectief beleid.” Dat is niet mijn uitspraak.

Ik wil u uitnodigen om het debat inhoudelijk te voeren op een manier dat we hier kunnen vertrekken met de idee dat mensen er beter van worden. Mijn eerste vraag is dan hoe we verder moeten gaan met dit document. Ik heb gedurende maanden, al sinds september 2016, geprobeerd de impact van uw beleid, van het beleid van de Vlaamse Regering – want ik wil dat echt niet personaliseren – te bekijken en te vragen wie precies wat doet. Met andere woorden: welke minister neemt welke concrete initiatieven naar aanleiding van fiches die in het VAPA staan en hoeveel budget staat daartegenover?

Er is een afspraak gemaakt binnen de Vlaamse Regering die ik tenenkrullend vind, want al sinds september 2016 – en ik wil het volledig voorlezen zodat het ook in het verslag staat – is het antwoord : “In het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA) goedgekeurd op 3 juli 2015 werd aangegeven dat de Vlaamse Regering tweejaarlijks zal rapporteren aan het Vlaams Parlement over de voortgang van de uitvoering van het Actieplan. Het BVR betreffende de armoedebestrijding werd eerder gewijzigd voor wat betreft de rapportage aan het parlement. Het eerste voortgangsrapport dient bijgevolg voorgelegd te worden aan de Vlaamse Regering tegen april 2017 waarna dit ook aan het Vlaams Parlement zal bezorgd worden. Op deze wijze gebeurt de rapportage structureel en gecoördineerd zodat het parlement steeds kan beschikken over een totaaloverzicht. Daarnaast wordt op die manier ook vermeden dat de mensen op het terrein, die bezig zijn met de uitvoering van het VAPA, overbevraagd worden.” Dat is het standaardantwoord dat elke minister van de Vlaamse Regering gaf op vragen over concrete initiatieven die ze nemen.

Minister, als elke minister van de Vlaamse Regering dit standaardantwoord geeft, dan plagiëren ze elkaar of is het een afspraak binnen de Vlaamse Regering om een parlementslid dat op een constructieve manier wil kijken wat de Vlaamse Regering doet, met lege handen weg te sturen. Want wij hebben elk van die ministers ondervraagd, maar daar kunt u niets aan doen, u bent alleen maar de zogenaamd coördinerend minister. Wat gecoördineerd was, is dit nietszeggend antwoord. Intussen is het mei 2017. Mijn vraag is of we nu één stap verder staan in het kunnen inschatten wat de Vlaamse Regering reëel doet. We hebben een document waarin staat ‘in uitvoering’. Minister, wanneer we u morgen de vraag stellen wat ‘in uitvoering’ betekent, krijg ik dan opnieuw een dergelijk antwoord? Zal daar dan weer staan dat de volgende rapportage pas in 2019 moet gebeuren?

Dit is een heel concrete vraag, want het was uw regering die heeft beslist om de rapportering ‘mid term’ te doen. De volgende keer dat we elkaar hier dus zien, als ik hierop voortga – tenzij u het initiatief neemt om aan uw collega’s te zeggen dat we dit debat ernstig willen voeren – is mei 2019, in het beste geval in lopende zaken. Dat is de realiteit, minister, dat is de praktijk die wij dagelijks zien. Zullen we op regelmatiger tijdstippen die voortgangsrapportage krijgen of zult u er als coördinerend minister voor zorgen dat ministers antwoorden op vragen die parlementsleden stellen om de impact van uw beleid te kunnen meten?

U zegt dat de deadline gehaald is. Dat is juist, maar dat is natuurlijk heel relatief, dat hebt u zelf ook gezegd, want een bijgestuurd plan, een geactualiseerd VAPA hebben we niet. U hebt in het verleden herhaaldelijk april naar voren geschoven.

Minister, ik leid uit uw toelichting af dat er blijkbaar problemen zijn geweest binnen de Vlaamse Regering. U hebt zelf letterlijk gezegd – het kan in het verslag –: ‘Ik wou wel maar mijn coalitiepartners niet.’ Minister, mogen wij alstublieft kennisnemen van de voorstellen die u hebt gedaan op de Vlaamse Regering, waarop uw coalitiepartners klaarblijkelijk neen hebben gezegd? Ik zal mijn vraag anders stellen: was het niet goed genoeg? Was het te veel? Wat is de reden? Wat is de argumentatie om op de Vlaamse Regering, waarop de cijfers en de tabellen van het papieren evaluatie van het VAPA is goedgekeurd, niet ook de actie bij te sturen en er nieuwe initiatieven aan te koppelen? Kunnen we kennisnemen van de inhoud? Wat is de argumentatie waarom niet is beslist geweest op de Vlaamse Regering? Bijgevolg zou ik ook heel graag weten aan welke nieuwe initiatieven we ons mogen verwachten tegen juli. Ik ga ervan uit dat er trouwens documenten zijn en adviezen zijn opgevraagd bij administraties, bij het middenveld – een goede beleidsvoering zou dat mogen veronderstellen – om een en ander voor te bereiden. Ik zou heel graag weten welke pistes daar gevolgd zijn zodat we een en ander kunnen inschatten en weten waaraan we ons in juli mogen verwachten en of er dan wel een impact te verwachten valt.

Minister, het is niet de eerste keer dat ik die kritiek geef: u doet hier een deel van het werk. U doet wat, volgens het besluit van de eigen Vlaamse Regering, verplicht is, met name een papieren rapportage met tabellen waaruit we dingen moeten afleiden – en u formuleert het als in vertraging, vervallen, afgesproken, uitgebreid, in uitvoering. Maar wat de reële impact is op de armoede van mensen, dat zullen we in het beste geval in cijfers zien over twee jaar. Intussen zie ik wel een aantal korteretermijncijfers opduiken die mij bijzonder, bijzonder zorgelijk stemmen. Het aantal mensen dat een beroep moet doen op de Voedselbank is een record. Het aantal leefloners in Vlaanderen is een record. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

Minister, ik kom op een aantal van uw verklaringen. Maak u geen zorgen. Je ziet kortetermijngegevens die de verkeerde kant uitgaan. In uw statistieken die u hanteert en waarin u het opnieuw hebt over trendbreuk enzovoort – wat eigenlijk allemaal al weerlegd is –, zullen we de resultaten pas later zien, in 2019. En dan is de rit gereden.

Minister, er is toch wel een groot belang om na te gaan wat vandaag het bereik is van een aantal dingen, wat de impact is van een aantal maatregelen die de Vlaamse Regering en uzelf nemen. Dat ontbreekt. Ik vind dat een ongelooflijk gemis. Ik wil de vraag die in de vraag om uitleg is gesteld en waar u niet op bent ingegaan, hier nog eens uitdrukkelijk herhalen: in het regeerakkoord hebt u gezegd dat u Pact 2020 zou halen, met name een halvering van de kinderarmoede en het reduceren van de armoede met een derde. Ik heb u bij iedere gelegenheid hier de vraag gesteld of we dat gingen halen. U hebt er eigenlijk altijd ja op geantwoord. Bij de laatste beleidsbrief over de begroting was het ook ja. Het verslag kan erop nagelezen worden. Ik stel vast dat u vandaag bochten maakt en die ja niet meer uitspreekt. De vraag is dan of u dat pad verlaat. U suggereert dat vluchtelingen en de vluchtelingencrisis daar de verklaring voor zijn, daar waar … (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans en Piet De Bruyn)

Ik wil u de tekst gerust laten nalezen, minister. Herhaaldelijk hebt u het over andere factoren, en een zin later hebt u het over vluchtelingen. (Opmerkingen van Piet De Bruyn)   

Diezelfde Wim Van Lancker bestudeert de impact van vluchtelingen op de armoedecijfers en komt tot het cijfer 0,002. Minister, het is dus een uitleg die geen steek houdt. Alweer probeert u een aantal argumenten te formuleren die door de feiten niet worden bevestigd. U zegt dat u nooit hebt gezegd dat de 1 euromaaltijden het speerpunt van uw beleid zijn. Leest u het persbericht van 16 december 2015 maar eens na: speerpunt.

Laat ons even dit punt verlaten, minister. De vraag is: wat is nog de lijn? Is het uw ambitie en denkt u dat u met het lopende beleid die doelstelling haalt? Als u nu ja antwoordt, dan hoeft u verder niets meer te doen. Dan doen we continu beleid. Als u zegt dat u eraan twijfelt – wat een eerlijk antwoord zou zijn –, dat is het toch maar normaal dat we vragen waar u gaat bijsturen. Of laat u de ambitie los? Daar kunt u toch wel een simpel antwoord op geven, vermoed ik. Dus stel ik u die vraag heel nadrukkelijk. Want van twee dingen een: als vluchtelingen een factor zijn en een significante factor – een belangrijk woord in dezen –, en als u nog altijd de ambitie hebt om de doelstellingen te halen, geeft u dan alstublieft de maatregelen die ertoe leiden dat de vluchtelingen en hun impact op gebied van armoede, worden opgevangen. Dat is toch de logica der dingen. Vandaag – en ik verwijs naar de schriftelijke vraag en het non-antwoord – zijn we daarover in dubio. Ik vind dat heel vervelend.

U hebt een heel belangrijk zinnetje gezegd: ‘Niet alle hefbomen zijn in mijn handen.’ Dat is juist. Dat kan vervelend zijn, maar er is een oplossing voor: proberen te overleggen met mensen, proberen om de handen in elkaar te slaan, proberen bondgenootschappen te zoeken. Ik heb u herhaaldelijk ondervraagd over de manier waarop u overleg organiseert, welke contacten u hebt enzovoort. Wat mij van het hart moet, is dat ik niet snap – en een politieke reden kan er niet zijn, want de vorige en de huidige federale staatssecretarissen voor Armoedebestrijding zijn partijgenoten van u – dat er gewoonweg geen overleg, die naam waardig, is met het federale niveau. Ik verwijs naar de schriftelijke vragen die ik daarover heb gesteld. Er is een nieuwe staatssecretaris, ik stel een vraag, en het antwoord is dat er geen overleg is gepland. Daar kun je toch niet bij. Ik zie u de wenkbrauwen fronsen: ik heb dat ook gedaan, minister. Ik snap het, want daar kun je niet bij. Niet alle hefbomen zijn in uw handen, maar probeer dan toch wat je hebt, te schakelen zodat we naar echte, effectieve instrumenten te gaan en dat veronderstelt overleg dat er niet is.

Minister, ik heb een aantal dingen gezegd die kritisch zijn, maar wij proberen u ook mee te inspireren. Wij hebben een ambitie om armoede terug te dringen, en voor ons blijven de doelen wat ze zijn. De voorbeelden die u geeft van Kortrijk, Gent, Mortsel zijn hele goede voorbeelden waar mensen proberen te roeien met de riemen die ze hebben en die ze aangereikt krijgen, en waar de stad, bijvoorbeeld in het geval van Kortrijk, vanuit de eigen middelen er een ongelooflijk grote som bijlegt bij wat ze krijgen, wat meteen ook het antwoord is op uw punt rond de Kortrijkse 1 euromaaltijden.

Ik ben er inderdaad voorstander van om de armoedetoets te verbreden. Het is voortschrijdend inzicht. We zien wat ermee gebeurt. Het aantal armoedetoetsen ligt veel hoger, dat is juist, maar deze regering heeft wel een aantal maatregelen genomen die een reële impact hebben op het armoederisico van mensen waarop geen armoedetoets is uitgevoerd, met als groot argument dat het in het kader van de begroting gebeurt. Goed, of het nu in het kader van de begroting gebeurt of in een apart decreet, voor iemand in armoede maakt dat geen verschil uit. Het lijkt me dus logisch dat je daar ook een armoedetoets op uitvoert.

Ik wil u tegemoetkomen: als er recalcitrante ministers zouden zijn die zulke maatregelen nemen, dan vind ik dat u zelf ook op het beleid van anderen een armoedetoets zou moeten kunnen uitvoeren. Ik hoop dat het dan een beetje beter gecoördineerd en opgevolgd wordt dan wat er vandaag gebeurt, want vorige week dinsdag ondervroeg ik minister Vandeurzen over de armoedetoets in de kinderbijslag. Hij antwoordde dat die lopend is en nog niet is afgerond. U komt hier nu zeggen wat het resultaat is van die armoedetoets. Een van u tweeën is slecht geïnformeerd. Het lijkt me dus logisch – en ik hoop dat collega’s dat kunnen steunen – dat we u, met z’n allen in deze commissie, een sterkere hefboom geven. Dan zal het ook duidelijk zijn waar beleid wordt bijgestuurd en waar beleid niet wordt bijgestuurd.

Idem dito wanneer het gaat over het automatisch toekennen van rechten, over het automatisch toekennen van sociale correcties. We hebben al eerder van gedachten gewisseld over de huursubsidie en de huurpremie. Ik heb daar ook een schriftelijke vraag over gesteld. Eigenlijk zie ik geen argumentatie meer waarom dit niet automatisch zou kunnen. Wij zien baat in een meer progressieve energie- en waterfactuur. Wij denken dat we inderdaad moeten nagaan of, in tegenstelling tot wat de regering gedaan heeft, we de maximumfactuur in het onderwijs kunnen aanpassen, we gespreid kunnen betalen, bijvoorbeeld een jaarabonnement van De Lijn of belastingen.

Minister, u probeert om mensen die kritiek hebben op het beleid, in de mond te leggen alsof we tegen activering zouden zijn. Als iemand anders dan zegt dat we voor activering zijn, ziet u een tweespalt. Wij hebben al eerder een voorstel gedaan om een fast lane naar werk te creëren. Ik ben het eens met die onderzoekers die zeggen – het is open en bloot zichtbaar – dat armoede zeer groot is in die gezinnen met een zeer lage werkintensiteit. Dus is mensen aan de slag helpen voor velen een opstap om uit armoede te komen, jammer genoeg niet voor iedereen maar voor heel veel mensen wel. Laat ons er dan voor zorgen dat mensen die in armoede zijn, niet op tien verschillende wachtlijsten moeten gaan aanschuiven voor een opleiding, voor een begeleiding, voor kinderopvang, voor andere dingen, voor ze de stap naar de arbeidsmarkt kunnen zetten. Maak er één sterk traject van waar je die dingen schakelt.

Toen we dat voorstel deden, beschreef u dat als de ene voortrekken ten opzichte van de andere. Goed, dat is uw mening, maar ik hoop dat u die bijstelt. U kunt niet zeggen dat wij niet voor activering zouden pleiten, maar wij willen een activering waar mensen echt iets aan hebben.

Te veel hoor ik uw pleidooi, minister, en hoor ik u dat woord ‘pamperen’ gebruiken. Ik vind dat oneer aandoen aan de mensen die op het terrein bezig zijn. Als u het hebt over zelfredzaamheid, mag dat niet zijn ‘trek uw plan’. Dat betekent dat je een actief beleid voert, dat je probeert bij de lokale besturen een turbo op te zetten zodat men aan de slag gaat en kan gaan. Het tegendeel is waar. De middelen in het Kinderarmoedefonds, geïntegreerd in het Gemeentefonds, zijn eigenlijk bevroren en worden niet geïndexeerd. Ze passen zich niet aan aan de tendens in de steden. Ik zie die turbo daar niet: niet als sectoraal gegeven, niet als algemeen gegeven. Ik hoop – en ik heb een paar voorbeelden gegeven – dat we inspirerend kunnen werken voor juli.

Voorzitter, ik richt me nu tot u. Ik zou heel graag hebben dat we tussen nu en juli in het parlement een debat over de alternatieven kunnen hebben, liefst voor er een afgesloten lijst ligt, en liefst ook met inspraak van mensen op het terrein en van experten, zodat we een aantal dingen naar waarde kunnen schatten, en niet in september, of weet ik veel wanneer, hier een proces hebben, zoals het met het VAPA zelf is gebeurd, dat volledig vertimmerd is, en waarover we, laat ons eerlijk zijn, geen gedegen bespreking kunnen hebben omwille van zogezegd praktische redenen. 

Laat ons dus de komende twee maanden benutten om een hoorzitting of hoorzittingen te organiseren zodat we een gedachtewisseling kunnen houden om op een constructieve manier die maatregelen te kunnen voorstellen en ondersteunen die een effect hebben op het leven van mensen in armoede, eerder dan ons te verliezen in papieren discussies en te proberen het debat te voeren over mensen die zich hier niet kunnen verdedigen.

Mevrouw Moerenhout heeft het woord.

De aanvankelijke vraag van de heer Van Malderen en mezelf ging over de tweede Vlaamse Armoedemonitor die de minister heeft voorgesteld.

Minister, ik ga me eerst richten tot u. We zijn er het voorbije uur niet echt heel diep op in gegaan, maar wat mij frappeerde en mij vandaag nog altijd frappeert, is dat u sprak over een trendbreuk in de Vlaamse Armoedemonitor. Waarom haal ik dat hier nog eens aan? Omdat het voor mij eigenlijk symptomatisch is over hoe er vandaag de dag naar het armoedebeleid wordt gekeken. Als we kijken naar de cijfers van de Armoedemonitor, dan zien we dat er in 2015 nog steeds 650.000 Vlamingen en nog steeds 150.000 kinderen met een inkomen onder de armoederisicodrempel moeten leven. Voor mij en voor Groen is dat onaanvaardbaar hoog. Het is verontrustend voor de regio als Vlaanderen.

Ik vind het eerlijk gezegd de gepaste reactie voor de minister in kwestie, maar ook voor alle mogelijke partijen. Het is geen trendbreuk, maar het toont wel aan dat en het is een extra reden om te zeggen dat het urgent is, dat prangend is, dat het beleid moet worden bijgestuurd, dat het alle hens aan dek is, niet alleen om uw belofte waar te maken maar ook om die groteske cijfers naar beneden te krijgen. Want achter elk cijfer zitten 650.000 mensen. Achter het cijfer van 150.000 kinderen zitten 150.000 kinderen. Dat is zo ongelooflijk veel.

Dat is natuurlijk het interessante aan vandaag. We kunnen die verontrustende cijfers naast het voortgangsrapport van de VAPA leggen en dan zien we dat er iets niet klopt. De grootste cijfers zitten op schema, maar toch zien we dat de armoedecijfers al tien jaar dezelfde blijven, dat er evenveel mensen in armoede blijven, dat de lichte daling of een lichte stijging de experten in de monitor zelf afdoen als statistisch niet significant. Er is dus absoluut geen trendbreuk, integendeel, en dan denk ik: er klopt iets niet.

Ik volg dan ook de heer van Malderen als hij zegt dat het niet klopt dat er vandaag geen bijsturing ligt. Die cijfers zouden alle alarmbellen moeten laten afgaan. Jaar na jaar, 650.000 Vlamingen, 150.000 kinderen. En toch ligt er vandaag geen bijsturing. Minister, dan ben ik eigenlijk zelf verwonderd dat u zelf uithaalt naar uw coalitiepartners en dat u zegt dat de coalitiepartners niet mee willen.

Als ik dat hier allemaal hoor, denk ik dat juli 2017 het moment van de waarheid wordt. Het is nu al drie jaar dat er gehakketak is van links naar rechts, van boven naar onder – ik word er eerlijk gezegd zot van – maar juli 2017 wordt het moment van de waarheid. Dat zal het moment worden, minister, dat alles duidelijk zal worden. Zult u leren spreken als een echte Vlaams minister van Armoedebestrijding? Zult u leren spreken in naam van alle meerderheidspartijen? Zult u niet alleen leren spreken namens uw partij – want wat ik daarnet heb gehoord, is pure promopraat voor de N-VA? U spreekt bijvoorbeeld over het pamperbeleid van de voorbije regering. Minister, u zat er zelf in: N-VA, CD&V, sp.a. U zegt ook dat armoedebeleid coördinerend is en dat het de verantwoordelijkheid is van alle ministers. Ik ga daarmee akkoord. Als u dan zegt dat het vorige beleid heeft gepamperd, dan hebt u zelf gepamperd, los van elke connotatie van dat woord. Om maar te zeggen dat u moet leren spreken namens alle meerderheidspartijen en niet alleen namens de N-VA, want ik ben dat echt beu. Dat zal het moment van de waarheid zijn in 2017: leert u spreken als een echte minister van Armoedebestrijding, of werpt u op dat moment de handdoek in de ring?

Voor Groen is het duidelijk, en ik hoop ook voor elke andere sociaal voelende partij in de meerderheid, dat het laatste geen optie is. Armoedebeleid is zowat een van de belangrijkste prioriteiten, een van de belangrijkste thema’s, een van de grootste problemen vandaag in deze legislatuur in Vlaanderen. Het politieke gehakketak van welke partij dan ook moet stoppen. Er moet beleid komen.

Even terug naar de Armoedemonitor, want er is iets heel opvallend waarvan ik denk dat u er de volgende twee maanden nog op kunt inzetten en het tegenvallende beleid kunt bijsturen zodat de cijfers kunnen worden gereduceerd. Het gaat over de extra kwetsbare groepen. Ik denk dat u ze daarnet zelf hebt aangehaald, maar ze zijn opvallend. We zien een trend die eigenlijk al twee jaar is ingezet: het armoederisico voor personen in eenoudergezinnen stijgt erg, evenals voor personen in grote gezinnen en alleenstaanden. 27 procent van de eenoudergezinnen met een verhoogd armoederisico stuurt onmiddellijk uw stelling van daarnet bij dat een job de beste bescherming tegen armoede is. Een job is uiteraard belangrijk en een eerste stap, dat wil ik zeker niet ontkennen, maar we zien wel dat van die 650.000 Vlamingen in armoede 90.000 Vlamingen vandaag een job hebben. Dat staat ook in de Vlaamse Armoedemonitor. Een job is dus de eerste stap maar is toch duidelijk niet genoeg, vooral niet bij de eenoudergezinnen. Dat wou ik nog even meegeven omdat u het zelf ook al hebt gezegd. Wat zien we ook? Laaggeschoolden zijn extra kwetsbaar en ook personen geboren buiten de EU.

Minister, ik heb volgende vragen voor u over de Armoedemonitor. De monitor toont aan dat er geen sprake is van een trendbreuk. Integendeel, voor mij toont het aan dat er net heel veel werk op de plank ligt omdat de cijfers maar niet veranderen. Het ligt natuurlijk in het verlengde van wat de heer Van Malderen al heeft gevraagd, maar houdt u vast aan de belofte om kinderarmoede te halveren? Ik heb hier vandaag toch ook ‘een lichte bocht’ gehoord – al wil ik het zo nog niet noemen, want ik zal uw antwoord afwachten –, maar ik zou toch echt heel graag hebben dat er op dit beleidsdomein ongelooflijk veel ambitie wordt getoond en ook echt veel wordt gedaan de komende maanden. Het is nu alles of niets. De komende twee maanden zijn ongelooflijk cruciaal. Minister, wilt u dus die belofte nog altijd nakomen, en hoe zult u dat doen?

Er zijn inderdaad een aantal kwetsbare groepen die heel toonbaar zijn in de Armoedemonitor: de eenoudergezinnen, personen in grote gezinnen, de alleenstaanden. Ze nemen toe. We hebben recent nog een discussie gehad over de Vlaamse bevolkingsprognose waarin we zien dat die kwetsbare groepen nog heel sterk zullen toenemen in Vlaanderen. Dus, waarschijnlijk zullen die groepen ook binnen het armoedebeleid sterk toenemen. Zult u als minister van Armoedebestrijding specifiek maatregelen nemen of u voorbereiden om deze groepen, waarvan de aantallen in de toekomst alleen maar zullen vermeerderen, te beschermen tegen het grote risico op armoede?

Dan had ik nog een paar vragen over de voortgangsrapportage.

Minister, u hebt in het verleden geopteerd om te werken rond een beperkt aantal thema’s, en daarrond werden werkgroepen opgestart. Het ging over beeldvorming omtrent armoede, sociale correcties en toegankelijkheid van de dienstverlening. Ik zou graag van u horen hoever u staat met het uitwerken van die thema’s.

Zo kom ik meteen bij een tweede concrete vraag. Twee belangrijke tools die u hebt in het kader van VAPA, zijn het horizontaal en het verticaal permanent armoedeoverleg. Die zijn bijzonder belangrijk, omdat daar aan tafel de experten, de ervaringsdeskundigen van de armoedesector, worden ingeschakeld per thema, per beleidsdomein. Ik zou graag van u horen hoe u die overleggen evalueert.

Tot slot een derde vraag, die gaat over het thema dat u zelf veelvuldig hebt besproken: de 1 euromaaltijden. Ik wil het woord ‘flop’ niet in de mond nemen, want elke maaltijd die bij een kind terechtkomt, is een kind dat geholpen is. Dat is op zich goed, maar ik hoop dat u toch niet kunt ontkennen dat 75 kinderen per dag toch eerder beperkt is en dat er meer ambitie aan de dag kan worden gelegd en dat u als minister zou kunnen nagaan hoe u dit kunt uitbreiden of verbeteren. U hebt in het verleden ook aangegeven dat u daartoe bereid bent. Ziet u zelf redenen waarom het beperkt is tot 75 kinderen?

U hebt zelf gezegd dat 40 procent van die maaltijden in Leuven worden opgenomen, wat toch een relatief hoog aantal is. U hebt zelf gezegd dat de studenten niet de reden zijn daarvoor, maar wat is volgens u wél de reden? Dat is immers natuurlijk interessant. Als u weet waarom het in Leuven zo populair is, dan kan dat misschien worden geëxporteerd naar andere steden.

U weet dat Groen een bepaald model voorstaat: die 1 euromaaltijden zijn op zich oké, maar we zouden die heel graag in scholen willen aanbieden. We hebben daar in het verleden ook al over gedebatteerd. We denken dat die 1 euromaaltijden via scholen positief zijn, omdat er dan geen nieuwe structuren moeten worden opgezet en omdat scholen heel goed weten wie de meest kwetsbare kinderen zijn. In het verleden hebt u zich daartegen gekant. Er zijn ook projectaanvragen gesneuveld: ze werden geweigerd omdat de desbetreffende gemeenten of steden dat via de school wilden aanbieden. Gezien het toch beperkte resultaat wil ik u vandaag vragen of u nog steeds niet bereid bent om dat model ook via scholen aan te bieden. Dat kan maar helpen, denk ik dan.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Eerst en vooral wil ik zeggen dat ik het persoonlijk heel jammer vind dat deze commissievergadering is begonnen met een aanzienlijke polemiek en met verwijzingen naar vorige regeringen. Ik denk dat niemand daar echt mee is gebaat. Ik denk dat we hier echt moeten gaan naar het inhoudelijke, dat we meer gerichte en inhoudelijke vragen moeten stellen over het voortgangsrapport van het VAPA. Ik denk dat dat de essentie moet zijn.

Er is gesproken over Kortrijk. Ik denk dat dat een zeer mooi voorbeeld is van hoe we met beperkte en gerichte acties enorm veel kunnen bereiken. Twee zaken vallen daar eigenlijk op: enerzijds de ‘outreach’, het echt naar mensen toe gaan, en anderzijds het activeren van mensen, mensen aansporen om zelf uit die situatie te geraken. Voor een algemene evaluatie en echt grote conclusies lijkt het me momenteel nog wat te vroeg. Ik denk dat we daarvoor als parlement toch een impactanalyse zouden moeten kunnen maken van die 135 acties die nog lopen. Daarvoor zijn uiteraard meer gegevens noodzakelijk dan louter de actiefiches, die zich beperken tot de doelstelling en het domein waarbinnen de actie loopt.

Wel heb ik enkele vragen inzake de reeds afgeronde acties. Hoe scoren de zeven acties die afgelopen zijn? Kunt u daar iets meer over vertellen? Wordt de impact ervan meteen geanalyseerd, bijvoorbeeld door het horizontaal overleg, en zitten daar ook enkele grote acties tussen? Een van die zeven acties is het lanceren en bekendmaken van de website www.alleenstaandeouder.be. Welke middelen werden daar reeds aan besteed? Hoe coördineert het kabinet de acties die lopen bij de andere ministers? Krijgen ze regelmatig een stand van zaken hiervan, en hoe wordt de timing hiervan verzorgd?

In de Armoedemonitor zien we een opvallend cijfer bij de armoederisicopercentages. Zelfstandigen vormen met 13 procent een opvallend grote groep ter zake. Welke verklaring ziet u daar zelf voor? Zijn er acties binnen het VAPA om daaraan tegemoet te komen?

In januari 2017 zei u reeds dat de eerste resultaten van het VAPA er goed uitzien. Aangezien er toch nog zoveel initiatieven lopen, waarop zijn die positieve resultaten dan gebaseerd? Gaat dat over die 7 afgeronde acties? Hebt u de voorlopige resultaten in handen van die 135 lopende acties? Kunt u daaromtrent toch wat meer duidelijkheid geven? Hoeveel overleg gebeurt er met de samenstelling van het Federaal Actieplan Armoedebestrijding (FAPA)? Welke efficiëntiewinsten zijn in dezen de voorbije twee jaar reeds geboekt en kunnen straks nog worden geboekt?

Mevrouw Franssen heeft het woord.

Cindy Franssen (CD&V)

Minister, het wordt op den duur een beetje een klassieker, de bespreking van het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding. Het is bijna een duel tussen de minister en collega Van Malderen.

Een tweetal maanden geleden hebben we ons derde actualiteitsdebat gehad over armoedebestrijding in deze legislatuur, wat al vrij veel is. Toen ging het over de cijfers. En hier zijn ze dus, de cijfers van de Vlaamse Armoedemonitor. Ik heb u tijdens dat actualiteitsdebat uitdrukkelijk gevraagd om de cijfers van die Vlaamse Armoedemonitor en de voortgang van het VAPA samen te bespreken. Ik wil u daar ook voor bedanken, want meestal krijgen we die pas eind juni, begin juli. Het is een eerste stap om inderdaad een grondige evaluatie te maken, temeer omdat u zelf stelt: “Het VAPA mag niet gezien worden als een statisch document. Het is een dynamisch instrument om de armoede en sociale uitsluiting in Vlaanderen te voorkomen en te bestrijden. De gegevens uit dit voortgangsrapport en de Armoedemonitor 2017 zullen dan ook meegenomen worden om een evaluatie en bijsturing van het VAPA grondig aan te pakken.”

U kunt daar nog iets aan toevoegen, namelijk de bekommernissen die vandaag in dit parlement aan u zullen worden meegegeven, vooral omdat sinds deze legislatuur maar één enkele evaluatie gepland is op dit VAPA. Dit is dus het moment.

De decretale timings zijn gevolgd wat de voortgangsrapportage betreft. Ik vind het bijzonder belangrijk dat men de tijd neemt voor de bijsturing en de evaluatie, ook vanuit de Vlaamse Regering, vooral omdat ik vind dat met de grondige omgevingsanalyse gekeken moet worden naar de concrete actiefiches, waar er verdiept, verbreed en bijgestuurd kan worden. En inderdaad, die decretale timing voor de evaluatie en bijsturing is 3 juli. Neem ook de tijd – ook uw collega-ministers – om samen met het middenveld, met het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen, permanent armoedeoverleg te hebben, zowel verticaal als horizontaal, zodat de mensen die het dagelijks meemaken en de mensen die dagelijks voor mensen in armoede in de bres springen, mee deel hebben aan de bijsturing, de verdieping en verbreding van die actiefiches.

Wat de cijfers van de Armoedemonitor betreft, zijn de evoluties op het vlak van economie en arbeidsmarkt wat ze zijn. We lezen het ook in de kranten: er komen jobs bij. Op zich is dat positief, want we weten allemaal dat het hebben van een inkomen uit werk een belangrijke hefboom is om uit de armoede te raken. Maar het is zeker niet de enige. Laat ons daar ook geen twijfel over laten bestaan. Wat mij meer boeit, is de vraag wat we kunnen doen om te garanderen dat die bijkomende jobs terechtkomen bij de werkarme gezinnen. Want daar knelt natuurlijk het schoentje: de bijkomende jobcreatie komt vaak de reeds werkrijke gezinnen ten goede. Dat is een belangrijk item om mee te nemen.

Wat zijn nu de officiële bevindingen in de Vlaamse armoedesituatie en -evolutie? Ook hier zijn de cijfers wat ze zijn, maar het zijn de klassieke doelgroepen die onder de armoederisicodrempel blijven zitten: eenoudergezinnen, werklozen, laaggeschoolden, mensen die een woning huren, mensen die geboren zijn buiten de EU, gezinnen met een zeer lage werkintensiteit. Uit de analyse blijkt ook hoe belangrijk een sterke sociale zekerheid met ingebouwde sociale transfers is in het kader van een effectief armoedebestrijdingsbeleid. Dat komt duidelijk aan bod in de Vlaamse Armoedemonitor. Ik vind het positief dat de relatieve mediaanarmoedekloof ook in beeld wordt gebracht in deze Vlaamse Armoedemonitor, om de diepte van die armoede te kennen. Maar we zien steeds diezelfde doelgroepen. Of het nu gaat over de subjectieve armoede met betrekking tot de ernstige materiële deprivatie, het is steeds hetzelfde verhaal. Het zijn bepaalde kansengroepen die in extreme armoede blijven zitten, ook als we kijken naar die EU 2020-strategie. Dat is dus de armoedesituatie zoals ze vandaag is.

Laten we even inzoomen op die sociale uitsluiting uit de Vlaamse Armoedemonitor. Het is goed dat op elk sociaal grondrecht wordt ingegaan. Ik neem er een aantal uit. Bijvoorbeeld: de achterstelling op de arbeidsmarkt. Een Europese vergelijking maakt duidelijk dat de lage werkzaamheid bij oudere personen buiten de EU de voornaamste pijnpunten blijven op de Vlaamse arbeidsmarkt. Discriminatie van deze kansengroepen op de arbeidsmarkt is daar uiteraard ook niet vreemd aan. Ook daar moeten we de nodige aandacht aan besteden. Tijdelijke contracten, interimjobs, zijn dan weer nefast voor jonge mensen, omdat die hun toekomst minder kunnen opbouwen.

Ook wat betreft de woningdeprivatie haalt Vlaanderen een vijftiende plaats in de EU-rangschikking. We weten ook dat er een gezondheidskloof is. Ook daar moeten we dus verder op inzetten. Tandzorg wordt bijvoorbeeld uitgesteld. Wij zijn dan ook tevreden dat de minister van Welzijn de resolutie rond preventieve mondzorg al in de praktijk aan het omzetten is.

Maatschappelijke participatie en de digitale kloof vind ik persoonlijk ook bijzonder belangrijk, omdat we daar met tal van ‘offline jongeren’ zitten, die niet alleen slachtoffer zijn van de eerste digitale kloof, namelijk het niet hebben van een pc of internet, maar ook van de tweede digitale kloof, het niet hebben van de ICT-vaardigheden en -kennis. Als we weten dat alles steeds meer digitaal wordt – e-health, e-learning, e-banking, e-governance en ga zo maar verder – dan moeten we maximaal inzetten op die digitale kennis en vaardigheden.

Er wordt verwezen naar verschillende statuten: de verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering, het leefloon enzovoort. Wat ik voorlopig wel nog wat mis, zijn de cijfer over de ‘non take-up’ van de rechten, de onderbescherming. Als we ons Actieplan willen bijsturen, moeten we die onderbescherming echt wel in kaart brengen. Ik weet dat dat niet altijd even evident is, hoewel de federale overheid daar wel wat cijfers over heeft, als het gaat over het opnemen van leefloon. Ik denk dat dat aantal zelfs heel laag ligt. Waarom is dat zo belangrijk dat we ook die bijsturing doen? De automatische rechtentoekenning is een belangrijke hefboom om de ‘non take-up’ tegen te gaan, omdat heel wat afgeleide rechten en sociale correcties teruggaan op statuten, hetzij statuut verhoogde tegemoetkoming, hetzij statuut leefloon en ga zo maar verder.

Tot slot is er de focus op kinderarmoede. Dat is terecht. Elk kind in armoede is er één te veel. Wie niet inzet op de strijd tegen kinderarmoede, verliest een hele generatie, met alle maatschappelijke gevolgen van dien.

Vooraleer ik terugkeer naar de actiefiches, wil ik nog even ingaan op een aantal zaken die hier gesteld zijn. U weet dat dat mijn mening is, collega’s: lokale besturen hebben heel wat in handen om die armoede te gaan terugdringen. De minister had daar wel een punt als ze verwees naar het voorbeeld van Kortrijk. Uiteraard is het een en-enverhaal. Lokale besturen moeten de keuze maken, maar het is mee door de ondersteuning van Vlaamse overheidsmiddelen dat een aantal zaken in stelling kunnen worden gebracht. Ik denk maar aan de samenwerking met het Vlaams netwerk, de ondersteuning van CAW’s, preventieve gezinszorg, de uitrol van de Huizen van het Kind, de uitrol van het proefproject dat in Zuid-Oost-Vlaanderen liep rond het proactief en outreachend werken. Er zijn dus heel wat zaken die vanuit Vlaanderen mee worden aangestuurd en die eigenlijk hefbomen zijn voor lokale besturen om de armoede te gaan terugdringen.

Laat ons dus niet kijken wiens verdienste het nu is, laat ons vooral kijken naar de resultaten die we in een gezamenlijke strijd kunnen boeken. Daarom verwijs ik dus naar die regierol voor lokale besturen. Ik heb begrepen dat het hernieuwde decreet Lokaal Sociaal Beleid zeker ook verder in die richting zal gaan om de lokale besturen nog meer aansturing te geven inzake armoedebestrijding. Dat is een positieve zaak.

Ik wil het VAPA ook niet reduceren tot de discussie over 1 euromaaltijden. Het VAPA bevat heel wat actieplannen op de verschillende sociale grondrechten. CD&V heeft zich altijd ingeschreven in het doelstellingenkader zoals het goedgekeurd is en in de visie waarop dit VAPA is gestoeld, met name de definitie van Jan Vranken: het versterken van mensen in armoede, ingaan tegen het individuele schuldmodel. We bouwen hiermee verder op de reeds ingeslagen weg. Waar ik u dus niet volg, minister, is dat we in de vorige legislatuur bepamperd zouden hebben. Ik heb in mijn toelichting in 2015 ook duidelijk gezegd dat we verder bouwen op de reeds ingeslagen weg, met eigenlijk een voortschrijdend inzicht van curatief, over preventief naar proactief handelen. Armoede bestrijden én voorkomen. De hefbomen daarvoor zijn inderdaad de armoedetoetsen, automatische rechtentoekenning en het proactief en outreachend werken.

Ik doe zeker niet lacherig over dit voorstel, absoluut niet. Ik denk dat er heel wat actiefiches zijn die inderdaad belangrijke maatregelen in zich kunnen houden. Waar ik het wel nog even over wil hebben, wat de algemene bespreking betreft die hier aan bod gekomen is, is het hebben van een job en die zelfredzaamheid. Ik zou ook niet alles inzetten op de zelfredzaamheid. Men moet daar omzichtig mee zijn. Het is niet omdat we gelijke kansen geven aan mensen, dat zij ook gelijke uitkomsten zullen hebben. Alles hangt af van de wieg waarin je gelegd wordt, of je in een middenklassengezin wordt geboren of in een gezin in armoede. En soms, denk ik, gaan wij er te veel van uit – in deze legislatuur, in de vorige legislatuur, in de legislatuur daarvoor, het maakt me allemaal niet uit – dat als we springplanken aanreiken aan mensen, ze die automatisch in de realiteit kunnen omzetten.

Ik wil het volgende beeld gebruiken. Mensen die vaak de trein nemen, zien nu in de tuintjes de trampolines uit de grond rijzen. We weten allemaal dat als we daar geen vangnet rond doen, het de allerkleinsten zullen zijn die er het eerst af zullen vallen. Wat die zelfredzaamheid betreft, denk ik dat we echt de nodige aandacht aan de dag zullen moeten leggen om ervoor te zorgen dat de meest kwetsbaren ook mee kunnen met de trein die vooruit rijdt.

Wat dan de polemiek betreft van deze legislatuur en vorige legislaturen: ik heb het tijdens het duel of duet dat hier eerst aan bod kwam, toch nog even opgezocht. In de vorige legislatuur kwam er kritiek van Mieke Vogels op minister Lieten haar Kinderarmoedefonds. In de legislatuur daarvoor kwam er kritiek van een collega van mij, Riet Van Cleuvenbergen, op het beleid van Mieke Vogels als minister. Ik denk dus dat we gewoon moeten kijken naar die cijfers, die nu al tien jaar dezelfde zijn, en die hardnekkigheid van de generatiearmoede, en dat we moeten stoppen met die polemieken. Daar volg ik collega Moerenhout in. Ik heb dat trouwens ook zeer duidelijk gezegd in het vorige actualiteitsdebat. We moeten echt stappen vooruit zetten.

Ik wil nu ingaan op de fiches zelf. Uiteraard moeten wij de fiches bespreken bij de bevoegde ministers. Elk is verantwoordelijk voor zijn beleid. U bent natuurlijk verantwoordelijk voor de coördinatie, minister. Ik denk niet dat het nu het moment en het forum is om elke armoedetoets onder de loep te gaan nemen. Elk individueel parlementslid dat zijn thema’s opvolgt, moet binnen de decreten kijken welke gevolgen men gegeven heeft bij de opvolging van die armoedetoetsen. Eigenlijk is armoedebestrijding een zaak van elk parlementslid, om het even in welke commissie men zit.

Ik heb uw actiefiches aangeduid, minister. De evaluatie en actualisatie inzake de regelgeving rond armoedebestrijding, daar had ik graag een stand van zaken van gehad. Dat is dus het decreet Armoedebestrijding. De ondersteuning van de regierol van lokale besturen inzake lokale armoedebestrijding vind ik een positieve zaak, omdat ik echt overtuigd ben van de hefbomen die lokale besturen hebben.

Wat betreft de samenwerking met de verschillende overheidsniveaus, blijf ik op diezelfde nagel kloppen, al van in het begin van deze legislatuur, namelijk de Interministeriële Conferentie Maatschappelijke Integratie en de interfederale rapporten die er inderdaad moeten liggen. Daar dring ik toch echt op aan: dat er overleg is tussen de collega’s. Dat is belangrijk om de armoede versneld te kunnen indijken.

Dan is er de actiefiche ‘We erkennen de rol van opgeleide ervaringsdeskundigen als element van een participatief armoedebestrijdingsbeleid’. Hoe werkt u dat concreet verder uit? Ik zie ook dat u een aantal zaken doet rond alleenstaande ouders. Dan is de technische vraag hoe de actiefiches 01.04.02 en 02.04.01 zich tot elkaar verhouden. Ik citeer even: “Een platform éénoudergezinnen actualiseert beleidsaanbevelingen om armoede bij alleenstaande ouders te bestrijden en verspreidt die kennis naar beleidsmakers en naar het brede publiek.” Ik had al een van de kansengroepen aangeduid die een verhoogd risico hebben om in armoede terecht te komen, namelijk de eenoudergezinnen. Ik had daar ook graag een concrete stand van zaken over gehad.

Dan zijn er ook de actiefiches rond gekleurde armoede. Dat is ook een doelgroep die een zeer hoog risico heeft in het kader van armoedebestrijding. Ook daarvan had ik graag een stand van zaken.

In het kader van uw coördinerende functie hebt u een overzicht gegeven van de armoedetoetsen. Het zou ook goed zijn dat we een overzicht krijgen van de automatische toekenning van rechten van uw collega’s. U kunt dat nu wellicht niet geven, maar het zou goed zijn dat we daar tegen juli een globaal overzicht van hebben.

Ten slotte is er de betrokkenheid van het middenveld. Voor onze fractie is dat bijzonder belangrijk. Nogmaals: liever de nodige tijd nemen om de evaluatie en de bijsturing hier in het parlement in te dienen, maar dat het dan gedragen is door het middenveld, dan dat we het tegelijkertijd ingediend zouden hebben met de voortgangsrapportage. De betrokkenheid van het middenveld is voor ons uitermate belangrijk. Het blijkt trouwens ook uit het overzicht van de permanente armoedeoverlegmomenten bij onze verschillende kabinetten. Ik verwijs specifiek naar Welzijn en Onderwijs. Andere ministers mogen daar nog een tandje in bij steken, want het zijn niet alleen Welzijn en Onderwijs die belangrijke elementen zijn in het kader van de terugdringing van armoede.

Ik heb nog een vraag met betrekking tot het horizontaal permanent armoedeoverleg. Hoe sterk zal het middenveld betrokken worden bij de bijsturing van het VAPA? We hebben de analyse van de Vlaamse Armoedemonitor, de voortgangsrapportage zoals die hier vandaag voorligt.

Ik eindig zoals ik begonnen ben: het VAPA mag niet gezien worden als een statisch document, het is een dynamisch document. De gegevens uit het voortgangsrapport en de Armoedemonitor zullen dan ook meegenomen worden om een evaluatie en bijsturing van het VAPA grondig aan te pakken. Ik ga ervan uit dat dit uitgebreid aan bod zal komen op het horizontaal permanent armoedeoverleg. Ik hoop dat ik daar een bijzonder positief en bevestigend antwoord op mag krijgen.

De heer De Bruyn heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ik ga me beperken tot een aantal punten waarvan ik denk dat ze de belangrijkste zijn, maar van sommige wil ik nu al zeggen dat ze een herhaling zullen zijn van wat ik eerder heb gezegd of wat de minister heeft aangehaald. Maar herhaling kan geen kwaad. Ik heb bij collega’s ook herhaling gehoord. Ik neem dus aan dat niemand daarover zal struikelen.

Laat mij beginnen met dit te zeggen: als er één beleidsdomein is waar ambitie nooit scherp genoeg kan zijn en nooit scherp genoeg geformuleerd kan zijn, is het wel het beleidsdomein Armoedebestrijding. We hebben dat eerder al gesteld. De minister getuigt daar van ambitie, de regering getuigt daar van ambitie. Ik denk dat dat ook de enige keuze is die we wat dat betreft kunnen maken.

Tegelijk wil ik ook herhalen, wat ook belangrijk is om het geheel in een ruimer kader te zien, dat wij in Vlaanderen tevreden – ik zal niet zeggen ‘zelfgenoegzaam’, want dat bedoel ik geenszins – mogen vaststellen dat wij in Europa tot de absolute kopgroep behoren. Dat is een verdienste van iedereen die op dit moment beleid maakt, en ook een verdienste van iedereen die in het verleden beleid heeft gemaakt. Ook dat moeten we meenemen in de context van onze bespreking. Goed is nooit goed genoeg, maar laat ons alstublieft niet vergeten welke koppositie we op dit ogenblik in Europa innemen. En laat ons ook niet vergeten dat daar door velen – middenveld, overheid, individuen, organisaties, vrijwilligers – hard aan is gewerkt en dat we dat kostbare werk enkel kunnen koesteren en erop moeten voortbouwen.

Een ander element dat ik wil inbrengen, is de discussie die we in februari hebben gehad. Het ging toen over drie cijfers: cijfers waar ik nog altijd van vind dat we ze mogen geven. Ten eerste: de daling van het algemene armoederisicocijfer met 0,8 procentpunt. Die daling blijkt uit de statistieken. Twee: de daling van de armoede bij jongeren met 2 procentpunt. Dat is ook niet niets. En de derde daling is de daling bij eenoudergezinnen van 6 procentpunt. Dat is ook een cijfer dat nog altijd overeind blijft.

Daarnaast zijn er nog indicatoren, onder andere van het Nationaal Planbureau, die ook aangeven dat het aantal mensen dat in armoederisico leeft, daalt en verder zal dalen in de loop van deze legislatuur. Er is het historisch lage peil van de werkloosheidsgraad in Vlaanderen. Dat zijn allemaal elementen die op zijn minst aantonen dat het beleid dat nu gevoerd wordt, een beleid is dat in de goede richting gaat.

Ik herhaal het: goed is niet goed genoeg. Daarom is ook in een bijsturing van het VAPA voorzien, op basis van een voortgangsrapportage die, zoals decretaal is bepaald, keurig op tijd aan ons is bezorgd, in alle transparantie, en die hier door iedereen besproken en becommentarieerd kan worden. En dat is ook wat we nu moeten doen. Dan vind ik het bijzonder jammer dat de minister enerzijds wordt verweten om een scherpe ambitie te hebben. Ze wordt daar bijna uitgedaagd om die ambitie het liefst zo snel mogelijk helemaal van tafel te vegen. En tegelijkertijd wordt de minister verweten dat ze geen kristallen bol heeft, want ze kan niet perfect voorspellen wat het effect zal zijn van maatregelen die genomen zijn, volgend jaar, over twee jaar, over drie jaar, over vier jaar. Collega’s, u kunt van mensen veel verwachten, maar u kunt ze niet tegelijkertijd verwijten dat ze een uitgesproken ambitie hebben en dat ze geen kristallen bol hebben.

Mevrouw Franssen heeft er goed en terecht op gewezen dat het de volle verantwoordelijkheid van elke minister is om binnen de beleidsdomeinen waarvoor hij of zij bevoegd is, tot het uiterste te gaan wat betreft het terugdringen van armoede. Het is aan hen om de acties, de plannen en de voornemens die gemaakt zijn, te evalueren op basis van een brede consultatie en bevraging, met betrokkenheid van het middenveld – en zo gebeurt het ook – om dan te kijken waar onze plannen tekortschieten ten opzichte van de doelstellingen die we eraan gekoppeld hebben, en waar we bijsturen.

We hebben inderdaad van de minister gehoord dat zij ambitieuzer was dan dat sommige collega’s haar op dit moment konden volgen. Zij had graag de voortgangsrapportage én de bijsturing van het VAPA nu besproken. Ik denk dat dat een gezonde ambitie is, misschien zelfs de enige ambitie die we van een minister van Armoedebestrijding mogen aanvaarden. Dat het dan niet gelukt is, kunnen we jammer vinden, maar ik vind dat niet noodzakelijk een bijzonder grote blaam. Laat het ons alstublieft ook niet zo interpreteren.

Er is door de minister en door collega’s heel terecht verwezen naar Kortrijk. Ik ben een paar jaar geleden, in het begin van deze legislatuur, vrij snel naar Kortrijk gegaan, bij gewezen collega Philippe De Coene. Dat was een bijzonder aangename en leerrijke voormiddag, waarin duidelijk gemaakt is hoe sterk en belangrijk de complementariteit is tussen lokale besturen en de hogere overheden. Dat is hier terecht aangekaart en ook uitgeklaard door de minister, dat het beleid dat in Kortrijk wordt gevoerd, geen beleid is dat zich in een gewrongen positie bevindt ten opzichte van het beleid dat de minister, of de Vlaamse Regering in ruimere zin, voorstelt. Integendeel, men maakt maximaal gebruik van hefbomen die gecreëerd en aangereikt worden. Men kijkt ook Europees waar er daar nog subsidies en bijkomende budgetten voor vrijgemaakt worden. (Opmerkingen van Bart Van Malderen)

En ook eigen middelen, waarom niet? Ook daar denk ik dat dat de plicht is van de lokale overheid. Ik vind dat geen blaam dat je daar eigen middelen voor inzet – eigen middelen die je natuurlijk ook voor een stuk vanuit de overheid krijgt, laat ons daar eerlijk in zijn. Dat je die middelen inzet waar je die denkt het best te kunnen inzetten: dat is nogal evident.

Die regierol van de lokale overheid kan inderdaad niet onderschat worden, juist omdat zij het best zicht hebben op de concrete situatie. Ik denk dat jullie allemaal – en terecht – zouden steigeren als hier vanuit Brussel gezegd zou worden: Kortrijk moet dit doen, Leuven moet dat doen, Rotselaar moet zus doen, Roeselare moet zo doen. Ik denk dat we die tijd voorbij zijn, als we daar al ooit geweest zijn. Ik ben er in elk geval geen voorstander van om dat als model te nemen.

Ik denk dus dat we naar Kortrijk kunnen verwijzen als een goed voorbeeld van complementair beleid met aan de ene kant het lokale niveau, met inderdaad investering van eigen middelen, overheidsmiddelen en Europese middelen, mijnheer Van Malderen. Ik denk dat daar geen enkel zinvol bezwaar tegen kan worden ingebracht.

Ik kan ook niet anders dan opnieuw heel even stil te staan bij die 1 euromaaltijden. Ik ben het een beetje beu dat blijvend geïnsinueerd wordt dat de minister die 1 euromaaltijden ooit tot een speerpunt van haar beleid heeft uitgeroepen. Dat is niet zo. We weten allemaal dat de minister twee bevoegdheden heeft. Ze heeft een eigen budgetje – en we kunnen betreuren dat dat budget niet groter is, maar dat is ook op basis van beslissingen die eerder genomen zijn – om vooral projecten te financieren. En als die projecten dan zinvol blijken, moet gezocht worden waar die structureel ingepast kunnen worden, op welke budgetlijn die dan moeten komen en wie dan verder die verantwoordelijkheid krijgt.

In dat opzicht denk ik dat 27.000 maaltijden die aan kinderen worden uitgereikt, gekaderd in een ruimere gezinsondersteuning, meer dan zinvol zijn. Ik wil daar ook geen groot succes van maken, want de minister zoekt inderdaad naar elementen die verklaren waarom dat niet nog gemakkelijker aanslaat. Maar ook daar denk ik dat er een grote verantwoordelijkheid bij de lokale besturen ligt, die wellicht nog onvoldoende inspelen op de kansen die aangereikt worden. Weet ik veel waarom, ik laat het aan hen om het te beantwoorden. Het zal wel blijken uit de bevraging. Maar ik kan alleen maar hopen dat dat in de toekomst beter is. Ik wil die 27.000 niet minimaliseren, maar ik wil die ook niet uitroepen tot speerpunt van het beleid van de minister. Zij heeft dat zelf ook nooit gedaan, denk ik.

Collega’s, ik ben groot voorstander van het verder kritisch bevragen, bespreken en evalueren van alles wat met armoede te maken heeft, omdat armoede inderdaad een schande is. Wij hebben ook nooit iets anders gezegd. U zult van ons ook nooit iets anders horen.

Ik ben heel tevreden dat een aantal collega’s – en ik zal niet beweren dat jullie ooit anders beweerd hebben – blijven benadrukken dat jobcreatie en het inzetten op toeleiding naar een job essentieel zijn. Ook daar denk ik dat we, rekening houdend met de context waarin we leven, best trots mogen zijn dat de jobcreatie, ook de private jobcreatie, de voorbije jaren gestegen is. Dat is niet in eerste instantie de verdienste van deze Vlaamse Regering, maar veeleer van de Federale Regering, maar het is iets waar wij tevreden naar mogen kijken.

Collega’s, deze discussie is niet gedaan, niet vandaag, en zeker niet in deze legislatuur. We krijgen ook nog de bijsturing van het VAPA. Ik ben het met u eens dat bepaalde projecten en bepaalde ideeën die gelanceerd zijn, wat bijsturing nodig hebben. We zullen op dat moment die discussie ook voeren. Maar ik wil toch afsluiten met opnieuw te benadrukken hoe belangrijk ik het vind dat dat op twee fronten gebeurt. U mag hier kritisch zijn voor mij, voor mijn partij en voor de minister, maar laat ons alstublieft ook dezelfde kritische houding aannemen in elke commissie en tegenover elke minister, en elk thema bepraten en bediscussiëren en ondersteboven houden als we vinden dat het nodig is. Ik vind het in dat opzicht iets te gemakkelijk hoe er dan naar de coördinerende minister gekeken wordt. Ik heb toch de indruk – maar u mag mij ervan proberen te overtuigen dat die indruk niet correct is – dat de felheid en de heftigheid waarmee dat gebeurt, voor een stuk bepaald wordt door de persoon die als coördinerend minister is aangeduid door deze regering, veeleer dan door het beleid dat zij en haar regering voorstaan.

Minister Homans heeft het woord.

Dank aan de collega’s die opmerkingen en bijkomende vragen hebben geformuleerd, maar ik zou toch willen beginnen met te zeggen dat er een aantal vragen zijn gesteld naar specifieke acties en bepaalde cijfers. U begrijpt wellicht dat ik dat niet zomaar uit mijn mouw kan schudden, zeker niet als het over acties van collega-ministers gaat. Als er specifiek werd gevraagd wat een concrete actie juist heeft opgeleverd en dergelijke meer, willen wij u de informatie nog wel leveren. Maar ik ben coördinerend minister. U mag mij vragen stellen over mijn bevoegdheden. In deze commissie gaat dat dan over Gelijke Kansen en Wonen. In andere commissies mag het ook over Binnenlands Bestuur, over Bestuurszaken, over Inburgering gaan. Maar als u specifieke vragen hebt over acties van andere ministers, is het inderdaad de bedoeling dat u die vragen stelt aan die functioneel bevoegde minister. Dat is in het verleden ook altijd zo gebeurd. Ik denk dat de collega’s dat ook gewend zijn. Onder anderen mevrouw Saeys en mevrouw Franssen hebben specifieke cijfers gevraagd. We zullen die in de mate van het mogelijke, als het binnen de coördinerende bevoegdheid past, zeker overmaken, maar we zullen daar vandaag even naar moeten zoeken, want we kunnen dat hier niet zomaar uit onze mouw schudden.

Mijnheer Van Malderen, ben ik zelf tevreden met de polemiek? Neen, maar het is natuurlijk niet leuk om ’s morgens, voordat alles besproken wordt in de commissie en voordat iemand de gelegenheid heeft gekregen om een en ander te duiden, allerlei krantenartikelen te lezen die toch niet zo heel positief waren. Ik verwacht dat voor alle duidelijkheid ook niet van u dat die positief zijn. Dat is uw rol ook niet in dit parlement.

Maar dat maakt natuurlijk een en ander niet gemakkelijk. Moeten we hier inhoudelijk over debatteren? Ja, zeer graag. Vind ik het jammer dat over armoede op een dergelijke manier wordt gedebatteerd en in de kranten bericht? Ja, en dat heb ik ook altijd gezegd. Wat ik in de commissie zeg over armoede verschilt van wat ik daarover zeg in de media, net omdat ik vind dat we geen debat moeten voeren tussen de partijen op de kap van de armen. Daar is geen enkele persoon die – jammer genoeg – in armoede leeft, mee gebaat.

Mijnheer Van Malderen, ik heb ook allerlei zaken gelezen over Wim Van Lancker. Ik heb gelezen dat hij als expert betrokken is geweest bij het project in Kortrijk dat hier al meermaals is genoemd. Ik heb ook gelezen dat de impact van de vluchtelingencrisis op het armoedebeleid 0,002 procent bedraagt. Heb ik gezegd dat de vluchtelingencrisis de reden is? Neen, dat heb ik niet gezegd. Ik heb heel duidelijk gezegd dat het een van de factoren is waardoor 2017 verschilt van 2008. Ik heb niet gezegd dat het dé reden is van een eventuele stijging van de armoedecijfers. Ik zeg dat niet alleen, ik verwijs nogmaals naar het Federaal Planbureau waar ze die analyse ook maken.

De bijsturing was gepland voor juli 2017. Mevrouw Franssen en de heer De Bruyn hebben daarnaar verwezen. Ik heb nooit gezegd dat die voor april zou zijn. Ik heb gezegd dat het mijn betrachting was om beide samen te doen, maar dat er anders is beslist. We zitten nog altijd op schema. We moesten niet klaar zijn tegen april. Juli is nog altijd goed. We zullen in juli dan ook met die bijsturing komen. Die actiefiches zullen in die bijsturing zitten en zullen dan uitgebreid besproken kunnen worden.

Mevrouw Moerenhout, eigenlijk vraagt u of ik nog altijd achter die cijfers sta terwijl u me ook uitdaagt om te zeggen dat het moeilijk wordt. Wanneer er nu één bevoegdheidsdomein is waar we veel ambitie moeten tonen, dan is het wel armoedebestrijding. Ik houd vast aan die cijfers en ik laat die niet los. Dat zal niet gemakkelijk zijn, maar ik probeer geen uitvluchten te zoeken. Ik zeg alleen dat er in 2017 een aantal factoren bij zijn gekomen die niet speelden op het moment dat de cijfers werden vastgesteld, namelijk in 2008. Maar het is dus wel nog degelijk mijn ambitie om dat te doen, en ik denk dat ik een zeer slechte coördinerende minister van Armoedebestrijding zou zijn indien ik die streefcijfers en ambities nu zou loslaten. Ik doe dat niet en ik zal mijn collega’s uit de Vlaamse Regering er attent op maken dat het niet de bedoeling kan zijn van deze Vlaamse Regering om die cijfers los te laten tegen 2020. Ik heb nog geen enkel signaal gekregen van de collega’s dat dit wel hun bedoeling zou zijn.

Daarover is dus duidelijkheid gecreëerd. Dat is niet gemakkelijk omdat er bijkomende factoren spelen en omdat de cijfers in het verleden almaar zijn gestegen, ook sinds 2008. We houden echter vol en we blijven ambitieus.

Mijnheer Van Malderen, wat de armoedetoetsen betreft, hebt u een voorstel gedaan. Ik denk dat deze Vlaamse Regering al heeft bewezen wel degelijk ambities te hebben. Zij zet deze armoedetoets heel regelmatig in: 45 keer in vergelijking met 4 keer tijdens de vorige legislatuur. Dat toont toch wel aan dat wij de armoedetoets als instrument zeer belangrijk vinden. Maar natuurlijk gebeurt het tijdens vergaderingen van de Vlaamse Regering wel eens dat ik collega’s attent moet maken op het feit dat er geen armoedetoets is gebeurd. Dan hebben zij daar geen enkel probleem mee en stellen zij het dossier uit tot na de armoedetoets.

Ik neem dus wel degelijk mijn verantwoordelijkheid als coördinerend minister wanneer dat moet, en mijn collega’s hebben oren naar die argumenten. Het gaat niet over slechte wil maar eerder over een vergetelheid.

Wat de automatische toekenning van de rechten betreft, verwijst u, mijnheer Van Malderen, rechtstreeks naar de huursubsidie en de huurpremie. Daar is al heel veel over gezegd, ook in deze commissie, ook toen ik zelf nog parlementslid was.

Ik wil het nog eens hebben over het probleem dat zou opduiken bij een automatische toekenning van de huurpremie. Je krijgt een huurpremie wanneer je minstens vier jaar op de wachtlijst staat voor een sociale woning. Als we die premie automatisch zouden toekennen, betekent dit dat we moeten inboeten op de woonkwaliteit. We zullen dan geen controles meer kunnen doorvoeren. Bij een automatische toekenning geven we iemand die op een wachtlijst staat voor een sociale woning, een huurpremie. Als er dan nadien een controle volgt waaruit blijkt dat de woning niet voldoet aan de kwaliteitsnormen, dan zou de premie teruggegeven moeten worden. Dat zou geen goed signaal zijn. Ik wil niet inboeten op de woonkwaliteit, en ik denk dat het goed is dat zo te houden.

Mevrouw Moerenhout, u had het over al dan niet een trendbreuk, een significante stijging, statistische schommelingen enzovoort. Ik zal nog een voorbeeld geven. Ik dacht vandaag toch zeker niet het woord ‘trendbreuk’ te hebben gebruikt, maar ik kan me vergissen. Het verslag zal ons daar meer over leren.

Ik verwijs wel naar een persmededeling van uzelf van 4 oktober 2016 met de titel ‘Armoede blijft toenemen: “Homans moet uit haar pijp komen”’. U hebt die wellicht niet zelf gekozen, maar dat was de titel van de communicatie. Toen ging het over het armoederisico, dat van 10,8 procent in 2013 was gestegen naar 11,1 procent in 2014. Dat was volgens de Armoedemonitor statistisch niet significant, maar volgens u was die stijging alarmerend. Een stijging van 0,3 procent was alarmerend. Als ik hier nu zeg dat die 11,1 procent daalt naar 10,3 procent, dan is dat een statistische schommeling. We kunnen hier natuurlijk veel semantische debatten voeren over cijfers en de interpretatie daarvan.

Daarnaast pik ik het ook niet dat er wordt beweerd dat ik cijfers zou manipuleren. Wie dat zegt, moet met bewijzen komen en duidelijk maken wat er wordt bedoeld. Ik manipuleer geen cijfers. Alle cijfers die hier opgenomen staan, zijn cijfers uit de Armoedemonitor. Ze komen van de administratie, en als u dus zegt dat die cijfers niet kloppen, dat is dat gedeeltelijk ook kritiek op mijn administratie, en dat pik ik niet.

Mevrouw Moerenhout, ik heb daarnet op een vraag van de heer Van Malderen al geantwoord dat de vluchtelingenproblematiek uiteraard niet dé reden is maar een van de factoren. Als men daar de ogen voor wil sluiten, waarmee ik niet zeg dat u dat doet, is men gewoon niet mee in het jaar 2017 in Vlaanderen. Het lijkt me niet verstandig om dat te doen, maar u hebt zich ook niet op die manier uitgesproken.

Mevrouw Moerenhout, wat de vluchtelingenproblematiek betreft, bent u soms ook aanwezig in de commissie Binnenlands Bestuur, waar deze problematiek soms ook aan bod komt. Wij hebben wel degelijk met deze Vlaamse Regering collectief behoorlijk wat middelen vrijgemaakt voor die vluchtelingencrisis. Ik denk bijvoorbeeld aan extra middelen voor de onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers (OKAN), voor de lokale besturen, voor VDAB, met als doel de mensen zo snel mogelijk naar werk te begeleiden. Ik ben zeer blij dat over alle partijgrenzen heen een consensus bestaat over het feit dat het hebben van werk een belangrijke hefboom kan zijn, niet voor iedereen omdat niet iedereen bij machte is om dat te doen, maar het is toch een van de belangrijkste hefbomen om uit de armoede te geraken of niet in de armoede te sukkelen.

Ik kan ook nog het voorbeeld geven van Inburgering. U volgt dat ook op, mevrouw Moerenhout. Na de vluchtelingencrisis hebben wij daar echt wel heel veel geld in geïnvesteerd, net omdat we die mensen die kans willen geven. Dat is een factor, maar tegelijkertijd stelt de Vlaamse Regering massaal middelen ter beschikking vanuit diverse bevoegdheden om ook met die vluchtelingen aan de slag te gaan en hen kansen te bieden.

De werkgroep sociale correcties heeft het rapport opgeleverd. De werkgroep toegankelijkheid zal dat in de nabije toekomst doen.

Over de 1 euromaaltijden is al heel veel gezegd, ik zal dat hier allemaal niet herhalen maar ik wil wel ingaan op uw specifieke vraag. U vraagt waarom het succes van de maatregel beperkt is. Die 75 maaltijden per dag is een gemiddelde, het ene initiatief is al succesvoller dan het andere. Het is wel heel belangrijk dat wij met die projectoproep hebben gefocust op nieuwe projecten. Wij hebben geen bestaande projecten uitgesloten. Leuven bijvoorbeeld was een bestaand project, zij hadden dat concept al en dachten nu ook subsidies te krijgen van de Vlaamse overheid. Zij zijn daar dan ook gretig op ingegaan en het is zeer goed dat ze dat hebben gedaan maar dat concept bestond al. In Boom bijvoorbeeld lag het aantal lager, het concept bestond daar ook nog niet. Daar had men ook nog moeite om een goede locatie en personeel te vinden, wat niet alleen voor Boom maar ook voor andere locaties van toepassing was. Zij zijn niet op 1 januari 2016 maar pas tijdens de maanden nadien van start gegaan.

Via lerende netwerken zullen ook deze goede praktijken worden verdeeld onder de lokale besturen die hebben ingetekend op de oproep. Ik heb al gezegd dat in 2018 een evaluatie van het project zal plaatsvinden.

U vraagt ook waarom dit niet op scholen gebeurt. Ik heb daar al meermaals op geantwoord, maar ik begrijp dat u daar blijft op terugkomen. Ik zal dan ook hetzelfde antwoord geven. Ik heb benadrukt dat die 1 euromaaltijden veel meer zijn dan alleen die maaltijd: het gaat over een inclusief project, de betrokkenheid van de ouders, huiswerkbegeleiding enzovoort. Wanneer je dat bijvoorbeeld over de middag op school doet, dan heb je die inclusieve aanpak niet, dan betrek je de ouders niet, dan kunnen de ouders niet terecht bij een maatschappelijk assistent om eventueel andere gezinsproblemen te bespreken en dan heb je geen huistaakbegeleiding.

Het klopt dat er lokale besturen waren die een project hadden ingediend dat zich afspeelde binnen de schoolomgeving en die zijn geweigerd, terecht. De projectoproep was heel duidelijk: het mocht niet op een school zijn, het moest in een sociaal restaurant zijn en het moest vooral een integrale, inclusieve aanpak zijn.

Mevrouw Saeys, de vragen over de afgelopen acties moeten aan de functioneel bevoegde ministers worden gesteld, zoals ik daarnet ook al heb gezegd. Vanuit mijn coördinerende bevoegdheden kan ik u wel meedelen dat zeven acties volledig zijn uitgevoerd. Over de effecten moet u de bevoegde ministers bevragen.

Een project van mezelf, ‘originele en innovatieve projecten met focus op armoedebestrijding’, is volledig uitgevoerd. Een project van minister Gatz, ‘participatie van armen bevorderen in Brussel’, is ook uitgevoerd. Een project van minister Tommelein, ‘vermindering van administratierecht bij echtscheiding’, is uitgevoerd. Dan is er het project van minister Muyters ‘sport en jeugdzorg ter ondersteuning van erkende CANO-organisaties’, voor organisaties die mensen met een migratieachtergrond begeleiden. Een ander project van minister Muyters, ‘trainings- en vormingsaanbod: hoe omgaan met mensen in armoede op de werkvloer?’, is ook helemaal afgerond. Er is nog een project van mezelf, waar de webstek 'alleenstaande ouder' werd geactualiseerd en breder bekendgemaakt dan vroeger. En tot slot is er nog een project van minister Vandeurzen, ‘het versterken van de geestelijke gezondheidszorg van mensen in armoede door een betere samenwerking tussen eerste- en tweedelijnszorg’, dat eveneens is afgerond.

Is het belangrijk om het middenveld te betrekken? Uiteraard. Ik kan u een voorbeeld geven van hoe het middenveld wordt betrokken: in het horizontale permanente armoedeoverleg dat nog tweemaal bij elkaar zal komen voor de bijsturing zal worden gefinaliseerd, wordt het middenveld betrokken. Dat is zeer belangrijk en diegenen die daarop hebben gehamerd, hebben dan ook groot gelijk.

Het bestrijden van de digitale kloof is inderdaad zeer belangrijk, mevrouw Franssen. We moeten daarop blijven inzetten. U kent het project ‘Wie Online’. Dat is opgestart in 25 locaties, maar is ondertussen uitgebreid naar 30. Het lijkt succesvol. Daarom hebben we voorzien in een uitbreiding.

Ik ben het er absoluut mee eens dat we niet alles moeten inzetten op zelfredzaamheid. Ik heb ook de nuance gemaakt dat we moeten werken aan de zelfredzaamheid van mensen, met dien verstande dat er altijd een groep zal zijn die we blijvend zullen moeten ondersteunen. We zullen dat ook doen. Dezelfde redenering geldt voor mensen aan het werk krijgen. Ik ben het ermee eens dat dit niet bij iedereen zal lukken. We moeten daar wel op blijven inzetten, wetende dat er altijd een groep zal zijn waar we ons blijvend moeten achter scharen en die we moeten blijven ondersteunen. Iedere minister in deze Vlaamse Regering zal zijn verantwoordelijkheid nemen.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de evaluatie van het Armoededecreet? Dat is een gedeelde bevoegdheid met minister Vandeurzen. Ik kan wel zeggen wat mijn aandeel daarin is. Het Armoedecreet en de evaluatie ervan zijn ondertussen besproken met alle armoede- en middenveldorganisaties. Op basis van die gesprekken zijn er gesprekken opgestart tussen mijn kabinet en dat van minister Vandeurzen om bij te sturen waar nodig.

Ik vind ervaringsdeskundigen ook zeer belangrijk. We hebben binnen de administratie ook een ervaringsdeskundige aangeworven. Ik ben ervan overtuigd dat je als overheid altijd het goede voorbeeld moet geven. Ondertussen is er een subsidie toegekend aan TAO, de pool van ervaringsdeskundigen zodat ze meer mensen in hun pool kunnen opnemen en dat ze meer bekend worden bij die mensen die er een beroep op willen doen. 

Mevrouw Franssen had nog een vraag over eenoudergezinnen, die ik niet heb opgeschreven.

Cindy Franssen (CD&V)

Hoever staat het daar met de evolutie van de actiefiches? Wat hebt u daar al gedaan binnen uw bevoegdheid? Wat zijn de beleidsaanbevelingen inzake eenoudergezinnen?

Ik zal u het antwoord schriftelijk bezorgen.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik apprecieer de toonzetting van uw repliek.

Ik heb veel gelijklopende vragen, opmerkingen, kritieken en suggesties gehoord bij andere leden. Dat is een goed, belangrijk en krachtig signaal, niet alleen naar u maar naar de voltallige Vlaamse Regering. Naargelang de positie zal eenieder het wel iets anders formuleren, maar ik heb het lid van Open Vld horen pleiten voor een impactanalyse. Dat is exact ook het woord dat wij hebben gebruikt. Ik heb mevrouw Franssen horen pleiten voor een grondige evaluatie. Ik zet dat op dezelfde lijn. Bent u ertoe bereid om een impactanalyse te maken? Daar heb ik geen antwoord op gekregen.

Deze regering heeft beslist om tweejaarlijks te rapporteren. Dat betekent inderdaad dat dit het moment is. Een volgende keer zijn onze vleugels ongelooflijk geknipt. Is men bereid om in een dynamisch gegeven – mevrouw Franssen heeft het woord herhaaldelijk gebruikt – te bekijken hoe we de rapportage kunnen organiseren en de informatie aan het parlement kunnen geven? Ik heb daarnet nadrukkelijk mijn frustratie uitgedrukt over het feit dat er een gecoördineerd non-antwoord van de Vlaamse Regering is gekomen op schriftelijke vragen die peilen naar: wie zet welke middelen in en waarop; wat doet men concreet met die actiefiche; wat is daarmee aan de hand, loopt dat of loopt dat niet? Als we dat maar om de twee jaar kunnen bevragen, dan hebben we een ongelooflijke asymmetrie.

U hebt daarnet toegezegd aan mevrouw Franssen om haar die dingen schriftelijk te bezorgen wat uw eigen bevoegdheid betreft, waar het gaat over eenoudergezinnen. Ik vind dat een heel goed antwoord. Maar zouden we die goedheid ook deelachtig mogen zijn, en dan niet alleen voor dat thema maar ook bij andere ministers? Het zou deel kunnen uitmaken van uw coördinerende rol om dat op te nemen en om tegen ministers te zeggen: ‘Dat antwoord geven we niet meer, we geven gewoon een antwoord.’ Ik stel u deze open vraag, en ik wil ze absoluut herhalen.

Ik hoorde mevrouw Franssen ook spreken over de focus op werkarme gezinnen. Dat is exact de analyse en het voorstel dat we hebben gedaan in die ‘fast lane’ naar werk. Alleen zullen we dat moeten bijsturen want vandaag zijn werkarme gezinnen as such geen focus van VDAB. We moeten daar naar trajecten gaan. We moeten daar geen eenheidsworst serveren, als ik het zo kritisch mag zeggen. We moeten echt op maat van die doelgroep proberen te werken.

Ik heb hier terecht de focus horen leggen op de automatische toekenning van rechten. We hebben die focus ook gelegd. Minister, u hebt het voorbeeld gegeven van de huurpremie. Ik heb daar een schriftelijke vraag over. Er zijn 4200 dossiers. Daarvan werden er in 2016 42 geweigerd, 1 procent, omdat de eigenaar geen controle toelaat. Ik heb nog geen cijfers – ik heb ze wel opgevraagd – over hoeveel keer een huurpremie werd geweigerd omdat een woning niet conform is. Maar dan nog wil ik u wijzen op de mogelijkheid om dan tot een akkoord te komen waarbij men binnen de acht maanden die woning wel conform maakt. Dat zou een ongelooflijke win-win zijn. Dat betekent dat we een bijkomende investering zien in een woning die daarvoor niet conform was en die conform gemaakt wordt. Men kan, bij wijze van spreken, van een probleem ook een hefboom maken om stappen voorwaarts te zetten en om ondertussen wel een automatische toekenning te doen.

Ik heb de belangrijke verklaring gehoord dat we ons moeten verzetten tegen het individuele schuldmodel. Daar ben ik het absoluut mee eens. Ik heb hier pleidooien gehoord om overleg te houden. Via schriftelijke vragen blijkt dat vandaag niet te lopen. Mevrouw Franssen maakt het concreet met een interministeriële conferentie. We hebben het er al herhaaldelijk over gehad. Ja, het voorzitterschap zit bij de Franse Gemeenschap. (Opmerkingen)

Bij de Duitstalige Gemeenschap. We hebben het er al herhaaldelijk over gehad. Maar alstublieft, laten wij ons daar niet achter wegsteken. Neem een initiatief. Gebruik de kanalen die er zijn. Ik vind dat dat niet kan. In een land met een ‘multilevel government’ zijn we gedwongen om samen te werken, naar elkaar te luisteren en elkaar te versterken.

Ik ga het debat over de 1 euromaaltijden niet voeren. De heer De Bruyn legt de bal in het kamp van de lokale besturen. (Opmerkingen van Piet De Bruyn)

Oké, complementariteit. Maar dat loutere feit maakt dat als we de evidente netwerken, zoals onderwijs, op voorhand uitsluiten, we onszelf het leven misschien moeilijk maken. Er zijn volgens mij evengoed mogelijkheden om begeleiding enzovoort te doen. Er zijn initiatieven en projecten die dat doen, zonder dat je daarom in een schoolse context zit. Je kunt dat combineren. Dan heb je, aangezien we onderwijsplicht hebben, nagenoeg alle kinderen mee. Ik heb er in het verleden al voor gepleit om daar de blik open te zetten, na evaluatie, en om desgevallend die blik te verruimen.

Ik wil niet in die karikatuur vervallen, maar u hebt zelf Boom vernoemd. Daar is men er blijkbaar in geslaagd om in een kwartaal een 1 euromaaltijd te serveren. Ik weet niet hoe het kan dat er in een kwartaal een en in een volgende kwartaal twee 1 euromaaltijden worden aangeboden. Ik wil niet in die karikatuur vervallen, maar dat is ook de realiteit op sommige plaatsen. Daarnaast is er bijvoorbeeld Leuven, waar er die traditie is en waar er performanter mee wordt omgesprongen. Wat er ook van zij, als je gemiddeld 75 kinderen per dag bereikt, dan halen we de doelstelling of het bereik ook niet inzake huistaakbegeleiding of sociale begeleiding. Onze kritiek is dat het bereik relatief beperkt is.

Met betrekking tot het Pact 2020 ben ik blij te vernemen dat het nog altijd de ambitie is. Ik zou willen dat daar dan ook acties aan worden gekoppeld. Ik herhaal mijn vraag. Er is meer nodig. We moeten zicht op krijgen op de verschillende pistes, zodat we hier in het parlement bij voorbaat mee het debat kunnen organiseren. Ik wil daar op de meest positieve manier naar kijken.

Wat betreft de armoedetoets verwijst u naar het aantal. Voor mij is de impact belangrijk. Als je ziet dat op bepaalde factuurverhogingen, taksverhogingen inzake bijvoorbeeld energie geen armoedetoets is uitgevoerd maar wel op de sportfederatiefusie, dan voelt iedereen aan dat er een verschil aan impact is op het dagelijkse leven van een persoon in armoede.

Wat betreft de vluchtelingen ben ik blij met de nuancering en de uitklaring die u hebt gegeven. Na één jaar – pak me niet op de cijfers – is ongeveer 40 procent van mensen met een vluchtelingenstatuut aan het werk. Dat is het goede nieuws. Het slechte nieuws is dat ze daarmee even goed of even slecht scoren als andere mensen met een migratieachtergrond. We zitten gewoon met een probleem van verkleurde migratie. Als er een impact is van de vluchtelingencrisis, dan moeten we daar antwoorden op geven en ervoor zorgen dat we onze doelstellingen kunnen halen.

We zijn het eens over het doel wat betreft werk, namelijk mensen aan de slag houden. Ik heb het al gehad over de focus op inzet en op werkarme gezinnen.

Voorzitter, hoe gaan we hiermee verder tussen nu en juli? Kunnen we dit bespreken tijdens de regeling van de werkzaamheden? 

Mevrouw Moerenhout heeft het woord.

Het is goed dat de Vlaamse Regering genoeg ambitie blijft tonen en dat er wordt vastgehouden aan het halveren van de kinderarmoede tegen 2020. Ik ben net zoals de heer Van Malderen blij om dat te horen. Als er een domein is waar er ambitie moet zijn, dan is het dit. Ik ondersteun dat volledig. Dat is stap een. Stap twee is hoe dit te bereiken. Minister, ik roep u op om te verdiepen, om te verbreden en ervoor te zorgen dat de bijsturing een echte bijsturing is. U en de andere meerderheidspartijen moeten hun verantwoordelijkheid nemen en de hefbomen die er zijn, moeten echt worden gebruikt. Wat mij betreft, is 3 juli echt het moment van de waarheid voor alle Vlaamse meerderheidspartijen voor de komende jaren wat betreft armoedebestrijding.

Wat betreft de vluchtelingensector klopt het dat u in genoeg middelen voor NT2 hebt voorzien. Ik heb dat altijd grif toegegeven. Daar mag u zichzelf voor op de borst kloppen. Het is wel een gemiste kans dat die NT2 niet beter, sneller en uitgebreider wordt afgestemd op stages op de werkvloer. Ik heb dat al verschillende malen aangehaald tijdens de voorbije jaren. Onlangs was er weer een debat over. VDAB geeft het ook zelf toe. Dat is niet louter uw verantwoordelijkheid, maar vooral die van minister Muyters. Het is erg belangrijk dat dit er in een versneld tempo komt en dat de Nederlandse lessen worden gecombineerd met een stage op de werkvloer. De cijfers en de ervaring tonen aan dat de vluchtelingen – en dus ook de erkende vluchtelingen van 2015 – dan sneller een job vinden. Op het moment dat die mensen een job hebben, is dat goed voor hen, voor de samenleving en voor de armoedecijfers. Ik vraag daar dus extra aandacht voor.

Minister, op mijn tweede vraag hebt u eigenlijk geen antwoord gegeven, maar die sluit aan bij de laatste opmerking van mevrouw Franssen. In de Vlaamse Armoedemonitor komen extra kwetsbare groepen naar voren, vooral eenoudergezinnen maar ook grote gezinnen en alleenstaanden. Wat kunt u daaraan doen in de bijsturing voor de komende jaren? Ik herhaal graag deze vraag, tenzij u mij het antwoord schriftelijke bezorgt.

Volgens Groen kunnen we twee dingen doen: ofwel wordt extra ingezet op al deze groepen, ofwel differentieert u in het huidige beleid. Dat is op zich wel een interessant denkkader, dat hier een aantal weken geleden ook naar voren is gekomen in een gedachtewisseling met de Kinderrechtencommissaris. Hij haalde bijvoorbeeld de huisvestingskosten aan, een van de belangrijkste redenen waarom zoveel eenoudergezinnen in armoede vallen. Die wegen immers zwaar door op het gezinsbudget. Dat geeft dan vaak aanleiding tot betalingsproblemen en een of meerdeer jaren van armoede. De Kinderrechtencommissaris zei – ik geloof met steun van de Woonraad – dat dit een manier kan zijn om te differentiëren in huursubsidie of andere ondersteuningsmechanismes. Ik vond dat een heel interessant voorstel. Dit kan misschien eens de komende maanden onder de loep worden genomen. Het is bestudeerd door de verschillende actoren in de praktijk en kan concreet inspelen op de heel kwetsbare groepen die sterk in aantal  gestegen zijn, een sterk armoederisico vertonen en de komende jaren steeds sterker zullen toenemen, als gevolg de Vlaamse bevolkingsprognose. Dat is dus niet onbelangrijk.

Wat betreft de voortgangsrapportage had ik gevraagd naar de thema’s sociale correcties en toegankelijkheid van de dienstverlening. U hebt daar gezegd dat het rapport is opgeleverd of dra opgeleverd zal zijn. Geldt hetzelfde voor de beeldvorming omtrent armoede?

Wat betreft de 1 euromaaltijden kennen we uw pleidooi en kent u het onze. Mijnheer De Bruyn, u hebt terecht gezegd dat we vertrouwen moeten hebben in de lokale overheden. Zij kennen het terrein van dichtbij. Ze hebben kennis die we van hieruit moeilijk kunnen dirigeren. U zegt dat we hen niet moeten opleggen wat werkt en wat niet werkt. Ik vind het toch interessant om bij de evaluatie binnen twee jaar van de 1 euromaatltijden dit toch in het achterhoofd te houden. Als er dan nog steeds lokale overheden zeggen dat in hun stad of gemeente de school de meest interessante plaats is om zoiets op touw te zetten, dan heeft de Vlaamse overheid de plicht om die opmerking serieus te nemen. Dan kunnen we nog zien hoe we huiswerkbegeleiding en de betrokkenheid van de ouders daarbij krijgen.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

U hebt verwezen naar de acties die afgelopen zijn. We hebben die natuurlijk ook zelf gekregen. Daar zijn twee acties bij van uzelf. Ik veronderstel dat u daarover wel een stand van zaken kunt geven. Zo niet, dan stel ik mijn vraag nog eens schriftelijk.

Ik heb nog twee vragen waarvan ik denk dat u er nog mondeling op kunt antwoorden. U zegt dat we onze vragen moeten richten naar de ministers bevoegd voor hun domein. U bent natuurlijk coördinerend minister. Ik veronderstel dat u een stand van zaken krijgt van elke minister. Op welke termijn doen ze dat? Wordt er standaard na x aantal tijd aan u gerapporteerd? 

Een tweede zaak die ik ook had gezegd, was dat zelfstandigen toch 13 procent vormen bij de armoederisicopercentages. Ik had u ook gevraagd welke verklaring u daarvoor eigenlijk ziet.

Mevrouw Franssen heeft het woord.

Cindy Franssen (CD&V)

Minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Eerst een persoonlijk feit, ten aanzien van de heer Van Malderen. Ik weet dat u mij graag mee in bad trekt wat uw betogen over armoedebestrijding betreft. Ik wil het even hebben over het persartikel. Ik denk dat ik daarin een zeer correcte houding heb aangenomen en de Vlaamse Regering heb vernoemd, in tegenstelling tot u, die één minister viseert. Ik wil trouwens ook de journalist bedanken voor de zeer correcte weergave van hetgeen ik gezegd heb. Dat terzijde. (Opmerkingen van Bart Van Malderen en Piet De Bruyn)

Ik heb inderdaad enkel vragen gesteld over de domeinen waarvoor u bevoegd bent. Maar ik snap ook dat u dit hier niet allemaal kunt brengen. Het zou dan inderdaad goed zijn indien dit schriftelijk wordt toegevoegd voor alle fiches van uw bevoegdheden. Dan is de frustratie van de heer Van Malderen in dezen ook al een beetje ingedijkt. 

Ik ben eigenlijk wel blij – ik wil daar toch graag even op terugkomen – dat we vandaag de voortgangsrapportage bespreken en toch de tijd nemen om het rapport zelf of de evaluatie en de bijsturing binnen de twee maanden te nemen. Op die manier zijn we de parlementaire democratie indachtig. Daardoor kunnen wij hier nu onze bekommernissen meegeven en kunnen die nog worden meegenomen in het traject. Want mocht dit allemaal ineen geweest zijn, zou er vanuit parlementair oogpunt weinig bijsturing mogelijk zijn, net zoals vanuit het oogpunt van het middenveld. Dat is een algemene bedenking.

U maakte al duidelijk dat u niet had geantwoord op de vraag over de interministeriële conferentie. Ik zal een voorzet doen. Het voorzitterschap zit inderdaad onder de bevoegdheid van een andere minister en die moet dus de vergadering samenroepen. Dat is juist. Maar uw federale collega kan wel de kar trekken wat het interfederale kinderarmoedeplan betreft, zonder de interministeriële conferentie te moeten samenroepen. Aangezien het een partijgenote is van u, stel ik voor dat u erop aandringt om dat interfederale kinderarmoedeplan mee te nemen.

De heer De Bruyn heeft het woord.

Laat ons eerlijk zijn. De tweede ronde stond mij meer aan en ligt mij ook beter, omdat er wat meer nuance in zat. Af en toe kan niemand van ons aan de verleiding weerstaan om forser – en persoonlijker – uit te halen dan nodig is.

En toch pik ik in mijn tweede betoog eigenlijk maar één puntje op. Er is bij herhaling, door velen, hier, in het verleden, op andere plaatsen, al op gewezen of de armoedetoets die er nu bestaat wel het beste instrument is om te evalueren. Dat is een oefening die ik absoluut niet uit de weg wil gaan. Ik denk dat het een zinvolle oefening is om daar blijvend over na te denken. Je kunt het een impactanalyse noemen of er andere termen voor gebruiken. Maar laat ons dan ook eerlijk zijn, over alle partijgrenzen heen. Als wij er samen van overtuigd zijn dat het zinvol is om die oefening te maken, laat ons dan onze invloed en onze kanalen die we in alle partijen hebben, gebruiken om daarover na te denken. Het is in ieder geval een oefening waar wij, laat dat duidelijk zijn, niet van weglopen en in het verleden ook nooit van weggelopen zijn.

De vraag blijft hoe we hiermee verder gaan. We zullen dat voor een stuk praktisch bekijken in de regeling van de werkzaamheden. Ik heb nog altijd het gevoel dat we op dit ogenblik de manier van werken niet in twijfel moeten trekken. We hebben onze voortgangsrapportage gekregen. We blijven individueel verantwoordelijk om ministers en beleidsdomeinen te bevragen en aan te spreken en we doen dat ook.

En, mijnheer Van Malderen, als er frustraties zijn over non-antwoorden – inhoudelijk in ieder geval, antwoorden die niet correct zijn – vind ik het niet meer dan normaal dat u die uit. En dan zult u – en dat is een engagement – in die commissies waar u het gevoel hebt dat er onvoldoende ernstig op wordt geantwoord, ongeacht de partij waartoe die minister behoort, in ons een bondgenoot vinden – en misschien meer dan tot nu toe het geval was – om daarop een afdoend antwoord te vinden, zonder dat er daaraan grove beschuldigingen of zware beledigingen moeten worden toegevoegd.

Het onderwerp is – en daarvan zijn wij gelukkig met z’n allen overtuigd – ernstig genoeg om op een ernstige manier door ons allen te worden behandeld.

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, ik zal de zeer specifieke vragen met betrekking tot cijfers enzovoort nog schriftelijk overmaken, aan uzelf of aan de secretaris, zodat het nog kan worden opgenomen in het verslag. De keuze is aan u om te beslissen wat u het liefste wilt.

Ik wil beginnen met dat interfederale kinderarmoedeplan. Er is in het verleden overleg geweest. Wij hebben in het verleden ook steeds gevraagd om overleg te hebben. Wij doen dat nu nog altijd heel consequent. Collega’s, het is niet een kwestie van ‘piepke duik’ te spelen. Maar je hebt natuurlijk wel verantwoordelijkheden op verschillende niveaus. De plannen die ik moest maken, zijn klaar. Ik kan alleen maar bij het federale niveau aandringen. Ik heb dat in het verleden gedaan en doe dat nu nog: ‘Waar blijft het interfederale kinderarmoedeplan?’ Het is eigenlijk een tip. U stelt uw vragen hier. Dat mag. Maar stel ze misschien ook eens in de Kamer, waar ze eigenlijk thuishoren. Ik doe wat ik hier moet doen: vragen waar het overleg blijft. Maar ik ben niet verantwoordelijk voor het uitschrijven en opstellen van heel dat plan. De plannen die wij moesten maken, zijn er. Jammer genoeg is dat federale kinderarmoedeplan er nog niet. Ik weet ook niet wat de stand van zaken is. Die kan u misschien eens opvragen in de Kamer. En dat heeft niets te maken met het feit of je al dan niet tot dezelfde partij behoort. Mocht dat iemand van een andere partijkleur zijn, zou ik net hetzelfde zeggen en zou ik net hetzelfde hebben gedaan. Vanuit Vlaanderen hebben we gedaan wat we moesten doen: aandringen op overleg. We hebben ook al overleg gehad, voor alle duidelijkheid. Maar de uitwerking van het plan is natuurlijk wel de bevoegdheid van de Federale Regering.

Ik zal me beperken tot de bijkomende vragen die werden gesteld, en niet ingaan op de beschouwingen.

U hebt een vraag gesteld in verband met het rapport over de beeldvorming. Het gaat niet enkel over beeldvorming, maar ook over vorming. Wat is de stand van zaken? Alle vormingen die momenteel bestaan – en dat zijn er wel wat – worden in kaart gebracht. Op 17 oktober 2017, op de Werelddag van Verzet tegen Armoede, zal er samen met Caritas en met de verenigingen waar armen het woord nemen een actie op touw worden gezet, vanuit mijn coördinerende bevoegdheden. Collega’s, dat toont nog maar eens aan dat we wel degelijk waarde en belang hechten aan de rol van het middenveld in de coördinerende bevoegdheid. Op 17 oktober zult u zien wat het concreet wordt.

Ik heb gezegd dat ik bepaalde zaken schriftelijk zal beantwoorden. Ik zit hier vanuit mij coördinerende functie. De medewerker naast mij is de persoon op mijn kabinet die enkel en alleen Armoede opvolgt – en dat is al heel wat.

Mevrouw Saeys, van de twee acties die al zijn afgerond en volledig uitgevoerd en tot mijn bevoegdheid behoren, is er enerzijds een actie Gelijke Kansen en anderzijds een actie Binnenlands Bestuur. Ik kan veel vragen van mijn medewerker, maar niet dat die op de hoogte is van alles van Binnenlands Bestuur en alles van Gelijke Kansen. Maar we zullen u dat schriftelijk bezorgen, als dat oké is voor u.

Wanneer worden de rapporten aangeleverd door mijn collega’s? Dat varieert van minister tot minister. Dat werkt wel. Ik steek niet onder stoelen of banken dat er af en toe op moet worden aangedrongen. Maar ik denk dat dat nooit kwaad kan. Op het einde van de rit heeft iedereen wel zijn fiches binnengebracht.

Ik sluit af, voorzitter. Ik vind het belangrijk dat die rapportage er nu inderdaad is. Begin juli zullen we de bijsturing bespreken. Dat is natuurlijk een zeer belangrijke bespreking, waarvoor we misschien meer dan één commissievergadering moeten uittrekken. Maar dat laat ik over aan het parlement tijdens de regeling van de werkzaamheden.

Mijnheer Van Malderen, wat uw suggestie betreft: dat ligt niet in mijn handen. Ik zeg niet neen. (Opmerkingen van Bart Van Malderen)

Dat behoort tot de regeling van de werkzaamheden. Als u hier bijvoorbeeld meerdere debatten over armoede wilt organiseren, ben ik de eerste om te zeggen: ‘Ja, graag. Geen enkel probleem voor mij.' Maar ik regel jullie werkzaamheden niet. Ik stel dus voor dat jullie dat straks verder bespreken tijdens de regeling van de werkzaamheden. (Opmerkingen van Bart Van Malderen)

Het voorzitterschap van de Interministeriële Conferentie zit bij de Duitstalige Gemeenschap en het Waalse Gewest. Ze moeten een initiatief nemen. Ik heb in deze commissie of tijdens een actualiteitsdebat gezegd: neem nu initiatief. En ja, wij doen wat we willen. We kunnen moeilijk zeggen dat we de voorzittershamer uit hun handen nemen en het overnemen. Zo werkt ons moeilijke land nu eenmaal niet. Maar we hebben wel al gewezen op de verantwoordelijkheid van de twee entiteiten voor wat de organisatie of het bijeenroepen van de IMC betreft.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, het grote verschil dat we willen maken, is dat we graag proactief en niet reactief mensen zouden horen en zelf voorstellen indienen over een plan dat is afgerond. Dat laat ons toe om u hopelijk te inspireren, en op een iets gemakkelijkere manier het resultaat van het regeringswerk te beoordelen.

Dit is de slotconclusie van deze voormiddag: noch de cijfers, noch de tabellen, noch het debat laat toe te veronderstellen dat we vandaag met het lopend beleid tegen 2020 kinderarmoede zullen halveren en armoede met een derde zullen reduceren, integendeel. Het is goed dat u die ambitie hebt bevestigd. Dat betekent dus dat we bijkomende acties en daaraan gekoppeld middelen nodig zullen hebben. Voorlopig zie ik die niet. Ik heb u gezegd dat we een tiental punten hebben gebundeld rond focus op werkarme gezinnen, rond gespreid betalen. Over een hervormde armoedetoets wil ik gerust een voorstel van decreet indienen.

Collega De Bruyn heeft gezegd dat hij ook wil kijken naar een impactanalyse. Dat is heel belangrijk, ook in de vragen van mevrouw Saeys, mevrouw Franssen, mijzelf en vermoedelijk ook mevrouw Moerenhout. Je hebt een ex-post- en een ex-ante-impactanalyse. In dit debat moeten we dat meenemen. Als we vandaag een hele papieren evaluatie hebben in uitvoering en in afwachting enzovoort, dan wilden we wel graag naar het ex-postluik kijken. Ik wil het debat open voeren.

Minister, inzake het overleg met de federale overheid: u mag selectief heel onbeleefd zijn. In deze zaak is dat zo. Nodig uzelf gewoon uit op zo’n IMC, nodig uzelf uit op het federale niveau. U kunt stout genoeg zijn, maar wees er selectief in. Op dat niveau zullen we u daarin steunen. Ik heb er genoeg schriftelijke vragen over gesteld. Het overleg met het federale niveau is essentieel en het kan beter. 'It takes two to tango', maar iemand moet de dans openen. Laat u het zijn, minister.

De gedachtewisseling en de vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.