U bent hier

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Het gaat over het zwembad het Dolfijntje, maar het gaat ook over meer dan dat. Het gaat over de invoering van de persoonsgebonden financiering en Het Dolfijntje is een voorbeeld van de vele zaken die momenteel mislopen. We kunnen blijven zeggen dat er kinderziektes zijn en dat het systeem op gang moet komen, maar er is in elk geval overal onduidelijkheid en zenuwachtigheid; men heeft overal het gevoel dat er besparingen zijn, dat er personeel verdwijnt enzovoort. De huidige situatie is zowel voor de gebruikers, de voorzieningen als de werknemers onhoudbaar aan het worden. De invoering van de persoonsgebonden financiering is, ik kan het niet anders zeggen, in de soep aan het draaien.

Het Dolfijntje is daar een voorbeeld van. Dat is jammer. Het is een zwembad voor kinderen en volwassenen die lijden aan hersenbeschadiging die ontstaan is voor, tijdens of kort na de geboorte. Het zwembadcomplex is geschikt voor dit specifieke doelpubliek. De temperatuur van het water is aangepast, er is een speciale lift enzovoort. Het Dolfijntje kan daarom voor fysieke en mentale verlichting zorgen. De mensen die er komen zijn tevreden. Het is een voorziening waar de mensen tevreden over zijn en waar zorg geleverd wordt die geapprecieerd wordt. Per week volgen er 300 à 350 personen met een beperking therapie, dat is toch al een stevig aantal. Het is een waardevol en vrijwel uniek project, er zijn geen twaalf andere dergelijke projecten in Vlaanderen.

Toch is Het Dolfijntje sinds zijn ontstaan in 1992 nooit erkend door de Vlaamse overheid, het was steeds roeien met de riemen die ze konden vinden. Momenteel zijn vier voltijdse equivalenten in Het Dolfijntje tewerkgesteld. Tot voor kort werden gesco-statuten ingezet. Vorig jaar werd Het Dolfijntje echter overgeheveld naar het VAPH. Daar schuilt het addertje onder het gras: artikel 2 van dit besluit stelt dat wanneer een werknemer van Het Dolfijntje wegvalt, die niet wordt vervangen. Dit is het afgelopen jaar ook gebeurd. Een werknemer is vertrokken en niet vervangen. Dit zorgt voor druk op de ketel en op de werknemers. De vrees bestaat dat de werking op termijn zal uitdoven omdat het personeel niet vervangen kan worden.

Minister, u verwijst naar de persoonsvolgende financiering (PVF) die alles gaat oplossen. Dat is het antwoord op zowat ieder dossier dat in de media komt. Maar we stellen vast dat er met de persoonsgebonden financiering evenveel onduidelijkheid is, zowel voor de gebruikers, de voorzieningen als de werknemers inzake de situatie en de context.

De vrees bestaat dat er minstens een forse prijsstijging komt om het personeel door te rekenen. Mensen zonder persoonsvolgend budget zullen die duurdere prijs moeten betalen. De vrees is ook dat de werking van heel de organisatie zal stoppen.

Waarom werd Het Dolfijntje tot op heden niet erkend? Op welke manier wordt de organisatie momenteel ondersteund bij het aanvragen van een erkenning zodat ze die ook kan krijgen? Hoe ziet u het voortbestaan van Het Dolfijntje indien ze niet worden erkend? Zult u dan middelen vrijmaken op een andere manier om de werking van een waardevol en uniek initiatief te kunnen garanderen?

Dit is de specifieke context van Het Dolfijntje, maar dit kadert binnen een breder probleem. Bij de persoonsgebonden financiering bestaat heel veel onduidelijkheid. We hebben – vorige week, denk ik – de situatie gehad van het collectief ontslag. Ik verneem dat u daarover in overleg bent, maar er zijn geen afspraken gemaakt tussen de vakbonden en de werkgevers over de transitie. Voor heel veel werknemers in de sector is het gewoon onduidelijk wat dat voor hen betekent. Nu duiken er contracten op waarin staat: ‘Zolang we voldoende punten hebben, mag u in dienst blijven; zijn die punten op, dan staat u onmiddellijk op straat’. Dat is vragen om sociale onrust en problemen. Dat is dus een probleem.

Voor de voorzieningen is er onduidelijkheid omdat er momenteel plaatsen leeg staan die ze niet kunnen invullen omdat de mensen op de wachtlijsten niet de juiste budgetten kregen toegewezen. Er staan plaatsen leeg omdat er onvoldoende doorstroming is, omdat het onduidelijk is.

Voor de gebruikers is er nog steeds de frustratie omdat er een enorme ongelijkheid blijft naargelang de instelling waarin men ingeschaald is. Men kan het geluk of de pech hebben in een goed- of slechtbetaalde voorziening te zitten en dus weinig of geen budget krijgen. Alle verschillende betrokkenen – de gebruikers, voorzieningen en werknemers – trekken massaal aan de alarmbel. Echt massaal. Mijn mailbox puilt uit – en het zal niet alleen de mijne zijn. Het Dolfijntje is een symbool, maar er zijn zoveel symbolen.

Minister, wat gaat u doen zodat het VAPH voldoende slagkracht heeft om die transitie aan te kunnen? Wat gaat u doen om te zorgen dat er voldoende informatie is? Wat gaat u doen zodat mensen de juiste informatie krijgen? Wat gaat u doen zodat mensen als ze bellen naar een klacht- of hulplijn de correcte informatie krijgen? Wat gaat u doen zodat iedereen weet wat hij doet? Wat gaat u doen zodat de transitie een succes kan worden in plaats van volledige chaos en onvrede?

Het schrijnende is dat u meer budget hebt dit jaar, meer dan 100 miljoen euro extra, er is eindelijk een keer budget om een uitbreiding te doen, en dan is er de transitie waar iedereen achter staat. De mensen steunen het idee van de persoonsvolgende financiering. Hoe het in het decreet staat, is niet hoe wij het zouden doen, maar er is een transitie met een breed draagvlak. De uitvoering zorgt er echter voor dat heel dat draagvlak smelt als sneeuw voor de zon en dat de transitie tot meer kwaad dan goed leidt. Minister, hoe zult u ervoor zorgen dat de transitie vanaf nu goed loopt?

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Voorzitter, minister, ter inleiding en aanvullend op de vraag van mevrouw Van den Brandt, het gaat over meer dan de twee voorbeelden die ik in mijn interpellatie zal aanhalen. We hebben reeds in het verleden – de problematiek die we aanraken, is niet nieuw – verschillende signalen gekregen dat er zich op het terrein toch een aantal nefaste ontwikkelingen dreigen voor te doen. Sinds de bekendmaking van de twee probleemgevallen in de media bereiken er ons nog signalen en sturen mensen ons nog meer mails om ons te wijzen op de problemen.

Het gaat dus niet over twee individuele gevallen die als het ware toevallig in dezelfde week boven water zijn gekomen. Er is mijns inziens wel degelijk iets meer aan de hand. Dat betekent dat we uiteraard proberen concreet in te gaan op de vraagstelling die zich stelt, maar dat we een aantal dingen in een ruimer perspectief moeten zien, met name hoe je er vandaag voor zorgt dat je in die sector in een complexe transitie die de persoonsvolgende financiering (PVF) is, een draagvlak houdt bij elk van de stakeholders.

Ik wil de minister in herinnering brengen dat we een aantal jaren geleden een uniek momentum hebben gezien waarbij voorzieningen, werknemers en gebruikers zich allemaal bereid hebben getoond om hun schouders te zetten onder de persoonsvolgende financiering en dat we vandaag signalen krijgen dat dat draagvlak erodeert. Dat stemt mij bijzonder zorgelijk. Voor alle duidelijkheid: ik wil vandaag niet het proces maken van de PVF ‘as such’. Het gaat mij over de manier waarop dit vandaag in de praktijk wordt omgezet in concrete daden, of het gebrek daaraan, en de problemen die dat met zich meebrengt. Minister, ik wil vandaag niets afkraken, ik wil vooral proberen te zoeken naar verbeteringen die we kunnen realiseren. Als we vandaag een paar stappen voorwaarts zouden zetten, denk ik dat heel wat mensen ons daarvoor erkentelijk zouden zijn.

Een van die mensen zal wellicht de heer Deferme zijn, die vorige week als oprichter en bezieler van Het Dolfijntje niet meer of niet minder dan een emotionele oproep gedaan heeft naar aanleiding van het risico dat dit uniek initiatief in Vlaanderen kan verdwijnen. Het is gestart vanuit een bijna persoonlijk engagement, als een privé-initiatief om kinderen met encefalopathie te helpen. Dit is dag na dag, gedurende 25 jaar uitgegroeid tot een therapeutisch zwembad voor mensen met een beperking, in Vlaanderen uniek in zijn soort. Tot 1 januari 2016 werd het gefinancierd vanuit het bevoegdheidsdomein Werk van minister Muyters, via de gesco-subsidiering. Gedurende al die tijd heeft men dat op die manier kunnen doen. Vervolgens werd de bevoegdheid in het kader van de zogenaamde regularisering van de gesco’s overgemaakt naar het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH). Blijkbaar heeft dat tot gevolg dat bestaande personeelsleden op het moment dat zij de voorziening verlaten, niet meer vervangen worden. Dat betekent in mensentaal dat de subsidiëring uitdovend is gemaakt. Ik vind dat een bijzonder zorgwekkend signaal naar een redelijk unieke werkvorm, kleinschalig en vernieuwend tegelijk. Dat betekent dat zonder bijkomende erkenning – het gaat over vier personeelsleden, we spreken hier niet over een massa mensen of een groot budget – je heel snel de kritische drempel bereikt waarop dingen niet meer mogelijk zijn en een werking integraal stilvalt. Dat lijkt mij een stap in de verkeerde richting te zijn.

Zoals reeds gezegd, is het geen alleenstaand geval. Nog andere initiatieven werden immers ook gefinancierd via die gesco-subsidies. In algemene zin dringt zich de vraag op naar de reële marge die nieuwe, kleinschalige en creatieve initiatieven zullen hebben binnen de PVF en hoe relevante werkvormen binnen het marktconcept dat daarin zit, kunnen worden gegarandeerd.

Ik maak het even heel concreet. De initiatiefnemer van Het Dolfijntje, de heer Deferme, zegt dat hij daarmee begonnen is met heel veel engagement. Hij heeft geen grote ‘boîte’ opgericht en men vraagt nu van hem om sociaal ondernemer te zijn. Hij zegt dat men van hem veel kan vragen, maar hij ziet zich dat niet doen. Het is heel gemakkelijk om vanuit Brussel te zeggen dat je sociaal ondernemer moet worden, maar misschien moet er ook wel eens worden gekeken naar manieren waarop dergelijke kleinschalige, vernieuwende initiatieven ook in de toekomst zullen kunnen. Dat is een vraag die we ons permanent moeten stellen omdat we in het andere geval de sclerose in een sector gaan binnenbrengen. Als we risico-avers dreigen te worden of niet de mogelijkheid bieden om goede ideeën tot wasdom te laten komen, dan blijven we de dingen doen ‘as is’. Dat is op lange termijn altijd een vervelende kwestie.

Minister, kent u nog andere initiatieven die een gelijkaardige problematiek als Het Dolfijntje kennen? Hebt u op een of andere manier een bevraging bij gelijkaardige initiatieven of initiatieven met een gelijklopende voorgeschiedenis georganiseerd? Waar willen jullie naartoe? Welkom bij mijn bevoegdheid. Welkom bij het VAPH. Hoe kunnen we hier samen een traject afleggen? Dat zou een interessante vraag zijn. Als u dat niet hebt gedaan, waarom niet? Werd op een of andere manier vooraf overleg georganiseerd? Als u dat niet hebt gedaan, waarom niet? Werd een andere communicatie gevoerd dan de loutere briefwisseling met de melding dat bestaande arbeidsplaatsen uitdovend worden? Ik leid uit de berichten in de pers af dat de communicatie van het VAPH uit een dergelijke brief bestond. Het lijkt me nogal koud en kil en vooral ontoereikend te zijn om mensen op weg te zetten naar een meer structurele verankering van dat soort van initiatieven. Dat zou toch de bedoeling moeten zijn geweest van het regulariseren van de gesco-statuten. Men komt eigenlijk van een nepstatuut. Het zou een goede gelegenheid moeten zijn om een aantal dingen te verankeren en te verduurzamen. Ik kan me niet voorstellen dat het de bedoeling is van een regularisering om een dergelijk initiatief uitdovend te maken.

Het is onduidelijk hoe dergelijke initiatieven zich vandaag moeten inschrijven in het verhaal van de persoonsvolgende financiering zoals dit door u wordt uitgevoerd. Gebruikers zullen immers een deel van hun cashbudget moeten vastleggen om ook in de toekomst de dienstverlening van Het Dolfijntje te kunnen genieten.

Alleen is uit eerdere besprekingen gebleken dat er op korte termijn weinig impulsen worden gegeven aan gebruikers om zelf creatief aan de slag te gaan met hun cashbudget. De budgetten blijven als het ware gefixeerd bij de historische aanbieders. Dit lijkt nefast voor nieuwe, kleinschalige en creatieve initiatieven zoals Het Dolfijntje en andere. Minister, hoe ervaart u deze problematiek? Welke concrete oplossingen ziet u om het verlies aan ervaring en werkingscapaciteit te vermijden? Stel dat dit initiatief zou stoppen, dan gaat er expertise verloren maar ook, economisch gezien, capaciteit. Omdat de vraag altijd groter is dan het aanbod, zal er elders druk en overbevraging ontstaan, meer nog dan vandaag het geval is.

Een dag later volgde dan de aankondiging van een collectief ontslag bij de vzw ADO Icarus, een zorgbedrijf voor mindervaliden dat gespecialiseerd is in de uitbouw van diensten voor zelfstandig wonen. Hier zouden 31,5 voltijdse banen worden geschrapt. Volgens een van de vakbonden is het collectief ontslag te wijten aan “de onduidelijke en vage manier waarop de persoonsvolgende financiering ingevoerd werd”.

Het is opmerkelijk dat in beide gevallen uitdrukkelijk verwezen wordt naar de manier waarop de PVF wordt ingevoerd om de problematiek van twee heel uiteenlopende initiatieven te duiden. Evenmin is er duidelijkheid over de manier waarop bestaande historisch opgebouwde verschillen zullen worden aangepast, laat staan dat hier een transparant budget voor ter beschikking is. We zitten nog altijd in de fase waar we al eerder voor gewaarschuwd hebben, namelijk dat initiatieven worden gedwongen zich te beroepen op vage pistes. Vage pistes staan natuurlijk ten opzichte van heel harde engagementen als het gaat over lonen uitbetalen, als het gaat over personeelscontracten, als het gaat over het al dan niet opbouwen van een sociaal passief.

Minister, wanneer mogen we resultaten verwachten van deze aanpak? Wanneer zal de taskforce die u hebt geactiveerd nieuwe meer accurate inhoud aanleveren zodat men zekerheid kan geven aan zowel personeelsleden als aan werkgevers?

Ik heb in de pers gelezen dat u zich verbaasd toont over de beslissing van de directie van ADO Icarus. Nochtans waren er reeds eerder in algemene zin en in vragen om uitleg in deze commissie en daarbuiten, signalen uit de sector dat de invoering van PVF zoals deze door de minister wordt gevoerd, aanleiding gaf tot ongerustheid in de sector.

Minister, hoe gaat u concreet om met deze signalen? Welke conclusies hebt u hieraan gekoppeld? Het is niet de eerste keer dat dit naar voren komt. Welke beleidsmaatregelen hebt u concreet genomen om verlies aan banen en aan opvangcapaciteit te vermijden in een sector die zich nog steeds kenmerkt door ellenlange wachtlijsten? Welke maatregelen en initiatieven zult u alsnog nemen?

De vraag dringt zich op hoeveel initiatieven zich in hetzelfde sukkelstraatje als Het Dolfijntje bevinden. Hoe schat u de impact in van de zogenaamde regularisatie van de gesco-subsidiëring? Hoe organiseert u de overgang naar PVF met de problematiek die ik net heb geschetst? Welke bijkomende initiatieven zult u op korte termijn nemen om de relevante ervaring en het broodnodige aanbod te garanderen?

Het is opvallend hoe op korte termijn twee vernieuwende en relatief kleinschalige initiatieven het slachtoffer dreigen te worden van het gevoerde beleid. Beide noodkreten duiden op ernstige tekorten in de manier waarop PVF wordt ingevoerd. Ik benadruk ‘in de manier waarop PVF wordt ingevoerd’. Dit leidt volgens mij tot de grote vraag hoe u uw beleid zult bijsturen.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega's, binnen de sector personen met een handicap zijn er op dit moment twee situaties gemeld waarbij er een weerslag is op de werkgelegenheid. Zoals de collega's hebben gezegd, is er ondertussen heel wat in beweging op het terrein. Ik heb er ook alle begrip voor dat het met heel wat vragen en onzekerheden gepaard gaat.

De concrete casussen waarover het hier gaat, zijn Het Dolfijntje, een organisatie die een aangepast zwembad uitbaat voor personen met een beperking. In het andere geval gaat het over ADO Icarus, een vergunde zorgaanbieder die ontslag van personeel in het vooruitzicht stelt omdat men een inkrimping van de capaciteit vreest.

Ik zou er graag eerst op willen wijzen dat het gaat om twee zeer verschillende situaties. Bij Het Dolfijntje is de afbouw van de personeelsbezetting een gevolg van het uitdovend karakter van het personeel in een gesco-statuut. Daarmee wordt het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2015 uitgevoerd waarbij een deel van de tewerkstelling in dit statuut uitdovend werd gemaakt. Het heeft op zich dus niets te maken met de invoering van de persoonsvolgende financiering. Het was de bedoeling dat de organisaties die gebruik maakten van gesco-statuten hun werking zouden bijsturen om deze tewerkstellingsvorm te kunnen compenseren. Wat Het Dolfijntje betreft, is dat tot nu toe niet gelukt.

Ik ben ervan overtuigd dat de opstart van de persoonsvolgende financiering voor Het Dolfijntje een opportuniteit is. De organisatie mag hoe dan ook een-op-een ondersteuning aanbieden, bijvoorbeeld individuele begeleiding bij zwemmen, maar ze kan ook een vergunning aanvragen als vergunde zorgaanbieder en dan kan ze zowel individuele als collectieve ondersteuning aanbieden en kan ze bovendien gesubsidieerd worden voor organisatiegebonden kosten.

We hebben de betrokken vzw dan ook aangeraden om zo snel mogelijk in die procedure ook een stap te zetten. Ik heb begrepen dat ze dat tot op heden nog niet hebben gedaan. We zijn uiteraard ten zeerste bereid om dat proces ook te ondersteunen.

Het Dolfijntje draait inderdaad op voormalige geco-medewerkers en vrijwilligers. Vóór de persoonsvolgende financiering werden voorzieningen erkend en gesubsidieerd volgens welbepaalde aanbodsvormen, die verwezen naar de ondersteuningsvormen in het kader van een zinvolle dagbesteding, een woonondersteuning of -begeleiding. Dat waren tehuizen, dagcentra, diensten voor begeleid wonen of thuisbegeleiding enzovoort. De werking van Het Dolfijntje paste in geen van deze types en kon op dat ogenblik dus ook niet voldoen aan de voorwaarden voor een erkenning. Het Dolfijntje heeft ter zake ook geen vraag gesteld, denk ik. Dat betekent dat er in de overstap naar de persoonsvolgende financiering ook geen automatische vergunning kon worden toegekend.

Binnen de persoonsvolgende financiering wordt het mogelijk om ook andere ondersteuningsvormen te honoreren. De regelgeving inzake vergunnen en besteden in het kader van de PVF biedt meer ruimte dan de vroegere aanbodsvormen. De vzw kan ervoor kiezen om te opereren als niet-vergund zorgaanbieder, maar dan moet haar aanbod het karakter hebben van een-op-eenondersteuning en heeft ze geen recht op organisatiegebonden middelen. Als vergund zorgaanbieder kan ze zowel collectief als individueel aanbod aanbieden en heeft ze recht op organisatiegebonden middelen boven op de zorggebonden middelen die personen met een handicap bij haar willen inzetten. De vzw dient daarvoor uiteraard een aanvraag te doen. Daarvoor moet natuurlijk inderdaad een onderbouwd dossier worden voorgelegd. Iedere organisatie die een aanvraag indient voor een vergunning als vergund zorgaanbieder, wordt door het VAPH actief uitgenodigd om het dossier te bespreken. Tijdens dat overleg worden de sterke en zwakke punten van het dossier overlopen en krijgt de organisatie de kans om bij te sturen. Echter, zoals gezegd heeft de betrokken organisatie daar tot op heden geen aanvraag voor gedaan.

Ondertussen heeft het kabinet een gesprek gehad met de verantwoordelijke en bezieler van het project. De afspraak is ondertussen daadwerkelijk gemaakt dat we de betrokkene zullen begeleiden bij het maken van een keuze en het opstellen van een dossier voor het VAPH. Daardoor kan de zaak wellicht ook op een structurele manier worden aangepakt. Ik ga er dus van uit dat er redelijk veel kans is dat er een vergunning kan worden verkregen. De inkomsten van de vzw zijn dan natuurlijk afhankelijk van de personen die bij haar aankloppen om er een deel van hun budget te besteden. Dat is een persoonlijke keuze. Logischerwijze moeten die inkomsten de kosten van het personeel dekken. Ook vandaag slaagt de organisatie erin om de andere kosten, die van het onderhoud van het zwembad, te halen uit de inkomsten van zwembeurten en andere inkomsten. Bovendien zal de overstap niet in één keer moeten gebeuren. De voormalige geco-tewerkstelling zal slechts stapsgewijs uitdoven. Daardoor kan de vzw ook nog personen ondersteunen die nog geen PVB toegekend hebben gekregen. Tegelijkertijd is het de bedoeling om de volgende jaren het basisondersteuningsbudget verder te verbreden. Dat betekent dat op termijn alle personen met een voldoende ernstige ondersteuningsnood een dergelijk budget kunnen verkrijgen. Ook dat budget kan natuurlijk door de persoon in kwestie worden besteed aan de ondersteuning door Het Dolfijntje. Ik ben ervan overtuigd dat, indien Het Dolfijntje deze kansen volop benut, er zich wel degelijk structurele oplossingen aandienen. We zullen die situatie natuurlijk volgen, zodat die waardevolle werking niet verloren gaat. Ondertussen is er, zoals ik al heb gezegd, overleg geweest met de betrokken initiatiefnemer, om toelichting te geven en te bekijken hoe we daarin kunnen ondersteunen.

Wat de andere geco-statuten betreft, het gaat om zeer verschillende situaties. Wat het VAPH betreft, gaat het over vier projecten die betoelaagd zijn en die inderdaad op lange termijn uitdovend zijn. De organisatoren moeten inderdaad dan ook bekijken hoe ze die werking kunnen inschuiven.

Wat de situatie van ADO Icarus betreft, gaat het om een beslissing van de raad van bestuur over de wijze waarop ze zullen omgaan met het cashbudget in de persoonsvolgende financiering. Inderdaad, in het kader van de persoonsvolgende financiering doen we daadwerkelijk een beroep op het sociaal ondernemerschap van de voorzieningen. Als sociaal ondernemer hebben ze heel wat keuzes te maken over de wijze waarop gebruikers de aangeboden diensten vergoeden. Uiteraard moeten ze daarover ook het gesprek voeren met hun cliënten of gebruikers. Uiteraard zullen we op korte termijn in gesprek gaan met de betrokken organisatie en met de vakbonden, om na te gaan hoe groot het probleem precies is en wat de exacte redenen zijn.

Ik moet daar toch een algemene bedenking bij maken. Ik ben het absoluut met u eens dat er op het terrein zeker heel wat vragen zijn. We moeten met het VAPH inderdaad op dit moment ook alle zeilen bijzetten om met betrekking tot heel wat van die vragen de juiste informatie te kunnen geven. We weten echter wel allemaal dat de invoering van de PVF consequenties heeft voor de organisatie van de zorg. Personen met een handicap gaan nu zelf keuzes maken. Ze kunnen ervoor kiezen om de huidige zorg te continueren. Dat recht op continuïteit en die waarborg zijn ook de inzet geweest van de omslag en de berekening van het omslaan van de budgetten van een aanbodgestuurde financiering naar een vraaggestuurde financiering. Men kan er dus ook voor kiezen om die zorg zelf of anders te organiseren. Men kan er inderdaad ook voor kiezen om naar een andere zorgaanbieder over te stappen.

Mijnheer Van Malderen, als ik u goed beluister, zegt u dat de budgetten aan de ene kant blijven vastzitten in de bestaande structuren en voorzieningen. Van twee dingen één: ofwel is men mobiel met zijn budgetten, maar dan heeft dat natuurlijk repercussies op het niveau van de organisatie, ofwel is dat niet zo. Ten gronde is er echter inderdaad gekozen voor een mechanisme, een systeem waarbij aan gebruikers de kans wordt gegeven om een aantal beslissingen daaromtrent zelf te nemen.

Ik heb begrepen over de situatie bij ADO Icarus dat in die organisatie de inschatting is gemaakt, wellicht in overleg met de gebruikers, dat een deel van de gebruikers het beschikbare budget, dat weliswaar constant is gebleven tussen 2016 en 2017, op een andere manier wensen te besteden, waardoor de organisatie zelf voor een aantal uitdagingen wordt geplaatst. Ik maak daar al maar een kleine voetnoot bij: indien de oorspronkelijke optie om nog een vereveningsoperatie te koppelen aan de introductie van die vraaggestuurde financiering daadwerkelijk zou hebben plaatsgevonden, dan zouden met name dit soort types van organisatie daar al veel vroeger een effect van hebben gezien. Dat is net een van de afwegingen geweest om ervoor te zorgen dat het budget op het niveau van de voorzieningen constant werd gehouden. Voor ons is dat een belangrijke keuze geweest om erover te waken dat er voldoende rechtszekerheid is, uiteraard ook in hoofde van de werknemers.

We zijn echter natuurlijk niet van plan om het fundamentele concept, namelijk het feit dat personen met een handicap zelf een keuzemogelijkheid krijgen bij het organiseren van die zorg, als dusdanig nu in vraag te stellen. Naar ik heb begrepen, doet u dat ook niet. Ik heb trouwens ook begrepen van die mensen, maar ze zullen ons dat uitleggen als ze ons kabinet bezoeken, dat er ondertussen ook ter plaatse heel wat contacten zijn om te zien of er geen alternatieven bestaan voor de procedure die ze op dit moment hebben gekozen en waarvan niemand, noch het VAPH, noch het kabinet, op voorhand op de hoogte was gesteld. Wat dat laatste betreft, hebt u de media correct geciteerd.

Onze ambitie en strategie bestaat er natuurlijk in om deze belangrijke transitie en omslag te koppelen aan een aantal randvoorwaarden en een aantal bijkomende initiatieven. Het belangrijkste bijkomende initiatief dat er mee voor moet zorgen dat de werkgelegenheid in de sector overeind en gegarandeerd blijft, is natuurlijk het feit dat er een ongelooflijke uitbreiding van het budget is, waardoor er in de sector van het volwassenenaanbod natuurlijk meer dan voldoende vragen van mensen met een persoonsvolgend budget zijn. Dat is natuurlijk een essentiële randvoorwaarde geweest om het systeem te kunnen invoeren. Nog nooit is er in één legislatuur zoveel geïnvesteerd in de sector, en dat gaat uiteraard vooral naar tewerkstelling.

Een tweede belangrijke randvoorwaarde, en dat is er een die uiteraard in deze omstandigheden zeer essentieel is, is dat alle beslissingen worden genomen en alle keuzes worden gemaakt in overleg met alle stakeholders. Die zijn daar van het eerste tot het laatste moment over geconsulteerd of bij betrokken. Er is niet altijd tijd en ruimte geweest om maanden over een aantal zaken te spreken, maar ik kan u echt wel zeggen dat de hele opbouw van het systeem is gebeurd in overleg met alle stakeholders.

Uiteraard is het op dit moment belangrijk, en dat is meteen ook wat we op zeer korte termijn ook verder gaan activeren, dat die taskforce zijn werkzaamheden zo snel mogelijk omzet in operationele voorstellen. U weet dat het besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot een zorggarantie zeven dagen op zeven ondertussen definitief is geworden. Daar worden straks ook nog vragen over gesteld. U weet dat in datzelfde besluit ook het kortverblijf, de toegang voor personen met een trap 2-budget en het respect voor de draagkracht van de mantelzorgers worden geregeld. U weet ook dat met dat besluit het recht om te allen tijde een inschaling in het nieuwe systeem te vragen van iemand die op dit moment historisch gegroeide ondersteuning krijgt, ook een reglementaire basis heeft gekregen. Daarmee zijn dus een aantal belangrijke signalen van het terrein in een regelgevend initiatief omgezet, en kan een en ander inderdaad dus operationeel worden.

Vanuit het oogpunt van het sociaal overleg, van de betrokkenheid van werkgevers en werknemers bij de transitie, is het echter absoluut belangrijk om te monitoren welke bewegingen er op het terrein bezig zijn. Het verhaal van ADO Icarus leert ons trouwens dat we dat het best centraal intensief mee gaan opvolgen, zodat we dit soort bewegingen ook heel goed kunnen inschatten. Dat zullen we ook met werkgevers- en werknemersorganisaties doen. We zullen deze week ook nog overleg hebben met de koepels en de bijstandsorganisaties. Het lijkt me immers belangrijk dat we daarbij de goede afspraken en de goede samenwerking bevestigen, maar ook heel klaar zijn over de wederzijdse verwachtingen, zodat iedereen daar ook goed over kan communiceren ten overstaan van de achterban. Ik zal er in het overleg met werkgevers en werknemers ook voor pleiten dat er een collectief engagement komt om op het vlak van werkgelegenheid maximale inspanningen te doen. We zullen ook bekijken hoe we het matchen kunnen faciliteren tussen een plaats die vrijkomt en een mogelijke kandidaat. Dat is natuurlijk geen eenvoudig gegeven, want je moet uiteraard recht doen aan de privacy van de betrokkene. We zijn druk bezig met het bekijken wat we ter zake kunnen doen, en dat, nogmaals, in overleg met alle stakeholders die daarin een zeg moeten hebben. Wat de ongelijke financiering betreft, u weet dat de taskforce de expliciete opdracht heeft om te bekijken welke correcties er nog mogelijk zijn op het niveau van de voorzieningen.

Ten slotte is er het punt van de personeelsnormen. U weet dat we aan de sociale partners hebben aangeboden te bekijken op welke manier er een draagvlak kan ontstaan om een aantal kwaliteitsnormen, die natuurlijk ook iets zeggen over de personeelsbezetting, tot stand te brengen. Dat gesprek is bezig. Ter zake is er ook externe expertise gevraagd. We hebben aan het VAPH gevraagd te bekijken hoe we op dat vlak op korte termijn toch een aantal concrete voorstellen kunnen doen.

Op die manier proberen we nu zorgvuldig te luisteren en te bekijken hoe we stap voor stap antwoorden kunnen geven op de vragen die rijzen. Voor mij moet er veel worden geïnvesteerd in het collectief overleg tussen de stakeholders op het niveau van de sector. Dat lijkt me de enige weg om te monitoren en om te kunnen reageren op een aantal zaken. Op de eerste elementen die zich aandienden, hebben we reglementair al een aantal antwoorden gegeven, denk ik. Het is alleszins mijn intentie om die aanpak voort te zetten. Dat zal uiteraard zeer intensief moeten gebeuren, want uw analyse, met de signalen dat dit enorme gegeven, dat toch wel revolutionair is, op het terrein de nodige vragen oproept, is natuurlijk correct. Daar kunnen we alleen maar op een goede manier mee omgaan door te proberen te overleggen, door mensen bijeen te brengen en gaandeweg de obstakels weg te werken, en door daar, indien mogelijk, ook de nodige waarborgen voor te geven.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Ik begin met twee particuliere zaken, om dan iets algemenere conclusies te trekken. Ik begin met Het Dolfijntje omdat het zo’n mooi voorbeeld is van hoe goede principes in de praktijk niet werken.

De gesco-statuten zijn uitdovend. Ik heb u niet horen zeggen dat Het Dolfijntje geen goed werk levert of dat de werking moet worden bijgestuurd, dus ga ik ervan uit dat u impliciet erkent dat dit een positief project is dat de Vlaamse Regering wil blijven ondersteunen. Dat is op zich goed. Maar dat dooft dus uit.

Toen kregen we een hele uitleg over de organisatie, en dat is niet alleen binnen uw bevoegdheid. We zien dit binnen alle bevoegdheidsdomeinen: zo’n kleine vzw probeert met de beste wil van de wereld een goede werking op poten te zetten en krijgt de boodschap hoe zij zich aan het hele kluwen moeten aanpassen en conformeren. Dit gebeurt systematisch: organisaties die goed werk leveren, moeten zich aanpassen aan het systeem en dat systeem is hopeloos complex en zij moeten dat dan maar snappen en zij moeten een manier vinden. Pas als ze in de krant staan en op het kabinet mogen komen, worden ze op de juiste manier begeleid om dat goed te doen. Dat is niet alleen bij u, vorige week had ik met minister Gatz dezelfde logica van debat. We moeten als overheid veel proactiever optreden en veel ondersteunender, in plaats van ervan uit te gaan dat iedereen zich wel zal aanpassen aan het systeem.

U ziet de oplossing in de PVF. Ik heb daar vragen bij, want ik zie die oplossing niet zo. Wat is er gebeurd? Vandaag hebben alle mensen die in een voorziening zijn, een budget toegekend gekregen in functie van de zorg die zij momenteel in die voorziening gebruiken. Dus als zij die zorg willen voortzetten, wat heel realistisch is, dan is dat budget op aan die voorziening. Dan hebben ze geen extra budget om naar Het Dolfijntje te gaan. Dat komt daar bovenop, en daar hebben ze geen budget voor. U zegt dat de PVF dat gaat regelen, maar dat budget is al op als de mensen hun huidige zorg voortzetten.

Dan zijn er heel veel gebruikers van Het Dolfijntje die momenteel geen persoonsvolgend budget krijgen en daar geen perspectief op hebben. Ook zij vallen uit de boot, en dus zullen beide groepen geconfronteerd worden met een verhoogde dagprijs die ze moeten betalen met een PVF dat ze niet hebben of op is aan iets anders. Ik begrijp niet hoe voor deze situatie de PVF concreet een oplossing kan zijn. Misschien kunt u dat nog eens in detail toelichten.

De enige groep waar een oplossing voor kan bestaan, zijn de mensen die nu recent een persoonsvolgend budget hebben toegewezen gekregen. Zij kunnen kiezen om een deel aan zorg te besteden en een deel aan Het Dolfijntje. Dat geldt enkel voor die doelgroep die nu in deze uitbreidingsronde aan bod komt, dat is mogelijkerwijs een oplossing, maar het doelpubliek van Het Dolfijntje is veel ruimer.

Er was er sprake van collectief ontslag. Ik wil het niet alleen over de vzw Icarus hebben, maar ruimer. U bent op zoek naar kwaliteits- en personeelsnormen. Dat moet worden bekeken met de sociale partners, en er moeten een aantal voorstellen komen. Dat klopt. Maar waarom stellen we dit nu vast? Hoe kan dit terwijl de PVF al drie maanden in uitvoering is? Dat systeem is tijdens de vorige legislatuur beslist en in gang gezet. We wisten dat dit eraan kwam. We wisten dat die transitie eraan kwam. Sindsdien zijn volgens mijn informatie de vakbonden aan de alarmbel aan het trekken. Ze wijzen op de impact op het personeel. Hoe kan het dat in heel die periode de afspraken nog niet gemaakt zijn? Hoe kan het dat we nu moeten vaststellen dat er een collectief ontslag dreigt?

Twee weken geleden werd de wet-Renault nog gevierd. Die moet worden toegepast in de sociale sector, wat ongezien is. Pas dan zegt men: misschien moeten we eens rond de tafel gaan zitten en een aantal normen afspreken. Waarom is er zoveel tijd voor nodig geweest? Waarom zijn die afspraken nog niet gemaakt?

Inderdaad, we weten dat dat een impact heeft. Als we mensen een budget geven, en ze kunnen zomaar weggaan uit een voorziening, wat hun recht is, wat een goede zaak is als ze daar niet op hun plek zitten, dan moeten ze ergens anders terechtkunnen. Maar dat heeft een impact op het personeel. Die kunnen misschien bij een andere organisatie aan het werk, maar dat is geen een-op-eenrelatie. Dus er moeten afspraken worden gemaakt rond werkbaarheid en transitiemogelijkheden, als we willen vermijden dat heel die sector wordt opgevuld met tijdelijke contracten. Dat zou een enorme impact hebben op de kwaliteit van de zorg. Het is goed dat er nu oplossingen worden gezocht, maar wat is er in tussentijd gebeurd? Hoe komt het dat er in het verleden niets gebeurd is om dit voor te bereiden? U kunt niet naar een andere minister wijzen, want u hebt dit zelf ingevoerd en bent dit nu aan het uitvoeren, dus dit was een te voorspellen probleem.

Hetzelfde geldt enigszins ook voor de +40 en de -40. U zegt dat u dat niet anders kon doen. De oppositie heeft daar vrij veel begrip voor, we geven u de ruimte, tegen de zomer verwachten we voorstellen. We kunnen deze vragen wel blijven stellen, we zien niet echt licht aan het einde van de tunnel. Het nadert wel. Dat wordt dan naar de taskforce verschoven en die moet dan maar met oplossingen komen. Maar de realiteit is wel dat er politieke beslissingen moeten vallen. Ofwel zal er op een manier financieel moeten worden gecompenseerd, ofwel zal er iets moeten worden uitgevonden. Gewoon hopen dat een taskforce dat probleem oplost zonder dat er reële handvatten of middelen worden toegekend, lijkt mij een beetje politiek onhaalbaar. Er moet iets op tafel komen om mee te werken, anders kan die taskforce geen oplossing brengen.

U zegt dat alles in overleg gebeurt met alle stakeholders, dat u altijd over alles hebt overlegd. Dat is waar. Maar dat wil niet zeggen dat iedereen altijd met alles akkoord gaat. Volgens u is iedereen op de hoogte en mee, en bij de krantenkoppen viel u totaal uit de lucht. Mijn mailbox zit vol met mails van voorzieningen die niet weten waaraan en waaraf. Ze moeten allemaal sociaal ondernemer worden, maar ze weten niet welk budget ze dit jaar hebben, en het is maart. Ze kennen hun budget op middellange termijn niet. Het kan dan wel gemakkelijk zijn om sociaal ondernemer te zijn, maar als men niet een aantal contouren heeft, wordt het enorm moeilijk. Ik vind deze invoering, de manier waarop u alles naar de sector schuift, te gemakkelijk. U moet een aantal handvatten aanreiken.

U hebt een aantal nieuwe dingen doorgevoerd. Dat is positief, dat wil ik ook zeggen. 7/7 is nu mogelijk, ik ben blij dat het uitvoeringsbesluit er is. Het is positief dat kortverblijf nu mogelijk is. Het is positief dat die zaken er zijn. Ook dat de inschaling mogelijk is voor mensen die ervoor kiezen om uit het systeem te stappen, maar de mensen weten dit niet. Dit is nog niet gecommuniceerd. U moet nog een enorme communicatie-operatie uitvoeren om aan de mensen hun rechten duidelijk te maken. U kunt wel die rechten toekennen in de regering, maar als mensen niet weten welke rechten ze hebben omdat ze in het verleden een andere brief hebben gekregen, dan zullen ze die rechten niet uitputten. Ik ga er niet van uit dat u zo cynisch bent om te zeggen: ‘Dat is dan handig’. Ik ben er absoluut van overtuigd dat u dat niet denkt, maar als u de communicatie niet gaat voeren, dan gaan ze hun rechten niet kunnen gebruiken. Kunt u die communicatie versterken?

U wilt gaan kijken naar de matchen. Dat is positief, en dat is nodig. Ook daar wisten we dat dit ging komen. We wisten dat er een issue ging zijn tussen het matchen van mensen en de voorziening. Nu pas gaat u dat bekijken. Dat is de typische stijl-Dehaene: de problemen aanpakken als ze zich stellen. Maar een aantal van die problemen waren heel voorspelbaar en hadden al veel eerder kunnen worden opgelost. Ik hoop dat er effectief oplossingen komen, maar dat betekent dat vandaag voorzieningen het volgende zeggen: ‘Kijk, we hebben twee plaatsen open, want er zijn helaas twee mensen overleden, maar we hebben niemand om die plaatsen in te vullen’. En intussen staan er keiveel mensen op de wachtlijst, maar omdat het systeem stropt, omdat er een flessenhals is, staan er plaatsen leeg, wat betekent dat er personeel wordt opgezegd, waardoor er expertise verloren gaat.

Het is zo frustrerend om dit vast te stellen, op het moment dat men nog steeds met wachtlijsten zit van meer dan 14.000 mensen. Tegelijk zien we lege plaatsen, ontslagen en onrust. Terwijl, ik herhaal het, dit systeem gedragen is. De mensen wilden deze transitie. Politiek waren meerderheid en oppositie ervoor te vinden, maar niet op de manier waarop het nu gebeurt. Er moet meer houvast zijn, meer kaders. Met een beter bestuur, een beter beleid was deze transitie een veel groter succes geweest.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik wil beginnen met een eenvoudige stelling. Het komt pijnlijk en irreëel over als men met wachtlijsten en tekorten zoals deze te maken krijgt met collectieve ontslagen en voorzieningen die dreigen te stoppen. Dat is gewoon iets waar we met ons allen bijzonder ongerust over zouden moeten zijn en structurele antwoorden op zouden moeten bieden. We moeten ons een heel helder target stellen: zorggarantie, zorg op maat realiseren zonder daarbij capaciteit te verliezen, zonder waardevolle personeelsleden en initiatieven verloren te moeten zien gaan, dat zou ook een helder doel zijn.

Ik heb dat te weinig gehoord in uw antwoord. Ik heb een aantal positieve zaken gehoord, maar zo’n helder statement van ‘daar gaan we voor’ en een geruststellend signaal naar de sector, daar zit ik nog op te wachten. Misschien komt dat nog, ik nodig u uit om dat te doen. Ik vind het even pijnlijk en irreëel en absurd dat we in het kader van de regularisering van een nepstatuut, het gesco-statuut, nu gaan bevestigen dat vier plaatsen – dat hebt u in uw antwoord wel gedaan – minstens vier plaatsen in een project uitdovend zijn.

U hebt dat uitdovend karakter hier bevestigd. U zegt dat er opportuniteiten zijn in de PVF maar dat men die tot nu toe niet heeft benut. U kunt natuurlijk ook de vraag stellen of de drempel niet te hoog was om die opportuniteiten te benutten. Zijn we uitnodigend genoeg geweest om in dat verhaal te stappen? Ik ben blij te vernemen dat er ondertussen contact is met die voorziening en dat u zegt dat u die gaat begeleiden. Dat is een welgekomen vorm van hulp. Ik denk dat dat voor dat initiatief mogelijk een oplossing zou kunnen bieden. Ik zal daar straks nog een aantal randopmerkingen over geven.

Maar u hebt geen antwoord gegeven op mijn vraag hoeveel er nog in het sukkelstraatje van die regularisering zitten, hoeveel jobs er nog op de helling staan en hoeveel voorzieningen hier nog dreigen te kantelen. Mogen ook zij op dezelfde warme hand van de minister rekenen? Ik weet niet hoe druk het zou kunnen worden op uw kabinet als u elk van die initiatieven zult gaan begeleiden. Ik vind het goed dat er een oplossing komt voor die ene, ik wil daar absoluut niet cynisch over doen, maar ik wil wel de zekerheid hebben dat we hier op het niveau van de sector een stap voorwaarts kunnen zetten. Dat is ook het voorwerp van een interpellatie. Dus blijft mijn vraag: hoe zit het met de anderen? Over hoeveel gaat dat? Hoe schat u dat in? Welke contacten legt u daar? Hoe structureel zijn die contacten? Ik begrijp dat u dat nu pas doet voor Het Dolfijntje. Waarom is dat niet eerder gebeurd in een algemene benadering om dat soort van kleinschalige voorzieningen ook in de toekomst een plek te geven? Het zijn initiatieven waar iedereen achter staat. Ik heb hier alleen nog maar steun over gehoord.

U antwoordt dat u weet hebt van twee problemen. Ik vind dat eerlijk gezegd een raar antwoord. Ik vraag me af hoe dan in mijn mailbox en blijkbaar ook in die van mevrouw Van den Brandt en nog wel een aantal andere mensen maar ook in de pers, nu al weken aan een stuk berichten komen van de grootste koepel dat er een probleem is. Hoe komt het dat individuele voorzieningen ons aanschrijven, dat bijstandsorganisaties ons wijzen op allerhande pijnpunten in de manier waarop vandaag de PVF wordt ingevoerd? Minister, als zij de weg naar ons vinden, dan vraag ik me af waarom men dan blijkbaar de weg naar u niet vindt en hoe u anders kunt volhouden dat het maar over twee probleemgevallen gaat? Ik denk dat het toch wel iets ruimer is. Ik denk dat we een structurele aanpak nodig hebben.

Dat brengt me tot een aantal pijnpunten. U zegt dat u intrinsiek mogelijkheden ziet in PVF om initiatieven zoals Het Dolfijntje in de toekomst mogelijk te houden. Ze kunnen een-op-eenbegeleiding aanbieden maar ze kunnen geen organisatiesubsidies en ondersteuning krijgen. Dat brengt mij tot een aantal fundamentele problemen.

Eerst en vooral is er het gebrek aan mobiliteit dat vandaag bestaat als gevolg van de manier waarop de PVF is ingevuld. Mevrouw Van den Brandt heeft het daar al over gehad. Men is in de praktijk heel hard gefixeerd. Dat betekent in de praktijk dat heel veel mensen hun budget niet zullen kunnen inzetten of geen budget meer over hebben om een initiatief als Het Dolfijntje in een een-op-een te betalen. Die impuls ontbreekt daar.

Kijk ook eens naar de doelgroep. Minderjarigen zijn uitgesloten van de scope van uw invoering van PVF. Wordt er dan aan de deur van Het Dolfijntje in twee ingangen voorzien? We hebben dat al eens in de kinderopvang gezien. Een ingang voor minderjarigen en een voor meerderjarigen. De enen moeten dan een deel van hun cashbudget aanwenden. Maar wat gaan we met de anderen doen, wetende dat als er van die vier personeelsleden – het gaat niet over vierhonderd, niet over veertig maar over vier – een paar uitdoven, het wel gewoon gedaan is? Het lijkt me dat we daar toch oplossingen zouden moeten kunnen voor vinden. Men moet het toch wel zien in een context waar de druk gigantisch is. U zet in op PAB, met een budget dat net genoeg is om de aanwas van elk jaar te ondervangen. Wij krijgen evengoed de berichten binnen dat in een stad als Antwerpen tientallen kinderen gewoon thuis zitten die mogelijk door initiatieven als dit zouden kunnen worden geholpen maar waar vandaag het budget niet voor voorhanden is.

Ik vind het opmerkelijk dat u zelf hebt verwezen naar het basisondersteuningsbudget. Hoeveel keer kun je 300 euro uitgeven? Wat kun je doen met 300 euro en hoe kun je een personeelslid in een een-op-eenrelatie betalen met een basisondersteuningsbudget? Ik vind dat allemaal een beetje raar.

Dat brengt mij ertoe dat we actie nodig hebben op de zeer korte termijn. Ik zeg niet dat u dat niet doet. Ik vraag u alleen om dat concreter te maken en een heel helder, duidelijk signaal naar de sector te geven, bijvoorbeeld door die taskforce van u een deadline op te leggen en te zeggen: ‘Tegen die dag komen we met een antwoord.’ Of het nu terecht is of niet, maar bij heel wat voorzieningen leeft die ongerustheid die mogelijk aanleiding geeft tot verhalen zoals bij ADO Icarus, waar men wegens de onzekerheid ziet dat er een sociaal passief dreigt en men al een aantal mensen in opzeg gaat zetten. Dan begint men alternatieven te zoeken. Dat is positief, maar waarom hebben we dat niet proactief gedaan? Ik neem met genoegen akte van het feit dat u zegt dat net zoals bij Het Dolfijntje men bij Icarus nieuwe pistes aan het onderzoeken is. Waarom is dat niet deels proactief gedaan?

U zegt dat u gaat inzetten op centraal en intensief overleg. Goed, dat betekent dat er blijkbaar lessen zijn getrokken. ‘At last’ wordt daar dan op ingezet, want wat in het verleden gebeurd is, is blijkbaar niet voldoende. U zult daar een stap hoger moeten zetten. Ik wil u meegeven dat het volgens mij niet alleen over communicatie gaat, het gaat ook over zaken die mensen aanbrengen. Het gaat niet alleen over het feit dat we moeten samenkomen en praten, neen, het gaat over problemen die men aanbrengt, ernstig nemen. Sommigen zijn structureel en sommigen in detail. U zult de beide nodig hebben om stappen voorwaarts te zetten.

Ik roep u echt wel op om een helder signaal te geven en een heldere target te zetten: ‘Tegen datum X gaan we ervoor zorgen dat we met concrete oplossingen komen en we gaan ervoor zorgen dat in die sector geen capaciteit verloren gaat, geen knowhow verloren gaat, dat er mobiliteit wordt gegarandeerd en dat we effectief het draagvlak in die sector opbouwen om ervoor te zorgen – daar ben ik mee begonnen – dat we een PVF echt kunnen invoeren en dat we vraaggestuurde zorg op maat echt kunnen aanbieden.’

Dat is mijn bekommernis. Ik ben begonnen met te zeggen dat ik niets wil afkraken, maar dat ik verbeteringen wil. Ik zie er een aantal, maar er ontbreken een aantal stappen om te kunnen zeggen dat dat vertrouwen zal kunnen worden hersteld.

Mevrouw van der Vloet heeft het woord

Ik wil eerst even ingaan op Het Dolfijntje en ik zou willen vragen dat niet alles op een hoop wordt gegooid. We hebben langs de ene kant het gesco-verhaal. Het is al een tijdje afgeschaft. Waarom komt dat nu pas naar boven? Omdat een personeelslid het contract opzegt omwille van een andere job. Nu heeft men ontdekt dat het een uitdovend beleid is. Had men daar al vroeger over kunnen nadenken? Ja, dat denk ik wel. Stel dat een van de vier of meerdere personeelsleden een andere job nemen, dan had men zelf ook al kunnen nadenken over wat men daarna zou doen.

Langs de andere kant wordt nu van alles de schuld gegeven aan de persoonsvolgende financiering. Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Ik heb ook eens naar de mensen van Het Dolfijntje gebeld. Als ik goed luister, dan zitten we daar niet alleen met volwassen mensen met een beperking, maar is er ook een groep minderjarigen, er is ook de groep van bejaarde mensen van het zorgcentrum die daar komen zwemmen en er komen ook mensen met een chronischevermoeidheidssyndroom zwemmen. Is dat allemaal de schuld van de PVF? Volgens mij is dat totaal niet waar.

Minister, u zegt dat ze voor een erkenning kunnen gaan, maar volgens mij is dat moeilijk omdat er net al die verschillende doelgroepen zijn. Het is een heel mooi initiatief, dat verder moet worden ondersteund, maar misschien kan dat ook wel met de een-op-eencontracten, zonder al die rompslomp. Ik versta dat als men het zwembad 25 jaar lang zo heeft uitgebaat, men al dat papierwerk nu moeilijk vindt – de aanvraag is nog niet binnen. Is het echt nodig dat zij een erkenning krijgen? Minister, hoe zult u dat dan doen? Zij werken immers met verschillende doelgroepen. De mogelijkheid van de een-op-eencontracten is een mogelijkheid voor de meerderjarigen. Minister, hoe ziet u dan een oplossing voor de minderjarigen die geen budget hebben? En wat met de andere doelgroepen? Het is volgens mij een en-enverhaal.

Het zorgbudget hangt vast aan de voorziening. Ik vraag me soms ook af of dit moet worden betaald uit het zorgbudget. Er komen ook mensen zwemmen met begeleiding van hun voorziening. Het personeel uit die voorziening wordt betaald uit het zorgbudget, maar kan het zwemmen op zich, aanzien als vrije tijd, niet worden betaald uit hun vervangingsinkomen of integratietegemoetkoming? Ik weet het niet, maar misschien moet u die vraag ook meenemen, minister. De voorziening wordt al betaald, maar uit welk budget ga je dan de begeleiding naar het zwembad betalen? Dat zijn toch wel vragen die in mij opkwamen. Het een-op-eenverhaal is heel belangrijk en misschien moeten we eens nagaan of een assistent meerdere een-op-eencontracten op hetzelfde moment kan hebben zodat een vergunning met heel veel rompslomp niet echt nodig is. Het zwembad heeft al 25 jaar geen erkenning. Het zou voor die mensen inderdaad een hele boterham zijn om plots een erkenning te moeten aanvragen en om aan al die regels te voldoen. Mijn vraag is dan vooral hoe we dat oplossen voor die verschillende doelgroepen. Het gaat immers niet enkel over de meerderjarige personen met een beperking.

Het is ook heel belangrijk dat Het Dolfijntje als sociale ondernemer nagaat hoe het zwembad rendabel kan worden gemaakt. De prijzen zijn nu 2 euro per persoon als men in groep komt zwemmen of 7 euro met begeleiding of 4 euro zonder begeleiding. Dat zijn natuurlijk vrij lage prijzen, maar misschien moeten we ons afvragen of dit wel realistische prijzen zijn voor zo'n mooi therapeutisch zwembad, dat inderdaad heel uniek is en waar heel veel wordt aangeboden. Een gewone zwembeurt kost vaak al meer dan 2 of 4 euro.

Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat de mensen de regie in eigen handen mogen nemen en dat het hen vrij staat hun zorg in te kopen waar ze willen. Voor een dienst is het belangrijk om na te gaan wat de vragen van hun cliënten zijn en hoe men daar zal op inspelen. Het is een groot werk voor de directie, de vakbonden en de mensen die er werken om na te gaan hoe men het best vraaggestuurd kan werken.

De minister heeft het ook al gezegd: er verdwijnt geen geld uit die sector. Het budget blijft in de sector. Men kan het wel anders instellen, en dan verschuiven ofwel de jobs ofwel zal een dienst zoals ADO Icarus zich moeten aanpassen aan de vraag die men stelt.

Minister, ik heb nog wel een vraag over matching. Veel initiatieven stellen zich de vraag waar ze de mensen met een budget vinden. Ik heb hierover al een schriftelijke vraag ingediend maar nog geen antwoord gekregen. Het VAPH heeft in december hier gezegd dat er een nieuwe website komt met heel wat aanbod van alle vergunde en eventueel niet- vergunde zorgaanbieders. Is het ook geen mogelijkheid dat de aanbieders aan hun website linken hoeveel plaatsen men vrij heeft of wat de doelgroep is enzovoort? Wat privacy betreft, is dit makkelijker dan door te geven aan de voorzieningen welke de mensen met een budget zijn, want dit lijkt me niet helemaal correct. Het lijkt me perfect mogelijk om op de website van het VAPH het aanbod van alle voorzieningen kenbaar te maken.

Ik heb nog een bijkomende vraag, maar ik weet niet of u zo uit het hoofd kunt antwoorden. Hoeveel budgetten zijn er dit jaar al extra gegeven? Er zijn mensen die gestorven zijn en van wie het budget de maand daarop dus weg is. Het is dan belangrijk dat het uitbreidingsbeleid wordt ingevoerd. De vraag is hoeveel budgetten er dan zijn gegeven, want zonder nieuwe budgetten kunnen er natuurlijk moeilijk nieuwe mensen instromen.

Ik heb communicatie al heel vaak aangehaald. Ik ben ervan overtuigd dat in het geval van Het Dolfijntje het zoeken naar informatie voor velen nog te moeilijk is. Er moet een duidelijke hulplijn zijn waar men terecht kan en waar de communicatie heel duidelijk is. Ik heb het al meermaals gezegd dat men altijd een tandje bij kan steken, en ik denk dat dat hier evengoed zo is.

Mevrouw Jans heeft het woord.

Ik denk dat na het betoog van collega van der Vloet het dossier van Het Dolfijntje in een correcter daglicht is gesteld. Het spreekt voor zich, denk ik, dat iedereen die dit hoorde, dacht dat dit niet mag gebeuren. Het is het verhaal van de geco-afbouw. Minister, ik heb begrepen dat er mogelijkheden zijn en dat samen met de initiatiefnemer en het kabinet zal worden nagegaan wat kan en wat zou kunnen passen. Dat is al enigszins geruststellend.

Wat ADO Icarus betreft, dat was natuurlijk ook schrikken. Ik zie dat het nog steeds een hoofdpunt is op hun website. Ze waren ook heel snel met te communiceren dat het toch niet zou gebeuren. Men heeft ook met de personeelsleden gecommuniceerd. Men heeft zelfs tv-interviews gedaan. Maar aan de andere kant, de vrees van de vakbonden was dat een deel van de gebruikers zijn zorg anders zou gaan organiseren. Dat was eigenlijk het probleem. Dat was wat men als probleem zag, maar dat is natuurlijk wel waar het over gaat. Ik vind dat vrij fundamenteel in dit hele verhaal.

Ik heb dan ook met stijgende verbazing geluisterd naar de twee collega’s die plots een heel groot onderscheid maken tussen enerzijds de filosofie van de persoonsvolgende financiering en anderzijds de praktijk van de persoonsvolgende financiering. Mijnheer Van Malderen, u stelt zich in uw interpellatie de vraag, en ik citeer: “In algemene zin stelt zich de vraag naar de reële marge die nieuwe, kleinschalige en creatieve initiatieven zullen hebben binnen PVF.” Ik denk dan: dat kan toch niet dat u van de ene op de andere dag gaat beslissen dat PVF opeens innovatie in de weg staat, daar waar we jarenlang hebben gepleit voor het systeem van een persoonsvolgend budget, net om de mensen met een handicap meer regie te geven, meer sturing te geven, meer garantie te geven? Ik vind het ook heel vreemd dat we nu opeens allerlei vragen en interpellaties krijgen, dat we de minister gaan confronteren met de consequenties van het beleid waar we altijd – en dat is het nadeel als je al enkele legislaturen hier bent – enorm voor hebben gepleit.

Mevrouw Van den Brandt, ik heb daarnet uw pleidooi gehoord waarin u zei dat er onzekerheid is in de voorzieningen omdat we de mensen gaan financieren in plaats van de voorzieningen. Ik hoop dat Mieke Vogels niet heeft meegekeken, want het gaat niet goed zijn voor haar hart. Enkele jaren geleden zei ik al dat we moeten oppassen omdat dit een ongelooflijke weerslag zou hebben. Zorg op maat heeft natuurlijk consequenties voor hen die de zorg leveren, voor voorzieningen, voor erkende organisaties enzovoort. Dat is natuurlijk het punt. Als we het zwaartepunt van de financiering van de ondersteuning bij de personen met een handicap leggen – we hebben besloten om dat te doen en iedereen wou dat ook doen en minister Vandeurzen heeft dat dan ook gedaan –, dan moeten we er ook de consequenties van aanvaarden. 

Dus ik vind het dan toch wel een beetje een switch. Dan zegt u: welk geruststellend signaal gaat u geven aan de sector? 117 miljoen euro extra bijvoorbeeld, zodat we bij de eerste stappen in deze ongelooflijk grote omwenteling ervoor kunnen zorgen dat de grootste drama’s in die personeelsverschuivingen kunnen worden vermeden. Dat lijkt tot op heden te lukken. Maar ik maak me geen enkele begoocheling. Hoezeer ik ook schrik, als je dat leest van ADO Icarus of Het Dolfijntje of nog andere, dit gaan niet de laatste voorzieningen zijn waarbij men gaat vaststellen dat de gebruikers mondiger zijn, dat de gebruikers gaan verhuizen, dat de gebruikers andere wensen hebben, en dat men zich daarop anders gaat moeten organiseren. Dat was de essentie van dit hele verhaal. Daarom heeft dat ook, volgens jullie, veel te lang geduurd. Ik denk dat er nu geen andere keuze is dan op het juiste pad dit verder gestaag in te voeren.

Het grote voordeel is, gelukkig, dat er een groot extra budget is. Maar dat neemt niet weg dat er in de sector een enorme onzekerheid is bij die voorzieningen. Als je in een gehandicaptenvoorziening werkt, wist je vroeger wie er was, wat je financiering was. Dat lag mooi vast, voor jaren, net als het personeel. Maar de personeelsnormen, mevrouw Van den Brandt, die hadden wij al losgelaten. Die waren al omgezet in die MFC’s en die FAM’s. We moeten nu niet plots doen alsof hier de laatste maand iets gaande is dat niemand had zien aankomen. We wisten dat het een immense omwenteling zou zijn. We proberen dat met alle mogelijke middelen te doen, zodat, ten eerste, de mensen die vandaag de dag zorg krijgen, die continuïteit krijgen – de minister heeft dat enorm beklemtoond.

En ten tweede is dit oorspronkelijk gestart om twee redenen. Eén: er zijn veel te veel mensen die nog op zorg wachten. Dat vergeten we soms wat, omdat we nu focussen op mensen die in de voorzieningen wonen. Er zijn ook ongelooflijk veel mensen – te veel in het Vlaanderen van vandaag – die op een wachtlijst staan. Daarvoor is dit verhaal gestart. En dat is de bedoeling van die mobiliteit te creëren. Dat kan als gevolg hebben dat een voorziening, een organisatie, zich anders moet gaan organiseren, net omdat de gebruikers nu gaan zeggen wat men wil, hoe men het wil, waar men het wil en wanneer men het wil. Dat is een grote consequentie.

Ik vrees dat we dit debat nog wel vaker zullen voeren, maar dan wil ik u toch uitnodigen om er de allereerste verslagen en de debatten over de persoonsvolgende financiering eens op na te lezen, om te zien welke verwijten toen aan onze partij werden gemaakt en welke taal u vandaag spreekt. Maar uiteindelijk zijn we van dezelfde lijn en komen we elkaar tegen.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Er is al veel gezegd, maar de essentie van het verhaal is dat we niet mogen raken aan het systeem van persoonsvolgende financiering. Dat is hier altijd al zo gezegd. We willen eindelijk die regie geven aan de personen met een handicap zelf. We wisten ook dat dat repercussies zou hebben op die voorzieningen. We hebben het hier ook goedgekeurd in de commissie. Ik wil maar zeggen: ik versta zeker en vast de ongerustheid, zowel bij voorzieningen als bij personen met een handicap, maar de minister heeft ook aangegeven dat we in dialoog moeten blijven treden. Dat is absoluut noodzakelijk. Maar afwijken van het principe van persoonsvolgende financiering is voor ons echt wel volledig uitgesloten.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, we moeten het er toch allemaal over eens zijn dat de situatie van het initiatief Het Dolfijntje van een andere orde is dan de effecten die gepaard zouden gaan met de introductie van de persoonsvolgende financiering. De intellectuele waarheid gebiedt om dat te zeggen. In het geval van Het Dolfijntje gaat het over een initiatief dat uiteraard zeer waardevol is, maar dat nooit als een erkende voorziening van het VAPH is erkend, beschouwd, gefinancierd, wat dan ook.

In het beleidsdomein WVG hebben we heel wat geco-statuten moeten regulariseren, of kijken hoe we dat inpassen. Het is juist dat er een aantal zijn die op een heel moeilijke manier spontaan ingepast worden in een bestaande regelgeving, want het VAPH financiert geen exploitatie van zwembaden of sportinfrastructuur en dat soort zaken meer.

Collega Van Malderen, het zijn er in het VAPH dus vier. Een project rond Werk-Welzijn, een project rond het inspreken van kranten voor blinden, een project in verband met een dagcentrum dat activiteiten engageert: dat zijn de drie andere. Die hebben natuurlijk allemaal briefwisseling gekregen om te zeggen wat de situatie is. Het Dolfijntje is uiteraard, als de informatie van onze administratie correct is, in 2016 uitgenodigd op het VAPH. Die hebben zelfs twee keer een brief gekregen. Het gesprek is hen zeker aangeboden.

Ik ben het er absoluut mee eens: als je hier een duurzame oplossing aan wilt geven, dan moet je kijken op welke manier je dat model van het exploiteren van een zwembad voor verschillende doelgroepen in verschillende settings levensvatbaar houdt, wetende dat een gesco-financiering op een bepaald moment niet meer tot de realiteit behoort. Daar moeten we samen met de betrokkene aan werken. Het is juist dat ook andere doelgroepen daar een beroep op doen. Er zijn ook voorzieningen die daar gaan zwemmen met hun cliënten en bewoners. Dat geldt ook voor minderjarigen. Ik ken de situatie niet helemaal van wie daar allemaal gaat zwemmen, maar je kunt als minderjarigenvoorziening natuurlijk met je minderjarige personen met een beperking ook een beroep doen op een zwembad. Ik ken nog initiatieven die soortgelijke infrastructuur hebben, maar die daarvoor modellen ontwikkelen om te kijken hoe dat financieel leefbaar kan zijn. En daar kan persoonsvolgende financiering een opportuniteit in zijn. Maar dat moeten we grondig bekijken met de betrokkene. Vandaag nog is er in een gesprek aangeboden om daaromtrent zeer punctueel na te gaan hoe we hen daarin kunnen ondersteunen en welke perspectieven we kunnen geven.

We zullen ook de anderen daarin nog maar eens contacteren en screenen, om te zien of zich daar soortgelijke situaties voordoen, maar ze zijn – in alle eerlijkheid, en ik ga verder op wat het VAPH mij aan informatie geeft – wel degelijk daarover geïnformeerd. En dat is niet gebeurd in 2017, maar uiteraard al vroeger.

Mevrouw Van den Brandt, over die kwaliteitsnormen zitten we al langer aan tafel dan het incident dat nu plaatsvindt. De vakbonden hebben alle werkzaamheden van de taskforce in het verleden kunnen meemaken. Zij hebben op bepaalde moment gezegd: wat gaan we doen met de personeelsnormen? Ik heb ook met hen gesproken. Ik vind hun vraag naar een aantal kaders daarvoor legitiem. We zijn al een tijd in overleg met de sector om te bekijken hoe je zoiets operationeel kunt maken. Dat is een verhaal op het niveau van een kader, dat een onderneming of een organisatie getoetst moet worden aan de concrete missie van die organisatie. Ik kan mij voorstellen dat dan ook de vraag is om dat toch iets minder vrijblijvend te maken dan alleen maar richtinggevend. Dat gesprek is al een tijd bezig, om te zien hoe we daar een concrete invulling aan kunnen geven. Dat is echt niet nu opgestart naar aanleiding van het verhaal van ADO Icarus dat vorige week naar boven is gekomen.

We hebben in de aanloop naar de persoonsvolgende financiering natuurlijk heel veel overlegmomenten gehad, in de taskforce, tussen de koepels, met de bijstandsorganisaties, de gebruikersvertegenwoordigers en noem maar op. Maar iedereen besefte op dat moment ook, denk ik, dat er in de loop van de introductie ook een aantal momenten zouden komen waarop we dat overleg zouden moeten gaan intensifiëren, om aan de hand van de eerste ervaringen te gaan kijken wat er zich nog aandient als nieuwe initiatieven.

De eerste reeks nieuwe initiatieven hebben we genomen met een beslissing die genomen is voor de kerstvakantie, waarbij we in een mozaïekbesluit een aantal beslissingen hebben verankerd die een reglementaire basis veronderstelden. U hebt mij toen ook aangesproken en gevraagd wanneer dat zou gebeuren. Dat is gebeurd, dat is beslist. In die zin zijn die stappen dus ook gezet. Maar ik ben het er ook mee eens: we gaan met de werkgevers en werknemers nagaan welke bijkomende initiatieven – en een monitoring behoort tot de evidentie, maar is natuurlijk geen echte actie of reactie – maar wij gaan met hen moeten kijken hoe we een aantal zaken die nu naar boven komen, ook echt kunnen opnemen. Dat zal, denk ik, ook betekenen: vragen naar engagementen die op het collectieve niveau kunnen worden genomen. Je kunt in een logica van persoonsvolgende financiering geen budgetten clicheren op het niveau van voorzieningen als dusdanig. Daar moet je een stuk een evolutie respecteren. Dat moet zorgvuldig gebeuren. We hebben er alle belang bij om de werkzekerheid en de werkgelegenheid zo veel mogelijk veilig te stellen.

Het overleg over de mechanismes zullen we zeker verder intensifiëren. Ik ben het met de heer Van Malderen eens dat dit niet aan een gezapig tempo kan, maar dat het met forse tred zal moeten gebeuren. Ik ben het daarmee eens en dat is ook onze bedoeling.

Er zijn momenten geweest dat ik werd beticht van het uitvoeren van vertragingsmanoeuvres en dat het niet zou doorgaan. Er zijn er die zeggen dat het voor de minderjarigen veel sneller moet gaan. Deze dingen worden gezegd. Geloof me vrij, ik heb ook wakker gelegen van het feit of we moesten doorgaan of vertragen omdat het inschalingssysteem niet was zoals het in de sector als behoorlijk werd beschouwd. We hebben het dan toch gedaan. Ik stel vast dat iedereen wel degelijk zijn budget heeft gekregen. Dat was een titanenwerk. We kunnen binnenkort het VAPH vragen om hier toe te lichten hoe dat in zijn werk gaat. Er is een belangrijke inspanning gebeurd om de grote stap van de omslag van de budgetten te organiseren. Eerder dan een verevening tussen de voorzieningen is een andere afweging gemaakt. Ik versta ook de frustratie van een aantal voorzieningen die daarop hadden gerekend. We hebben toen voor een andere manier gekozen omdat we voor de betrokken gebruikers de waarborg van de continuïteit wilden. We wilden de zekerheid dat ze kunnen rekenen op de punten die hun in die brief worden toegekend. Daardoor is het budget op het niveau van de voorzieningen status quo gebleven in 2017.

Dat er dynamieken ontstaan, is voor een deel inherent aan dat systeem. Nogmaals, zeker in het geval van typevoorzieningen zoals ADO Icarus… Hadden we gedaan wat oorspronkelijk de bedoeling was, dan had ik hier een ander soort interpellatie gehad. Ik maak me daar weinig illusies over. Voor de gebruikers nog maar één woord hadden gesproken, dan was een heel verhaal over het wegnemen van budgetten bij de ene en het plaatsen bij de andere de realiteit geweest. Ik ben er nogal zeker van dat de typevoorzieningen waarover we hier spreken in de nieuwe herschalingsoefening een effect zouden hebben gevoeld. Dat hebben we niet gedaan omdat waarborg van budget voor de voorzieningen en continuïteit als garantie voor de gebruikers op de eerste plaats komen.

U hebt volstrekt gelijk dat de communicatie over een aantal dingen die ondertussen in besluiten zijn aangepast, niet gebeurt. Dat klopt. Die communicatie kan ook alleen maar gebeuren als de besluiten definitief zijn en als ze vanuit het perspectief van de gebruiker ook afdwingbaar zijn. Die beslissingen zijn ondertussen genomen. Op dat vlak kunnen er nieuwe stappen worden gezet.

Er is een vraag gesteld naar nieuwe budgetten. We hebben het vlug even bij het VAPH nagevraagd. Er zijn in het jaar 2017 – u hoort me goed – sinds de invoering van het persoonsvolgend financieringssysteem 266 budgetten toegekend voor mensen uit de prioritaire groep. Dat gaat al om enorme bedragen die extra zijn toegekend vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe systeem, dus de eerste twee maanden van 2017. Het grootste deel daarvan is volgens mij rechtstreeks door het VAPH toegekend omdat ze tot die groep behoren die door het VAPH centraal beslist en toegewezen worden. Er is wel degelijk een gigantische inspanning gebeurd. Dat is ook gebeurd, mevrouw Van den Brandt, omdat we goed wisten dat we zo snel mogelijk extra budgetten in het systeem moesten kunnen laten komen om ervoor te zorgen dat we de capaciteit aan zorg en ondersteuning maximaal kunnen blijven aanspreken en zodat er op het vlak van werkgelegenheid in de sector maximale mogelijkheden bestaan.

Mijn conclusie is en blijft dat we met werkgevers, werknemers en bijstandsorganisaties dat gesprek intens zullen blijven voeren. We zullen de knelpunten oplijsten en ze punt per punt proberen weg te werken. We moeten een nieuwe communicatieronde doen. We zullen dat ook doen nu de besluiten definitief zijn geworden.

We gaan ervoor zorgen dat we in de periode tussen het vrijkomen van de plaats en de terbeschikkingstelling of invulling ervan, zullen faciliteren wat mogelijk is. Zoals mevrouw van der Vloet zei, vraagt dat respect voor de wet op de privacy en betrokkenheid van de organisaties. Dan kan niet gebeuren door zomaar adressen door te geven. Dat gaat niet. Ook dat, mevrouw Van den Brandt, is niet een idee dat ontstaan is naar aanleiding van deze situatie. We zijn al een maand met het VAPH aan het kijken wat de beste techniek is om dat te doen. Er is ook al een initiatiefnemer die een aantal mogelijkheden heeft aangeboden. Er zijn ook al gesprekken geweest tussen koepels en bijstandsorganisaties om na te gaan hoe dit geoperationaliseerd kan worden. We zullen dat doen omdat dit voor de werkgelegenheid en de continuïteit een belangrijke zaak is.

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, u zegt dat er 266 mensen extra zijn geholpen en dat ze budgetten hebben gekregen. U noemt dat ‘enorm’ en ‘gigantisch’. Ik ga ervan uit dat u hard hebt moeten zoeken naar die middelen, gezien de manier waarop deze regering de knip op de portefeuille houdt. Er staan meer dan 14.000 mensen op een wachtlijst. Tegen 14.000 mensen op een wachtlijst zeggen: ‘kijk eens hoe gigantisch en enorm we al hebben gewerkt, want we hebben 266 mensen van die wachtlijst geholpen’, is een klap in hun gezicht. Er zijn zoveel mensen met een acute zorgnood die geen antwoord krijgen. Dan zeggen dat we keihard ons best hebben gedaan, is helaas niet voldoende. Er is helaas heel veel meer nodig.

U zegt dat u al een maand bezig bent met die matching. Dat die matching een probleem zou zijn, wist u al in 2012. In de voorbereiding van het traject was het de cruciale vraag hoe aanbod en vraag bij elkaar konden worden gebracht. Het verbaast me dat we, nadat het is ingevoerd, daar nog geen antwoord voor hebben, dat er nog proefprojecten zijn geweest en dat er nog geen systemen zijn opgezet.

Hetzelfde geldt voor de personeelscasus. U zegt dat u er al langer over in gesprek bent en dat de vakbonden betrokken zijn. De vaststelling is wel dat, terwijl het systeem al in werking is, er nog steeds geen concrete afspraken zijn. Dat is echt wel een probleem.

Mevrouw Jans, u zegt dat Groen plots voor de voorzieningen is en tegen de PVF. Met alle respect, u interpreteert mijn woorden wel heel moedwillig fout. Groen is voor het principe van persoonsvolgende budgetten en voor het feit dat mensen de eigen regie hebben. Ik heb daar vandaag niets anders over gezegd. We hebben het decreet niet goedgekeurd en ik zal u herinneren aan het waarom. We gingen ervan uit dat het tweetrapssysteem, de filters en de bureaucratie die werden ingebouwd, averechts zouden werken. Vandaag blijkt dat dit waar is.

Als het gaat over uw decreet, dan merk ik dat dit vandaag niet wordt uitgevoerd. In uw decreet staat dat mensen met een lichte zorgvraag een basisondersteuningsbudget krijgen. Dat zijn mensen die met 300 euro per maand genoeg moeten hebben om zorg in te kopen. Dat is het principe. Wie meer nodig heeft, kan op een persoonsvolgende financiering rekenen.

Wie krijgt vandaag dat basisondersteuningsbudget? In eerste instantie die mensen die allang op een wachtlijst staan. Lees: mensen met een heel zware zorgnood. Dat komt dus al niet bij de juiste groep. Diegenen die wel dat persoonsvolgend budget zouden moeten krijgen maar nu een basisondersteuningsbudget krijgen, zouden een budgethoogte krijgen in functie van hun zorgzwaarte. Hoe zwaarder hun zorgnood, hoe meer budget ze zouden krijgen. Dat is helaas niet kunnen gebeuren omdat er in de voorbereidende werken te laat is gemerkt dat de plus 40 en min 40 een probleem is. (Opmerkingen van minister Jo Vandeurzen)

Daar zijn gigantische verschillen op.

Minister Jo Vandeurzen

Iedereen die in het nieuwe systeem stapt, komt in een inschaling in dat systeem. Het is juist dat er een historische omschakeling moet gebeuren van een groep met verworven rechten en verwachtingen in een historische financiering uit een oud stelsel. Het nieuwe stelsel is wat dat betreft uitgevoerd naar de letter en de geest van het decreet. Alstublieft!

Elke Van den Brandt (Groen)

Er zitten 266 mensen in dat nieuwe stelsel, en al de rest zit in het oude stelsel, waarin ongelijkheid is. Mensen die in een voorziening zitten die historisch slecht is gefinancierd, krijgen minder budget dan anderen. U hebt dat in december noodgedwongen moeten doen omdat u met uw rug tegen de muur stond en moest vaststellen dat de verschillen te groot waren.

Maar dit toont alleen maar aan dat heel het management van die transitie, waar toch al jaren naartoe gewerkt is, niet onder controle is. Het apparaat was en is niet klaar om die transitie uit te voeren. Uit alle fouten die daaruit komen, blijkt steeds meer dat er te weinig slagkracht en personeel is om die transitie mogelijk te maken.

U hebt ook andere constructies. Er zou een continuïteit komen voor kinderen die van de school naar de volwassenen gaan. Dat is een heel goed principe waarbij een minderjarig kind met een handicap zorg krijgt en automatisch doorstroomt zodra het volwassen wordt. Nu blijkt echter dat bij de omschakeling geen rekening is gehouden met het feit dat die mensen overdag op school zitten en dat het over een ander budget gaat. Er is dus niet voorzien in een budget, dat moet nog ergens gezocht worden.

Er komen voortdurend van die constructiefouten naar boven, maar dat zijn wel heel reële problemen waarvoor een oplossing moet worden gevonden en die keer op keer aantonen dat een goed principe in een decreet is gegoten dat volgens Groen niet het juiste decreet was – u zult tussen mij en Mieke Vogels geen andere standpunten horen zeggen, als dat uw zorg is – en waarvan de uitvoering ook slecht gebeurt. Ik hoor u zeggen dat we wisten dat dit zou komen. Mevrouw Jans, u zegt dat de consequenties van het beleid moeten worden uitgevoerd, maar daarmee zegt u gewoon dat het eigenlijk de schuld is van de organisaties zelf. U impliceert daarmee dat als mensen beslissen een voorziening te verlaten, wat hun volste recht is, er iets mis is met die voorziening of dat daar niets mis mee is en dat andere mensen daar kunnen inschuiven. In realiteit betekent dit momenteel echter dat die voorzieningen hun budgetten kwijt zullen zijn. En dan zegt u dat die voorzieningen er maar voor hadden moeten zorgen dat die mensen blijven.

Het is maart, en die voorzieningen wisten eind december niet welke punten en budgetten aan hun mensen werden toegekend. Zij weten niet welk convenant werd toegekend en wat er op hen afkomt. Zij willen wel sociaal onderhevig zijn en zij willen zich inschrijven in het systeem, zij hebben de naad uit hun lijf gewerkt om iedereen in te schalen en die oefening te doen.

Mevrouw Van den Brandt, zou u willen afsluiten? We hebben u al heel veel tijd gegeven, maar ik zou u toch willen vragen om stilaan af te ronden.

Elke Van den Brandt (Groen)

Ik heb toch het gevoel dat de collega’s langer dan 2 minuten hebben gesproken.

Collega’s, jullie zeggen dat de voorzieningen wisten dat dit zou gebeuren en dat het allemaal te voorzien was. Daarmee zeggen jullie impliciet dat het hun eigen schuld is. En ja, mensen moeten vrijwillig kunnen weggaan uit hun voorziening wanneer zij zich daar niet thuis voelen. Dat is de kracht van het systeem en dat moeten we ook mogelijk maken. In het huidige systeem is de bureaucratie nog altijd enorm. Wie belt naar de hulplijnen, krijgt daar tegenstrijdige adviezen. Het managementapparaat is er überhaupt niet klaar voor.

Ik wil nog even ingaan op Het Dolfijntje. De N-VA zegt hier dat 2 euro een lage prijs is en dat het meer kan zijn. Zij vragen zich ook af of mensen dat niet kunnen betalen met hun vervangingsinkomen. Zij hebben een een-op-eencontract en krijgen middelen van de voorziening. Ik wil er echter op wijzen dan 40 procent van de mensen met een handicap onder de armoedegrens leeft. Mensen die met een vervangingsinkomen moeten rondkomen, leven vaak onder de armoedegrens. Ik vind die uitspraak dan ook ongelofelijk misplaatst wetende welke kosten mensen met een handicap hebben.

Iedereen zegt hier dat Het Dolfijntje goed werk doet. En we weten dat er eigenlijk voor die vier personeelsleden geen oplossing is. Zij passen niet in een hokje, en dat is spijtig voor hen. Ze moeten er maar voor zorgen dat ze in een van de hokjes passen: minderjarig, meerderjarig, ouderenzorg enzovoort. We hebben eigenlijk een goed werkende organisatie waar vier personeelsleden achter stonden die nu moeten vaststellen dat ze uitdovend zijn omdat ze niet in een hokje van het beleid passen. Ik vind dat cynisch en jammer, en ja, op die manier wordt innovatie wel degelijk tegengehouden.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik ben mijn betoog begonnen met de hoop uit te spreken dat we vandaag een aantal punten van verbetering zouden zien. Ik denk dat er voor een aantal aspecten een verbetering is, maar er is wel nog een lange weg te gaan. Als ik eerlijk ben en afga op een aantal uiteenzettingen van de collega’s van de meerderheid, dan zie ik op sommige vlakken zelfs stappen achteruit. Mevrouw Jans, ik raad u aan om het verslag na te lezen van uw 6 minuten durende uiteenzetting om te zien wat u exact hebt gezegd en hoe dit kan worden bekeken. Eigenlijk zegt u min of meer dat het de bluts met de buil is. Ook ik heb in uw betoog gelezen dat u dat impliciet zegt. (Opmerkingen van Vera Jans)

Ik raad u aan om eens goed na te lezen wat u exact hebt gezegd. Het probleem is niet dat mensen hun zorg anders invullen want dat is inherent aan vraaggestuurde zorg. Het probleem is dat in de manier waarop vandaag PVF is ingevoerd, die mobiliteit onvoldoende is gegenereerd en dat we blijven zitten met een stuk verkokering. Het gaat me niet over het principe maar over de manier waarop. Dat is iets wat we consequent blijven zeggen. En dan plaatsen wij tegenover het bluts-met-de-builmodel en de aankondiging dat er nog gaan komen, een aantal transparante principes die volgens ons dat draagvlak dat broodnodig is om die hervorming door te voeren, wel in stand zouden kunnen houden. Ik vind trouwens meer steun bij de minister dan in uw betoog.

Wij hebben gezegd dat we de heldere garantie willen bieden aan de sector dat we geen capaciteitsverlies en geen verlies van knowhow willen hebben. Ik heb de minister horen zeggen dat hij bereid is om op collectief niveau die onderhandeling te voeren om te proberen dat vast te leggen.

Wij hebben gepleit om ervoor te zorgen dat we een level playing field hebben binnen de kortst mogelijke termijn door een heldere deadline te stellen aan die taskforce. Ik blijf hier op mijn honger, maar dat is u niet vreemd, wanneer het gaat over minderjarigen. Ik zie nog veel problemen inzake ICT. Ook daar hebben we in het verleden voor gewaarschuwd.

Minister, ik ben blij dat u zegt dat u ook die andere vier initiatieven die in het kader van de regionalisering in de VAPH-mand zijn beland, zult benaderen. Ik hoop oprecht dat we dan oplossingen vinden die, mevrouw van der Vloet, een stukje afliggen van wat u hier zegt. U wijst terecht op het feit dat bijvoorbeeld in Het Dolfijntje heel veel verschillende groepen over de vloer komen: minderjarigen, bejaarden, mensen met een handicap enzovoort. Wel ja, ik zou het mogen hopen. Dat is nu natuurlijk net eigen aan niet-verkokerde systemen. In het andere geval moeten we een zwembadje maken voor minderjarigen, een zwembadje voor meerderjarigen, een zwembadje voor bejaarden enzovoort. Wij zijn ziek aan dat soort van constructies. En als het ons menens is wanneer we zeggen dat we dit soort van niet-verkokerde initiatieven waardevol vinden, dan moeten we daar duurzame systemen van financiering tegenover kunnen zetten. Dat vraagt wellicht creativiteit en ‘out of the box’ denken maar laat ons daar dan consequent in zijn. Nu gaat het over een initiatief dat voordien werd gefinancierd via gesco-subsidiëring.

Maar er komen er nog op ons af. We hebben ook initiatieven in de provincies die vaak niet in verkokerde modellen te vatten zijn en die op een andere manier worden gefinancierd, en net door de provincies zijn opgepakt omdat bestaande administraties bepaalde noden niet invullen. Laat dit dus een testcase zijn voor hoe we maatgericht en oplossingsgericht oplossingen proberen te genereren en consequent zijn wanneer we zeggen dat we die initiatieven waardevol vinden. Dat lijken me duurzamere oplossingen dan te zeggen dat ze maar eens moeten nagaan hoe ze dat men hun vervangingsinkomen kunnen betalen of met de 300 euro van het basisondersteuningsbudget waarmee het huis wordt betaald en de dienstencheques mee kunnen worden aangekocht. Men zit hier met een werkvorm die per definitie niet goedkoop is. Als men de loonkost van een op een moet betalen met een uitkering, dan zal er weinig gezongen worden. Dit gaat niet over vrije tijd maar over een zorgcontext. Mensen zetten daar stappen voorwaarts en hebben een grotere kwaliteit. Dat is de meerwaarde, die belijden we allemaal met woorden, laat ons die ook belijden met centen. Met dat pleidooi wil ik afronden.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Op het gevaar af het debat te heropenen, wat ik zeker niet ga doen en ook niet wil doen, wil ik nog één zaak toevoegen, omdat ik een aantal mensen vragen hoor stellen over het agentschap. Mocht men vier, vijf jaar geleden hebben gezegd dat er een administratie is die van een aanbodgefinancierd, historisch gegroeid systeem naar een vraaggestuurd financieringssysteem moet evolueren en daar heel haar organisatie voor moet omturnen en aanpassen, dan zouden we allemaal hebben gezegd, denk ik, dat dat een helse opgave is. Alles kan beter, u hoort me dat niet tegenspreken. Ik zeg alleen maar dat ik een administratie heb gezien die van een hele geschiedenis de omslag heeft gemaakt naar een vraaggestuurd financieringssysteem, en die dat alles onder hoge tijdsdruk, met heel veel stress en heel veel druk moet bolwerken. Men kan ervan zeggen wat men wil, en nogmaals, het zal allemaal wel beter kunnen, maar ik ga het VAPH nu niet laten demoniseren, op een moment dat ik vol bewondering sta te kijken naar hoe die mensen elke dag hun job proberen waar te maken.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, ik zegt niet dat het VAPH dit niet goed doet. Ik zeg alleen dat het te weinig kader en ondersteuning heeft om dat goed te kunnen doen. Zij hebben moeten besparen terwijl ze een gigantische transitie in gang moesten zetten. Dat is net het probleem. Men had dat VAPH gigantisch moeten versterken, zodat het die transitie op een rustigere manier had kunnen doen, en niet met de revolver tegen het hoofd van de snelheid en de druk die het nu wel ondervindt.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, wat uw laatste opmerking betreft, voor de duidelijkheid: tot nader order is het het parlement, is het de meerderheid die het budget van het VAPH vastlegt. Wij hebben dat niet goedgekeurd. Die mensen roeien met de riemen die u, die de meerderheid hun heeft verschaft, en gezien de uitdaging zouden die gerust wat langer mogen zijn.

De interpellatie en de vraag om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.