U bent hier

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag om uitleg is wat actueler geworden. Ik heb gemerkt dat de heer Caron over dit onderwerp schriftelijke vragen heeft gesteld en informatie heeft gekregen die het belang van mijn vraag om uitleg eigenlijk onderstreept.

Ik heb deze vraag om uitleg ingediend naar aanleiding van een artikel dat op de website van het Vlaams Infocentrum Land- en Tuinbouw (VILT) is verschenen. In dat artikel wordt een evaluatie gemaakt van een verandering in het Europees beleid aangaande het blijvend grasland. Al een tijdje wordt de verplichting tot het behoud van het blijvend grasland als voorwaarde voor de inkomenssteun niet meer op het niveau van het individueel bedrijf gemonitord of berekend. Dit wordt nu op een globaal Vlaams niveau vergeleken met een referentieareaal dat ten opzichte van 2012 niet met meer dan 5 procent mag dalen.

Volgens VILT zou dit eigenlijk geen probleem mogen opleveren of toch tenminste niet wat betreft de verplichting boven die grens van 5 procent te blijven. Het artikel wijst er desondanks op dat een aantal landbouwers van de gelegenheid gebruikmaken om blijvend grasland toch maar te scheuren. Dit blijkt ook uit het antwoord op de schriftelijke vragen van de heer Caron. Ze vertrekken vanuit een bepaalde ambitie. Aangezien dit niet langer op individuele basis wordt gemonitord, kunnen ze het zich nu permitteren snel en zonder individuele gevolgen te scheuren. Op die manier zijn ze er meteen van af. Aangezien ik aanneem dat VILT een dergelijk artikel anders niet zou publiceren, dreigt de 5 procentgrens hierdoor blijkbaar toch in het gedrang te komen. Dit heeft uiteraard potentiële gevolgen voor de inkomenssteun aan alle of toch meerdere Vlaamse landbouwers.

Ik heb begrepen dat op het terrein blijkbaar vaak meer soortenrijke graslanden worden gescheurd. De nieuwe regeling voorziet er blijkbaar in ook minder kwalitatieve en minder soortenrijke graslanden mee te tellen. Aangezien de 5 procentgrens desondanks in het gedrang blijkt te komen, zou ik hierover graag een aantal vragen stellen.

Minister, is er een reden om aan te nemen dat de overstap van een individuele naar een collectieve verantwoordelijkheid tot betere of tot slechtere resultaten zou kunnen hebben geleid? Op het eerste gezicht lijkt het laatste te kloppen en lijken de resultaten slechter te zijn. Ik zou echter graag een meer geargumenteerd antwoord krijgen.

Bevoordeelt het systeem van de collectieve verantwoordelijkheid diegenen die snel van de blijvende graslanden binnen hun bedrijfsvoering af willen? Zal dit bijgevolg een negatief effect hebben op alle anderen indien de 5 procentgrens in het gedrang zou komen?

Lijkt het u, aangezien uw eigen administratie en het VILT nu al aan de alarmbel trekken, niet aangewezen nu al een aantal preventieve en strengere maatregelen uit te vaardigen? Ik denk bijvoorbeeld aan een overstap die de Europese regelgeving toelaat. U zou de balans lokaal in plaats van zuiver op bedrijfsniveau kunnen beoordelen. Zou het niet beter zijn nu al strenger in te grijpen in plaats van nadien te bekijken hoe we de negatieve gevolgen moeten spreiden over allerlei landbouwers die eigenlijk niets verkeerd hebben gedaan?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Voorzitter, het gaat hier om een regeling die vanaf 2015 van kracht is. Dit past binnen de eerste pijler van het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid. De regeling houdt in dat de landbouwers aan drie vergroeningsvoorwaarden moeten voldoen. Een van die maatregelen heeft betrekking op de instandhouding van het blijvend grasland in 28 lidstaten van de EU.

De Europese wetgever heeft een onderscheid gemaakt tussen de gewone blijvende graslanden en de ecologisch kwetsbare blijvende graslanden. Aangezien het belang is beide goed uit elkaar te houden, zal ik nog eens verduidelijken waarover het gaat.

Mijnheer Tobback, de percelen met gewone blijvende graslanden kunnen in de gangbare teeltrotatie van de bedrijven worden opgenomen. De verhouding tussen het totaal areaal aan blijvend grasland en het totaal areaal aan landbouwgronden moet echter stabiel blijven ten opzichte van het referentiejaar 2012. Er is een tolerantiemarge van 5 procent. U hebt in uw inleiding gesteld dat het areaal aan blijvend grasland met niet meer dan 5 procent mag dalen. Dat klopt niet. Het gaat niet om het areaal aan blijvend grasland, maar de verhouding tussen het areaal aan blijvend grasland en het areaal aan landbouwgrond mag zich niet buiten de Europese tolerantiemarge van 5 procent begeven.

De ecologisch kwetsbare blijvende graslanden mogen niet in de teeltrotatie van bedrijven worden omgezet. Ze mogen niet in akkerland worden omgezet en ze mogen ook niet worden geploegd.

Mijnheer Tobback, u weet dat de waardevolle poldergraslanden die de Vlaamse Regering heeft beschermd, hieronder vallen. Dat zijn ecologisch kwetsbare blijvende graslanden. Ik kan u geruststellen dat de communicatie van het Departement Landbouw en Visserij geen betrekking heeft op de in kaart gebrachte poldergraslanden. Die graslanden zijn immers per perceel beschermd, en dit blijft ook zo.

Op basis van de cijfergegevens voor 2015 en 2016, de eerste twee jaren van het hervormd gemeenschappelijk landbouwbeleid, stellen we vast dat onze landbouwers aan de Europese vergroeningsvoorwaarden hebben voldaan. De verhouding tussen de blijvende graslanden en alle landbouwgronden blijft stabiel. Ik zie momenteel dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat de collectieve verantwoordelijkheid van onze landbouwers tot betere of mindere resultaten zou leiden ten opzichte van de voormalige Europese regeling. Vanwege een aantal potentiële redenen is het echter niet ondenkbaar dat de tolerantiemarge tijdens een van de komende jaren zal worden overschreden.

Een eerste reden is dat landbouwers in de eigen bedrijfsvoering vaak aan teeltrotatie doen of het gebruik van percelen met andere landbouwers uitwisselen. Zo wordt, bijvoorbeeld, in de buurt van een uitloopstal een nieuw graslandperceel aangelegd. Elders wordt dan de equivalente oppervlakte in akkerland omgezet. Op basis van de Europese boekhoudregels wordt het omgezet perceel blijvend grasland vanaf het eerste jaar in mindering gebracht en telt het nieuw aangelegd perceel grasland pas vanaf het zesde jaar mee als blijvend grasland. Op die manier worden dalingen sneller in rekening gebracht dan stijgingen.

Een tweede reden is dat er in de Vlaamse context een continue druk op het blijvend grasland staat. Het gaat hier nog steeds om gewone blijvende graslanden. Sommige landbouwers zetten hun activiteiten als houders van rundvee of schapen stop en schakelen om naar akkerbouw. Akkerbouwers kunnen graslanden niet valoriseren in de vorm van melk- of vleesproductie. Het grasland wordt omgeploegd om er plantaardige voedingsmiddelen te produceren in tegenstelling tot gras.

Die druk is er ook om een andere reden. De landbouwers vrezen dat ze nadelige gevolgen zullen ondervinden zodra de overheid het etiket van blijvend grasland aan een perceel heeft verbonden. Het gaat dan om de uitbatingsbeperkingen, maar ook om het verlies aan eigendomswaarde. Een lid van de Europese Landbouwraad heeft het destijds als volgt verwoord: “De grootste bedreiging voor het Europees areaal blijvend grasland zijn de Europese beschermingsregels zelf.” Hij bedoelde hiermee dat landbouwers die het anders nooit zouden overwegen hun grasland te scheuren, toch geneigd zijn dit te doen vanwege de potentiële toekomstige uitbatingsbeperkingen en kapitaalschade.

Tijdens de wintermaanden houden mijn diensten veel informatievergaderingen voor landbouwers. We stellen vast dat het thema ‘scheuren om te scheuren’ bijzonder sterk leeft. Dit heeft onder meer tot een gerichte communicatie geleid. Het is immers economisch onverantwoord goede graszoden van vier jaar oud te scheuren en een andere teelt aan te vatten enkel en alleen om te voorkomen dat een perceel de status van grasland zou krijgen.

Het Europese systeem van collectieve verantwoordelijkheid is niet van die aard om de snelle scheurders van graslanden te bevoordelen. Mocht de tolerantiedrempel van vijf procent worden overschreden, dan moeten alle landbouwers die in de afgelopen twee jaar grasland hebben gescheurd, opnieuw grasland aanleggen om het Vlaamse niveau weer onder 5 procent te krijgen. In dat geval zullen precies die landbouwers die ervoor zorgen dat de drempel werd overschreden, verplicht worden om herstelmaatregelen te nemen.

Mijn diensten hebben niet aan de alarmbel getrokken, want vandaag is daar geen enkele aanleiding toe omdat onze landbouwsector al twee opeenvolgende jaren aan de Europese verplichting voldoet. Men reageerde via een persbericht enkel op de onjuiste beweringen van enkele vrijbuiters en men wees daarbij onze landbouwers enkel proactief op hun collectieve verantwoordelijkheid.

We kunnen het erover eens zijn dat we als overheid goed preventief moeten communiceren over dergelijke thema’s zodat iedereen zich ten volle bewust is van de rechten en de plichten en ook van de consequenties wanneer die niet worden nageleefd. Dat hebben wij gedaan, en ik kan me voorstellen dat u dat alleen maar kunt toejuichen.

De voorzitter

Mijnheer Tobback, bent u het daarmee eens?

Ik probeer me wanhopig te bedwingen om in juichen uit te barsten. Ik sta op het randje, en dat overkomt me niet vaak.

Ik heb toch een paar kleine bedenkingen na de geruststellingen van de minister. Ik dank u voor de bijkomende toelichting, maar ik was me er wel van bewust dat het niet over poldergraslanden gaat.

Aan de ene kant vind ik enige geruststelling in uw antwoord, maar anderzijds zie ik ook wel nogal wat tegenstrijdigheden. Aan de ene kant zegt u dat er geen enkel probleem is, dat er geen alarmkreet nodig is, maar aan de andere kant zegt u dat er al een hele tijd infovergaderingen vanuit het departement aan de gang zijn waarop het thema ‘scheuren om te scheuren’ zeer erg leeft, met andere woorden: het gebeurt. Het is het een of het ander.

Ik heb de vraag niet gesteld vanuit de vaststelling dat ik overal het grasland zie verdwijnen, maar vanuit de vaststelling dat het Infocentrum Land- en Tuinbouw het zelf op zijn website aankaart. Ik noteer nu ook dat men blijkbaar al een hele tijd bezig is met infovergaderingen op het terrein omdat men wel degelijk vaststelt dat het probleem er is en dat er wel degelijk in een aantal gevallen, los van de ecologische kwaliteit, geploegd wordt om te ploegen en om ervan af te zijn en dat de gevolgen daarvan potentieel groot kunnen zijn.

Dit gaat wel degelijk over de eerste pijler en dus over inkomenssteun voor landbouwers. Met andere woorden, indien we de grens overschrijden, kunnen de gevolgen groot zijn. Zelfs indien we de grens maar voor een of twee jaar zouden overschrijden, betekent dat nog altijd dat er moet worden gecompenseerd. Zoals u zelf terecht opmerkt, duurt het een halve dag om het land om te ploegen, maar duurt het zes jaar alvorens het opnieuw kan worden erkend en wordt meegerekend als blijvend grasland. Dat dat onder druk staat, is juist. Er kan over de Europese maatregelen wel veel worden gezegd, maar er is natuurlijk een reden waarom men het grasland wil blijven beschermen, namelijk dat het onder druk staat. De bedrijfsvoering zorgt er in een aantal gevallen voor dat dit problematisch wordt. We hebben wel degelijk een verantwoordelijkheid in het omzetten van de richtlijn.

Ik merk dat u niet echt hebt geantwoord op de vraag of het in onze manier van omzetten van die richtlijn niet nuttiger zou zijn, als men toch met infovergaderingen bezig is, om in plaats van heel Vlaanderen als schaal voor de 5 procentnorm te nemen, te kijken of we de schaal waarop we de evolutie en het behoud van het blijvend grasland beoordelen, niet op een lager, meer lokaal niveau moeten leggen, zodat de effecten van het gedrag van de ene zich niet langer verspreiden over een veel bredere ruimte dan volgens mij nodig is. We kunnen misschien wat strenger toekijken dan vandaag op zowel het beschermen van het blijvend grasland als op het beschermen van de bedrijfsvoering van een aantal landbouwers te goeder trouw zodat we problemen kunnen voorkomen.

De voorzitter

De heer Vandaele heeft het woord.

We kennen de problematiek, en ze is daarnet ook nog eens geschetst. Vroeger werd het areaal blijvend grasland bekeken op bedrijfsniveau en nu op Vlaams niveau. Minister, u weet dat we er nooit een groot voorstander van zijn geweest om dat op Vlaams niveau te bekijken, maar het argument was toen dat de sector volwassen en verstandig genoeg is om daar op een redelijke manier mee om te gaan en ervoor te zorgen dat dat niet voor problemen zorgt.

Intussen denk ik dat er toch wel redenen zijn om daar vragen bij te stellen. U hebt ons min of meer gerustgesteld door te zeggen dat het areaal op het einde van de rit ongewijzigd blijft. Toch hebben we hier en daar in de vakpers zaken gelezen die ons wat ongerust maken.

Ik ga ook eens parasiteren op een schriftelijke vraag van de heer Caron, die vorige week in de pers aan bod is gekomen. Uit uw antwoord op die vraag bleek dat er 5400 hectare zou zijn gescheurd. Ik ben er dus toch niet zo heel gerust in. Is het toch niet het moment om, niet zoals de heer Tobback voorstelt, dat op een of ander lokaal niveau te gaan beredderen – dat lijkt me dan ook weer extra moeilijk – maar om gewoon terug te gaan naar de regeling op bedrijfsniveau? Dat is het meest eerlijke. De landbouwer heeft het dan zelf in handen, is dan verantwoordelijk voor zijn eigen daden en kan dan niet het slachtoffer zijn van het gedrag van anderen waar hij geen vat op heeft. Wat mij betreft moeten we teruggaan naar de regeling van weleer op bedrijfsniveau.

Ik heb nog een tweede bemerking. Minister, u hebt het zelf over ecologisch waardevol grasland. Uit uw antwoord op die vraag van de heer Caron blijkt dat er wel duizend hectaren aan ecologisch waardevol grasland is omgeploegd. Dat maakt me toch wel bijzonder ongerust. We weten dat, als dat gescheurd wordt, er onmiddellijk een proces-verbaal moet volgen en dat het hersteld moet worden. Ik vraag me af of u, in het geval van die duizend hectare ecologisch waardevol grasland die gescheurd is, door uw diensten processen-verbaal hebt laten opmaken. Hebben uw diensten het herstel gevorderd? Is dat herstel gebeurd? Is het bezig? Als het herstel niet gebeurt, dan hebben we een probleem dat nog groter is als het over ecologisch waardevolle graslanden gaat dan bij het algemeen blijvend graslandverhaal waarover de heer Tobback het vandaag heeft.

De voorzitter

De heer Vanderjeugd heeft het woord.

Francesco Vanderjeugd (Open Vld)

De titel van de vraag van de heer Tobback is een beetje misleidend, in die zin dat VILT zelf geen alarmkreet heeft geslaakt, maar dat het zich heeft gebaseerd op een artikel van De Standaard. VILT heeft vorige week een nieuw artikel op de website laten verschijnen waarin alles in perspectief is gezet.  Het eerdere artikel hield rekening met de cijfers waaruit blijkt dat er permanent grasland verdwijnt, maar, zoals de minister ook heeft gesteld, komt er ook effectief grasland bij, maar dan in het zesde jaar. Misschien is dat wel een factor die strategisch in het artikel is weggebleven. We moeten blijven gaan voor correcte en volledige informatie. Daarom mijn concrete vraag: kan het interessant zijn om jaarlijks de balans van het verdwijnen en van het creëren van grasland te communiceren, zodat we samen goed kunnen opvolgen in welke mate de 5 procentgrens gerespecteerd wordt? Zo zouden er ook weinig doemscenario’s aan bod komen in deze commissie.

De voorzitter

De heer Dochy heeft het woord.

Naast wat her en der in de media en in informatiebladen wordt geschreven, is er de praktijktoets. De minister heeft de vinger op de wonde gelegd door te zeggen dat de oorzaak waardoor mensen ongerust worden en eventueel geneigd zijn om grasland te gaan scheuren, soms wel te vinden is in het feit dat de Europese verplichting de rigiditeit van de bedrijven een stuk gaat realiseren. Daarmee bedoel ik het volgende. Vandaag is er een crisis in de vleessector. Dat betekent dat een aantal mensen hun bedrijf willen heroriënteren. Heroriënteren betekent ook dat het teeltprogramma helemaal moet worden aangepast. Men kan moeilijk grasland gaan benutten als er geen runderen meer op het bedrijf aanwezig zijn. Dat is een probleem. We mogen niet blind zijn voor de economische realiteit en voor de eventuele, soms noodzakelijke, herstructurering van bedrijven. Daarom is het een goede zaak dat een dergelijke evolutie waar het nodig is, kan gebeuren op bedrijfsniveau. Het vasthouden aan een areaal permanent grasland op het niveau van het bedrijf kan een belemmering zijn om een bedrijf goed te herstructureren om het in de toekomst opnieuw leefbaar te maken.

Minister, als permanent grasland wordt gescheurd, telt dat vanaf jaar een in de teller mee aan de negatieve kant; als grasland opnieuw wordt ingezaaid, is dat jaar een plus zes of plus vijf en wordt het dus vanaf het zesde jaar opnieuw in rekening gebracht. Gesteld, puur hypothetisch, dat we in een situatie zouden komen waar we niet meer voldoen aan de Europese regel omdat er te veel is gescheurd, betekent dat dan dat wij vier of vijf jaar in het ongewisse of in een niet-Europees conforme situatie komen? Of is er dan ook een specifieke regeling dat, wanneer wordt opgelegd dat er bijkomend grasland wordt ingezaaid, er ook wel rekening mee wordt gehouden om vanaf jaar twee in dat geval te kunnen zeggen dat wij opnieuw voldoen aan de regels van het Europees landbouwbeleid?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega's, misschien moet een en ander toch in een juist perspectief worden geplaatst.

Collega Tobback, er wordt gescheurd, maar het mag ook. Het is gepland en het hoort ook bij de landbouwpraktijk en het is ook ingeschreven in de Europese regelgeving dat het kan. Er is een probleem als we die 5 procent tolerantiemarge overschrijden. Het is niet zo dat de landbouwers die alles correct toepassen, het slachtoffer kunnen worden van diegenen die te veel zouden hebben gescheurd. Ik heb daarnet heel uitdrukkelijk gezegd dat als we die 5 procent overschrijden, het de landbouwers zijn die gescheurd hebben die moeten compenseren. Het gaat dus niet over het feit dat alle landbouwers op dat moment mee in het bad zitten of mee het slachtoffer worden.

Ik ben geen voorstander, collega Vanderjeugd, om jaarlijks een tussenstand of een balans bekend te maken omdat ik denk dat het ook averechts zou kunnen werken. Stel dat we in die balans zien dat we niet aan die 5 procent komen, dan zou ik niet graag hebben dat het aanzet of stimuleert tot extra scheuren van graslanden. Ik denk dat we ook voor ogen moeten houden dat het een omgekeerd effect kan hebben.

Collega Tobback, wij doen er alles aan om landbouwers ook bewust te maken van die 5 procent. Wij communiceren daarover. Het is goed en correct dat we dat doen.

Collega Caron heeft enkel de cijfers gevraagd over het gescheurd aantal, dus enkel over de minnen. Er is niet gevraagd naar de plussen, die zitten niet in de vraag. Als er een vraag is naar de juiste balans, dan wil ik dat gerust laten uitzoeken en overmaken aan het secretariaat, maar niet in de schriftelijke vraag zoals die is gesteld.

Als er op dit moment nog geen probleem is, zie ik ook niet in waarom we het systeem zouden moeten aanpassen. Ik wil daar heel formeel in zijn.

Collega Van Daele, u zegt dat ecologisch waardevol blijvend grasland ook wordt gescheurd. Er is misschien een verwarring. Wat hebben we vastgelegd op de kaart? Het ecologisch kwetsbaar blijvend grasland en dat blijft status-quo. Aan het ecologisch waardevol blijvend grasland is ook niet echt een sanctie verbonden, en het maakt ook geen deel uit van de kaart. Er kan zelfs niet juridisch tegen worden opgetreden. Het zit in het systeem zoals ik het daarnet heb geformuleerd. Wanneer er gezondigd wordt tegen het ecologisch kwetsbaar blijvend grasland, wordt er een proces-verbaal opgemaakt. Er zijn zelfs al bestuurlijke maatregelen uitgevaardigd op het terrein om daaraan te voldoen. Voor alle duidelijkheid, we zien niet dat daar 1000 hectare van verloren gaat.

Collega Dochy, u vroeg of we dan vijf jaar in het ongewisse zijn. Dat is niet zo. Als we boven die 5 procent gaan, telt de plus ook wel mee vanaf het eerste jaar. Er komt dus geen lacune van vijf jaar waarin we in onzekerheid zitten, maar het telt op dat moment dus wel mee.

Als men interesse heeft in die plussen en minnen, kan ik dat gerust laten uitzoeken en bezorgen aan het secretariaat.

De voorzitter

De heer Tobback heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik kijk uit naar die plussen en minnen, want het gaat het eindelijk om het globale overzicht.

Collega Vandaele en ik hebben gezegd dat het beschermingsmechanisme onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor blijvend grasland inferieur is, als het gaat om het beschermen van ecologische waarden, aan dat van de bescherming voor historisch permanent grasland. Dat klopt, want u zegt hier zelf met zoveel woorden dat zelfs indien het ecologisch waardevol is en gescheurd wordt, we er niets aan kunnen doen. Dat is bijzonder jammer, maar goed, dat wist u toen u de beslissing nam. Wij hebben meer dan vaak genoeg gewezen – en we kunnen dat blijven betreuren – op het verlies van vaak bijzonder langdurige ecologische kwaliteiten die we nooit meer terug zullen zien. Ik ga die oude koe niet uit de gracht halen.

Ik kijk uit naar het globale overzicht van plussen en minnen, want het antwoord op de vraag van collega Dochy vind ik op zich een beetje verontrustend. Indien we globaal geen 5 procent verliezen, zijn er geen gevolgen. Indien we plotseling onder die 5 procent gaan, dan is het niet omdat we het jaar daarna inzaaien, dat gaat meetellen. Op die manier is Europa niet katholiek: het is niet omdat we beloven al onze zonden niet meer te begaan, dat we absolutie zullen krijgen het jaar nadien. U zult wel degelijk moeten wachten tot we opnieuw die 5 procentnorm halen, en dat zal niet lukken de eerste periode. Dus ja, de gevolgen kunnen wel degelijk groot zijn – met alle respect voor het christelijke geloof overigens. De gevolgen gaan potentieel groot zijn. Dat is ook een van de redenen waarom ik de vraag heb gesteld en waarom ik zeer geïnteresseerd ben in het zien van die globale plussen en minnen. Helemaal gerustgesteld ben ik op dit ogenblik niet, minister, en dat zult u mij moeten vergeven.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.