U bent hier

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, voorzitter, collega’s, de ‘Wat met’-reeks wil het maatschappelijk debat over belangrijke thema’s die de mens raken, op een kritische manier wetenschappelijk onderbouwen vanuit de interdisciplinaire denktank Metaforum van de KU Leuven.

Het boek ‘Wat met ons voedsel?’ is het werk van verschillende werkgroepsleden en auteurs. In hoofdstuk 6 stellen de auteurs de vraag of er nog toekomst is voor de Vlaamse boer.

Onderzoeker Tessa Avermaete en professor Wannes Keulemans verwoorden de visie van de Metaforum-denktank, en die klinkt een tikkeltje zorgelijk als het gaat over het aantal boeren dat in de toekomst voor ons voedsel zal zorgen: “Vandaag constateren we dat Vlaanderen nog meer dan 20.000 boeren telt, maar de continue daling kan niet genegeerd worden.” En nog iets scherper: “Er moet voor gezorgd worden dat het aantal (landbouw)bedrijven niet onder een kritische massa belandt, want dan dreigen ook de kennis- en verwerkingscluster er rond te verdwijnen.”

Het boek stelt onder meer de vraag waarom jongeren vandaag nog boer zouden worden. In het kader van een Europees innovatiepartnerschap heeft een groep experts zich daar gedurende twee jaar over gebogen. Ze kwamen tot de conclusie dat het profiel van starters zeer divers is en hun motivatie uiteenlopend. De keuze voor landbouw als onderdeel van een levensstijl is de grootste drijvende kracht. Ze maken een sombere analyse van de landbouw in het Zuiden, maar ook in het Westen, en bij ons hebben boeren het niet gemakkelijk. Voor nagenoeg alle landbouwproducten uit Vlaanderen kun je een plaats in de wereld vinden waar ze goedkoper geteeld of gekweekt kunnen worden. Concurreren op kostprijs is dan, zeker in een aanbodmarkt, uitermate moeilijk of zelfs geen optie.

In Vlaanderen slagen nicheproducten bestemd voor een welbepaald eerder beperkt publiek er meestal wel in om hun unieke kader te verzilveren in een hogere prijs. Daarom opperen de wetenschappers van de KU Leuven om deze strategie toe te passen op de hele Vlaamse landbouw en de sector als het ware in zijn geheel te positioneren als niche op de wereldmarkt. Deze stelling werd in de commissie Landbouw ook al verdedigd door ingenieur Joris Relaes, administrateur-generaal van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO), tijdens de hoorzittingen over schaalverandering in de landbouw.

Het hoofdstuk besluit met de vraag of de vrees terecht is dat de boerenpopulatie in Vlaanderen onder een kritisch minimum duikt. De continue daling van het aantal landbouwbedrijven kan niet blijven doorgaan. Aan de KU Leuven lijkt men te geloven in het bestaan van een kritische ondergrens. Daaronder dreigen ook de kenniscluster en verwerkende nijverheid rond landbouw te verdwijnen.

Minister, ik veronderstel dat u kennis hebt genomen van dit bijzonder interessante boek.

Welke zijn de meest waardevolle elementen in dit boek die mogelijks in het huidige beleid en/of in het toekomstig landbouwbeleid moeten worden geïmplementeerd, of is dat al het geval?

De waarschuwing over de kritische ondergrens met de mogelijke gevolgen voor onze kenniscluster en verwerkende nijverheid, is zeker belangrijk te noemen. Is het niet zinvol om uit de vertegenwoordigers van alle relevante gesprekspartners een werkgroep samen te stellen die concrete punten uitwerkt die op relatief korte termijn haalbaar zijn om een normale generatiewissel meer slaagkans te geven?

Is het voorstel haalbaar om de hele Vlaamse landbouw in zijn geheel te positioneren als niche op de wereldmarkt? In welke mate gebeurt dit al? Vergt dit een aanpassing van de huidige exportstrategie?

Moeten de consument en de burger uit dit boek ook niet leren dat de Vlaamse land- en tuinbouwsector kwetsbaar is? Zijn er zinvolle strategieën voor burger en consument om op termijn niet sterker afhankelijk te worden van de import van de grondstoffen voor degelijke voeding? Wat kan hen stimuleren om de juiste keuzes te maken?

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Mijnheer De Meyer, het boek waarnaar u verwijst, overloopt op een overzichtelijke manier de belangrijkste maatschappelijke vragen over landbouw en voeding. Dat gebeurt op een heldere, vlot leesbare manier. Het boek is als het ware de vulgariserende versie van de visietekst van het metaforum in Leuven over voedselproductie en voedselzekerheid van oktober 2015. Zo gaat het boek onder meer in op de duurzaamheid van landbouw, de bedreigde toekomst van de Vlaamse landbouw, gezond en duurzaam voedsel en een navenant voedselbeleid daarrond.

Het probleem van de onvoldoende instroom in de landbouwsector is zeker bekend, niet alleen bij ons maar in de volledige Europese Unie. In de eerste verklaringen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) na 2020 kondigt de Europees commissaris voor Landbouw ook steevast deze problematiek aan. Ik ben ervan overtuigd dat dit aspect aan bod zal komen in de wetgevende voorstellen die hij volgend jaar op tafel zal leggen voor bespreking in de Raad en het Europees Parlement.

Die voorstellen zullen dan met de sectororganisaties worden besproken in een breder geheel. Ik denk dat we beter die voorstellen afwachten en daar dan verder op werken dan nu ad hoc aparte werkgroepen op te richten.

Een positionering als niche op de wereldmarkt lijkt mij uiteraard een interessante strategie om de specifieke kenmerken van onze land- en tuinbouwproducten extra in de verf te zetten. Vooral op het vlak van voedselveiligheidsgaranties kunnen we het verschil maken op bijvoorbeeld de Aziatische markten. Door een nauwe samenwerking tussen beleid, onderzoek en sector kan nog extra vooruitgang wordt geboekt. Zo kun je het voorbeeld dat we daarnet hebben besproken, de speekseltest, ook in dit licht zien. Als blijkt in de piloot dat dit werkt, dan kunnen we dit vermarkten en zeggen dat bij ons alles top gecontroleerd wordt.

Via VLAM promoot het beleidsdomein Landbouw en Visserij hoofdzakelijk primaire producten uit Vlaanderen. Met onder andere reclamefilmpjes op televisie, bereiken we hiermee zeker de consument. Bij de VLAM-campagnes wordt tevens rekening gehouden met de aanbevelingen uit de actieve voedingsdriehoek, en dus draagt dit bij tot het sensibiliseren om de juiste keuzes te maken.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, wie de problematiek volgt en dit boek leest, zal niet onmiddellijk nieuwe problemen tegenkomen, maar het is wel een schitterende samenvatting in een heel bevattelijke taal van de vele zorgen die in de sector aanwezig zijn. Men omschrijft niet alleen een aantal probleemsituaties, maar men geeft ook een eerste aanzet tot oplossingen. Vandaar dat ik dit werkje – want het leest vlot – bijzonder waardeer en apprecieer.

Voor mij was het wel de eerste keer dat wetenschappers, en niet landbouworganisaties, waarschuwen voor de kritische ondergrens van het aantal boeren in Vlaanderen. Toevallig las ik in het weekend ook nog een aantal hoofdstukken over de landbouwgeschiedenis in een boekje dat is uitgegeven door de vroegere hoofdredacteur van Landbouwleven André De Mol die erop wijst dat er in 1950 nog 1 miljoen boeren waren in België. Vandaag zijn dat er in Vlaanderen nog ruim 20.000. Ik vermeld toch eventjes die cijfers omdat ze zo confronterend zijn. We zijn er misschien aan gewoon geraakt dat het aantal landbouwers verder daalt. Minister, u hebt gelijk dat dit niet alleen een Vlaams of Belgisch probleem is, heel West-Europa wordt ermee geconfronteerd. Ik wou voor deze vraag toch gebruik maken om toch op het alarmerende ervan te wijzen.

Ik hoop dat op alle niveaus – Vlaanderen, België, Europese Gemeenschap – men er zich bewust van wordt en is en ook de nodige maatregelen neemt om effectief te zorgen voor een kering, want in een aantal West-Europese landen is het toch wel 5 voor 12.

Wat de export betreft, hebben we in het verleden al onze appreciatie kunnen uitspreken over het VLAM en over de vele inspanningen die gebeuren. Zij die mee geweest zijn naar de beurs in Duitsland, de laatste maal en ook in de vorige legislatuur, zullen zich ook herinneren dat Ierland bijvoorbeeld een heel specifieke aanpak heeft om hun landbouwproducten op de markt te zetten. Misschien kunnen we op dat vlak van het buitenland nog iets leren.

Ten slotte denk ik dat het bijzonder wenselijk zou zijn – de vraag is alleen hoe je dat promoot – dat zoveel mogelijk kritische burgers dit bijzonder interessante werkje zouden lezen, want het geeft aan campagnes die vandaag worden gevoerd soms wel de mogelijkheid om meer nuances in te brengen – ik zal het op deze vriendelijke manier formuleren.

De voorzitter

De heer De Croo heeft het woord.

Herman De Croo (Open Vld)

Ik vind het een ongelooflijk belangrijk onderwerp. Ik wil aan de voorzitter suggereren om hier tijd aan te spenderen in de prioriteiten van reflectie met de consultatie van een aantal organismen en uiteraard de minister.

Al sinds ik klein was, heb ik het aantal landbouwers weten dalen. Ik heb in Brakel nog 500 landbouwers gekend, nu zijn het er nog 35. Dat is een fenomeen dat we vaststellen en zeer eigenaardig genoeg zien we dat we, ondanks de enorme productiviteit, de aandacht, het wetenschappelijk vernuft van onze landbewerkers in de brede zin van het woord in fruit- en tuinbouwteelt, voor een eigenaardig fenomeen staan. Minister, ik zou een beetje stout zijn, maar met 6 hectare verlies aan ruimte per dag is er misschien een zelfoplossing bezig. Dat is stout en ik mag dat niet luidop zeggen, maar ik zie twee of drie eigenaardige fenomenen. Er zijn nog laagproductieve en kleinschalige bedrijven. Er zijn mensen met een zekere ouderdom die niet zullen worden opgevolgd. Ook dit is belangrijk om te weten, want het behoort tot de onafwendbaarheid der dingen. We hebben misschien een Europese landbouwpolitiek en misschien zelfs een landbouwpolitiek bij ons die dagtekent uit de periode toen de landbouwers talrijk waren. Misschien hebben wij ons niet voldoende aangepast. Er zijn een aantal industriële teelten. Er zijn een aantal overproductieve teelten. Er zijn een aantal seizoensteelten. Er zijn een aantal vormen van juridische aard.

Die landbouwwereld is totaal veranderd. Het landbouwbedrijf – we hebben een motie gemaakt over grootschaligheid – wordt in schaal vergroot. Dat is onafwendbaar. Er komt een andere techniek. De landbouwer is vandaag een mecanicien, zijn vrouw of partner is een ICT’er. Dat is een heel andere mentaliteit die wordt opgebouwd. De landbouwgrond daalt niet in waarde, verre daarvan.

Misschien bestaan er maatschappelijke opdrachten voor de landbouwers. Maar dat wordt niet overwogen. Wie gaat dat landschap in orde houden? Wie gaat min of meer de verwildering – wat sommigen zouden willen – voorkomen? Er zijn zodanig veel uitdagingen in het landbouwgebeuren dat het misschien de moeite is om daar eens ernstig in onze commissie over te praten, met alle mogelijkheden en wetenschappelijke benaderingen, en erover na te denken.

Ik ben niet pessimistisch, maar het zal vervellen tot een andere manier van uitbating. Het zal de intensiteit – maar die conflicteert dan met milieuvereisten en andere – niet kunnen ontwijken, maar mocht men bekendmaken dat de landbouw als dusdanig een soort ‘eindbedreiging’ kent, dan ben ik niet zeker dat de Vlaamse opinie positief zou reageren. Zij is zich gewoon aan het internationaliseren: zij is gewend – helaas – zich te bevoorraden in het buitenland. Het is een grondig probleem.

De 20.000 landbouwers moeten misschien een andere maatschappelijke functie en mogelijkheden namens de gemeenschap opnemen. We moeten dat niet verplichten. Dit moet wetenschappelijk gestoeld zijn om hun productie en inkomen waar te maken. We zijn volgens mij bezig een landbouwrevolutie te missen, als we daar geen aandacht voor hebben.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Het is een zeer merkwaardig gegeven. Als de ondergrens van het aantal landbouwers wordt overschreden, of moet ik ‘onderschreden’ zeggen, tast dat dan onze landbouw aan? Het klopt dat deze beroepsgroep heel klein wordt. Dat is niet hetzelfde als ‘geen goede landbouw’ hebben. Er zijn merkwaardige spanningen: de schaalvergroting en de druk op de prijzen. De technologische verbeteringen hebben geleid tot die schaalvergroting, en nu ‘klagen’ we dat er te weinig landbouwers zijn, of we stellen toch vast dat hun aantal blijft dalen.

Ik sluit me aan bij de collega’s. Dit is slechts een van de fundamentele vragen, want in het boekje staan er nog meer daarvan, die zeker in het kader van ons eigen Vlaams landbouwbeleid een rol moet spelen, maar ook in het Europees GLB van de toekomst. Die denkoefening is samen met andere een belangrijke bouwsteen. Ik vind het goed dat we met ons allen voldoende stilstaan bij het langeretermijndenken en de problemen op de langere termijn. Ik sluit me aan bij de vraag.

Misschien moeten we daar eens bij stilstaan en de ruimte nemen om onze geesten open te stellen en daarover na te denken, samen met specialisten. Dat is iets wat we zelden doen, behalve bij het kenniscentrum voor antibioticagebruik en -resistentie bij dieren (AMCRA), namelijk academische mensen uitnodigen.

De voorzitter

Minister Schauvliege heeft het woord.

Collega’s, er zijn veel wijze woorden gezegd. Het boekje kan zeker bijdragen tot een breder debat, maar we leven niet op een eiland. Ik blijf erbij dat dit Europees zal moeten worden bekeken met het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid. Wat willen we? Er is een gemeenschappelijk landbouwbeleid ontstaan. Hoe willen we de voedselproductie in Europa veiligstellen? Daarover moet een grondig debat worden gevoerd in verband met het nieuwe GLB. Hoe gaan we dat doen?

We moeten ervoor zorgen dat de ondersteuning die we geven, bij de juiste mensen terechtkomt, op de juiste manier. Dat is een fundamentele vraag die we Europees moeten aanpakken.

Verder zet Vlaanderen in op de knelpunten die in het boekje aan bod komen. Wat wij met het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) doen, dat is een vrij uniek element in Europa. Er zijn niet zoveel lidstaten die dat ook doen. Dat is juist, we moeten onze land- en tuinbouw voldoende voorbereiden op de toekomst. Het zal een hevig debat worden, dat voelen we nu al. Binnen Europa zijn er verschillende strekkingen. Een land als Polen en het Poolse landbouwbeleid kunnen we niet vergelijken met het Vlaamse landbouwbeleid. Er kwam deze week een Europese Landbouwraad samen, er was een eerste ronde rond het gemeenschappelijk landbouwbeleid. We voelen nu al dat er verschillende visies zijn, omdat er een heel andere problematiek is. Dat zal de uitdaging zijn: hoe kunnen we een Europees beleid uittekenen en toch op maat een aantal zaken toestaan? Dat moeten we goed opvolgen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik ben het volledig eens met uw repliek, minister. Ik zal bij de regeling van de werkzaamheden straks een suggestie doen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.