U bent hier

Commissievergadering

donderdag 30 maart 2017, 14.10u

van Kathleen Helsen aan minister Hilde Crevits
1394 (2016-2017)

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, het is niet de eerste keer dat we hier vragen stellen over duaal leren. Maar het is, denk ik, wel de eerste keer dat er vragen worden gesteld vanuit de positie van werknemers die nu in de omgeving van leerlingen functioneren die in het kader van duaal leren aan de slag zijn. Zij maken kennis met duaal leren aan de hand van de proefprojecten die nu lopen. 34 scholen zijn ingestapt in de proeftuin ‘Schoolbank op de werkplek’.

Dit schooljaar zijn 130 leerlingen aan de slag in die duale opleidingen. Dat betekent dat ook werknemers in de omgeving van die leerlingen opereren. Het is vanuit hun ervaring dat ik hier graag een aantal dingen in het midden gooi. Ik vind het interessant om te weten hoe zij de dingen bekijken. Zij willen vooral vanuit een rechtvaardigheidsgevoel dingen aankaarten, ook via deze commissie. Zij vinden het zeer positief dat Vlaanderen werk maakt van duaal leren. Maar zij ervaren dat er, zoals bij elk startend project, wat leer- en knelpunten mee gepaard gaan. Dat is niet verkeerd, daarom is het ook een proeftuin. Zij stellen een aantal zaken vast waarvan zij het belangrijk vinden dat er aandacht voor is als de proeftuinen worden geëvalueerd, eventueel tussentijds worden bijgestuurd, of als er een nieuw kader wordt gecreëerd, gebaseerd op de eerste ervaringen met duaal leren.

Het eerste punt dat zij aanhalen, is dat het niet zo evident is om voor elke jongere een leerwerkplek te garanderen. Het is voor een werkgever niet moeilijk om te zeggen dat een bedrijf openstaat voor jongeren om in het kader van duaal leren werkzaam te zijn binnen het bedrijf. Maar een kwaliteitsvolle leerplek garanderen, is niet zo eenvoudig. Daarbij gaat het niet alleen om het werkpakket op zich, maar vooral om het vinden van een kwaliteitsvolle mentor op de werkvloer om die jongere te begeleiden, en dan niet enkel en alleen voor het beroepsluik, maar ook voor de algemeen-vormende aspecten die verbonden zijn aan het beroep. Zij stellen in de praktijk vast dat dat niet altijd in orde is en willen dit nu reeds aanduiden als een knelpunt.

Daarnaast benaderen zij het concept duaal leren vanuit het werknemerschap. Zij zien een verschil op hun werkplek tussen leerlingen die wel en leerlingen die geen leervergoeding krijgen. Waarom wordt het onderscheid gemaakt tussen wel 20 uren en geen 20 uren? Zij vinden dat als werknemer minder relevant. De jongeren die geen 20 uren per week presteren, hebben niet alleen geen leervergoeding, maar daarbovenop bouwen zij ook geen sociale rechten op, in vergelijking met andere leerlingen die wel die 20 uren presteren. Als werknemer vragen zij zich af of dit in de toekomst behouden moet blijven.

Zij stellen ook vast dat er voor de leerlingen in die proefprojecten geen vakantieregeling is. Op veel plaatsen krijgen de leerlingen hun schoolvakanties, maar dat is niet overal verzekerd. Er zijn dus blijkbaar verschillen in de toepassing. De werknemers vragen of het mogelijk is om daarvoor in de toekomst wel een duidelijke regeling te treffen, zodat de rechten voor de werkenden – zij bekijken dat vanuit het werknemerschap – voor iedereen gelijk zijn.

Hetzelfde geldt voor de verplaatsingsvergoeding. Er zijn jongeren die van de werkgever een verplaatsingsvergoeding krijgen, anderen krijgen dat niet. Dat is niet duidelijk geregeld in de proeftuin. Ook daar vragen zij om in de toekomst een eenvormige regeling te treffen.

De Federale Regering verstrengde het recht op een inschakelingsuitkering voor schoolverlaters zonder diploma jonger dan 21 jaar. De werknemers vragen of ook daar de mogelijkheid bestaat om dat opnieuw onder de loep te nemen.

Ten slotte wordt gezegd dat er heel wat jongeren zijn die zich kandidaat stellen om mee te doen aan dat systeem van duaal leren. Dat is positief, maar er wordt natuurlijk bekeken of de jongere voldoet aan een belangrijke voorwaarde: die moet arbeidsrijp zijn. Er zijn een aantal jongeren die daaraan voldoen, maar er zijn een aantal jongeren die die selectie niet doorstaan, die niet arbeidsrijp zijn. Men weet op dit moment totaal niet hoe men die jongeren het best opvangt. Men ziet dat daarvoor momenteel niet altijd in opvang is voorzien, terwijl het wel wenselijk is dat daar een begeleiding tegenover staat, van niet-arbeidsrijpheid naar arbeidsrijpheid. Op dit moment verloopt dat niet optimaal. De vraag wordt dus gesteld om die ervaringen toch zeker en vast nu reeds bespreekbaar te maken. Ik realiseer me dat dat vroeg is, maar beter iets te vroeg dan te laat.

Minister, op basis van deze aangehaalde knelpunten wil ik u de volgende vragen stellen. Op welke manier kan er in samenwerking met de sectoren toch voor worden gezorgd dat die kwaliteitsvolle werkplek wel wordt gerealiseerd, met mentoren die de kwaliteitsvolle begeleiding van leerlingen kunnen garanderen, en waarbij er niet enkel en alleen aandacht is voor het ontwikkelen van beroepsgerichte competenties, maar ook die algemene vorming voldoende haar plaats krijgt, niet enkel en alleen binnen de school, maar ook op de werkplek? In welke mate ziet u mogelijkheden om op termijn vanuit die proeftuin die verschillende regelingen inzake vakantie, de verplaatsingsvergoeding, de uitschakelingspremie en de niet-arbeidsrijpheid onder de loep te nemen, om te bekijken of de knelpunten daar kunnen worden aangepakt?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Geachte leden, zoals jullie weten, deel ik de bevoegdheid inzake duaal leren met collega Muyters, die bevoegd is voor werk. Het is zeker de betrachting om binnen het project van het duaal leren elke jongere een of meerdere kwaliteitsvolle werkplekken te geven, die integraal deel uitmaken van zijn of haar leertraject. Om van een kwaliteitsvolle werkplek te kunnen spreken, is het essentieel dat er een mentor is, en dat die mentor bekwaam is om de jongere te begeleiden en op te leiden op de werkplek.

Hoe ziet zo’n mentortraject er dan uit? Daarop hebben we het antwoord nog niet gevonden. Mevrouw Helsen, u hebt dat ook zelf aangestipt. Ik weet echter niet of dat een pijnpunt is, omdat we hebben afgesproken dat we ter zake lessen zullen trekken uit de pilootprojecten en de huidige werking, veeleer dan van bovenaf één model op te leggen. Vanuit SYNTRA Vlaanderen werd een tender uitgeschreven, die de kans gaf om mentortrajecten uit te werken. Er zijn heel uiteenlopende actoren die daarop hebben ingetekend, maar ook heel wat sectoren. Voor de sectoren die daar niet door worden gevat, zal door SYNTRA Vlaanderen een overkoepelend mentortraject worden uitgewerkt, maar eigenlijk gaat mijn voorkeur uit naar de sector die zelf investeert en een eigen mentortraject uitwerkt. Mede in het licht van de resultaten van die projecten zullen we ook komen tot inzichten over de vraag aan welke criteria zo’n mentoropleiding moet voldoen. We hebben dat dus bewust niet gedaan. Er is ook lang over nagedacht, en dan beslist om het niet te doen, net om dit vanuit de basis te laten groeien.

In duaal leren zelf is niet enkel het beroepsgerichte, maar ook de algemene vorming cruciaal. Dat weet u ook. Het is vanuit die optiek dat de ontwikkelingsdoelen en de eindtermen integraal deel uitmaken van die standaardtrajecten die zijn uitgewerkt voor de duale opleidingen. Scholen kunnen kiezen hoe ze daarmee aan de slag gaan en hoe ze die algemene vorming overbrengen aan de leerlingen. We merken dat die scholen algemene vorming als een van hun kerntaken beschouwen en dat ze dit bijgevolg allemaal zien in de lessen, tijdens de schoolcomponent. Iedereen pakt dat toch wel vrij sterk aan op deze wijze.

De sectoren spelen een belangrijke rol in de kwaliteit van de werkplekken. Ze hebben daar ook alle belang bij, want als die werkplekken niet kwaliteitsvol worden ingericht, dan zal dat uiteraard het project duaal leren op losse schroeven zetten. Via de sectorale partnerschappen, waaraan ook onze onderwijsverstrekkers deelnemen, hebben de sectoren bij uitstek een vehikel in handen om in te spelen op de kwaliteit van werkplekken. De erkenning die via die partnerschappen of via het Vlaams Partnerschap gebeurt, is een belangrijk element om de kwaliteit van de werkplekken te waarborgen. Als men dus een erkenning heeft gekregen, dan weten we al dat dit wat kwaliteitsvol is. Bovendien hebben ook een aantal sectorale partnerschappen ervoor gekozen om de mentoropleiding verplicht te maken in de sector. Daar leren we dus ook veel interessante zaken uit, natuurlijk.

Dan is er de vraag over de leervergoeding. Dat is iets moeilijker. Voor de bezoldigde overeenkomst alternerende opleiding hebben we ons geënt op het federale sokkelstatuut, waarin zes cumulatieve voorwaarden worden bepaald waaraan een leerling moet voldoen om sociale rechten op te bouwen. Een van de elementen daarbinnen is dat leerlingen gemiddeld op weekbasis twintig uur op de werkplek aanwezig moeten zijn. Als er wordt gebruikgemaakt van de onbezoldigde stageovereenkomst alternerende opleiding, dan zit men per definitie onder die ondergrens van twintig uur. Bijgevolg is aan een van de voorwaarden uit het federale sokkelstatuut niet voldaan en kunnen leerlingen die worden tewerkgesteld met een stageovereenkomst alternerende opleiding, geen sociale rechten opbouwen. Een volledige gelijkwaardigheid uitbouwen voor de leerling is niet mogelijk. Inzake de stageovereenkomst alternerende opleiding zijn we het er na lang beraadslagen over eens geworden om die onbezoldigd te houden.

De leerlingen met zo’n overeenkomst zijn immers een beperkt aantal uren op de werkplek, waardoor hun bijdrage is beperkt, terwijl de werkgever wel heel wat moet investeren in de opleiding. Het onderscheid tussen meer of minder dan 20 uren is niet licht gemaakt. Het is het resultaat van een gedegen afweging bij de opmaak van de standaardtrajecten in de ontwikkelcommissies. In die commissies werken de onderwijsverstrekkers, de sectoren, de afgevaardigden van de overheid en concrete scholen en bedrijven samen het traject uit. Er wordt geval per geval beslist wat een realistisch aantal uren op de werkplek is, wat op zijn beurt bepaalt welke overeenkomst kan worden gebruikt. De ervaring met de standaardtrajecten leert ons dat de stageovereenkomsten niet slaan op 18 of 19 uur op de werkplek, maar wel ergens tussen de 10 en de 15 uur. Men blijft er dus goed onder. Het is zeker de bedoeling dit goed op te volgen, en te kijken hoe men er op het terrein mee omgaat.

Wat de vraag over het op punt stellen van de overeenkomsten betreft, kan ik zeggen dat in het decreet over de overeenkomst inzake alternerende opleidingen een vakantieregeling is vastgelegd. Er is bepaald dat de jongere recht heeft op maximaal 20 dagen betaald verlof en 20 dagen onbetaald verlof. Zo is een regeling uitgewerkt die zich tussen de verlofregeling in het kader van het werknemersstatuut en de verlofregeling van de scholen bevindt. Het aandachtspunt is dat we voor het proefproject ‘Schoolbank op de werkplek’ gebruikmaken van het decreet op de proeftuinen. In dat decreet wordt gesteld dat voor leerlingen in het proefproject de verhouding vakantie-onderwijs – dit omvat dus zowel het gedeelte op school als het gedeelte op de werkplek – dezelfde moet zijn als die voor leerlingen die niet in het proefproject zitten. Dat heeft tot gevolg dat leerlingen in het proefproject niet de vakantieregeling uit het decreet op de overeenkomst alternerende opleidingen kunnen gebruiken omdat de verhouding inzake vakantie-school dan wordt gewijzigd.

In het kader van ‘Schoolbank op de werkplek’ werd bijgevolg afgesproken dat leerlingen recht hebben op alle schoolvakanties. Er kan wel worden gewerkt in de vakanties, maar dan moeten die dagen op een ander moment worden gecompenseerd. Op vraag van minister Muyters en van mezelf heeft de federale minister van Werk Kris Peeters een ontwerp van KB aan de Nationale Arbeidsraad voorgelegd. Het beoogt jongeren in alternerende trajecten de gelegenheid te bieden om vakantiewerk te doen. Het zou erg spijtig zijn mocht dat niet kunnen. Wat de verplaatsingsvergoeding betreft: dit is niet uitdrukkelijk opgenomen in het decreet, maar het decreet bepaalt wel dat de werkgever aan zijn verplichtingen moet voldoen. Dit behoort tot de reguliere verplichtingen van de werkgever. De onderneming moet bijdragen in de verplaatsingskosten van de leerling voor het woon-werkverkeer met het openbaar vervoer. Bij een verplaatsing met de bus of de tram moet de afstand minimaal 5 kilometer bedragen. Gemiddeld bedraagt deze bijdrage ongeveer 75 procent van de werkelijke vervoerprijs, zowel in het geval van een verplaatsing per trein als in het geval van het gebruik van een ander openbaarvervoermiddel zoals de bus of de tram. Voor het woon-werkverkeer dat de leerling aflegt met het privévervoer moet worden gekeken naar de cao van de sector. Voor leerlingen in een alternerende overeenkomst is dit dus geen probleem, maar mogelijks wel voor leerlingen in een alternerende stage-overeenkomst. Bij de evaluatie van het decreet over de alternerende overeenkomsten moeten we de problematiek van de verplaatsingskosten zeker bekijken.

Hoe zit het met de wachttijd? In de federale regelgeving wordt verwezen naar alternerende opleidingen. Bij het voleindigen van een alternerende opleiding wordt de beroepsinschakelingstijd verminderd met het aantal dagen dat is gedekt door de overeenkomst wanneer de kwalificatie wordt behaald, of met de helft van het aantal dagen gedekt door de overeenkomst wanneer de kwalificatie net wordt behaald. Duale opleidingen worden beschouwd als alternerende opleidingen en vallen bijgevolg onder de bovenstaande regeling. Hier stelt zich bijgevolg geen probleem.

Wat betreft de niet-arbeidsrijpe leerlingen, is het zo dat we in de conceptnota-bis het onderscheid maken tussen leerlingen die arbeidsrijp, quasi-arbeidsrijp of niet arbeidsrijp zijn. Jongeren die arbeidsrijp zijn, kunnen van start gaan in duaal leren, indien ze dit wensen en dit na advies van de klassenraad. Voor jongeren die quasi-arbeidsrijp zijn, wordt gewerkt met een aanloopfase waarbij er wordt ingezet op de verdere ontwikkeling van hun arbeidsgerichte competenties, met het oog op een instap in duaal leren. Hiervoor zullen de brugprojecten en een deel van de voortrajecten worden ingezet. Beide zullen we hervormen, in het kader van de aanloopfase duaal leren. Jongeren die niet arbeidsrijp zijn, vallen in principe buiten de doelgroep van het duaal leren. Jongeren die begeleiding nodig hebben, zal men kunnen opvangen in het onderwijs-welzijnsaanbod, en meer in het bijzonder, in de naadloze flexibele trajecten.

Het is niet de bedoeling om het deeltijds onderwijs af te schaffen of te beperken tot het duaal leren. Deeltijds onderwijs kan duaal leren blijven aanbieden, maar daarnaast worden er trajecten aangeboden voor jongeren die niet arbeidsrijp zijn. Dat is een van de redenen waarom duaal leren als een apart leerpad is ingericht: zo willen we ervoor zorgen dat leerlingen die arbeidsrijp zijn, worden toegeleid naar een volwaardige opleiding. De groep van niet-arbeidsrijpe leerlingen wordt daardoor natuurlijk niet gevat.

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Dank voor het omstandige antwoord, minister. Wat de werkplekken zelf betreft, is het een goede zaak dat we dat met de proeftuin zeer goed opvolgen. Het moet ertoe leiden dat na de goedkeuring van het decreet en het kader de keuzes die we maken zorgen voor kwaliteitsvolle werkplekken. U stelt dat het momenteel zo is dat de algemene vorming op school erg goed aan bod komt. Vanop de werkplek wijst men erop dat de algemene vorming niet altijd kan worden losgekoppeld van de beroepsgerichte vorming.

Ook wordt erop gewezen dat de twee het best op die werkplek aan bod kunnen komen. Dat is een aandachtspunt, ook in de opleiding van die mentoren in de toekomst. Je kunt de zaken namelijk niet altijd opsplitsen. Dat is een belangrijk aandachtspunt.

Wat het statuut van de jongeren betreft, onthoud ik vooral dat de gemaakte afweging over die twintig uren een grondige afweging is geweest. Bovendien wordt er goed opgevolgd dat het niet telkens gaat om net geen twintig uur en wordt er een duidelijk onderscheid gemaakt. Het is positief dat er daar een opvolging is.

Wat de schoolvakanties en de andere reguliere verplichtingen van de werkgevers betreft, lijkt het mij interessant om toch nog duidelijk te stellen hoe het precies in elkaar zit. Want het feit dat die vraag vanuit verschillende hoeken naar voren komt, is een teken dat het toch niet helemaal duidelijk is wat de vergoedingen en de vakanties betreft. Ik stel vast dat er op een aantal punten duidelijkheid is en dat er, daar waar er geen duidelijkheid is, werk wordt gemaakt van een regeling. Dat is dus positief.

Minister, wat de niet- of quasi-arbeidsrijpe jongeren betreft, word ik erop gewezen – ik denk dat het goed is om dat goed op te volgen en na te gaan, maar ik heb geen overzicht van het geheel – dat er niet voor alle jongeren een gepast aanbod is als ze niet kunnen instappen in duaal leren. Het is goed om dat te bekijken, nu ook in die proeftuin. Waar zit er vooral een knelpunt om te kunnen werken op maat van de jongere als die niet arbeidsrijp is? Zijn er voldoende brug- en voortrajecten? Zijn er voldoende flexibele trajecten die kunnen worden aangeboden? Ik krijg het signaal dat de jongeren niet het gepaste traject, op hun maat, kunnen volgen. Dat lijkt mij een element te zijn dat we zeker moeten meenemen binnen deze proeftuin, om te zien hoe we daaraan kunnen remediëren.

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, aansluitend bij de vragen van mevrouw Helsen, die zeer pertinent zijn, en de bezorgdheid die ons bereikt vanop het terrein, zouden we toch nog eens willen terugkomen op de rol van SYNTRA. Het is hier al meermaals aangekaart: SYNTRA blijkt die begeleiding nauwelijks aan te kunnen. De vraag is: hoe zult u er met minister Muyters voor zorgen dat dat toch wordt versterkt?

Een tweede element dat is aangehaald door mevrouw Helsen, is het botsen van de statuten. De leerlingen duaal leren in het dbso mogen geen vakantiewerk meer doen.  Blijkbaar is dat voor sommige scholen en in sommige trajecten echt wel een probleem, ook voor de gezinssituatie. Deze getuigenis bereikte ons vanuit een centrum voor deeltijds onderwijs (CDO) in Antwerpen.

Aansluitend is het volgens mij zeer belangrijk dat de begeleiding op niveau blijft en dat ook de intensiteit op niveau blijft. Dat blijkt in de praktijk op de werkvloer toch minder het geval te zijn.

Tot slot zijn er negatieve signalen die ons bereikten over de inspraak vanuit het veld. Trajectbegeleiders gaven aan dat zij tijdens de workshops vaak op een muur stootten bij vragen en opmerkingen, zowel bij SYNTRA als op sommige werkplekken.

Een laatste absurditeit, een concreet geval dat ons werd aangereikt, was dat leerlingen die in het kader van duaal leren op de werkvloer hun beroepskwalificaties hebben behaald en vervolgens ook nog een diploma secundair onderwijs wensen te behalen, in de problemen komen. Vroeger volgden deze leerlingen bijvoorbeeld nog een jaar deeltijds onderwijs, terwijl men bij dezelfde werkgever bleef. En dit kan vandaag niet meer. Een leerling-bakker wordt nu gedwongen om bijvoorbeeld nog een jaar verkoop te volgen met andere werkplekken om toch dat diploma secundair te halen. De vraag is of dat nodig is. Bij de school werd dat als een absurde situatie aangevoeld.

Minister, ik denk dat we ons van meet af aan hebben neergelegd bij de beperkte verwachtingen naar mentoren. Het evenwicht tussen onderwijs en werk werd onvoldoende bewaard. De slinger is veel te hard doorgeslagen in de richting van het belang van de werkgevers en de arbeidsmarkt.

Minister, uit bezorgdheid voor de vele stakeholders op het terrein zou ik willen oproepen om een open, transparante evaluatie te doen van de lopende proefprojecten. Dus: eerst een evaluatie en dan pas eventueel een definitief kader uitrollen. Want hier holderdebolder mee doorzetten is volgens mij niet in het belang van heel wat leerlingen die met veel engagement in het stelsel van duaal leren zitten.

Collega’s, ik wil een paar zaken aanhalen.

Ik wil er echt toe oproepen om op te letten met vooruit te lopen op de evaluatie. Ik denk dat die evaluatie heel wat zaken aan het licht zal brengen, die zal samenbrengen, rubriceren en ook objectiveren. Want, er wordt wel wat verteld. Maar als je het dan bekijkt, zoals de minister ook al heeft verteld, is er geen enkel probleem wat betreft die wachttijd omdat het alternerend leren is. Maar zulke zaken doen dan wel de ronde. We moeten opletten om al te snel mee te stappen in grote verhalen.

Dat neemt niet weg dat er inderdaad her en der zaken zijn die anders en beter kunnen. We moeten die oplijsten in het licht van de totale evaluatie.

Ik zou nu niet beginnen sleutelen. Dat is mijn advies aan de minister. Laat ons die evaluatie en alle onderdelen meenemen.

Ik ben het eigenlijk niet eens met collega Gennez wanneer ze zegt dat de slinger naar de arbeidscomponent is doorgeslagen. Heel veel contracten zitten onder 20 uur en gaan maar over 10 tot 12 uur. Hoe kan de slinger zijn doorgeslagen als leerlingen heel weinig tijd, maar de helft van 20 uur, op de arbeidsmarkt zijn?

Ik denk dat we effectief mentoren moeten vormen, maar ik wil toch waarschuwen er geen volwaardige lerarenopleiding van te maken. Ik vrees dat we dan geen enkele werkplaats meer vinden, zeker niet in kmo’s. Dan verliezen we wat we eigenlijk willen bereiken, namelijk jongeren vorming geven die al werkend willen leren. We hebben dat nu eindelijk erkend en we moeten opletten dat we van die component geen volwaardige onderwijsplaats maken. Statuten invoeren voor werkplekmentoren en dergelijk meer lijkt me niet wijs te zijn.

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Bij de stemming over het decreet heb ik ook kort het woord genomen. Voor mij was toen de vraag naar evaluatie essentieel. Die is opnieuw belangrijk, nu ik de collega’s en de minister beluister. Mijn vraag is eenvoudig: komt er een evaluatie, minister?

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik ben het niet eens met de conclusie van mevrouw Gennez dat alles te snel gaat. Inzake duaal leren moeten we echt heel dringend stappen vooruit zetten. Toen collega Muyters en ik twee jaar geleden met het traject van start gingen, ben ik ook geschrokken van de diepe kloof tussen onderwijs en werk, tussen schoolomgeving en bedrijfsomgeving. Dat staat een beetje haaks op de vragen van jongeren. Die vragen net om in een praktijkcontext terecht te kunnen komen. Mij nu vragen om het proces te vertragen, kan niet. Daar ben ik het zeker niet mee eens. We moeten vooruit op de ingeslagen weg.

We zullen na het proefproject de evaluatie maken, mijnheer De Meyer, maar ik vind het wel van belang dat alles niet stilvalt. U vraagt niet om te stoppen en dan de evaluatie te maken, dat weet ik. De evaluatie moet er komen en wordt komend jaar gemaakt, maar de trein moet blijven rijden. De evaluatie is bedoeld om ons decreet aan te scherpen. Voor mij mag het decreet er eerder al zijn, maar we moeten ten gronde met de evaluatie rekening houden om waar nodig te kunnen bijsturen. Dat is voor mij elementair.

Ik kom dan bij de hele discussie over de trajectbegeleider of de mentor. De opleidingen zijn heel verschillend en de meerwaarde van duaal leren zit in het feit dat een deel van de opleiding op de werkvloer wordt gegeven. Die werkvloer moet natuurlijk wel een werkvloer blijven en het mentortraject moet aangepast zijn aan die werkvloer. Ik ben bijzonder beducht om nu te bepalen welke opleiding de mentor moet hebben gevolgd. Dan komen we weer in iets kunstmatigs terecht. De bedrijven moeten er natuurlijk voor zorgen dat kwaliteitsvolle mensen mentor worden. Ik zie dat in de bouw. De Confederatie Bouw is voluit aan de slag gegaan om een eigen traject te ontwikkelen. Dat zien we op veel plaatsen gebeuren en ik vind dat een goede zaak. In Duitsland zien we dat het systeem perfect werkt, dat er veel vertrouwen is in de manier waarop de bedrijven dat doen. Dat vertrouwen wil ik kansen geven. Ofwel lukt het, ofwel lukt het niet, maar de bedrijfswereld snakt naar duaal leren en is enthousiast en we moeten hen de kans geven zich te organiseren. Ik vind niet dat de mentoren een lerarenopleiding moeten volgen, want dan kunnen we evengoed gewoon onderwijs geven. Dan moeten we geen duaal leren organiseren. Ik verwacht wel zelfreflectie van de sector om de mentorschapstrajecten goed in te vullen, en op heel veel terreinen zie ik dat ook zo gebeuren.

Er is op het ogenblik geen probleem met de werkplekken in duaal leren, mevrouw Helsen. Er is wel een probleem in leren en werken. Voor duaal leren melden heel veel bedrijven zich aan, maar – en daarin moet ik mevrouw Gennez een beetje gelijk geven – er is echt grondig beterschap mogelijk in het matchen van scholen en bedrijven. We zien daar dat er geen ‘fixer’ of ‘matcher’ is. Moet SYNTRA Vlaanderen dat doen of moeten we een mister of misses duaal leren aanstellen bij wie alle vragen terechtkomen en die de match maakt? Ik weet het niet. Ook op het kabinet krijgen we vragen van scholen en sectoren hoe ze het moeten doen. Dat aspect is dus nog niet optimaal. Ik erken dat en er moet aan gewerkt worden. We bekijken ook met SYNTRA Vlaanderen of daar nog wat beterschap zit. Er wordt aan gewerkt.

Over de werkplekken in leren en werken hebben we met de administratie al zware discussies gehad. Jongeren in leren en werken moeten eigenlijk ook een werkplek hebben. Vaak is die niet afgestemd op hun opleiding. Ik hoor dan zeggen dat die jongeren deeltijds naar school gaan en deeltijds werken en dat het niet absoluut noodzakelijk is dat opleiding en werkplek bij elkaar aansluiten. Dat vind ik vreemd. Een kappersopleiding volgen en in de namiddag bij de slager werken, vind ik persoonlijk raar. In het stelsel van leren en werken gebeurt dat soms. Het is zelfs zo dat niet alle jongeren een werkplek hebben. Daar zit het grootste probleem. In duaal leren is dat probleem er niet, maar in leren en werken wel. Zoals u weet hebben we de naadloos flexibele trajecten in het gewoon onderwijs wat versterkt, om te vermijden dat jongeren in leren en werken terechtkomen als dat niet nodig is en als ze perfect een voltijdse schoolcarrière kunnen volgen.

Daar is ook nog een uitdaging, die evenwel niets met duaal leren te maken heeft, maar alles met de manier waarop we onze meest kwetsbare leerlingen gaan begeleiden.

Mijnheer De Meyer, elk jaar wordt er een rapport opgeleverd van het duaal leren. Naast de grote evaluatie, krijgen we voor het zomerreces ook een evaluatie van de manier waarop het dit schooljaar gelopen is om bij te sturen naar het volgend schooljaar. Zo hebben we uit de eerste evaluatie vernomen dat de oproep en de keuze van studierichtingen wat laat was gekomen en dat scholen daarom geaarzeld hebben om mee te doen. We hebben nu dus vroeger beslist welke bijkomende richtingen er zijn. We volgen dit dus jaar na jaar op, maar er komt ook nog een grote evaluatie.

De kwaliteit van de werkplekken, waar mevrouw Gennez het over had, is ook mijn bezorgdheid. Daar zullen de pilootprojecten ook absolute duidelijkheid over verschaffen. Mevrouw Helsen, we werken ook aan het gemeenschappelijk kwaliteitskader, ook voor de werkplek. Naast de mentor is er ook een kwaliteitskader op de werkplek. Syntra Vlaanderen werkt aan een systeem van kwaliteitsbewaking samen met de sectoren. Daar komen wel extra hefbomen, maar we moeten natuurlijk wel zorgen dat het ook aantrekkelijk blijft voor bedrijven om erin te stappen.

Tot zover mijn antwoord op uw aanvullende vragen, samen met mijn vraag aan u om dit dossier positief te bekijken. Sommigen zeggen dat het doorgeslagen is naar de arbeidsmarkt. Dat is helemaal niet zo. Van de bedrijven krijgen we vaak de opmerking dat ze de greep van onderwijs voelen. Het mooiste bewijs van het feit dat we niet doorgeslagen zijn naar de arbeidsmarkt is tegelijk ook een achilleshiel voor mij, namelijk dat jongeren op elk moment van het jaar moeten kunnen terugkeren naar het voltijds onderwijs. Dat is de beste garantie dat ze in een traject moeten blijven zitten waarbij ze terug kunnen naar onderwijs. Dat is evenwel een achilleshiel voor de aantrekkelijkheid van sommige opleidingen, omdat dit niet voor elke opleiding mogelijk is. Ik zal met u nog van gedachten moeten wisselen over de vraag of dit zo moet blijven, dan wel of we die mogelijkheid bijvoorbeeld beperken tot de kerstvakantie.

Ook inzake het partnerschap en de gemeenschappelijke beleidsraden voelen we wel wat spanning, maar dat is een gezonde spanning tussen Onderwijs en Werk. Onderwijs wil dat het diploma evenwaardig is, Werk wil dat de werkgevers ook voldoende erkend worden in hun expertise. Nu zeggen dat de slinger doorslaat naar werk houdt geen steek. Dit dossier interesseert mij persoonlijk heel sterk, omdat ik wens dat het zou slagen. Het is onze opdracht om samen met minister Muyters die muren tussen Onderwijs en Werk te slopen en te werken aan het vertrouwen in elkaars kwaliteiten.  

Mevrouw Helsen heeft het woord.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, het is belangrijk om wel door te gaan met het project. Ik ben het niet eens met degenen die vragen om ermee te stoppen. Er zijn een aantal knelpunten, maar ik vind het belangrijk om niet te wachten tot de grote evaluatie, om al geleidelijk bij te sturen, daar waar het kan. Over een aantal punten hebben we nog onvoldoende kennis en daarvoor wachten we het best tot we daar een beter zicht op hebben.

Het is dus belangrijk om de proeftuin zeer goed op te volgen en om geleidelijk aan te leren en bij te sturen, maar met aandacht voor de kwaliteit van het duaal leren, zowel op school als op de werkplek. Zo wordt duaal leren een onderwijskeuze waarvan jongeren er mogen op vertrouwen dat het een goede kans is om een kwalificatie te behalen die evenwaardig is aan een traject binnen het voltijds onderwijs. Daarom vond ik het wel belangrijk om nu al de knelpunten die in het veld ervaren worden hier aan de orde te stellen om te kijken of dat kan worden geremedieerd. Indien dat nu nog niet kan, moet het verder opgevolgd worden. Ik stel vast dat vandaag wel al een aantal zaken opgevangen of voorbereid worden. 

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.