U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, op 16 februari hebben we een eerstelijnsconferentie gehad. Dat is een belangrijke stap in de hervorming en uitbouw van de eerstelijnszorg in Vlaanderen en Brussel. Daar is natuurlijk een traject aan voorafgegaan. Dat is voorbereid door een wetenschappelijke reflectiekamer, die dan ook haar bevindingen en conclusies in teksten heeft gegoten. Dat zijn zeer boeiende en waardevolle teksten, die een aantal elementen bevatten die zeker de moeite zijn om uit te rollen. Een van die zaken is de versterking van de gemeente als regisseur van de eerste lijn. Daar worden ook verregaande voorstellen bij gedaan, zoals de overdracht van personeel van de huidige samenwerkingsinitiatieven eerstelijnsgezondheidszorg (SEL’s), de Logo’s (Lokaal Gezondheidsoverleg), sociaal werk, mutualiteiten enzovoort naar de gemeente. Dat zijn op zich verregaande hervormingen die daar worden voorgesteld.

Uit die teksten blijkt ook de stelling dat iedereen toegang moet hebben tot de eerste lijn via een inschrijving bij een eerstelijnsnetwerk. Opmerkelijk daarbij was, als je die teksten leest en als je met die mensen praat, dat men zegt dat er eigenlijk geen draagvlak voor was bij de basis. Daarom stelt men voor dat de zorgvrager zelf zijn zorgteam moet samenstellen. Dat is echter niet zonder risico. De kans is dan heel reëel dat de gezondheidskloof tussen arm en rijk groter zal worden en dat het overleg rond de patiënt minder evident is. Ik vind het dus jammer dat daar een afzwakking van is.

Wat ook opvalt in de conclusies, is dat er volgens de reflectiekamer een duidelijk door de overheid gedefinieerd eerstelijnsnetwerk nodig is en dat we daar binnen de Europese context aan de staart bengelen als het gaat over samenwerking op de eerste lijn. En dan kom je natuurlijk bij de eerstelijnszone, een heel belangrijk element van de eerstelijnsconferentie. Daar staat een frappant zinnetje in, dat stelt dat als we dat niet duidelijk gaan definiëren en afzetten, er veel tijd, geld en mankracht verloren gaat in een onsamenhangend lappendeken van samenwerkingen, zowel horizontaal als verticaal.

Er werd heel veel tijd en energie gestoken in het uittekenen hiervan. Verschillende stakeholders hadden ook verwacht dat er op het moment van die eerstelijnsconferentie ook een aantal beslissingen zouden worden genomen, dat dat zou worden afgerond en afgeklopt. Dat is niet het geval. Tegelijk merk je dat er een aantal regio’s zijn, bijvoorbeeld Zuid-West-Vlaanderen – ik denk dat de collega’s allemaal die brief gekregen hebben –, die zich niet herkennen in de voorgestelde regio’s en die het gevoel hebben dat dat hun reële samenwerking zal tegenwerken in plaats van versterken.

In de conferentie werd er gepleit voor het oprichten van een Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn. Ook daar staat dat dat uit personeel van de SEL’s, de Geïntegreerde Diensten voor Thuisverzorging (GDT’s) enzovoort zal bestaan. De vraag is natuurlijk of die op korte termijn voorzien is – want dat lijkt wellicht niet haalbaar – en of dit betekent dat lokale werkingen op dat moment dan zonder personeel komen te zitten. Er zou per eerstelijnszone een voltijds equivalent van 1,32 overblijven. Dat is op zich al niet veel om dingen te realiseren.

Minister, wat vindt u van de analyse dat er een duidelijk gedefinieerd eerstelijnsnetwerk ontbreekt in Vlaanderen en dat we daar dringend werk van moeten maken? Hoe zult u de gevolgen van de eerstelijnsconferentie vormgeven? Gaat u alle aanbevelingen uitvoeren? Indien niet, waarom niet? Welke wel en welke niet? Welk tijdspad zet u daar tegenover? Tegen wanneer zouden die conclusies allemaal in uitvoering moeten zijn?

Zult u de versterking van de gemeenten, zoals voorgesteld door de reflectiekamer, uitvoeren? Met welk tijdspad zal dat zijn? Zult u de werking van de eerstelijnszones invoeren? Met welk tijdspad en welke personeelsinvulling? Zullen er nog hertekeningen zijn of zullen het de voorgestelde zones zijn die op tafel liggen?

Hoe blijven de entiteiten op regionaal-stedelijk niveau behouden, bijvoorbeeld voor de geestelijke gezondheidszorg? Hoe zal zich dat tot elkaar verhouden?

Zult u effectief een Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn oprichten? Welke personeelsinvulling koppelt u daaraan?

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Eind februari had de conferentie eerstelijnszorg plaats, waar onder meer de eindrapporten van de verschillende werkgroepen en van de wetenschappelijke reflectiekamer werden voorgesteld en als basis dienden voor die conferentie. Ik trap hiermee een open deur in, maar opvallend is dat ondanks het gegeven dat Vlaanderen een goede gezondheidszorg heeft, er toch ook nog pijnpunten zijn waarop we beter kunnen scoren, terwijl er anderzijds evenzeer enkele serieuze uitdagingen zijn qua zorg die op ons afkomen.

Collega Van den Brandt heeft het voornamelijk gehad over de structurele ingrepen: gemeenten die als regisseur van de eerstelijnszorg zouden moeten kunnen optreden, de noodzakelijke samenwerking eerste lijn, de eerstelijnszones en dergelijke meer. Ik kijk uit naar uw antwoord daarop, maar ik wil voornamelijk focussen op een aantal punctuele vaststellingen, bekommernissen en problemen die onzes inziens een snelle oplossing vragen. De evolutie inzake mantelzorg of in een ruimer kader de vergrijzing kan als voorbeeld dienen van een globaler kader waar die pijnpunten en bekommernissen zich situeren.

De eerste vaststelling of bekommernis, minister, is het opvallende cijfer dat het aantal personen dat een doktersbezoek uitstelt, de laatste jaren toch nog stijgt, en zelfs serieus gestegen is.

Vroeger waren we bij de beste leerlingen van Europa, maar ondertussen begeven we ons richting middenmoot. Er is dus nog ongelijkheid op het vlak van toegang tot de gezondheidszorg. Welke instrumenten inzake preventief gezondheidsbeleid – waar u bevoegd bent – kunnen volgens u hier een rol spelen? We hebben het debat al gevoerd, ziet u een rol voor bijvoorbeeld de wijkgezondheidscentra of huisartsenpraktijken in het algemeen? 

De samenwerking tussen de verschillende zorgprofessionals blijkt ondermaats. Daar scoren we het slechtst volgens het rapport van de reflectiekamer. Wat is uw reactie hierop? Welke maatregelen kan Vlaanderen binnen zijn bevoegdheden nemen om die te verbeteren? Het eerstelijnsnetwerk, moeten we dat zien op korte of op lange termijn? Hoe ziet u dat?

Een ander pijnpunt is dat heel wat zorgaanbieders en mantelzorgers overdreven administratieve lasten ervaren en dat het papierwerk soms letterlijk vroegdetectie of een snelle doorverwijzing in de weg staat. U verwees in uw toespraak naar de mogelijkheden die de digitalisering en technologische evolutie bieden. Maar hoe zal dit concreet gemaakt worden? En vooral, hoe zult u ervoor zorgen dat de innovaties op het gebied van eHealth de meest zorgbehoevenden of ‘digitaal ongeletterden’ bereiken? Hoe gaan we erop letten dat de manifeste sociale gezondheidskloof niet nog groter wordt?

Een van de specifieke acties die wordt bepleit, is het terugbetalen van de eerstelijns geestelijke gezondheidszorg. Ik heb het niet over de terugbetaling van de prestaties van psychologen, daar hebben we al dikwijls over gesproken. Die gesprekken met de federale overheid lopen nog. Ik wil het wel specifiek hebben – dat kan u misschien helpen in uw onderhandelingen met de federale overheid – over antidepressiva en antipsychotica in de woonzorgcentra. Onlangs beaamde u in antwoord op een schriftelijke vraag dat het gebruik van antidepressiva en antipsychotica in de woonzorgcentra alarmerend hoog is en blijft – te hoog –, en ook bij de ontvangers van thuiszorg en bij ouderen in het algemeen. Is er onderzocht welke verschuivingen een terugbetaling van eerstelijns geestelijke gezondheidszorg zou teweegbrengen? Wat de impact op het medicatiegebruik zou zijn? Of het kostenbesparend zou werken? Als het kostenbesparend werkt, wat ik geloof, hebt u een argument erbij om de terugbetaling van de prestaties van psychologen in het kader van de geestelijke gezondheidszorg te eisen. Wat is hieromtrent uw standpunt?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Het klopt dat de wetenschappelijke reflectiekamer van mening is dat elke persoon die in Vlaanderen woont toegang moet hebben tot een interprofessioneel eerstelijnsnetwerk en dat dit het best gebeurt door een inschrijving van de persoon in een huisartsenpraktijk binnen dit netwerk. Het eerstelijnsnetwerk vormt, volgens de reflectiekamer, op deze wijze een uitgebreid interprofessioneel vast samenwerkingsverband, waarbinnen de persoon met een zorgnood, in overleg met de actoren in het netwerk een ‘zorgteam’ kan samenstellen.

Het onderschrijven van een globaal medisch dossier in een huisartsenpraktijk zou kunnen gelden als inschrijving binnen het eerstelijnsnetwerk, waartoe deze huisartsenpraktijk behoort. Dit standpunt werd niet in alle voorbereidende werkgroepen met de actoren vanuit het werkveld gevolgd en ook op de provinciale rondes in september 2016 bleek dat hier geen overeenstemming over was. Op dit moment heeft 70,1 procent van de Vlaamse bevolking een globaal medisch dossier in een huisartsenpraktijk. Een behoorlijk aandeel, maar met een volledige digitale samenwerking en gegevensdeling tussen alle relevante zorgaanbieders als finale doelstelling, betekent dit ook dat we nog een weg af te leggen hebben, niettegenstaande de inspanningen van de zorgaanbieders én de overheden in dit land samen hieromtrent leveren.

Bij een complexe zorgproblematiek waarbij meerdere zorgaanbieders van verschillende disciplines betrokken zijn, komt een zorgteam tot stand. De persoon met een zorgnood en zijn mantelzorger maken hier integraal deel van uit. De samenstelling van het zorgteam gebeurt in eerste instantie door de persoon met een zorgnood, en indien dit niet mogelijk is, door zijn mantelzorger vanuit een volledige keuzevrijheid. Dit zorgteam is dus een team dat door de persoon met een zorgnood op maat wordt samengesteld en over voldoende capaciteit, deskundigheid en onderlinge communicatiemogelijkheden beschikt om adequate zorg- en hulpverlening mogelijk te maken. Binnen zorgteams is vertrouwdheid met elkaars werking via heldere samenwerkingsafspraken en digitale gegevensdeling van belang voor de continuïteit, efficiëntie en kwaliteit van zorg en dit met een minimum aan administratieve last. Uitgaande van de keuzevrijheid om een zorgteam samen te stellen volgens eigen voorkeur van de persoon met een zorgnood wordt van de individuele leden van een zorgteam dus verwacht dat zij alles in het werk stellen om een kwaliteitsvolle zorg, toegankelijkheid en efficiëntie van samenwerking te kunnen garanderen.

Vanuit de Vlaamse overheid wensen we dan ook te investeren in de digitalisering van de dossiers van huisartsen en andere zorgaanbieders en het multidisciplinair delen van een zorg- en ondersteuningsplan, vanuit de idee dat men zo de kwaliteit van de samenwerking en het zorgteam bevordert.

Als we spreken over een digitalisering van het zorgproces, denken we zeker aan het zorg- en ondersteuningsplan. Samen met het medicatieschema zijn de journaalfunctie – snelle en beknopte communicatie tussen de leden van het zorgteam – en de agendafunctie – wie doet wat wanneer – twee belangrijke extra bouwstenen in een digitaal zorg- en ondersteuningsplan. De Vlaamse overheid deelt hierin de ambities van de federale overheid om tegen 2020 de volledige digitalisering van de medische dossiers van de huisarts te realiseren. De Vlaamse overheid wil ook dat tegen 2020 het multidisciplinair delen van een zorg- en ondersteuningsplan een feit is.

Dit sluit aan bij de filosofie van het actieplan eGezondheid om te evolueren naar een multidisciplinair patiëntendossier waarbij relevante gegevens ontsloten worden. U zult dus kunnen lezen dat wij zullen trachten om met een aantal incentives het ontwikkelen van dit soort duurzame samenwerkingsverbanden tussen de verschillende zorgactoren te stimuleren. Dat is ook een stuk het antwoord op de overtuiging dat wanneer je zorgverstrekkers in duurzame afspraken brengt, als je een concreet zorgteam moet samenstellen, je daar ook de vruchten van kunt plukken.

De beleidsvisie van de conferentie schetst de richting voor de eerstelijnszorg in Vlaanderen tussen vandaag en 2025. Na de conferentie van 16 februari wordt nu een natraject opgestart met de opmaak van een actieplan en tijdsplan voor de verschillende pistes die worden geformuleerd in de beleidstekst. Hierbij gaan we uit van een groeiscenario, waarbij steeds meer acties in uitvoering zullen worden gebracht. We wachten uiteraard ook nog op een aantal adviezen die ons moeten bereiken. Ik kan alvast meegeven dat de opstart van de werking van de eerstelijnszones een van de eerste elementen uit de beleidstekst is waaraan uitvoering zal worden gegeven. Er zal worden gewerkt met een oproep naar eerstelijnsactoren en lokale besturen om in consensus een voorstel van eerstelijnszone in te dienen dat beantwoordt aan een aantal criteria.

De eerstelijnszone wordt aangestuurd door een zorgraad. Die raad is pluralistisch en divers samengesteld en bestaat uit zorgaanbieders van verschillende disciplines en uit vertegenwoordigers van de woonzorgcentra, gezinszorg, diensten voor maatschappelijk werk, centra algemeen welzijnswerk (CAW's), lokale besturen, aangevuld met een vertegenwoordiging van de zorggebruikers en de mantelzorgers.

Gisteren werd een oproep gelanceerd voor twee pilootprojecten van eerstelijnszones die zullen worden begeleid door Flanders Synergy. Hun ervaringen zullen het pad uittekenen voor de verdere uitrol en begeleiding van de sector bij de oprichting van de eerstelijnszones. De medewerkers die zijn tewerkgesteld in de SEL’s, de GDT en het Lokaal Multidisciplinair Netwerk (LMN) zullen geleidelijk worden ingezet in de ondersteuning en uitbouw van de eerstelijnszones en zorgraden. Het is de bedoeling dat uiteindelijk een enkele ondersteuningsstructuur wordt erkend en gefinancierd per eerstelijnszone.

Ondersteuning inzake palliatie, dementie en geestelijke gezondheidszorg worden gesitueerd op het niveau van een regionale zorgzone die een gebied omschrijft van om en bij de 400.000 inwoners.

Het is de bedoeling dat meerdere eerstelijnszones passen in een regionale zorgzone. Ze zullen in eerste instantie starten met het samenbrengen van de huidige opdrachten rond deze thema's, telkens binnen eenzelfde geografisch afgebakende regionale zone. Daartoe zullen het bestaande Logo, de palliatieve netwerken en samenwerkingsverbanden, de multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve zorgen, de regionale expertisecentra dementie en de overlegplatforms geestelijke gezondheidszorg samenwerkingsafspraken maken zodat er in elke zorgregio een afgestemd aanbod beschikbaar is. Er zal ook een taakuitzuivering gebeuren waarbij een aantal van de huidige opdrachten, zoals de opmaak van vormingspakketten en bepaalde taken inzake sensibilisatie van de bevolking en zorgverleners, zullen verschuiven naar het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn. De samenwerkingsvorm die gestalte moet geven aan de regionale zorgzone zal in de transitiefase geleidelijk aan vorm krijgen, en dat in samenspraak met de betrokken organisaties. De doelstelling is dat er een ondersteuningsstructuur per regionale zorgzone wordt erkend en gefinancierd en dat de huidige overlegstructuren bijgevolg niet langer erkend en gefinancierd zullen worden door de Vlaamse overheid.

De regionale zorgzones vallen idealiter samen met de klinische netwerken van de ziekenhuizen uit de regio, zoals ze worden opgevat door de organieke regels die in voorbereiding zijn bij de federale overheid. Op die manier kan de regionale zorgzone een platform worden waar eerstelijnszorg en specialistische zorg elkaar ontmoeten en samenwerken.

Een Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn zal worden opgericht. In een dergelijk instituut kan de nodige kennis en expertise worden samengebracht die de brede eerste lijn kan ondersteunen. We gaan na hoe we de bestaande expertise kunnen bundelen en hoe bestaande Vlaamse initiatieven en structuren eventueel na verloop van tijd kunnen opgaan in het instituut. Het samenwerkingsplatform voor de eerste lijn zal bijvoorbeeld opgaan in de werking van het Vlaams instituut.

Tot eind 2018 zullen de huidige structuren die erkend en gesubsidieerd worden, blijven bestaan. De concrete reorganisatie zal starten vanaf 1 januari 2019. De overgangsperiode is nodig voor de opmaak van de nieuwe regelgeving betreffende het reorganisatietraject. Zo zal onder andere het decreet betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders in eerste instantie worden aangepast en zullen er uitvoeringsbesluiten worden opgemaakt.

Vanaf het ogenblik dat de autonome eerstelijnszones erkend worden, krijgen zij definitief de middelen en personeelsleden toegewezen. Net zoals een participatief traject werd uitgestippeld voor het voorbereidingstraject, zal in het natraject voldoende overlegd worden met de betrokken sectoren in de eerste lijn. In de maanden maart en april hebben we al overlegmomenten gepland met alle betrokken structuren in de eerste lijn.

Er wordt onder andere voorzien in een versterking van het lokaal niveau door het lokaal uitbouwen van de noodzakelijke intersectorale samenwerking, onder andere in het kader van het breed onthaal en het lokaal sociaal beleid. Voor het tijdspad verwijs ik naar het antwoord op de vorige vraag. De organisatie van de eerstelijnszorg kan niet los gezien worden van het lokaal sociaal beleid.

Zoals gezegd, gaan we nu eerst een aantal pilootzones maken met Flanders Synergy, en dan gaan we een oproep doen om te zien welke samenwerkingsverbanden zich aandienen om definitief in die structuur te stappen. Zoals gezegd, zal geleidelijk aan een deel personeel indalen vanuit de bestaande regionale settings, en wellicht op een bepaald moment ook aangevuld en versterkt worden met extra uitbreidingen die moeten gebeuren.

De organisatie van de eerstelijnszorg kan niet los worden gezien van het lokaal sociaal beleid. Dat is trouwens een van de grote statements op de conferentie. Eerstelijnszorg en het inzetten op informele zorg speelt zich per definitie af op het lokale en/of wijkniveau. De regierol van de lokale besturen is daarin onmiskenbaar. Dit zal zijn weerklank vinden in een nieuw decreet Lokaal Sociaal Beleid. Zo zullen de lokale besturen de opdracht krijgen om inclusieve en integrale lokale sociale beleidsdoelstellingen op te nemen in hun meerjarenplanning. Hiervoor worden de bestaande instrumenten gebruikt, zodat dit geen extra planlast betekent voor de lokale besturen. Daarnaast zien we ook een belangrijke regierol weggelegd die zich onder andere vertaalt naar een maximale afstemming op het aanbod op de lokale noden.

Meer concreet op het operationele niveau realiseert het lokaal bestuur, eventueel in samenwerking met andere besturen – dat zal in de eerstelijnszone belangrijk zijn –, het geïntegreerd breed herkenbaar onthaal. De lokale besturen zijn ook partners bij uitstek om een regierol op te nemen in het kader van de vermaatschappelijking van zorg. We verwijzen hier onder meer naar de ontwikkeling van initiatieven op vlak van buurtgerichte zorg.

Het is eveneens belangrijk dat de op te richten eerstelijnszones zo veel mogelijk samenvallen met de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die zich organisch hebben gevormd of die in ontwikkeling zijn. Op die manier groeit de kans dat de actoren hun werking onderling zullen afstemmen en de krachten gaan bundelen. Het is ook belangrijk dat er een lokale invulling komt van de Vlaamse gezondheidsdoelstellingen door het gebruik van gevalideerde methodieken en van andere objectieven van het preventiebeleid. Zowel de aanpak door lokale besturen, via onder meer de methodiek ‘Gezonde Gemeente’, als door de actoren die een rol vervullen in de eerstelijnszone, is van belang. Dat werd trouwens geëxpliciteerd op de laatste conferentie.

De autonomie van de lokale besturen en de erkenning van hun regierol in de eerste lijn vergt goede afspraken tussen het Vlaamse overheidsniveau en de vertegenwoordigers van de lokale besturen, de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten (VVSG). Wij denken dat daar zeker nog beter kan worden samengewerkt.

Met andere woorden: in de eerste lijn is een structurele dialoog tussen de verschillende overheden en de actoren belangrijk. Daarom zullen zij in het toekomstig Instituut voor de Eerste Lijn een plaats krijgen.

Hoe zullen die zones worden ingevoerd? In de eerstelijnszone komt het zwaartepunt te liggen van de ondersteuning van de praktijk of de dienstverlening en van de intersectorale samenwerking tussen lokale besturen, welzijns- en gezondheidsactoren. De eerstelijnszone is de geografische omschrijving van het gebied waarin de lokale besturen en de zorgaanbieders die er hun zorg- en dienstverlening ontwikkelen, inclusief de partners van het geïntegreerd breed onthaal, proberen hun samenwerking vorm te geven en hun verantwoordelijkheid op te nemen voor de populatie van die eerstelijnszone. De huidige SEL’s, GDT’s en LMN’s zullen, naarmate de zones zich ontwikkelen, geleidelijk aan opgaan in de eerstelijnszones.

Zoals reeds gesteld, zal er gewerkt worden met een oproep naar de eerstelijnsactoren en lokale besturen om een voorstel van eerstelijnszone in te dienen dat beantwoordt aan een aantal criteria. Bij de afbakening van de eerstelijnszones zullen de eerstelijnsactoren en lokale besturen rekening moeten houden met een aantal ontvankelijkheidscriteria. Een eerstelijnszone omvat een grote stad of een deel ervan, of twee of meer gemeenten met een totaal aantal inwoners tussen 75.000 en 125.000. Hiervan kan uitzonderlijk worden afgeweken op basis van historische samenwerkingsverbanden of sociaalgeografische argumenten. Een te grote eerstelijnszone vermindert de kans op effectieve samenwerking tussen de eerstelijnsactoren. Een te kleine eerstelijnszone beperkt de mogelijkheden tot ondersteuning. De eerstelijnszone past binnen de grenzen van één regionaalstedelijke zorgregio of regionale zorgzone. Verschillende eerstelijnszones vormen samen één regionale zorgzone. Dat is het idee.

Om in aanmerking te komen als eerstelijnszone, moet de afbakening voldoende draagvlak hebben bij de belangrijke stakeholders zoals huisartsenkringen, kringen of vertegenwoordigers van andere zorgberoepen, lokale besturen, woonzorgactoren enzovoort. Flanders Synergy zal vanuit een VLAIO-project (Agentschap Innoveren en Ondernemen) twee toekomstige eerstelijnszones ondersteunen en begeleiden bij het opzetten en inrichten van werking en samenwerking binnen de eerstelijnszone. De begeleiding bestaat uit een methodiek waarin de principes van een innovatieve arbeidsorganisatie toegepast worden. Doelstelling is om tot twee prototypes van eerstelijnszones te komen die het bredere werkveld en beleid inspireren maar die tegelijkertijd concrete en praktische inzichten, randvoorwaarden en een strategie aanreiken om dit op grotere schaal te brengen. De ervaring van deze projecten zal de weg effenen naar de invulling van de andere zones in de toekomst.

In de regionale zorgzone moet een gebiedsdekkend aanbod van expertise worden verzekerd dat zich op een hoger niveau dan de eerstelijnszone bevindt omdat de kritische massa voor interventie voldoende groot moet zijn, bijvoorbeeld palliatie, of omdat zorg en welzijn en lokale besturen slechts twee van meerdere actieterreinen zijn, bijvoorbeeld preventie, waar je het principe van ‘Health in All Policies’ moet hanteren. Ook hier is vereenvoudiging en integratie van de structuren en het verhogen van de efficiëntie het uitgangspunt. Naarmate er op Vlaams niveau functies en competenties kunnen worden ontwikkeld door het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn, eerstelijnszones en raden erkend kunnen worden en hun ondersteuning effectief wordt, zullen de functies die op het regionaalstedelijke niveau moeten worden opgenomen, verder kunnen worden afgelijnd.

Zoals ik eerder aangaf, zullen we starten met het samenbrengen van de huidige opdrachten rond preventie, palliatie, dementie en overleg rond geestelijke gezondheidszorg, telkens binnen eenzelfde geografisch afgebakende regionale zone. De samenwerkingsvorm die gestalte moet geven aan de regionale zorgzone zal in de transitiefase geleidelijk aan vorm krijgen, en dat in samenspraak met de betrokken organisaties. De bedoeling is dat er één ondersteuningsstructuur per regionale zorgzone wordt erkend en gefinancierd zodat op termijn de huidige overlegstructuren niet langer erkend en gefinancierd zullen worden door de Vlaamse overheid.

– Peter Persyn treedt als voorzitter op.

Minister Jo Vandeurzen

De Vlaamse overheid zal uiteraard waken over de continuïteit van de tewerkstelling van de personeelsleden die in de transitie betrokken zijn. De gezamenlijke besparingen door samenwerking zullen naargelang de noden worden ingezet op dit niveau of op het niveau van de eerstelijnszones. De financiering zal gebeuren in functie van de kenmerken van het werkingsgebied, de grootte, het inwonersaantal, de sociaal-demografische kenmerken enzovoort, en een deel van de middelen zal per opdracht en deelwerking, zoals preventie, palliatie of dementie, worden toegekend en verantwoord. Regionale zorgzones zullen in alle openheid en transparantie en op basis van consensus de financiering van bepaalde opdrachten voor specifieke doelgroepen en thema’s, bijvoorbeeld de coördinatie en samenwerking in de gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg (ggz), samen kunnen poolen. Ook het verwerven van financiering via alternatieve bronnen zal worden toegestaan.

Uit de werkgroepen die deze conferentie mee hebben voorbereid en uit de wetenschappelijke reflectiekamer, werd het voorstel aangebracht om een Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn op te richten. In een dergelijk instituut kan de nodige kennis en expertise worden samengebracht die de brede eerste lijn kan ondersteunen. Om zijn rol goed te vervullen, zal het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn een sterke band hebben met de Vlaamse en de federale overheid, onderzoeks- en kenniscentra en universiteiten. De werking van een dergelijk instituut zal afhankelijk zijn van de overheidsfinanciering en mee aangestuurd worden door het beleid.

We gaan na hoe we bestaande expertise kunnen bundelen en hoe bestaande Vlaamse initiatieven en structuren kunnen opgaan in het instituut. De projectmatige financiering van bijvoorbeeld éénlijn.be en het op te richten Expertisepunt mantelzorg, in samenwerking met de verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, zullen hierin worden opgenomen. Ook het samenwerkingsplatform voor de eerste lijn zal opgaan in de werking van het Vlaams instituut. Er zal ook afstemming gezocht worden met het recent eengemaakt welzijnssteunpunt en de toekomstige steunpuntfunctie geestelijke gezondheidszorg.

De financiële middelen die aan de huidige ondersteuningsstructuren toegekend worden vanuit de Vlaamse overheid zullen worden geheroriënteerd naar deze structuren. Aan het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn zullen eveneens personeel en middelen toegewezen worden, waarbij in eerste instantie zal worden gewerkt met een heroriëntering van bestaande middelen. Dat zal uiteraard geleidelijk aan moeten worden ontwikkeld. De concrete personeelsinvulling van het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn zal uiteraard duidelijker worden in een latere fase van het hervormingstraject.

Mijnheer Bertels, de drempel om zorg uit te stellen, wordt vaak door financiële redenen bepaald. Als Vlaamse overheid hebben wij geen impact op de financiering van de RIZIV-sectoren. Daarvoor is de federale overheid bevoegd. Wel kan de Vlaamse overheid werk maken van een meer geïntegreerde financiering van de zorg die wordt verleend in de zorgorganisaties die door de Vlaamse overheid worden erkend en gesubsidieerd. Persoonsvolgende financiering is hierbij volgens de Vlaamse overheid een belangrijke hefboom. Een dergelijke financiering zet in op de toegankelijkheid van de zorg, de kwaliteit van de zorg, de interdisciplinaire samenwerking, het afstemmen van de zorg op het bevorderen of behouden van de autonomie en de regierol van de persoon met een zorgnood. Daarin is uiteraard een rol weggelegd voor de wijkgezondheidscentra. Maar zelfs al zouden we die vanuit de Vlaamse overheid stimuleren of erkennen, dan nog is de federale overheid bevoegd voor het forfaitaire financieringssysteem dat deze centra voor de ingeschreven patiënt hanteren. Als Vlaamse overheid zijn we alleen betrokken via de subsidies van het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA), die een ondersteuning zijn voor de infrastructuur. Een beperkt aantal wijkgezondheidscentra heeft wel nog een DAC-project uit het verleden.

In onze beleidstekst die in aanloop naar de conferentie werd ontwikkeld, zijn beleidslijnen terug te vinden die een impact kunnen hebben op de toeleiding van personen naar de zorg. Zo is er sprake van het geïntegreerd breed onthaal. Het geïntegreerd breed en herkenbaar onthaal heeft specifieke aandacht voor kwetsbare groepen, onder meer mensen in armoede, en kan ook verder binnen het brede concept van het Sociaal Huis worden uitgebouwd. Alleszins maakt het Sociaal Huis deel uit van het geïntegreerd breed onthaal. Deze actie is ook opgenomen in het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA). 

We zullen ook meer inzetten op buurtgerichte zorg. In de Huizen van het Kind wordt onder meer ingezet op een sterke samenwerking tussen lokale actoren en de lokale gemeenschap om interventies op te zetten die gezondheidsongelijkheid verminderen en het aanbod toegankelijk maken. Het op te richten Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn krijgt de opdracht om, onder andere samen met de Vlaamse Vereniging van Steden en Gemeenten, op basis van goede praktijken methodieken uit te werken en te verspreiden voor de lokale besturen die zo kunnen worden aangemoedigd om initiatieven rond buurtgerichte zorg op te nemen.

Iedereen beseft dat geen enkele individuele zorgaanbieder in staat is om alleen de complexiteit van zorg en ondersteuning te omvatten en dat samenwerking een conditio sine qua non is geworden om efficiënte en effectieve zorg te verlenen. Dat wordt weerspiegeld in multidisciplinaire samenwerking. Zorgverleners kijken over de muren van hun praktijk of voorziening heen en stemmen samen de zorg af op de behoeften van de persoon met een zorgnood. De conferentie stond zo goed als helemaal in het teken van de samenwerking tussen de zorgaanbieders. In de beleidstekst worden verschillende maatregelen opgesomd om de samenwerking te verbeteren en te ondersteunen. In een notendop gaat het dan om de oprichting van eerstelijnszones met een zorgraad, het organiseren van ondersteuning voor deze zones en raden, het meer integreren van de ondersteuning op een hoger niveau, de oprichting van een Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn, het verder inzetten op ICT-ondersteuning en -ontwikkeling, een duidelijke afstemming met de federale overheid om te komen tot een integraal beleid, het inzetten op kwaliteitsbeleid en doelstellingen voor de eerste lijn, het stimuleren van initiatieven voor buurtgerichte zorg en het aanmoedigen van innovatie op het vlak van praktijkvormen en samenwerkingsmodellen in de eerste lijn. Een van de krachtlijnen van het mantelzorgplan betreft tevens, onder andere, de samenwerking tussen de mantelzorger en de zorgverlener.

De digitale revolutie in de zorg biedt de mogelijkheid om het overleg over de persoon met een zorgnood en de samenwerking tussen de zorgaanbieders te faciliteren. Daartoe is een goed concept met duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden nodig vooraleer er kan worden geïnvesteerd in applicaties die het overleg via digitale weg vlot laten verlopen. Bedoeling is dat de zorgaanbieder vanuit het eigen pakket via het Vitalinkplatform alle relevante en gedeelde data rond de persoon met een zorgnood kan raadplegen, ook bij de patiënt thuis. Mobiele toepassingen dragen bij tot het gebruiksgemak. Gebruiksvriendelijkheid voor de zorgaanbieder en de burger is daarbij een prioritair aandachtspunt en de verantwoordelijkheid van alle belanghebbenden. Daarbij zal er ook specifiek aandacht worden gegeven aan de toegankelijkheid van de innovaties op het vlak van e-health voor de zwaar zorgbehoevenden en de personen die digitaal minder vaardig zijn.

– Bart Van Malderen treedt als voorzitter op.

Minister Jo Vandeurzen

Dat zal uiteraard aan bod moeten komen bij het ontwikkelen van software door diverse producenten.

Met het oog op het realiseren van een digitaal en geïntegreerd zorg- en ondersteuningsplan zal de Vlaamse overheid in overleg met de zorgactoren en afgestemd op het plan e-Gezondheid, nog intensiever inzetten op IT-ondersteuning van de zorgaanbieders. Samen met het medicatieschema zijn de journaalfunctie en de agendafunctie – wie doet wat wanneer bij deze persoon met een zorgnood? – twee belangrijke extra bouwstenen in een digitaal zorg- en ondersteuningsplan.

Zoals gezegd delen we de doelstelling van de federale overheid om tegen 2020 de medische dossiers van de huisarts volledig te digitaliseren. Tegen 2020 willen we ook het multidisciplinair delen van een zorg- en ondersteuningsplan effectief waarmaken. Dat sluit aan bij de filosofie van het actieplan e-Gezondheid om te evolueren naar een ‘multidisciplinair patiëntendossier’ waarin relevante gegevens worden ontsloten.

Nog een ambitie is om ook tegen 2020 het multidisciplinair delen van gegevens via digitale weg te realiseren, door de vereisten op te stellen waaraan de elektronische patiëntendossiers van elke beroepsgroep moeten voldoen en de elektronische patiëntendossiers van de verschillende beroepsgroepen virtueel te koppelen in één gedeeld dossier.

In het traject dat Vlaanderen loopt betreffende het plan e-Gezondheid kiezen we ook voor de BelRAI-screener als uniform inschalingsinstrument in het kader van de Vlaamse sociale bescherming (VSB). Op die manier kan de zorgbehoevendheid op eenzelfde manier worden gemeten. De BelRAI zal in de verschillende sectoren van de VSB geleidelijk worden ingevoerd. De indicatiestellingen zijn niet losgekoppeld van het zorgproces. Dat moet ook leiden tot minder belasting van de persoon met een zorgnood en tot minder lasten voor de zorgaanbieders in de eerste lijn. Administratieve lastenverlaging en vereenvoudiging gelden trouwens als algemeen streefdoel van de digitalisering in de zorg.

We nemen zo snel mogelijk regelgevende initiatieven om de bestaande financieringsmechanismen en subsidiestromen te gebruiken om de digitale samenwerking te stimuleren. In eerste instantie wordt de regelgeving die hiervoor in aanmerking komt, door het agentschap Zorg en Gezondheid geïnventariseerd. Met het Actieplan Flanders’ Care 2.0 zetten we uiteraard ook in op digitalisering via innovatieprojecten.

Een onderzoek naar de impact van een terugbetaling van eerstelijns geestelijke gezondheidszorg op het medicatiegebruik en de mogelijke verschuiving van het medicatiegebruik is in Vlaanderen of in België niet voorhanden. Zoiets vereist een longitudinaal onderzoek en is zeer complex omdat heel wat beïnvloedende factoren een rol spelen in de geestelijke gezondheid van een populatie. Op basis van de huidige zeven pilootprojecten ‘eerstelijnspsychologische functie’ is het niet mogelijk om een dergelijke studie uit te voeren gezien de beperkte impact van een voltijds equivalent eerstelijnspsychologische functie in een specifieke afgebakende regio. Het is tevens bijzonder moeilijk om een gelijkaardige populatie met dezelfde behoefte aan geestelijke gezondheidszorg en met dezelfde sociaal-demografische kenmerken te vinden, waar er geen beroep op een eerstelijnspsycholoog kan worden gedaan. We hebben in Vlaanderen immers geen gegevens over de behoefte aan geestelijke gezondheidszorg. Er zijn in Vlaanderen heel wat psychologen en therapeuten op zelfstandige basis actief, maar we weten vandaag niet wie een eerstelijnsrol opneemt en hoe die rol ingevuld wordt. Een onderzoek naar de impact van een eerstelijnspsychologische functie zou wel kunnen worden uitgevoerd indien de eerstelijnspsychologische functie over heel Vlaanderen zou worden uitgerold, omdat de capaciteit en impact van deze functie dan groter is, zodat verschuivingen in het voorschrijfgedrag van psychomedicatie kunnen worden nagegaan. Uit de bevraging van de betrokken huisartsen van de projecten eerstelijnspsychologische functie blijkt echter wel dat de huisartsen effectief vragende partij zijn voor een alternatief voor medicamenteuze behandelingen en dat een eerstelijnspsychologische functie hiervoor een waardevol alternatief kan bieden.

Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) plant een onderzoek naar de organisatie van geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen in België op vraag van de interkabinettenwerkgroep ‘taskforce geestelijke gezondheidszorg’. Het onderzoek betreft de actuele en toekomstige nood aan geestelijke gezondheidszorg bij de volwassen Belgische bevolking. De informatie moet beleidsmakers ondersteunen bij het stellen van prioriteiten en het nemen van strategische beslissingen met betrekking tot geestelijke gezondheidszorg. De studie zal gegevens verzamelen over de prevalentie van geestelijke gezondheidszorgproblemen, een overzicht geven van het zorgaanbod en tevens inzicht geven in eventuele tekortkomingen en overlappingen in de zorgverlening.

In het Vlaams Actieplan Geestelijke Gezondheid wordt duidelijk geïnvesteerd in vroegdetectie en vroeginterventie. We weten immers dat vroegdetectie van een psychisch probleem met een gepaste interventie kan voorkomen dat een probleem ernstig en/of chronisch wordt.

Bij sommige psychiatrische stoornissen is het terugverdieneffect van vroeginterventies ook al internationaal in kaart gebracht. Evidencebased richtlijnen in de geestelijke gezondheidszorg bevestigen eveneens het belang van een niet-medicamenteuze behandeling, eventueel aangevuld met medicatie, om tot een kwaliteitsvolle zorg te komen. Een voorbeeld hiervan is de recente richtlijn inzake behandeling van depressie bij volwassenen door de huisarts. Als besluit kan ik aangeven dat, ook al weten we vandaag nog niet of er een kostenbesparing zou zijn en hoe groot, het voor de kwaliteit van de zorg in elk geval noodzakelijk is om ook niet-medicamenteuze behandelingen en begeleidingen te kunnen aanbieden in de geestelijke gezondheidszorg.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, dat was een uitvoerig antwoord, dat ik op mijn gemak nog eens zal nalezen. Officieel heb ik twee minuten om te repliceren, maar er waren heel veel vragen en ik kan in dat tijdsbestek onmogelijk op alle elementen ingaan. Ik kies er een paar uit, maar dat zal niet op twee minuten lukken. Mijn excuses. Ik doe mijn best.

Ik begin met het einde, de eerstelijnspsychologen. We hebben daarover in het verleden al heel wat vragen gesteld. U hebt het systeem in gang gezet en dat is iets positief. De bedoeling was om verschillende formules naast elkaar te laten bestaan en daarvan te leren hoe we het regionaal of nationaal kunnen invoeren. Dat moest worden geëvalueerd. Toen we in het verleden vragen stelden over de eerstelijnspsychologen, kregen we het antwoord: we wachten de eerstelijnsconferentie af, we wachten af wat de federale terugbetaling is. Nu hoor ik u zeggen dat het KCE een behoeftestudie uitvoert. Ik denk dat zo’n studie heel belangrijk is, maar wanneer beslist u wat u ermee zult doen? Ik dacht eigenlijk dat na de eerstelijnsconferentie zou worden beslist: het systeem draait goed, of draait niet goed, of draait goed in bepaalde omstandigheden, en we rollen het uit. Ik begrijp nu dat we opnieuw op een of ander moeten wachten.

U zegt dat we niet kunnen evalueren, omdat het enkel een proefproject is. Zo blijft u natuurlijk bezig. Het zijn enkel proefprojecten omdat er geen evaluatie en uitrol zijn. Volgens mij bestaat er een breed draagvlak om het systeem goed en breed uit te rollen, maar dan liefst op korte termijn. Mijn eerste vraag is dan ook: hoe zult u dat concreet aanpakken en wanneer?

Hetzelfde komt terug wanneer het over de eerstelijnszones gaat. We vinden ze ongelooflijk belangrijk en dat blijkt ook, maar we voelen dat er niet over alles een consensus is. Indien er bij een dergelijke oefening niet over alles een consensus bestaat, betekent dat echter niet dat er geen draagvlak is. Mensen die aanwezig waren, horen we zelfs vragen om beslissingen te nemen, zodat we vooruit kunnen. We zullen over bepaalde zaken geen consensus bereiken, maar het is belangrijk dat het beleid beslissingen neemt. Dat is niet in tegenstrijd met het feit dat er draagvlak is. Er komt nu een oproep en in consensus kunnen er projecten worden ingediend, maar wat gebeurt er als er geen antwoord is, als er geen consensus wordt gevonden? Verloopt het dan in twee snelheden? Wanneer zult u zeggen dat er moet worden opgetreden? Enerzijds vind ik het goed dat u een oproep lanceert, zodat er een spontane samenwerking van onderuit kan ontstaan en, zoals in West-Vlaanderen, bestaande samenwerkingen de kans krijgen om in de eerstelijnszone te komen. Anderzijds moeten we vermijden dat we moeten wachten tot iedereen in het hele land een consensus heeft bereikt om te kunnen werken met eerstelijnszones. Misschien komt het door de grote hoeveelheid informatie, maar in uw antwoord mis ik een beeld van hoe u dat ziet voortgaan.

Hetzelfde geldt voor het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn. Op zich is het een goede zaak. Het is een beetje moeilijk om te beoordelen, maar het kan een meerwaarde inhouden. Uit teksten had ik echter begrepen dat het personeel wel degelijk uit de SEL’s en GTD’s zou komen. Aan uw gebaren zie ik dat dat een verkeerde interpretatie van de teksten is. De oefening is dat de SEL’s geleidelijk worden omgezet naar eerstelijnszones, maar dan hoop ik dat het instituut op een andere manier zal worden bekostigd. In de tekst las ik ergens er 1,32 vte’s per zorgregio zouden zijn. Klopt dat? En is het realistisch om daarmee effectief een zone te laten functioneren?

Ik wil tot slot nog specifiek volgende vraag stellen. U zegt dat we per regio naar één overlegstructuur gaan. Dat lijkt me heel goed. Zo zitten we niet met zes overlegstructuren. In het plan geestelijke gezondheidszorg hebben we ook nog overlegplatforms die een toekomst blijven hebben. Hoe rijmt dat met andere plannen? Is het de bedoeling dat alles daarin opgaat en dat andere bestaande plannen zich allemaal daarop moeten enten? Of zullen we met verschillende systemen naast elkaar blijven zitten, zoals we dat in het verleden al een paar keer hebben gehad, en hoe directief zult u daarin optreden om dat effectief waar te maken?

Ik denk dat ik daarmee mijn eerste rondje vragen ga afsluiten. Er zijn nog heel veel vragen, maar ik vermoed dat we hier nog geregeld op kunnen terugkomen in de commissie, omdat het een heel brede hervorming is.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Ik ga wel proberen om binnen de twee minuten te blijven, maar ik versta wel de resem vragen die mevrouw Van den Brandt heeft.

Minister, ik ben niet iemand die een revolutie predikt in de eerstelijnsgezondheidszorg. Ik ben voor evolutie, voor overleg. Ik ben blij dat u dat ook aangaat. Maar in een aantal zaken moeten we toch – ik zou niet zeggen doorduwen of opleggen – maar toch iets proactiever te werk gaan.

De wetenschappelijke evidentie met betrekking tot de toegang tot het interprofessioneel eerstelijnsnetwerk – u bent er zelf uw antwoord mee begonnen – is overduidelijk. Ik denk dat we daar toch onze gesprekspartners met iets meer aandrang moeten proberen te overtuigen en niet moeten wachten tot we de laatste overtuigd hebben. Dat dat de weg is die we moeten gaan, is overduidelijk.

Ik ben blij dat u met betrekking tot de digitalisering zegt dat u de gebruiksvriendelijkheid en de toegankelijkheid hoog in het vaandel draagt en daarop zult toezien. We gaan die oefening ook in die geest moeten doen richting 2020. Maar het blijft een constante bekommernis die we moeten bewaken.

Mijn tweede punt heeft betrekking op de eerstelijns psychologische functie. U zegt zelf dat de kwaliteit van de zorg daar baat bij zou hebben. U hebt gelijk dat er geen wetenschappelijke studie bestaat met betrekking tot de vraag die ik gesteld heb, die longitudinale studie. U verwijst nu naar – wat voor mij nieuw was – een onderzoek van het kenniscentrum. Ik heb dat niet zien staan in hun lijst van onderzoeken, maar ik heb er misschien over gekeken.

Maar ons buikgevoel – en u bevestigt dat impliciet – geeft aan dat we daar iets moeten doen, voor de kwaliteit van de zorg en voor efficiënter gebruik van een aantal medicaties. Ik denk ook dat we daar iets actiever moeten optreden. Wetenschappelijke studies zijn belangrijk en zijn een goede onderbouwing en basis voor beleid, maar hier weten we dat er verbeteringen mogelijk zijn, denk ik.

Dan kom ik bij mijn twee bijkomende vragen, minister. U hebt gezegd dat de actieplannen nu uitgerold zullen worden. Een van de eerste actieplannen zal de oproep eerstelijnszone zijn. Hebt u een tijdstabel? Wanneer wilt u dat plan op zijn minst hebben?

Wat betreft het VLAIO-project, Flanders Synergy dat twee pilootprojecten gaat begeleiden inzake eerstelijnszones, ben ik niet goed mee. Zullen die pilootprojecten lopen of afgehandeld zijn vooraleer u die oproep naar de eerstelijnszones gaat doen, wat u aangekondigd hebt als een van de eerste actieplannen? Daar heb ik de tijdstabel niet goed begrepen.

De voorzitter

De heer Persyn heeft het woord.

Peter Persyn (N-VA)

Ik wil de collega’s bedanken voor hun vragen. Ik was met collega Saeys ook aanwezig op die eerstelijnsconferentie. Ik wil toch een aantal punten aanhalen die voor mijn fractie en voor mezelf heel belangrijk zijn.

Ik moet mij toch een beetje aansluiten bij de bezorgdheid – ik heb die ten andere ook al woordelijk naar de minister gebracht – over het weinig directieve karakter van de huidige dynamiek. Ik druk me voorzichtig uit. Het Vlaamse Zorgregiodecreet dateert van 2002, en nu zijn we nog altijd bezig met bottom-up de basis te mobiliseren om zich daarin in te schrijven, terwijl er eigenlijk al heel wat voorligt. Ik hou dus toch een pleidooi om misschien iets directiever te werk te gaan. Ik ga ermee akkoord om nu die oefening te doen met die twee concrete regio’s en te kijken wat daar eventueel nog praktische, pragmatische, financiële, mentale drempels zijn, maar dan toch een versnelling hoger te schakelen, want we zijn eigenlijk al vijftien jaar met die oefening bezig, en eigenlijk is dat niet zomaar een virtuele oefening. Dat heeft ook te maken met toegankelijkheid van zorg. Dat is dan de brede geografische toegankelijkheid. U noemt zelf soms het voorbeeld van de lappendekens die elkaar soms niet helemaal goed overlappen – denk aan de geestelijke gezondheidszorg. We zijn twee jaar geleden met de commissie naar het OPZ Geel geweest. We hebben daar een heel instructieve sessie meegemaakt, maar daaruit bleek dat er ook nog echt blinde vlekken zijn in ons Vlaamse landschap.

Die hiërarchische afbakening van zorgzones heeft dus wel degelijk een heel concrete impact op het verzekeren van een complete afdekking van je zorg in al zijn aspecten. Ik ga daar niet dieper op in. U weet dat ik er voorstander van ben om dat allemaal toch zo veel mogelijk congruent te maken.

Dan kom ik bij de concrete samenwerking van zorgverstrekkers. Als ex-huisarts uit een groepspraktijk die 25 jaar geleden al samenwerkte met psychologen en kinesisten, ligt mij dit natuurlijk na aan het hart. Goede afspraken zijn belangrijk. Gegevensdeling is belangrijk. Maar ook het consequent opnemen van de verantwoordelijkheden is belangrijk, en daar zien we misschien wel een beetje een omgekeerde gradiënt met het niveau of de duur van de opleiding en de mate waarin de verschillende zorgverstrekkers al dan niet present zijn op het appel. Ik denk dat daar toch ook, naast de goodwill en het ter beschikking stellen van performante ICT-tools, moet gedacht worden aan een versterking van financiële incentives, of omgekeerd van financiële sancties als deze of gene schakel in het zorgproces niet op de afspraak is. Ik bedoel dat dan letterlijk. Er zijn altijd zorgverstrekkers die vinden dat zij de drukste agenda hebben en dat zij een uitzondering mogen maken op gemaakte afspraken.

En de zorg, zeker in complexe zorgprocessen, collega’s, staat of valt met zijn zwakste schakel. Dat lijkt een serieel proces, maar dat is als een product: als daar één factor nul is, dus slecht is, valt bijna de hele zorg in duigen. Het resultaat van een product met een nul erin, is nul.

We moeten ons daar bewust van zijn. De minister zal zeggen dat dat federale bevoegdheden zijn, maar dan weet u natuurlijk dat mijn partij – de logica zelve – voorstander is om al die bevoegdheden veel meer homogeen te maken, net zo voor de aspecten die door de collega’s van de oppositie zijn aangehaald, namelijk de gevaren van onderbescherming en psychologische ondersteuning. Het is dus geen verwijt aan de minister, maar het zijn voor onze fractie wel richtpunten voor de toekomst. Je kunt heel moeilijk kaartspelen als je voortdurend met twee verdelers van kaarten zit. Dan is het heel moeilijk om een deftig kaartspel te hebben.

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Er is hier al zeer uitgebreid en heel veel gezegd. Ik zou nog twee puntjes willen maken. Ten eerste is de vrije keuze van de zorgverstrekker voor ons echt wel essentieel. Ik zie dat het bij het concept van het zorgteam voor complexe zorg toch de patiënt of de mantelzorger is die dat team gaat samenstellen. Ik zie toch ook, wat betreft die mantelzorger, een positieve kentering. Hij wordt erkend in zijn centrale rol in de zorgsituatie. Dat is zeker en vast positief.

Ik zou ook nog willen reageren op de stelling dat er onvoldoende samenwerking zou zijn. Op dit moment zijn er enorm veel overlegstructuren. Heel veel zorgverstrekkers weten het op het einde allemaal niet meer. Time management is hier echt wel essentieel. Multidisciplinair overleg moeten we echt houden voor complexe zorgsituaties. Er zijn veel zaken die ook via digitalisering kunnen worden uitgewisseld. We voorzien ook voor uitzonderlijke situaties in case managers en dergelijke, wat ook zeker en vast een positieve evolutie is.

Wat vooral belangrijk is, is dat we gaan naar minder structuren en dat daar enorm in gesnoeid zal worden, en dat we voorzien in nieuwe structuren, maar beperkter. Het is toch niet de bedoeling van zo’n hervorming dat we nog meer overlegstructuren gaan hebben. Ik zie toch hoopvolle tekenen in die teksten over de integratie van de regionale dienstencentra, de SEL’s, de GDT’s, de LMN’s (Lokale Multidisciplinaire Netwerken).

Daarbij zal het ook wel belangrijk zijn dat die eerstelijnszone niet bijkomend werk gaat creëren voor die zorgverstrekkers, maar hen juist gaat ondersteunen en gaat helpen bij die uitdagingen van de komende decennia. Ik denk dat, als je die eerstelijnsactoren de nodige ondersteuning gaat bieden, er vooral zo stappen vooruit zullen worden gezet.

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, eigenlijk zouden we aan de reflectie over die ontwikkelingen wat meer tijd moeten besteden, want dat is natuurlijk een hele brok. Zoals ik uiteengezet heb, zijn we nu bezig met het natraject en wat daarin nu te doen staat. Er zal regelgeving moeten worden aangepast. Uiteraard zijn er nog adviezen die moeten binnenkomen. Daar is dus nog een heel groot werk te doen.

Een aantal onder u hebben gepleit voor meer directief overheidsoptreden, als het gaat over de afbakening van de regio’s of als het gaat over de ICT-vaardigheden, collega Persyn, dus dat we mogen verwachten dat iedereen vroeg of laat zal instappen in die digitalisering.

Peter Persyn (N-VA)

Dat heb ik niet gezegd. Ik denk dat u zich vergist. Ik heb het accent gelegd op die hiërarchische structuur. Ik denk niet dat ik een boog gespannen heb, tenzij ik een acute amnesie heb.

Minister Jo Vandeurzen

Ik meende toch dat ik begrepen had dat sommigen dat zeiden.

Peter Persyn (N-VA)

Dat klopt, andere collega’s hebben dat gevraagd, maar ikzelf niet. Ik vind dat ook belangrijk, alleen zeg ik dat dat secundair is. Voor mij is de digitale tool een ondersteuning.

Minister Jo Vandeurzen

Natuurlijk, als we willen dat de administratieve lasten verlagen, als we willen dat de samenwerking gestimuleerd wordt enzovoort, dan zal er op het vlak van digitalisering toch een radicale keuze moeten worden gemaakt. Maar die is eigenlijk gemaakt, en zelfs niet in eerste instantie door de Vlaamse overheid, maar in het RIZIV. Die keuze zal hoe dan ook gehonoreerd moeten worden.

Sta mij toe, wat die zones betreft, daar toch een paar bedenkingen bij te maken. Ik denk dat de keuze die voorgesteld is, duidelijk is. Als je het casusgerichte overleg wilt faciliteren, met alles wat daarbij hoort aan consequenties, dan moet je dat op het eerstelijnszoneniveau doen. Dat zal dus een transitie vragen, en dat zal op termijn uiteraard ook versterking vereisen. In het vroegere Zorgregiodecreet stond het niet als een ‘imperatief’ ingeschreven dat er gewerkt zou moeten worden op dat zoneniveau. Het Zorgregiodecreet, zoals we dat van vroeger kennen, zegt aan de overheid: ‘Als u werkt met geografische criteria, dan moet u zich houden aan de indelingsmodaliteiten van het Zorgregiodecreet.’ Dan heb je het niveau 60, dus waar we nu over spreken. Je hebt het niveau gemeente. Daarboven heb je het regionaal-stedelijk niveau. Het verplicht dus eigenlijk om die regio-indeling te respecteren, tenzij je kunt motiveren waarom je dat niet doet. Als ik het mij goed herinner, was er voor ziekenhuizen zelfs een algemeen principe dat je dat niet per se moest volgen.

Maar die zones zijn dus in Vlaanderen nooit echt gebruikt om het ondersteuningsbeleid op te enten. Dat betekent dat andere elementen daar tot nu toe meer praktijkgericht vorm aan hebben gegeven. Ik denk aan de vorming van de huisartsenkringen, de wachtposten, datgene wat er komt vanuit het RIZIV aan LMN’s enzovoort. Een aantal elementen hebben dat zeker mee ondersteund, en ook een aantal zaken vanuit Vlaanderen. Maar een ondersteuning op het niveau van de eerste lijn in heel Vlaanderen, die op die manier regionaal gebiedsdekkend consequent wordt ingevuld: dat is naar mijn mening nog nooit echt gebeurd.

Wat ik heb geleerd uit de voorbereiding, is dat er grote consensus over bestaat dat dat zal moeten gebeuren en dat het niveau de 75.000 tot 125.000 inwoners zal zijn, maar dat, als er over concrete tekeningen wordt gesproken, het enthousiasme toch iets minder groot is. Er zijn zeker een aantal regio’s waar er mensen zijn die met zeer veel overtuiging verdedigen dat zij daar niet mee in moeten passen of dat zij zich er niet bij moeten aansluiten of dat er andere indelingen mogelijk of nodig zijn. En door nu te zeggen dat ook de lokale besturen daarin aanwezig moeten zijn, zijn er natuurlijk nog nieuwe actoren die echt expliciet aan de tafel komen.

De verwachting dat we dat gebiedsdekkend in Vlaanderen gaan doen, is ondubbelzinnig. We moeten daar naartoe, daar ben ik echt van overtuigd. Maar dat we voor een transitie staan, lijkt mij even duidelijk, want wat er verwacht wordt op dat eerstelijnszoneniveau is ook niet niets. Je moet daar een aantal kringwerkingen kunnen samenbrengen. Er zijn een aantal regio’s waar zelfs een aantal kringwerkingen nog niet bestaan. Je moet daar een soort governance maken. Daar moet iedereen ook een stuk met een mandaat om zijn eigen discipline te overstijgen, kunnen samenwerken. De lokale actoren moeten daar bij. De welzijnsactoren moeten aansluiten. Dat is dus toch een behoorlijke oefening.

Er is voor gekozen om die oefening inderdaad in een aantal fases te doen en het objectief heel duidelijk te stellen: daar moeten we naartoe. Ik heb al op een aantal plaatsen gezegd dat dat voor mij wil zeggen dat we daar in 2020 toch zouden moeten zijn. Wellicht zal dat in de laatste fase opgelegd moeten worden, als je echt niet door kunt. Je kunt een hele tekening niet laten afhangen van een aantal toevallige of historische omstandigheden. Maar we zullen daar naartoe moeten.

Het eerste wat moet gebeuren, is natuurlijk zorgen dat er goede inspirerende voorbeelden zijn waaruit geleerd kan worden. Mensen voelen, als je daar naartoe gaat, dat de overheid ook consequent de incentives en de ondersteuning zal inzetten op dat niveau, en dus de samenwerking ook, zij het wellicht met beperkte middelen in de eerste fase, toch zal honoreren. En dat is wat we gaan doen.

Ik heb op de conferentie ook aangekondigd dat Flanders Synergy onmiddellijk zou starten met een oproep om twee pilootprojecten te kunnen begeleiden. Dat is een proces dat een tijd zal duren, maar dat zal ons niet verhinderen – ook dat heb ik op de conferentie gezegd – om in het najaar een oproep te doen voor Vlaanderen, om te kijken of we er voldoende mensen mee aan de slag krijgen in heel Vlaanderen. Ik denk dat de waarheid zal zijn dat er heel wat regio’s zijn waar men eigenlijk al zeer ver gevorderd is en die stap om aan de criteria van een zone te voldoen, vrij behapbaar is. Op andere plaatsen zal dat wat meer overleg vragen.

En we gaan dan geleidelijk aan invullen en operationaliseren. We gaan dus niet, mevrouw Van den Brandt, wachten tot het laatste puzzelstuk gelegd is om degenen die startklaar zijn, te laten starten. We gaan gewoon ook een stuk middelen laten indalen vanuit de SEL’s naar die regio’s waar men inderdaad verder geraakt. Zoals gezegd, zullen we dat wellicht op een bepaald moment ook moeten doen door wat te versterken op die plaatsen waar dat in die beweging dan nodig is. Maar dat is dus een traject.

Ik hoop wel dat wij op deze commissie mogen rekenen als zou blijken dat we er niet gaan geraken om dat overal te doen. Ik merk grote bereidheid om dat top-down een stuk op te leggen. Wij verkiezen een andere weg, zeker in de start, omdat er toch een aantal zaken zijn die je ook ervaringsgewijs moet exploreren. Maar bij dit soort afbakeningen – en dat geldt mutatis mutandis ook voor de afbakening van de klinische netwerken van de ziekenhuizen en van de afstemming van de werkingsgebieden van de overlegplatforms geestelijke gezondheidszorg op die klinische netwerken –, als we het er allemaal over eens zijn dat we beter goede, eenduidige geografische gebieden hebben, dan zullen er op een bepaald moment toch voor een aantal dingen knopen doorgehakt moeten worden.

Ikzelf – maar dat is mijn persoonlijk gedacht en misschien een beetje gekleurd door de ervaring – denk dat we daar een aantal ambities en lijnen moeten trekken. Om te denken dat we alles nu loepzuiver en heel op de komma en elk gebied na allemaal op elkaar afgestemd krijgen, daar zal toch nog een transitie voor nodig zijn. Je voelt dat gewoon aan: het feit dat de federale overheid de klinische netwerken heeft aangekondigd voor de ziekenhuizen, heeft een hele beweging ingezet. Ik reken dus op de heer Bertels, om op de plaatsen waar hij mee de steun kan geven, te pleiten om begrip op te brengen voor de minister, die in eer en geweten zal zeggen: zo moet het, en niet anders. Want dat is dan een beetje de entendu. (Opmerkingen. Gelach)

Dan komt waarschijnlijk de tweede ‘maar’: we zijn het er in principe mee eens, maar de manier waarop u dat uitvoert, daar hebben we dan toch weer bedenkingen over. (Opmerkingen)

In die zin denk ik: respect opbrengen voor degenen die gepionierd hebben, die believers zijn, waar het lukt, en die ook een stuk als inspiratie laten dienen. Maar we weten dat er een moment zal komen dat de klik gemaakt moet worden om te zeggen: we zijn nu echt wel in een fase dat het niet verantwoord is dat sommige gebieden achterblijven.

Ik maak daar een bedenking bij die ook voor het verslag belangrijk is. Natuurlijk zal de kandidatuur van een zone voor grotendeels afhangen van de manier waarop de partners in die zone elkaar vinden en afspraken kunnen maken. Er is evenwel één afwegingscriterium dat niet op het niveau van de zone kan worden gemaakt, en dat is de vraag of de afbakening van de zone de evenwichten in het gehele landschap respecteert. Als partners met een voorstel komen dat ertoe zou leiden dat aangrenzende gemeenten niet in staat zouden zijn om ook zo’n gebied te vormen, dan zal de overheid moeten ingrijpen. Want dat kan niet. Dan moet er opnieuw worden gesproken. Ik benadruk dus de noodzaak dat de actoren zelf die analyse moeten maken. Daarover zijn gesprekken mogelijk en kunnen adviezen worden gevraagd, zodat zo’n toestand wordt voorkomen. Ik heb al een aantal projecten onder ogen gekregen waarvan ik zeg dat het best mogelijk is dat de betrokkenen schitterend zullen kunnen samenwerken, maar dat de keuzes die voor die zone worden gemaakt het anderen onmogelijk maakt om nog een zone te vormen. Die voorstellen moet men dus herbekijken. Tot zover deze belangrijke bedenking.

Wat de psychologische functies op de eerste lijn betreft, zijn de projecten voldoende lang in de tijd gewaarborgd. Ik zei dat al meermaals. Laat er geen misverstand over bestaan: ooit zullen we die integraal uitrollen. Die uitrol kan evenwel slechts wanneer de zones zijn gevormd en wanneer we weten hoe de terugbetaling van de psychotherapie zal gebeuren. Dat laatste is een belangrijke kwestie. De logica van de staatshervorming en de bestaande structuren van dit land brengt met zich mee dat terugbetaalbare prestaties die ressorteren onder koninklijk besluit nummer 78 voor de volle 100 procent een federale bevoegdheid is. Zolang we niet weten hoe die terugbetalingen zullen gebeuren, is het niet mogelijk een definitief standpunt in te nemen. Dat is essentieel. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit in orde komt, maar zolang dit niet het geval is, zullen we blijven investeren. Meer zelfs, we zullen ook initiatieven voor kinderen en jongeren nemen. Het budget wordt dus nog uitgebreid. Bij wijze van besluit: we moeten hierover met de federale overheid een overeenstemming vinden. Ik heb in de conferentieteksten een overzicht laten opnemen van wie wat in de eerste lijn financiert. Wie dat overzicht bekijkt, stelt vast dat het meeste geld van het RIZIV komt.

Mevrouw Van den Brandt, wat het Vlaams expertisecentrum betreft, is het zo dat een aantal Vlaamse structuren moeten worden verduurzaamd of in één instituut moeten worden geïntegreerd. Ik vermeldde er eentje: éénlijn.be. De Vlaamse overheid besteedt sinds de vorige eerstelijnsconferentie van 2010 behoorlijk veel geld aan de ondersteuning van de informatisering van de eerste lijn op het niveau van kringen van huisartsen, ten behoeve van de zorgverstrekkers. Zelfs individuele vragen aan de helpdesk worden daarbij betrokken. We kunnen die middelen natuurlijk niet blijven inzetten. Ik ga ervan uit dat dit soort vraagstukken door het expertisecentrum wordt opgenomen. Ik ga er ook van uit dat aan universiteiten en andere instellingen zal worden gevraagd in welke mate men belangstelling heeft om aan het initiatief deel te nemen. We zullen ook nagaan welke projecten en initiatieven door Vlaanderen worden gefinancierd en die in aanmerking komen voor een integratie in zo’n instituut.

Ik koester niet de illusie dat iedereen die vindt dat er een Vlaams instituut moet komen, enthousiast zal zeggen dat zijn of haar middelen daarin moeten worden opgenomen. Toch zullen we efficiëntie nastreven en proberen de beschikbare expertisevormen met elkaar te verbinden. Hier is al dikwijls gevraagd naar één punt waar alle informatie ten behoeve van mantelzorgers beschikbaar wordt gemaakt. Dat is een doelstelling die we op die manier willen realiseren.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Voorzitter, minister, collega's, u zegt dat een richtlijn weerstand zal oproepen. We voelen evenwel dat de sector vraagt naar een doortastende aanpak. Men wil dat er een beslissing wordt genomen. Als ik het goed begrijp, wilt u een oproep lanceren. Er komen dan drie of vier fasen. Daarin worden regels naar voor geschoven die uiteindelijk in een groter geheel moeten passen. Als men bij de aanvang dan fout gokt, is er veel tijd en energie gestoken in het aangaan van samenwerkingsverbanden die een en ander hypothekeren. Men moet dus op voorhand goede afspraken maken.

Minister Jo Vandeurzen

Mevrouw, in 2010, op de vorige grote conferentie, is gezegd dat we naar een zone-indeling van Vlaanderen zullen gaan. Daartoe is toen aan Domus Medica de opdracht gegeven om met alle huisartsenkringen te praten. Later is ook met andere zorgverstrekkers gesproken. In de laatste rechte lijn naar de conferentie hebben sommigen actief in de wetenschappelijke reflectiekamer nog een denkoefening gemaakt over hoe alles er zou kunnen uitzien. Zeggen dat men niet weet in welk kader men keuzes moet maken, is dus niet juist. Er is al een lang traject doorlopen, en men weet perfect wat de mogelijkheden in de regio’s zijn. Het is niet zo dat sommigen nu met een wit blad van nul zullen moeten beginnen. Er zijn voldoende kaarten opgemaakt waarop staat welke knelpunten er zijn en waar er beslissingen moeten worden genomen.

Als men in een gebied actief is waarvan men weet dat alles duidelijk is, dan zou ik zeggen: waarop wacht men? Maar als u weet dat wat wij doen zeker niet evident is, in het licht van de oefening die we samen met zoveel anderen hebben gemaakt, dan moet worden overlegd over wat we het best doen, eventueel samen met de administratie. Dat is logisch. Maar stellen dat we er nu als naïevelingen aan zullen beginnen, is niet juist – daarvoor was het voorbereidend traject iets te lang.

Elke Van den Brandt (Groen)

Dat is het punt. Er is zoveel voorbereidend werk geleverd dat we op een punt zijn gekomen dat men kan beslissen. Er moet beslist worden. De vraag om dat te doen, weerklinkt erg duidelijk. U wilt dat doen in 2020-2021. Dat is nog eens drie jaar verder. Naar mijn aanvoelen kan het volgens mij strakker worden aangepakt, toch wat betreft de zones. Wat de eerstelijnspsychologen betreft, hoor ik u zeggen dat er een uitbreiding komt. Ik hoor dat graag, zeker als dat voor minderjarigen is bedoeld. Maar voor de uitrol zult u wachten tot de zones er zijn. Dat is dus pas in 2021.

Minister Jo Vandeurzen

Neen, ik heb gezegd dat we vroeger dan dat zones zullen erkennen. Dat is geen probleem.

Elke Van den Brandt (Groen)

Zult u in die zones, zodra die er zijn, de eerstelijnsfuncties uitbreiden?

Minister Jo Vandeurzen

We zullen op dat moment nagaan of dat realistisch is.

Elke Van den Brandt (Groen)

Dat is een interessant gegeven.

U zegt dat u geen problemen verwacht met de terugbetaling van de psychologen. Minister De Block bouwt evenwel veel ‘maars’ en ‘alsen’ in haar discours in wanneer de vraag rijst of dat nog tijdens deze legislatuur zal lukken. Groen maakt de analyse dat de haalbaarheid erg onzeker is. We vrezen dat het niet meer zal lukken. Ik begrijp waarom u wilt wachten, maar zo wordt iets wat goed zal werken op de lange baan geschoven, tot 2020 of 2021. Dat is jammer, want de nood aan versterking van het eerstelijnsaanbod is reëel. Ik hoop dus dat u de eerstelijnspsychologen inschakelt zodra de zones er zijn, en zich niet verschuilt achter de nog te nemen federale beslissingen inzake terugbetalingen. Ik hoop dat ze er komen, maar het ziet er vandaag niet zo goed uit.

U hebt het over het samenbrengen van éénlijn.be en Mantelzorgpunt en dergelijke. Ik hoor ook dat daarvoor geen extra middelen worden vrijgemaakt. U begrijpt dat dit weerstand oproept, want die operatie zal men moeten financieren met middelen bestemd voor bestaande projecten. Ik hoop dat in dat verband een goede oefening wordt gemaakt en dat waardevolle projecten niet in de problemen komen.

Ik heb nog een laatste opmerking. Er is te weinig uitvoering gegeven aan het vorige decreet omdat, zo stelt u, de omkadering ontbrak. Niets belette u om op dat vlak initiatieven te nemen. Ik ben wel blij dat nu stappen vooruit worden gezet, maar ik moet toch opmerken dat die stappen veel te klein zijn, gezien de grote nood. Het mag allemaal wat sneller gaan. Wat het federale niveau betreft, ga ik ervan uit dat er al is overlegd. Ik ga ervan uit dat de voorbereiding is gebeurd in samenspraak met het federale niveau.

De voorzitter

De heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels (sp·a)

Voorzitter, minister, collega's, hier is aangetoond wat u impliciet suggereerde: dit thema verdient een ruimer debat. Ik heb nog drie opmerkingen die ik wil verwoorden. Een: ik heb het woord ‘directief’ niet gebruikt. Ik wil me niet in de rol laten duwen van iemand die stelt dat er directieven moeten worden opgelegd. Ik vind wel dat de overheid de richting moet aangeven en overtuigingskracht moet aanwenden bij de afhandeling van het voorbereidingstraject. U hebt gelijk, minister: op een bepaald moment moeten alle neuzen in dezelfde richting staan. Ik wil u evenwel niet voorstellen om nu vanuit Brussel een zoneplan op te leggen, want dat zou de beste manier zijn om alles onwerkbaar te maken, dat zou zorgen voor langdurige discussies. Maar het is wel nodig dat u de richting aangeeft. We moeten vooruit. We kunnen niet blijven stilstaan.

Twee: wat de opvolging van het maatwerk betreft, moeten we een positieve houding aannemen. Er is wel informatie nodig over het natraject. Zo niet zullen we hier elke maand een discussie moeten voeren over de stand van zaken van dat natraject en van de actieplannen. Ik denk dat we een werkwijze moeten afspreken, voorzitter, die ons in staat moet stellen om systematisch te worden geïnformeerd.

Drie: we moeten stappen vooruitzetten op het vlak van het complexer wordend zorgproces in de eerstelijn, waarvan we vinden dat het kwaliteitsvol moet zijn en moet steunen op de samenwerking van de zorgverleners. De functie van de eerstelijnspsycholoog is een erg zichtbare en ook noodzakelijke factor om die stappen vooruit te kunnen zetten. Misschien moeten we op dat vlak onze Vlaamse bevoegdheden iets meer uitputten dan gewoonlijk, in afwachting van wat er op federaal niveau inzake de terugbetaling hopelijk zal worden ondernomen. We moeten vooruit. U zei het zelf: de nood is gigantisch. Iedereen erkent dat. Vlaanderen moet zelf stappen vooruit zetten.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.