U bent hier

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Vooraleer ik mijn vraag stel, wil ik zeggen dat mijn vraag geen pleidooi inhoudt voor de afschaffing van de steun aan de landbouw. Ik had toch graag geweten hoe de reactie is op het volgende.

Minister, collega's, daags voor de landbouwwereld in Brussel verzamelde voor het congres ‘Forum of the Future of Agriculture’, werd het rapport ‘CAP: Thinking Out of the Box’ voorgesteld. In opdracht van de Rural Investment Support for Europe (RISE) Foundation, een onafhankelijke denktank die werd opgericht door voormalig Europees landbouwcommissaris Franz Fischler, bogen vier onafhankelijke experten zich over het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

In het rapport dat die vier onafhankelijke experten hebben geschreven in opdracht van de RISE Foundation en in het licht van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) na 2020 staat dat het Europees landbouwbeleid te sterk leunt op inkomenssteun aan landbouwers terwijl dat niet efficiënt, noch effectief is. Een van de coauteurs is de Vlaamse landbouweconoom Erik Mathijs van de KU Leuven.

Directe inkomenssteun aan landbouwers slorpt momenteel meer dan 70 procent van het landbouwbudget op en bijna 30 procent van het totale EU-budget, maar geeft volgens de vier wetenschappers veel te weinig in return. Het inkomen van de financieel meest kwetsbare landbouwers wordt er niet veilig door gesteld. Ook zijn er andere en betere manieren om voedselzekerheid, grondstoffenefficiëntie, verduurzaming van de landbouwproductie en het leveren van ecosysteemdiensten te bewerkstelligen.

Coauteur Erik Mathijs brengt in herinnering dat het in feite om een overgangsmaatregel gaat die nooit is uitgedoofd nadat Europa de gegarandeerde minimumprijzen afbouwde. Zelfs voor sectoren die overleven bij de financiële gratie van Europa, zoals de vleesveehouderij in Vlaanderen, kun je volgens Erik Mathijs beter iets anders verzinnen. Hij pleit ervoor om in een sector die zo sterk afhankelijk is van overheidssteun, structureel te hervormen en niet aan symptoombestrijding te doen.

De ommezwaai die Mathijs en co bepleiten, is minder drastisch dan op het eerste gezicht lijkt. Er wordt niet gepleit om minder overheidsmiddelen naar de landbouw te laten gaan maar wel om ze anders te besteden. Overheidssubsidies kunnen beter worden ingezet om marktimperfecties te corrigeren. Een voorbeeld daarvan is het vergoeden van ecosysteemdiensten, want de prijs daarvoor kan een landbouwer niet uit de markt halen. Een ander voorbeeld is het marktbeleid dat voor de groente- en fruitsector wordt gevoerd, dat men zou kunnen opschalen naar de andere deelsectoren.

Het concrete voorstel houdt in dat wordt voorzien in een gelaagde beleidsstructuur met een basistoelage en daarbovenop extra subsidies die de boer vergoeden voor milieumaatregelen. De basistoelage kan aanvankelijk grotendeels overeenkomen met de huidige inkomenssteun per bedrijf en tijdens een overgangsperiode geleidelijk worden afgebouwd.

Minister, hoe beoordeelt u de conclusies van het rapport van Erik Mathijs en co, in het bijzonder de bevindingen over het hervormen van pijler 1?

Zult u zich op deze conclusies enten om het Belgisch standpunt inzake de hervorming van het GLB na 2020 te bepalen?

Deelt u het inzicht dat er geen daling van de middelen voor landbouw wenselijk is in het hervormde GLB na 2020?

Bent u van oordeel dat pijler 2 in het hervormde GLB na 2020 moet worden versterkt ten nadele van pijler 1?

Welke specifieke accenten wilt u vanuit de Vlaamse context leggen om de positie van de landbouwer en het risicobeheer en de voedselketen te versterken enerzijds en het spanningsveld tussen de landbouwproductie en de duurzaamheidsdoelstellingen te verkleinen anderzijds?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Mijnheer Vanderjeugd, ik volg u niet wanneer u zegt dat het GLB niet efficiënt en effectief zou zijn. Het beleid is nog maar twee jaar in uitvoering. Bovendien heeft de Europese Commissie nog maar net de monitoring en de evaluatie opgestart.

Er is een heel strikt kader afgesproken dat zowel het Europees Parlement als de Raad hanteert: uiterlijk op 31 december 2018 moet de commissie een verslag over de eerste resultaten van het hervormde GLB uitbrengen. Een tweede verslag moet er zijn op 31 december 2021.

Mochten we vandaag al conclusies trekken, dan heeft dit hele monitoring- en evaluatiekader dat door de Europese wetgever werd uitgewerkt, weinig zin. Ik ben dus van oordeel dat we de Europese Commissie haar werk moeten laten doen. Enkel de commissie beschikt over de GLB-databankgegevens die de 28 lidstaten jaarlijks aan haar moeten rapporteren.

Ook wat de financiële middelen betreft die de Europese Unie zal budgetteren in het kader van het landbouwbeleid na 2020, is het vandaag nog in het duister tasten. De Europese Commissie heeft aangekondigd dat ze in het najaar van 2017 zal communiceren over haar intenties op vlak van het zogenaamde meerjarig financieel kader. Waarschijnlijk zullen we dan wijzer worden.

Wetende dat het Verenigd Koninkrijk vandaag de tweede grootste nettobetaler is, spreekt het voor zich dat de afhandeling van de brexit daar onvermijdelijk een impact op zal hebben. In elk geval zijn er redenen genoeg om het aandeel van het GLB binnen de meerjarenbegroting te behouden na 2020.

U hebt zelf aangegeven dat een soevereine Europese voedselvoorziening zowel strategisch als geopolitiek van groot belang is. De Europese Unie kan en mag het risico niet lopen om haar soevereiniteit op het spel te zetten en voedselafhankelijk te worden van derde landen, want zowel economisch als ecologisch zou dat bijzonder kwalijke gevolgen hebben. Voeding zal altijd een basisbehoefte van de mens zijn. Om het met een boutade te zeggen: zonder auto gaan we te voet of met de fiets, zonder voedsel gaan we dood.

De Europese beleidsmakers staan erop dat onze boeren niet alleen voedselveilig produceren maar dat bovendien de hoogste standaarden ter wereld op het vlak van milieu, natuur, klimaat en dierenwelzijn worden nageleefd. Ik sta daar volledig achter. Maar binnen de geglobaliseerde vrijemarktlogica vloeit daar rechtstreeks uit voort dat die productiestandaarden slechts realiseerbaar zijn wanneer daar voldoende publieke middelen tegenover staan. Als gevolg van de WTO-handelsregels en de bilaterale handelsverdragen wordt bij ons immers ook voedsel ingevoerd en verhandeld dat niet aan diezelfde standaarden voldoet. Als we zelf diensten, elektronica, baggerwerken, bier of chocolade willen exporteren naar andere werelddelen, is het logisch dat die andere werelddelen in ruil grondstoffen of voedingsproducten naar ons willen exporteren.

Vrijhandel is op zich een positief verhaal, want het staat vast dat landen die handel drijven met elkaar, er allebei beter van worden. Maar er zijn wel correctiemechanismen nodig om ongewenste neveneffecten weg te werken. En daarom is het goed dat er zoiets bestaat als landbouwsubsidies.

De eerste pijler van het GLB dient dus onder meer om het concurrentieel nadeel van de lokale voedselproductie ten opzichte van geïmporteerd voedsel te compenseren. Zonder het GLB zouden de Europese landbouwers de concurrentieslag niet aankunnen. Landbouwsubsidies zijn door de opeenvolgende hervormingen van dat GLB dus veeleer compenserende vergoedingen geworden voor publieke diensten die zij leveren. Een andere reden waarom we als maatschappij schatplichtig zijn aan onze boeren, is dat de landbouwevolutie van de voorbije zestig jaar voor een enorme welvaartsvooruitgang heeft gezorgd. Vóór het GLB was de bevolking hoofdzakelijk zelf in de weer met het voorzien in haar basisbehoefte, en dat kostte enorm veel tijd en energie. Dankzij het GLB hebben we ervoor kunnen zorgen dat er minder arbeidskracht nodig is voor die grote voedselbehoefte. Die arbeidskracht kon bijgevolg worden ingezet in andere economische activiteiten. Intussen zijn er nog 2 procent boeren, die de voedselbasisbehoefte van 98 procent anderen invullen.

Het GLB zorgt er ook voor dat voedsel goedkoop en betaalbaar blijft. Het aandeel van de voedseluitgaven in een modaal Vlaams gezin is gedaald naar 12 procent. Een gemiddeld gezin kan dus 88 procent van zijn inkomen aan andere zaken besteden dan aan de voedselbasisbehoefte. De publieke GLB-uitgaven zorgen ervoor dat er een sterk multiplicatoreffect is: het GLB kost elke Europeaan 30 eurocent per dag, maar de return on investment is een veelvoud, en als toemaat onderhouden de boeren dus ook een groot deel van de open ruimte, wat ook alle Vlamingen ten goede komt.

Wat de huidige tweepijlerstructuur betreft, zal de Europese Commissie zelf een voorstel formuleren. De verwachting is dat dat in de loop van 2018 zal gebeuren. Eurocommissaris Hogan heeft de voorbije jaren meermaals ondervonden dat er niet veel nodig is om de landbouwmarkt in een crisis te doen verzeilen. Denken we maar aan het Ruslandembargo. Hij heeft aangegeven dat risicobeheer in de voedselketen voor hem hoog op de agenda staat, dus ik verwacht dat de Europe Commissie daarvoor concrete maatregelen zal incorporeren in het voorstel voor het GLB. Ik zal hem daar ook in ieder geval in steunen. U weet dat we dat ook al hebben ingebracht in de discussie.

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. U had het misschien niet gehoord, maar in mijn inleiding heb ik heel duidelijk gesteld dat ik vooral uw mening wou horen over de conclusies die de heer Mathijs en zijn kompanen trekken naar aanleiding van het rapport dat is verschenen. Ik heb absoluut niet gezegd dat ik hun mening deel of dat het GLB niet efficiënt is. Ik wil dat nog eens heel duidelijk herhalen. Ik snap ook dat men het evaluatiekader vanuit Europa afwacht. Dat lijkt me een wijze beslissing. U hebt dat ook al meermaals gezegd, ook in deze commissie. Dat lijkt me ook logisch. Het is ook positief dat u nu al met diverse spelers bezig bent met de oefening om te kijken naar een GLB na 2020. We weten ook allemaal dat de middelen vanuit Europa voor landbouw ondertussen ook al aanzienlijk zijn gedaald, maar dat ze bovenal ook zijn geheroriënteerd. Ik ga dus absoluut niet zeggen dat ik die conclusie deel, maar ik vroeg me gewoon af hoe u naar zulke conclusies kijkt, en daar heb ik niet echt een antwoord op gekregen. Ik heb vooral veel positieve zaken gehoord over het GLB, die ik alleen maar mee kan onderschrijven. Maar goed, ik denk dat uw boodschap is dat we moeten afwachten en dat u vooral het werk van de evaluatie van de Commissie zult bekijken. Ik hoop dat u ook onze aanbevelingen van onze resolutie inzake schaalverandering zeker ook in deze oefening zult meenemen. U hebt dat al aangehaald.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, ik denk dat het Europees landbouwbeleid uitermate belangrijk is voor onze land- en tuinbouwers, maar anderzijds constateer ik toch wel dat heel wat land- en tuinbouwers vandaag het gevoel hebben dat Europa hen in de steek laat, en dat ze daar wat moedeloos bij worden. Het is een uitdaging voor morgen voor Europa om bij de land- en tuinbouwers opnieuw het gevoel te creëren dat het beleid hen daadwerkelijk waardeert en dat men niet alleen aandacht heeft voor betaalbare prijzen voor de consument en voor vergroening. Op die wijze ervaren onze Vlaamse landbouwers immers soms het Europees landbouwbeleid – terecht of ten onrechte, dat laat ik in het midden.

Wat de discussie betreft over het overhevelen van pijler 1 naar pijler 2, vraag ik me af of het niet zinvol is om eens te evalueren of de middelen binnen pijler 1 wel op de meest correcte manier worden verdeeld. Misschien moeten we veeleer deze discussie voeren dan de discussie over het overhevelen van middelen van pijler 1 naar pijler 2.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Ik dank u allebei voor de insteken. Dat zijn zaken die we zeker meenemen. Ik denk dat dat de discussie over hoe we dat landbouwbeleid na 2020 zien, een heel belangrijke discussie zal worden. We zijn de weg naar vergroening ingeslagen. Ik denk dat dat helemaal niet terug te schroeven zal zijn. Het lijkt me ook niet wenselijk om dat te doen. Ik denk dat het wel van belang is dat wat in pijler 1 zit, inderdaad op een juiste, goede correcte manier wordt gedaan. Ik vind dat het ook niet zo is dat het Europees landbouwbeleid te veel focust op de betaalbaarheid van voedsel, maar je ziet dat er instrumenten ontbreken om in crisismomenten echt te gaan ingrijpen in de markt. Ik denk dat we daar vooral op moeten focussen. Het feit dat landbouwers voelen dat die mechanismen er niet zijn, zorgt er inderdaad voor dat dat vertrouwen voor een stuk weg is. Ik denk echter dat het ook onze plicht is, van mezelf als minister, maar ook van het parlement, maar ook van Europa, om wel te blijven zeggen wat Europa wél allemaal ook doet voor de landbouw.

Ik denk dat veel van het wantrouwen ten aanzien van Europa niet alleen bij ons bestaat, niet alleen bij onze boeren, maar een algemeen buikgevoel is binnen Europa. Kijk naar de brexit. Vaak heeft dat misschien te maken met het uitgaan van een aantal evidenties en die niet meer uitleggen. Ik denk dat we die moeten blijven uitleggen.

Als ik ergens ga spreken, krijg ik vaak de vraag waarom er zo weinig geld vanuit Europa naar landbouw gaat. En als ik dan uitleg wat er allemaal vanuit Europa naar landbouw gaat en wat daar allemaal mee gebeurt, dan schrikt men wel. Dat wil dus zeggen dat men dat eigenlijk al een evidentie vindt en dat men dat niet zo goed meer weet. Ik denk dat we de plicht hebben om dat allemaal goed uit te leggen en dat vertrouwen te herstellen, zodat men niet fatalistisch wordt en denkt: Europa laat ons in de steek.

Ik denk dat het moet worden versterkt. Die crisiselementen of -mechanismen moeten daarin zitten. Maar daarnaast hebben we allemaal – en ik denk daarbij in de eerste plaats aan mezelf – een verpletterende verantwoordelijkheid om te blijven uitleggen hoe het in elkaar zit en wat er allemaal in zit.

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

Het omgekeerde is ook waar. Soms krijg ik vanuit bepaalde insteken of hoeken het verwijt dat er veel te veel subsidie naar landbouw gaat om boterbergen en melkplassen te produceren, terwijl dat op dit moment absoluut niet meer het geval is. Maar die perceptie leeft daar ook nog altijd. Dat is ook iets dat ik in ieder geval probeer tegen te gaan.

Op het vlak van mijn vraag zelf blijf ik wat op mijn honger zitten inzake die specifieke conclusies. Maar goed, ik denk dat het logisch en wijs is dat u daarop niet antwoordt en dat u vooral die evaluatie afwacht om dan uw bedenkingen te formuleren. We kijken uit naar de oefening die zal volgen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

van Francesco Vanderjeugd aan minister Joke Schauvliege
1801 (2016-2017)
van Jos De Meyer aan minister Hilde Crevits en minister Joke Schauvliege
1809 (2016-2017)
van Francesco Vanderjeugd aan minister Joke Schauvliege
1836 (2016-2017)

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.