U bent hier

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, vorig jaar werd het ontwerp van decreet houdende de vernieuwde taakstelling en gewijzigde financiering van provincies uitvoerig besproken zowel in deze commissie als in de plenaire vergadering. Het werd goedgekeurd door de plenaire vergadering van 9 november 2016. Tijdens de bespreking in commissie en de plenaire werden door u, minister, verklaringen afgelegd, afspraken gemaakt en engagementen uitgesproken die een deadline inhielden. Dat is niet onbelangrijk als we weten dat de vernieuwde taakstelling van de provincies ingang vindt op 1 januari 2018. De oorspronkelijke timing van overdracht was 1 januari 2017, maar u verklaarde zelf dat ‘de inwerkingtreding van het decreet met een jaar diende te worden uitgesteld omdat men had aangevoeld dat er meer tijd nodig was om te onderhandelen om tot een akkoord met de provincies te komen en garanties voor het personeel te bekomen’.

U verwees inzake het behoud van de rechten van het overgedragen personeel naar artikel 3 van het decreet. Begin 2017 zou de Vlaamse Regering een besluit nemen om de provinciale salarisschalen af te stemmen met de salarisschalen in het Vlaams personeelsstatuut. We stellen echter vast dat er nog geen besluit tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut genomen is met betrekking tot de afstemming van provinciale salarisschalen. Waarom niet? Wanneer mogen we dit verwachten?

U verklaarde dat het personeel geïnformeerd zou worden over alle aspecten van de overdracht en dat het aan de functioneel bevoegde ministers was om nog in 2016 met het personeel in overleg te gaan en een beslissing te nemen over de concrete toekomstige werkplek. Tot op heden heerst er nog veel onduidelijkheid over onder andere de werkplek van de personeelsleden, in het bijzonder wat betreft de sectoren Cultuur en Jeugd. Wanneer worden de personeelsleden geïnformeerd over de gevolgen van de overdracht op hun werksituatie en arbeidsvoorwaarden? Aan een verandering van standplaats – ik heb dat in het verleden al gezegd – zijn immers ook een pak organisatorische, financiële en sociale consequenties verbonden.

U verklaarde dat de personeelsleden, ongeacht naar welke overheid ze zullen overgaan, alle garanties behouden. Dit geldt ook voor de huidige regeling inzake de tweede pensioenpijler voor contractuele ambtenaren, verzekerde u.

Er bestaan immers vijf verschillende tweedepensioenpijlersystemen in de vijf provincies. U zei dat hieromtrent is afgesproken dat de Vlaamse overheid voor deze personeelsleden een systeem van tweede pensioenpijler zal opzetten, waarbij de budgettaire ruimte gelijk is aan de som die de vijf provincies vandaag besteden aan hun tweede pensioenpijler. Ook de lokale besturen zouden de over te nemen personeelsleden een tweede pensioenpijler garanderen.

De pensioenproblematiek zou worden opgenomen in een taskforce met als opdracht het in kaart brengen van de impact van de afslanking van de provincies op de pensioenstelsels van alle betrokken overheden. Toen ik mijn interpellatie opstelde en indiende, wist ik niet of de taskforce al was samengekomen. Naar verluidt is deze vorige dinsdag, op 14 maart, voor het eerst samengekomen. Mijn vraag blijft dezelfde, minister, vindt u dat niet rijkelijk laat? Bent u van plan deze taskforce te verzoeken om dringend een oplossing uit te werken en klaarheid te bieden? Zult u hiervoor ook een deadline opleggen?

Ondertussen zijn we 21 maart 2017 en heersen er nog grote onduidelijkheden voor en bij het personeel. De betrokken personeelsleden leven al vanaf 2014 in onzekerheid. Ik wees reeds in mijn tussenkomst bij de behandeling van het ontwerp van decreet op de negatieve gevolgen voor het functioneren van de betrokken diensten, het functioneren van het personeelslid, maar ook de gevolgen op hun privéleven.  

Naast de nog steeds aanslepende personeelsproblematiek groeit ook de kritiek op de coördinatie – of beter, het gebrek hieraan –, meer specifiek het gebrek aan coördinatie vanuit de Vlaamse overheid naar de provincies. De provincies worden namelijk gevat door allerhande vragen vanuit de administraties en kabinetten. Het zou van meer efficiëntie getuigen mocht het opvragen van cijfergegevens vanuit één punt worden georganiseerd. Welke stappen zult u hiertoe ondernemen?

Op de vraag of rekening werd gehouden met de mogelijke gevolgen van de verschuiving van personeelsleden naar de lokale besturen op de responsabiliseringbijdrage en de vraag naar een mogelijke compensatie, antwoordde u in oktober 2016 dat er intensief overleg werd gepleegd met de Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels (DIBISS) om de responsabiliseringsbijdrage voor de personeelsleden voor de verschillende overheden in detail te bekijken.

Minister, u hebt verklaard dat u zich wel degelijk bewust was van deze problematiek en dat er in 2016 duidelijkheid over deze aangelegenheid zou komen. Ondertussen hebben we echter niets meer vernomen over de mogelijke resultaten van dit overleg. Kunt u toelichten wat het resultaat is en wat de gevolgen zijn voor de responsabiliseringsbijdrage voor de steden, gemeenten en provincies? Indien een hogere responsabiliseringsbijdrage moet worden betaald, zal hiervoor dan in een compensatie worden voorzien? We hebben de resultaten nog niet gezien. Kunt u ons vertellen of deze problematiek is doorverwezen naar de bewuste taskforce die vorige week voor het eerst heeft vergaderd?

We hebben vernomen dat de in het decreet ingebouwde garanties voor het personeel, zoals het behoud van loon, de functionele loopbaan en dergelijke, niet zouden gelden voor het contractueel personeel van de provincies dat wordt overgedragen aan privaatrechtelijke instellingen, zoals vzw’s. Het decreet betreft immers enkel de overdracht van personeelsleden aan de Vlaamse overheid of aan lokale besturen. Deze problematiek is in die mate aanwezig dat de deadline van 1 januari 2018 in het gedrang zou komen. Kunt u dat bevestigen? Zo ja, hoe rijmt u dit dan met de belofte dat het personeel niet de dupe van de overdracht zou worden?

Ik heb nog een vraag met betrekking tot de garanties aan het personeel. In september 2016 zijn meerdere personeelsleden van de provincies in de overgangsregeling betreffende de loopbaanvermindering gestapt. Hierdoor krijgen ze bij wijze van overgang een premie tot het einde van de lopende toelating tot loopbaanvermindering. In de praktijk loopt dit vaak tot aan de pensioenleeftijd. Kunt u bevestigen dat dit na de overdracht aan de Vlaamse overheid zo blijft? Zo neen, hoe rijmt u dit dan met de toegekende garanties?

Tot slot is er nog het gebrek aan duidelijkheid betreffende de gevolgen van de overheveling op fiscaal vlak. Ten gevolge van de opcentiemenoperatie verliezen twee provincies, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant, meer middelen dan ze bevoegdheden overdragen. Voor Vlaams-Brabant gaat het om 7,1 miljoen euro en voor Oost-Vlaanderen gaat het om 2,2 miljoen euro.

De Vlaamse Regering heeft zich geëngageerd om de bevoegde ministers middelen ter beschikking te stellen om binnen hun provinciale bevoegdheden bijkomende uitgaven te doen. In het decreet zijn in dit verband echter geen bepalingen opgenomen. Hoe worden deze engagementen dan verankerd? Hoe zullen ze in de toekomst worden gegarandeerd? Dit is natuurlijk zeer belangrijk. Wanneer zult u hierover klaarheid scheppen?

Minister, u bent tot het laatste moment blijven vasthouden aan 1 januari 2017 als deadline voor de overheveling van de persoonsgebonden instellingen en bevoegdheden. Uiteindelijk is dat naar 1 januari 2018 verschoven. Deze verschuiving is het gevolg van ondoordacht top-downwerk, dat bovendien niet op bestuurlijke inzichten gebaseerd is. Indien het zo voortgaat, dreigt een volgend debacle met nefaste gevolgen voor de dienstverlening, de personeelsleden, de organisaties, de instellingen en ook de verenigingen.

Hierover wil ik nog een laatste vraag stellen. Dit is overigens ook het onderwerp van de vraag om uitleg van de heer Doomst. Naast de vele onduidelijkheden voor het personeel blijft er ook veel onduidelijkheid bestaan voor de honderden organisaties, instellingen en verenigingen.

Dit is recent nog aan bod gekomen in een artikel in De Tijd. Het betreft een peiling die de Koning Boudewijnstichting in samenwerking met het studiebureau Ipsos heeft uitgevoerd. Aangezien het een peiling bij 760 directeurs betreft, gaat het hier om een ernstig signaal. De resultaten zijn redelijk verontrustend.

Minister, indien u meer efficiëntie en een betere dienstverlening tot stand wil brengen, vraag ik me af waarom honderden organisaties, verenigingen en instellingen, alsook hun personeel, met betrekking tot hun toekomst vandaag nog steeds in het duister tasten.

U onttrekt de persoonsgebonden bevoegdheden aan de provincies. Van de aangekondigde decreten die al die organisaties, verenigingen en instellingen een opvangnet moeten bieden, is de eerste letter nog niet geschreven. Ze weten niet of ze in de toekomst nog verder zullen kunnen werken. De toestand is, negen maanden voor de bestuurlijke hervorming, alarmerend. Dit is geen professioneel werk. We vragen u dan ook met een plan van aanpak te komen om met betrekking tot dit belangrijk dossier duidelijkheid, transparantie en efficiëntie te creëren.

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Minister, mijn vraag is eigenlijk meer vakkundig en persoonsgebonden tot u gericht. De overheveling van de persoonsgebonden materies vraagt natuurlijk wat geduld. Het is een operatie met een grote O die natuurlijk geen grote nul mag worden. Dat is een beetje de insteek van deze vraag om uitleg.

Veranderingen doen altijd wat twijfelen. Het lijkt me normaal dat er in deze periode flink wat onzekerheid is. Ik hoor wel eens dat gelukkige mensen bang zijn van verandering. Dat is normaal. Op het terrein wordt gecijferd, gepland en berekend. De provincies zijn altijd gulle ondersteuners geweest van heel wat projecten en initiatieven. Ik heb de samenvatting van Ipsos bekeken. Het gaat om bijna 20 procent van de Vlaamse subsidies die naar verenigingen gaan.

Volgens mij waarderen we hier commissiebreed in sterke mate het bruisende verenigingsleven in Vlaanderen. We moeten eerlijk zijn. De provincies vormden een bestuursniveau dat heel dicht bij de realiteit op het terrein stond en dat op maat van de mensen werkte.

Die grote variëteit moet blijven bestaan. We hebben begrepen dat de middelen vanaf 1 januari 2018 ofwel naar de Vlaamse overheid ofwel naar de lokale besturen zullen gaan. Dat is nu in voorbereiding, en die rekening moet nog worden gemaakt. De bezorgdheid bij het verenigingsleven blijft bestaan.

Minister, hebt u al enig overleg gehad met de betrokken verenigingen en met hun koepelorganisatie over de toekomstige financiering van hun werking?

In welke mate kunt u garanderen dat de subsidiëring van het Vlaamse verenigingsleven niet zal worden aangetast ten gevolge van de afslanking van de provincies? Werd er dienaangaande ook al enig overleg georganiseerd met de lokale besturen?

Voorziet u in bijkomende maatregelen om de ongerustheid die er bij de verschillende individuele verenigingen leeft, weg te nemen? Op het terrein zijn er immers twijfels of projecten nog zullen kunnen doorgaan. Als we daarover geen zekerheid kunnen geven, dreigen een aantal lovenswaardige initiatieven bemoeilijkt te worden.

Minister Homans heeft het woord.

Ik heb vanochtend het achttiende congres van de lokale en provinciale politiek geopend. Dat congres wordt elk jaar georganiseerd door de vakgroep van professor Reynaert in Gent. Het wordt door veel mensen bijgewoond en het thema van de provincies zal daar deze namiddag tijdens een panelgesprek ook aan bod komen.

Mijnheer De Loor, ik weet dat u geen voorstander bent van deze afslankingsoperatie, en dat is uw volste recht. Maar u moet niet alles over dezelfde kam scheren en doen alsof alles hierin slecht is. Enige intellectuele eerlijkheid is in dit debat wel aan de orde.

U nam woorden in de mond als ‘debacle’, ‘ronduit alarmerend’, ‘niet professioneel’ enzovoort. U richt die woorden nu tot mij, maar eigenlijk raken ze ook alle ambtenaren en personeelsleden binnen de Vlaamse overheid die keihard werken om die overdracht in goede banen te leiden.

Dan kom ik ter zake met betrekking tot de vraag wat er al gebeurd is inzake het project implementatie van de afslanking van de provincies. Op 14 oktober 2016, nog voor het Vlaams Parlement het afslankingsdecreet in december 2016 definitief heeft goedgekeurd, heb ik aan de Vlaamse Regering een draaiboek ‘afslanking provincies’ gepresenteerd. Dit draaiboek is opgemaakt na overleg met de VVP. Hierin staat in detail beschreven welke actor wat moet doen en wanneer. Steeds is voorgehouden dat de timing, die erin is opgenomen, indicatief is. Het draaiboek is een levend document dat nog kan worden aangevuld en de timing kan nog worden gewijzigd in de loop van het proces.

In dit draaiboek is een duidelijke governancestructuur opgenomen. Er is duidelijk beschreven welke werkgroepen er zijn en welke overlegorganen de voortgang van het project moeten bewaken. Zo is er een interbestuurlijk overleg op administratief niveau. Deze stuurgroep is samengekomen op 9 december 2016. Tussen alle betrokken leidende ambtenaren van zowel de Vlaamse, de provinciale en de lokale overheden zijn hier duidelijke afspraken gemaakt.

Op het interbestuurlijk overleg op politiek niveau is er ook al een en ander gebeurd met vertegenwoordigers van de Vlaamse Regering, de VVSG en de VVP. Deze politieke stuurgroep is recent nog samengekomen op 16 februari 2017. In het draaiboek staat ook dat de functioneel bevoegde Vlaamse ministers en administraties een transitieplan moeten opmaken wat betreft de integratie van de provinciale persoonsgebonden bevoegdheden en instellingen in de Vlaamse administratie. De eerste versies van deze plannen, die eind vorig jaar bekend werden gemaakt, vertoonden nog heel wat blinde vlekken. Dat is in deze commissie al ruim aan bod gekomen. Het zal u misschien geruststellen dat de transitieplannen ondertussen zijn aangevuld, meer concreet zijn gemaakt en ook al volop in uitvoering zijn.

Ik zal nu punt per punt ingaan op de beweringen die u hebt gedaan en de vragen die u hebt gesteld. U stelt vast dat er nog geen besluit is genomen tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut (VPS) met betrekking tot de afstemming van de provinciale salarisschalen. Eind oktober en begin november 2016 heeft mijn administratie alle noodzakelijke gegevens van de provinciebesturen ontvangen. Het gaat over de individuele personeelsdossiers en de salarisfiches van de betrokken personeelsleden. Op basis hiervan is gestart met de opmaak van het BVR dat de rechtspositie regelt van de provinciale personeelsleden die zullen overkomen naar de Vlaamse overheid. De tekst van dit BVR is zo goed als klaar en na de interne goedkeuringsprocedures hoop ik dit ontwerp van BVR ten laatste eind april voor principiële goedkeuring te kunnen voorleggen aan de Vlaamse Regering.

Uw volgende vraag was wanneer de personeelsleden concreet geïnformeerd zouden worden over de gevolgen van de overdracht op hun werksituatie en de arbeidsvoorwaarden. Zoals ik al heb gezegd, heb ik begrip voor de onzekerheid en de ongerustheid van de personeelsleden die moeten veranderen van publieke werkgever. We doen er in de Vlaamse Regering alles aan om die onzekerheid tot een minimum te kunnen beperken. Nu is het duidelijk welke provinciale personeelsleden zullen overgaan naar het Vlaamse of het lokale bestuur. De namenlijsten zijn bekend en reeds officieel bekrachtigd door de deputaties van Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Limburg. We verwachten eerstdaags de officiële bekrachtiging van de deputaties van Vlaams-Brabant en de provincie Antwerpen.

De provinciebesturen hebben zelf in november vorig jaar de betrokken personeelsleden geïnformeerd. Ook over de arbeidsvoorwaarden kan er nauwelijks nog onduidelijkheid bestaan, mijnheer De Loor. In het verleden ben ik altijd duidelijk geweest en het staat ook met zoveel woorden in het afslankingsdecreet. Deze personeelsleden zullen niets van hun salaris en van hun arbeidsvoorwaarden verliezen. U zou me dan ook een groot plezier doen, maar dat moet u natuurlijk ook willen doen, om dat ook zo te communiceren in de toekomst. Het BVR dat de laatste onzekerheden moet wegnemen, zal ik binnenkort aan de Vlaamse Regering voorleggen.

En dan is er nog de kwestie van de standplaats en de meer praktische werkomstandigheden. De afgelopen maanden en weken hebben daarover al gesprekken plaatsgevonden tussen de bevoegde Vlaamse topambtenaren en de betrokken provinciale personeelsleden, en die zijn in een goede en constructieve sfeer verlopen. Op het recente politieke overleg hebben de vertegenwoordigers van de VVP bevestigd dat er constructief wordt gewerkt.

In de sectoren Welzijn en Sport is er, voor zover ik goed ben ingelicht, geen probleem omdat de Vlaamse leidend ambtenaren kiezen voor een decentrale tewerkstelling van deze ambtenaren. Lees: ze moeten niet per definitie allemaal naar Brussel komen. In de sector Cultuur zijn er dezer dagen infosessies van de cultuuradministratie in de provinciehoofdplaatsen met de betrokken provinciale ambtenaren.

Mijn administratie heeft de afgelopen maanden met behulp van gegevens verstrekt door de provinciale griffiers en de provinciale personeelsverantwoordelijken, de pensioensituatie gedetailleerd in kaart gebracht, zowel wat betreft de statutaire provinciale personeelsleden, als wat betreft de contractuele provinciale personeelsleden die in elke provincie van een verschillende aanvullende tweede pensioenpijler genieten. Daaruit bleek dat de situatie in Vlaams-Brabant nog iets anders is dan in de andere provincies.

De interbestuurlijke taskforce pensioenen is intussen effectief opgericht en heeft al een eerste vergadering gewijd aan het voorbereidende werk van mijn administratie. Een tweede bijeenkomst is gepland voor volgende week en moet de laatste onduidelijkheden wegwerken. Ik verwacht een advies van deze taskforce begin april. Het BVR tot wijziging van het Vlaams personeelsstatuut (VPS) voor de over te nemen provinciale personeelsleden waarvan eerder sprake zal overigens ook bepalingen bevatten met betrekking tot de overname van de tweede pensioenpijler van de provinciale contractuele personeelsleden door de Vlaamse overheid.

Het opvragen door de Vlaamse overheid van de algemene personeelsgegevens en de algemene data inzake vastgoed, ICT en archief gebeurt wel degelijk gecoördineerd. Dat gebeurt door de projectleiding of door de werkgroepen die speciaal hiervoor zijn opgericht. Daarnaast leven bij de Vlaamse administratie ook tal van specifieke vragen, bijvoorbeeld over de exacte taakinvulling van een administratief ondersteuner. Het takenpakket bij de provincie is niet per definitie hetzelfde als het takkenpakket dat men zou hebben bij een lokaal bestuur of bij de Vlaamse overheid.

Andere vragen zijn: wat is de interoperabiliteit van twee softwarepakketten? Welke verenigingen hebben de laatste drie jaar al dan niet genoten van een investeringssubsidie? Deze specifieke vragen worden door de Vlaamse administratie rechtstreeks gesteld aan de provinciale administratie. Dit soort van aanvullende vragen centraliseren bij de projectleiding zou enkel maar een nodeloze flessenhals en tijdverlies betekenen.

De problematiek van de gevolgen voor de responsabiliseringsbijdrage, te betalen door gemeenten en provincies naar aanleiding van de overdracht van statutaire personeelsleden wordt ook behandeld door de taskforce pensioenen. De Federale Pensioendienst, voorheen DIBISS, gaf een toelichting en presenteerde voorlopige ramingen van het effect op de responsabiliseringsbijdrage van de provincies.

Uit de voorlopige ramingen blijkt enerzijds dat de responsabiliseringsbijdrage van de provincies positief wordt beïnvloed door de overdrachten naar de Vlaamse overheid die een deel van de lopende en toekomstige pensioenlast van de provincies voor haar rekening zal nemen, en anderzijds dat de overdrachten naar lokale besturen voor een negatief effect op de responsabiliseringsbijdrage van de provincies zorgen. Weliswaar bestaat hiervoor een mechanisme, met name het afsluiten van zogenaamde pensioenconvenanten die het negatief effect kunnen neutraliseren. Ook deze problematiek behoort dus tot de werkpunten van de werkgroep pensioenen waarvan het eindverslag niet lang meer op zich zal laten wachten.

Het decreet is zeer duidelijk, mijnheer De Loor: alle betrokken provinciale personeelsleden die op 1 januari 2018 worden overgenomen door de Vlaamse of lokale overheid, behouden alle rechten zoals hun statuut, statutair of contractueel, en hun salaris.

Als een collega-Vlaams minister in het kader van de inkanteling binnen de Vlaamse overheid van provinciale taken of instellingen, het spoor zou overwegen om bepaalde taken niet binnen de reguliere administratie onder te brengen, maar bijvoorbeeld in een privaatrechtelijke structuur zoals een vzw, dan moet hierbij uiteraard rekening worden gehouden met alle wettelijke en decretale bepalingen. Zo zal rekening moeten worden gehouden met de waarborgen uit het afslankingsdecreet, met de mogelijkheid van terbeschikkingstelling van Vlaamse statutairen personeelsleden aan bijvoorbeeld een vzw, en met de principiële onmogelijkheid van terbeschikkingstelling van Vlaamse contractuele medewerkers. Het is aan de betrokken functionele ministers en administraties om binnen deze krijtlijnen de inkanteling te doen en oplossingen uit te werken.

Mijnheer De Loor, de problematiek van de personeelsleden van de provincies die zijn ingestapt in de overgangsregeling van loopbaanvermindering, is ons uiteraard bekend. Mijn administratie bekijkt op dit moment samen met het Departement Werk en Sociale Economie of het mogelijk is om deze verloven en de daaraan gekoppelde uitkeringen na de overdracht verder te zetten.

Tot slot had u het nog over het gebrek aan duidelijkheid over de gevolgen van de fiscaliteit en de overheveling. U zei dat Vlaams-Brabant kampt met een tekort van 7,1 miljoen euro en Oost-Vlaanderen met een tekort van 2,2 miljoen euro. U zei daarover niets terug te vinden in het decreet, en dat is nogal logisch aangezien zoiets niet decretaal kan worden verankerd. De Vlaamse Regering heeft zich tijdens alle overlegmomenten die er zijn geweest met de VVP en met de vertegenwoordigers van de diverse provinciebesturen, altijd geëngageerd om dit te honoreren. Ik heb altijd gezegd dat we dit niet decretaal zullen verankeren, maar dat we dit engagement zullen nakomen bij de begrotingsopmaak 2018, en dit zowel bij de begroting van de Vlaamse overheid als bij de begroting van de betrokken provincies.

Morgen vindt op mijn kabinet een werkvergadering plaats onder leiding van mijn kabinetschef met alle betrokken partijen om na te gaan hoe we deze afspraak praktisch zullen implementeren. De betrokken provincies zullen zelf mee kunnen bepalen hoe dit zal gebeuren.

Mijnheer De Loor, uw alarmkreten zijn op zijn minst fel overdreven. Het plan van aanpak is er sinds oktober 2016. Het wordt opgevolgd en waar nodig bijgestuurd. Het is niet gemakkelijk om u te overtuigen, maar ik hoop duidelijk te hebben gemaakt dat er al heel wat vooruitgang is geboekt en dat, waar er problemen zijn, we deze zullen oplossen tijdens de komende negen maanden. Ik vertrouw erop dat met de inzet van alle betrokken besturen en de administraties de implementatiefase tijdig en op transparante en efficiënte wijze zal worden afgerond.

Mijnheer Doomst, uw vraag was van een andere orde, al kwamen een aantal aspecten al aan bod bij de interpellatie van de heer De Loor. Ik zal uw drie vragen samen beantwoorden.

Reeds meermaals heb ik er in het verleden op gewezen dat het project ‘afslanking van de provincies’ geen besparingsoperatie kan en mag zijn, maar eerder een bestuurlijke reorganisatie waarbij slechts twee en niet langer drie bestuursniveaus bevoegd zijn voor de persoonsgebonden materies. Dit alles moet leiden tot meer duidelijkheid en efficiëntie in de beleidsvoering. De precieze wijze waarop de persoonsgebonden bevoegdheden zullen worden ingekanteld in de Vlaamse overheid, is de bevoegdheid van mijn functioneel bevoegde collega’s. Dat is zo van bij het begin gezegd. Dit betreft zowel de organisatorische als de inhoudelijke inkanteling. Ook de relaties en de afspraken met het middenveld gebeuren in de eerste plaats door mijn collega’s.

Mijn kabinet en ikzelf hebben hierover slechts onrechtstreeks met het middenveld gesproken, onder andere in onze contacten met ‘de Verenigde Verenigingen’. Mijn collega’s Gatz en Vandeurzen hebben al veel contact gehad met het middenveld, en bevestigd dat ze zeker in eerste instantie de subsidies zullen continueren die de provincies hebben aangegeven te verstrekken aan de diverse verenigingen. In het kader van de transitie zijn deze subsidies opgelijst. Een tweetal weken geleden heeft collega Gatz in de commissie Cultuur nog eens expliciet de continuïteit gegarandeerd van de subsidieverstrekking gedurende de begrotingsjaren 2018 en 2019, vooraleer in 2020 een nieuw decreet Regionaal Cultuurbeleid in werking zal treden.

Het is dus mijn overtuiging, en de overtuiging van de Vlaamse Regering, dat de vrees die zou bestaan bij de middenveldorganisaties, geen grond heeft. Verdere details en de discussie hierover moet evenwel worden gevoerd met de functionele ministers binnen de bevoegde commissies. Wat Cultuur betreft is dat een tweetal weken geleden al gebeurd.

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, in uw eigen bekende stijl doet u opnieuw alsof er geen vuiltje aan de lucht is. U doet alsof alles onder controle is. Het is natuurlijk niet de eerste keer dat u dit doet. U bent niet aan uw proefstuk toe. Jammer genoeg hebt u daar een beetje uw ‘historiek’ tegen. U zegt: via mij richt u zich natuurlijk ook tot een heel aantal Vlaamse ambtenaren die keihard aan het werken zijn aan die hervormingen.

Laat mij daar twee zaken op zeggen, minister. Een, mijn interpellatie is net gebaseerd op signalen en geluiden die komen van die Vlaamse ambtenaren. Ze zijn ongerust en onzeker. Ze zien dat er zand in de motor zit, waardoor de machine sputtert. Dit signaal komt net van daar. Als die ambtenaren dat aan het uitvoeren zijn, dan is dat ook een gevolg van uw beslissing en ijveren dat gebaseerd is op een ondoordacht top-downwerk en niet op bestuurlijke inzichten.

Volgens u zijn de transitieplannen in uitvoering. Het zou nogal spijtig zijn als dat niet zo was. We zitten verdorie op negen maanden van de deadline van 1 januari 2018. Die transitieplannen zijn in uitvoering, maar de deadlines worden overschreden. Dit leidt tot ongerustheid en onzekerheid, maar ook tot minder efficiënte dienstverlening, want dat weegt op de medewerkers en de dienstverlening. We zitten voor een aantal zaken nu al in blessuretijd, zeker als die deadlines worden overschreden.

Meer specifiek, de taskforce rond de tweede pensioenpijler is de eerste keer samengekomen op 14 maart. Dat lijkt mij redelijk laat. Ik zou dan ook willen verzoeken, minister, om daar dringend werk van te maken en daar duidelijkheid te creëren. U spreekt van een deadline begin april. Ik kijk ernaar uit.

Op basis van de informatie waarover ik beschik, besluit ik dat er nog altijd geen zekerheid is of er zal worden gekozen voor één tweede pensioenpijler voor het personeel, of voor vijf verschillende. Kunt u daar meer duidelijkheid over geven?

Als het systeem nog op poten moet worden gezet, vraag ik me af of de wet op de overheidsopdrachten daarop kan worden toegepast, zodat alles wettelijk in orde is. Blijft u ervan overtuigd, minister, dat u er nog in gaat slagen om een tweede pensioenpijler op poten te zetten tegen 1 januari 2018?

Dan zijn er de gevolgen van de verschuivingen van personeelsleden naar lokale besturen en de gevolgen op de responsabiliseringsbijdrage. Volgens u geeft dat op basis van de voorlopige resultaten voor de provincies een positief effect, en voor de lokale besturen een negatief effect. U zegt dat dat wel zal worden opgelost door het pensioenconvenant. Ik mag het hopen, minister, dat het wordt opgelost, zodat noch de personeelsleden noch de lokale besturen de zoveelste rekening doorgeschoven krijgen van deze Vlaamse Regering. Daar hopen wij als sp.a ten stelligste op, dat dat niet de zoveelste factuur is richting gemeenten en steden.

Ik heb nota genomen van de garanties voor het personeel dat is ingestapt op de loopbaanvermindering dat dit verder wordt bekeken. We zijn eind maart. Het is dus geen overbodige luxe om daar zo snel mogelijk duidelijkheid te creëren met betrekking tot de fiscale gevolgen en de overheveling voor Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen. Ik blijf daar op mijn honger zitten, minister. Ik blijf dat een heel flauw engagement vinden van de Vlaamse Regering.

De organisaties en de verenigingen kwamen voornamelijk aan bod in de vraag van de heer Doomst. U zegt dat het woord ‘alarmerend’ fel overdreven was. Minister, als er uit een peiling door de Koning Boudewijnstichting en door een onderzoeksbureau bij 760 directeurs van middenveldorganisaties blijkt dat bijna 70 procent vreest om de subsidies te verliezen, dan vind ik dat alarmerend, ja. Dan vind ik dat meer dan alarmerend. Dan vind ik het hoognodig dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt. We vragen u dan ook, minister, om personeelsleden en hun dienstverlening met respect te behandelen, maar ook om verenigingen en hun werking met respect te behandelen.

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Minister, het komt natuurlijk allemaal voort uit het feit dat wij als volksvertegenwoordigers proberen ons oor te luisteren te leggen bij organisaties. We zijn zo’n beetje hangjongeren op dat vlak.

Ik verwijs bijvoorbeeld naar de sportsector in onze regio. Dat is een groeiende sportregio, nu met een halftijdse sportfunctionaris en 10.000 euro voor de regiowerking. We moeten vandaag niet in details vervallen, want het proces is nog gaande, maar men zegt: wilt u nog dezelfde service in de toekomst, dan gaat u dat als gemeente 5000 euro meer kosten. Waar of niet waar? In het weekend hadden we een samenkomst met de bibliotheeksector in de regio. Die waren er redelijk gerust op. Ze zeiden dat zij dat wel zien te runnen. In Vlaams-Brabant in de cultuursector hebben we 250 amateurkunstverenigingen die worden gesubsidieerd, 75 projectsubsidies, 22 organisaties voor podiumexperimenten. U begrijpt dat we graag zouden hebben dat al die dingen heel dicht bij het terrein overeind blijven.

Ik zou daar graag eind volgend jaar de stresstest op toepassen, en nagaan: geraken we er of niet om al die interessante zaken op het terrein te blijven organiseren? We rekenen op u als delegatieleider van het project.

De heer Meremans heeft het woord.

Mijnheer De Loor, u hebt eerst en vooral vragen gesteld en op die vragen zeer omstandige en duidelijke antwoorden gekregen. Ik begrijp het niet zo goed. U kunt natuurlijk stellen dat u hier de emanatie van de ongerustheid of zo speelt. In dat geval kunt u de mensen op het terrein echter vertellen dat u antwoorden hebt gekregen. U kunt niet ontkennen dat u nu antwoorden hebt gekregen.

Ik begrijp niet waar het probleem zit. Ofwel bent u een beroepsjeremiadeverkondiger, ofwel is er iets anders aan de hand. Misschien gaat u gewoon niet akkoord met de afslanking van de provincies. In dat geval bent u een conservatieve provincialist. Dat is een optie. Het is niet mijn optie, maar het is een mogelijkheid. U kunt echter niet ontkennen dat u geen antwoorden in verband met al uw bezorgdheden hebt gekregen. De minister heeft een omstandig antwoord gegeven.

Mijnheer Doomst, wat uw bezorgdheden betreft, heeft minister Gatz op 9 maart 2017 in de commissie Cultuur omstandig uitgelegd hoe het met de provincies zit. Samen met CD&V en met de mensen van Open Vld, hier overigens aanwezig, hebben we zelfs amendementen ingediend om voor een continuering in 2018 en 2019 te zorgen. Ik heb het nu even over het cultuurbeleid. We zullen nog deze legislatuur voor het regionaal cultuurdecreet zorgen. Dit moet vanaf 2020 van kracht kunnen worden. De bezorgdheid die u hier verwoordt, leeft ongetwijfeld. Daar is voor 2018 en 2019 echter ongetwijfeld een antwoord op gegeven. We hebben hier met de andere leden van de meerderheid samen voor gezorgd.

Mijnheer De Loor, we zijn het erover eens dat het een zeer moeilijke en omvangrijke operatie is geweest. Het principe is echter twee jaar geleden goedgekeurd. Nu voeren we dit uit. Ik begrijp niet waarom u steeds een aantal adjectieven blijft gebruiken die bepaalde profeten niet zouden misstaan. U kunt echter niet ontkennen dat deze operatie gewoonweg voortgaat en zeker en vast ingang vindt. Als politici is het aan ons ten aanzien van de mensen die ongerust zijn, te communiceren over de antwoorden die we hebben gekregen.

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, ik zal nog even antwoorden op de twee bijkomende vragen die me zijn gesteld.

Mijnheer De Loor, uw eerste vraag was zeer concreet. Gaat het nu eigenlijk om een enkele of om vijf verschillende tweedepensioenpijlers? Het voorstel luidt om de vijf tweedepensioenpijlers die momenteel in de vijf Vlaamse provincies bestaan, in het besluit van de Vlaamse Regering over te nemen. Dit betekent dat iemand die vanuit de provinciale administratie van de provincie Limburg wordt overgedragen, de tweede pensioenpijler van de provincie Limburg meekrijgt, dat iemand uit de provinciale administratie van de provincie Antwerpen de tweede pensioenpijler van de provincie Antwerpen meekrijgt, enzovoort.

Als de personeelsleden aan de Vlaamse overheid worden overgedragen, winnen de provincies bij de responsabiliseringsbijdrage. Indien de personeelsleden aan de lokale besturen worden overgedragen, verliezen ze aan de responsabiliseringsbijdrage. Ik heb dat in mijn antwoord duidelijk gesteld. Ik heb hier meteen ook de oplossing aan toegevoegd. Om ervoor te zorgen dat niemand verliest, zullen de provincies en de lokale besturen een convenant moeten afsluiten.

De heer De Loor heeft het woord.

Mijnheer Meremans, ik weet u dat u graag beschuldigingen uit en profetische woorden gebruikt. Ik nodig u echter uit de toespraak van mijn fractie te lezen die tijdens het actualiteitsdebat is gehouden. Indien u die toespraak zou lezen, zou u meteen uw uitspraken van daarnet onderuit zien worden gehaald.

De N-VA is erin gespecialiseerd te pretenderen dat er geen vuiltje aan de lucht is en dat alles onder controle is. Spijtig genoeg heeft uw partij de geschiedenis en haar reputatie tegen.

Minister, als sp.a vragen we u dan ook respect te tonen voor de personeelsleden en de dienstverlening, maar ook voor de verenigingen en hun werking. U moet hun duidelijkheid en zekerheid bieden. Met een plan van aanpak moet u met betrekking tot dit dossier duidelijkheid, transparantie en efficiëntie creëren.

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Ik wil nog even zeggen dat we de terreintoets zullen blijven uitvoeren op al wat voorligt. Ik vind dat iedereen uit zijn kot moet komen. Er mag voor eender welke minister geen ophokkans zijn.

De interpellatie en de vraag om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.