U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, samen met deze vragen om uitleg was er ook een vraag om uitleg van de heer Vandenberghe geagendeerd. Maar omdat de heer Vandenberghe ziek is, zal ik zijn vraag samen met mijn vragen in één globaal pakket gieten.

We zijn het, denk ik, allemaal eens, over de grenzen van meerderheid en oppositie heen, dat de attractiviteit van het lerarenberoep mag worden versterkt. We hebben tegen 2030 60.000 extra leerkrachten nodig. We zien de instroom in de lerarenopleiding dalen. We zien ook dat te veel jonge leerkrachten het beroep verlaten bij het begin van hun carrière, en dat het risico op burn-out in het Vlaamse onderwijs het hoogste is van alle sectoren. Het schommelt nu al rond de 12 procent.

Daarnaast blijkt uit de recent opgeleverde SERV-barometer (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) dat de werkdruk bij leerkrachten wordt aangevoeld als stijgend. In de periode 2004-2013 gaf ongeveer 10 procent van de leerkrachten aan dat de werkdruk acuut problematisch was. Dat was in 2016 volgens de SERV al bijna 16 procent. Waar in 2013 nog ongeveer 70 procent zei dat de job aangenaam was en de werkdruk niet problematisch, is dat nu teruggevallen tot 62 procent.

De analyses zijn gemaakt en gekend, en ze worden gedeeld. Minister, u hebt pogingen ondernomen om tot een groot akkoord te komen. U hebt ook voorstellen gedaan, onder andere over de 22 uur voor de tweede en derde graad van het secundair onderwijs, die niet op de instemming van de vakbonden konden rekenen. De vakbonden hadden u op een bepaald moment gezegd dat zij wilden praten over de versterking van het lerarenberoep, maar zij vroegen daar extra middelen voor. Zij vinden het niet rechtvaardig dat een deel van het lerarenkorps, de masters in de tweede en de derde graad, eigenlijk het loopbaanpact van alle andere collega’s zou moeten betalen. Zij vinden het niet billijk dat de opdracht van bepaalde leerkrachten, voor wie de werkdruk nu al hoog is, serieus zou verzwaren. Zij vinden het niet kies om 10 procent inlevering te vragen. In de privé zou dat ten aanzien van geen enkel ander jobprofiel worden gedaan.

Ondertussen zijn de gesprekken opgeschort, als ik het goed begrepen heb. Minister, u hebt de fameuze werklastmeting aangekondigd. Daar zijn we blij mee omdat het een beetje vreemd was dat de kar voor het paard werd gespannen: eerst vragen om meer te werken en tegelijkertijd een studie bestellen om de werkdruk te meten, dat leek ons niet de correcte volgorde in de aanpak.

Ik heb een aantal heel concrete vragen. Ik begin met mijn vragen omdat ze wat breder gaan, terwijl de vragen van de heer Vandenberghe ook verwijzen naar Nederlands onderzoek.

Minister, wat wordt het exacte opzet van de aangekondigde werklastmeting? Kunt u de concrete inhoud van dit onderzoeksproject weergeven alsook de timing van de oplevering?

Bekijkt u deze werklastmeting enkel in het licht van het lerarenloopbaanpact voor leerkrachten secundair of zult u ook de evaluatie van de werklast in het kleuter- en lager onderwijs meenemen?

Worden de sociale partners betrokken bij het bepalen van het opzet van deze werklastmeting?

Welke impact zal de timing van de studie hebben op het verloop van het lerarenloopbaanpact? Ik neem aan dat u eerst de oplevering verwacht vooraleer u verdere stappen onderneemt.

Hebt u een verklaring voor de plotse stijging sinds 2014 van de werkdruk, zoals vastgesteld door de SERV?

In welk pakket aan maatregelen voorziet u nog, zowel binnen het lerarenloopbaanpact als daarbuiten, om op korte termijn de werkdruk te doen dalen en dus echt werk te maken van werkbaar werk voor alle leerkrachten – niet alleen voor starters en niet alleen voor leerkrachten aan het einde van hun carrière, maar voor alle leerkrachten?

Dan zijn er de concrete vragen van de heer Vandenberghe met betrekking tot een studie van de Algemene Onderwijsbond naar de tijdsbesteding van leraren in het primair onderwijs – dat is bij ons het kleuter- en lager onderwijs – en in het voortgezet onderwijs.

Minister, kent u dit onderzoek en de resultaten ervan? Zijn die resultaten gelijklopend met de situatie van leerkrachten in Vlaanderen? Indien dit niet zo is, bent u dan bereid om dergelijk onderzoek naar de werklastmeting ook bij ons uit te voeren? Hoe heeft dat impact op de uitrol van het lerarenloopbaanpact?

Dan is er mijn vraag om uitleg over de werklast in het onderwijs. Ik heb nog een heel concrete vraag die ik had ingediend na het afspringen van de gesprekken met de vakbonden. Is er ondertussen duidelijkheid over de budgettaire ruimte die zij hadden gevraagd om vrij te maken? Welke garanties kunt u bieden dat de reële noden, zoals die zullen blijken uit de werklastmeting, ook effectief in scholen zullen kunnen worden gedekt met het maatregelenpakket dat u voorbereidt? Op welke manier denkt u prioritair in te zetten op korte termijn om toch al de aantrekkelijkheid van het beroep te versterken, misschien al voor het afronden van de studie, specifiek ten aanzien van jonge starters of met betrekking tot maatregelen om het werkbaar werk ook voor mensen die later met pensioen kunnen, mogelijk te maken? Wat is nu de stand van zaken in uw gesprekken met de sociale partners, zowel de inrichtende machten als de vakbonden?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, ter inspiratie verwijs ik eventjes naar mijn vraag om uitleg van donderdag 11 juni 2015 over het onderzoek naar de taakbelasting bij leerkrachten. Ik ga er niet uit citeren, noch uit de vraagstelling, noch uit het antwoord, maar ter inspiratie geef ik het mee aan collega’s die erin geïnteresseerd zouden zijn.

Mijn vraag van vandaag is geformuleerd op 29 februari, dus ze is opnieuw reeds een beetje achterhaald. Minister, toen tijdens de vergadering van de commissie Onderwijs op 29 september mijn vraag om uitleg over het loopbaanpact werd behandeld, kregen we van u een schets van de stand van zaken, en ook de belofte om de leden van de commissie op de hoogte te houden. U stelde dat de gesprekken lopen. Er werd ook een beetje relativerend aan toegevoegd: “Ik kan niet elke week een stand van zaken geven.” Op 29 februari waren de besprekingen ondertussen dus opnieuw gestart. Onder meer de uitwerking van het startersplatform, een nieuwe versie van de vroegere vervangingspool voor jonge leerkrachten en mijns inziens een bijzonder belangrijk onderdeel in het loopbaanpact, wordt gezien als een stap vooruit naar het aan de slag houden van jonge leerkrachten, wat broodnodig is voor de nabije en verdere toekomst.

Minister, mijn specifieke vragen in verband met dit specifieke luik zijn de volgende, en ik vind ze nog steeds actueel. Hoeveel personen, geklasseerd als voltijdsequivalent over heel Vlaanderen, zouden er volgens u moeten kunnen starten in dit startersplatform? Een vervangingspool kost minder dan op het eerste gezicht lijkt, omdat de leden van die pool niet compleet boven op de reguliere tewerkstelling moeten worden gerekend: vaak zullen ze worden ingezet voor tijdelijke betrekkingen, waarvoor anders hoe dan ook een verloning nodig was. Kunt u aangeven wat ongeveer de verhouding is tussen de reële kostprijs, dus de kosten van de pool minus de vervangingskosten, en de bruto kostprijs van het startersplatform? Als door maatregelen veranderingen optreden in de aantallen tewerkgestelde leerkrachten die nog niet benoemd zijn, kunnen in bepaalde regio’s wellicht jobs verloren gaan, ook voor tijdelijken van doorlopende duur, terwijl op macroniveau geen verlies aan tewerkstelling optreedt. Is het in dat geval mogelijk dat de nieuwe versie van de vervangingspool ook een deel van de verloren uren bij die mensen goedmaakt?

Collega’s, mijn vraagstelling lijkt een beetje punctueel, maar ermee vraag ik aandacht voor een van de meest belangrijke luiken van het loopbaanpact, zijnde de tewerkstelling van en meer werkzekerheid voor jonge leerkrachten. Mijn vraagstelling is tegelijkertijd een aanbeveling om zeker met dit luik op dit moment verder te gaan in de gesprekken met de sociale partners.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Mijn vraag is ingediend op 17 maart, dus die zal qua insteek wel licht verschillen van die van collega De Meyer.

Minister, na enige tijd van onderhandelen verspreidden de vakbonden op 16 maart een gemeenschappelijke verklaring dat de verdere gesprekken in de richting van een lerarenloopbaanpact zouden worden verdaagd in functie van een studie naar de taakbelasting van de leerkracht. U engageerde zich ertoe dat de vakbonden nauw zouden worden betrokken bij de bepaling van de opdracht van dat onderzoek. Praktisch betekent dat dat er met dat onderzoek in de loop van de komende weken kan worden gestart, neem ik aan, maar ook dat het feitelijke eindrapport waarschijnlijk pas in 2018 zal worden opgeleverd. Als ik het goed heb begrepen, is dat zo.

Dat houdt in dat er het komende jaar van veel verdere gesprekken in de richting van een echt pact eigenlijk geen sprake meer zal zijn. Dat is een pijnlijke vaststelling, gezien de grote nood aan duidelijkheid op het terrein, zowel over de opdracht van de leerkracht vandaag als over wat die in de toekomst zoal kan gaan inhouden. Dat zijn althans mijn bedenkingen, mijn bezorgdheden op dit moment, en dat wou ik even meegeven.

Ik zal meteen overgaan tot de vragen die ik daarover heb. Minister, wat is de concrete procedure, en de daaraan gekoppelde timing, om te komen tot het eindrapport inzake taakbelasting? Wie heeft de eindverantwoordelijkheid voor dat onderzoek en welke instanties of onderzoekers zullen ervoor worden ingeschakeld? Welke methodologie zal voor dat onderzoek worden aangewend? Zijn er andere, eerder afgenomen data die eveneens in dat onderzoek kunnen worden gebruikt? Wat zal de rol van de vakbonden precies inhouden? Zal er in de loop van de komende maanden nog verder overleg met hen volgen? Zullen er ook andere pistes dan het aanpassen van de noemers worden onderzocht? In welk budget wordt voorzien om dat onderzoek naar behoren te kunnen uitvoeren? In welke mate bent u van mening dat dit onderzoek zal bijdragen aan het verhogen van de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep? Los van het onderzoek naar de opdracht van de leerkracht in het algemeen, welke concrete initiatieven kunnen op korte termijn specifiek voor startende leerkrachten worden verwacht, en welk budget wordt uitgetrokken om te komen tot een professionele aanvangsbegeleiding voor de startende leerkracht? Ik dank u alvast voor uw antwoord.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Geachte leden, ik dank u voor deze bijzonder uitgebreide vraagstelling, waarop ik beknopt zal proberen te antwoorden.

Ik ga eerst eventjes in op dat Nederlandse onderzoek waarnaar werd verwezen.

Voorzitter, collega’s, het onderzoek is gepubliceerd in januari 2017. Het peilde naar de tijdsbesteding van leraren in het primair en het voortgezet onderwijs in Nederland. Het is een initiatief van de Algemene Onderwijsbond, de grootste onderwijsvakbond in Nederland. Het is beschikbaar op de website, en ik heb er kennis van genomen. Het onderzoek steunt op een bevraging en een tijdsregistratie bij de leden van de vakbond. Het onderzoek in Vlaanderen gebeurt in opdracht van mij. Het komt er via een procedure van openbare aanbesteding waarop verschillende onderzoeksinstellingen kunnen inschrijven. Ik kan uiteraard nog niet vooruitlopen op de resultaten van dit onderzoek, want het is zelfs nog niet aanbesteed.

De heer De Meyer en ook anderen hebben al verwezen naar de debatten die hier al werden gevoerd. Het laatste was op Gedichtendag, twee dagen nadat ik de vakbonden heb ontvangen. De uitgebreide discussie die we daarover hebben gevoerd, zal ik hier niet hernemen. Ik zei toen ook met welk pakket ik naar de werkgevers en werknemers ben gestapt. Mevrouw Gennez, u had het over die 22 uur. Het gaat over veel meer dan dat. Het betreft een bouwstenenpakket dat ervoor moet zorgen dat de globale taakbelasting van de leraren vermindert, ook bij diegenen die 1 of 2 uur extra moeten lesgeven dankzij het elimineren van niet-klasgerelateerde taken. Het moet ook voor hen haalbaar worden gemaakt. De middelen moeten worden geherinvesteerd en geheroriënteerd.

Tijdens de ontmoeting met werkgevers en werknemers is ingegaan op de maatregelen die ik heb voorgesteld, maar een consensus kon niet worden bereikt. Zeker de vakbonden waren van mening dat er eerst een taakbelastingsonderzoek moet worden uitgevoerd. We hebben nadien de werkgevers en werknemers apart gezien, en hun voorgesteld om het taakbelastingsonderzoek uit te voeren. Iedereen ging akkoord. Dat heeft gevolgen. Men kan niet onderhandelen over een loopbaanpact wanneer een taakbelastingsonderzoek nog loopt. Waarom is dat taakbelastingsonderzoek nog niet gebeurd? Mevrouw Brusseel, u zei op de vorige bijeenkomst van de commissie dat u mijn voorganger hebt gevraagd om zo’n onderzoek te bestellen, maar dat is dus nooit gebeurd. Men heeft me tijdens de bilaterale gesprekken ook nooit gevraagd om een taakbelastingsonderzoek te bestellen. Nu is dat wel het geval. Ik zal het niet van bovenaf opleggen, maar samen met de sociale partner aanpakken. Ik wil niet een oplevering in handen krijgen die dan door iedereen wordt gecontesteerd.

In de week van 13 maart zijn we het eens geraakt dat er een studie komt. Ik heb begrepen dat dit ook in het Vlaams Parlement, door alle collega’s, over meerderheid en oppositie heen, wordt gevraagd. Wat is het opzet? De studie moet inzicht bieden in wat een moderne omschrijving van de opdracht van de leraar anno 2017 is en hoeveel tijd men aan deze taken besteedt. Ik heb de opdracht voor de studie gegeven, maar de aanbesteding is nog niet gebeurd. Er is een oproep gelanceerd en er is al een eerste gesprek met ingeschreven kandidaten gebeurd. De desbetreffende bestekken moeten nog worden aangepast. De sociale partners zullen bij de uitvoering van de studie over de taakbelasting worden betrokken.

De resultaten van de studie over de taakbelasting wachten we af alvorens we de gesprekken over de opdracht van de leraar voortzetten. Ik heb het over de opdracht van de leraar in de brede zin van het woord, mevrouw Gennez. We beperken ons dus niet tot de noemer. Daarvoor bestaat een heel groot draagvlak. Met dit onderzoek willen we zicht krijgen op het volledige takenpakket van de leerkrachten en de tijd die de leerkracht aan deze taken besteedt. We vragen aan de onderzoekers om een geobjectiveerd en representatief beeld te krijgen van de omvang en de samenstelling van de volledige tijdsbesteding van leerkrachten in de verschillende onderwijsniveaus – kleuter-, lager en secundair onderwijs – en onderwijsvormen. We beperken ons dus niet tot de noemer, maar bekijken het volledige pakket.

Bovendien willen we zicht krijgen op eventuele significante verschillen en of die kunnen worden verklaard op basis van individuele kenmerken zoals aard van het vak, de functie, de school- en klaskenmerken, het onderwijsniveau – met inbegrip van de graden in het secundair onderwijs –, de onderwijsvorm en het personeelsstatuut.

We zullen het volledige plaatje opentrekken. Wat is de taakbelasting? Hoeveel tijd steek je erin? Wat zijn gebeurlijke verschillen? (Opmerkingen van Ann Brusseel)

Ik herhaal het nog eens. U kunt het natuurlijk ook nalezen in het verslag. We onderzoeken of er significante verschillen zijn. Het is dus niet zo dat we één kleuterleider, één leerkracht uit het basisonderwijs zullen uitlichten. We zullen de types bekijken. We zullen onderzoeken of die verschillen kunnen worden verklaard vanuit individuele kenmerken, zoals het vak, de functie, de school- en klaskenmerken of het onderwijsniveau. (Opmerkingen van Ann Brusseel)

Leerlingenkenmerken? Klaskenmerken zijn daarin inbegrepen. Je zou kunnen zeggen: een klas met veel socio-economische status (SES) of een klas met weinig SES. Het gaat niet over: waar staat de bloembak in de klas? Misschien heeft het impact. Maar we moeten natuurlijk ook wel grenzen trekken. Daarover lopen er gesprekken met de sociale partners, zodat ze zeer goed weten wat er wordt onderzocht en dat er daarover ook eensgezindheid is, zodat er achteraf geen discussie meer over kan zijn en we goed aan de start verschijnen. Als u hier vandaag nog opmerkingen maakt over wat u nuttig vindt, kunnen we dat ook nog meenemen. Dus: voel u vrij, uiteraard binnen het tijdsbestek van deze middag, mevrouw Brusseel.

We verwachten dat de conclusies input leveren voor de verdere gesprekken in het kader van het lerarenloopbaandebat en -pact. Het onderzoek moet een bijdrage leveren tot de beleidsontwikkeling. Daarmee ben ik het wel eens. Maar het onderzoek vertrekt niet vanuit beleidsmatige voorafnames. De onderzoekers voeren het onderzoek in alle autonomie, los van mogelijke beleidsopties, uit. Het gaat over het inventariseren van wat er allemaal nodig is.

Wat is de procedure? Momenteel is de oproep tot intekening op dit onderzoek gelanceerd U vindt dat op onze website www.onderwijs.vlaanderen.be, bij het luikje ‘oproepen voor onderzoeksvoorstellen’. De uiterste datum om voorstellen in te dienen, was 27 maart 2017. Die datum is al een paar dagen voorbij.

De voorstellen worden op dit ogenblik beoordeeld door een beoordelingscommissie, die werd samengesteld door de secretaris-generaal van het Departement Onderwijs en Vorming. Op basis van het advies van de beoordelingscommissie wordt dan over de gunning van het onderzoek beslist. Voor de uitvoering van de opdracht wordt een maximumduur van elf maanden vastgelegd vanaf de startdatum. De beoogde startdatum is 1 mei 2017. Dat is geen symbolische, maar wel een nuttige datum. De precieze startdatum zal uiteraard worden afgesproken met de onderzoekers aan wie het onderzoek gegund wordt. Het volledige eindrapport moet ten laatste worden opgeleverd op 31 maart 2018.

De onderzoeksactiviteiten zullen worden opgevolgd door een stuurgroep, die is samengesteld door de secretaris-generaal van het departement. In die stuurgroep zullen vertegenwoordigers van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, maar ook van de vakorganisaties en de koepelorganisaties zetelen. De stuurgroep heeft de taak om de kwaliteit en het verloop van het onderzoek te bewaken. Ze stelt samen met de onderzoekers de onderzoeksvragen scherp, ze geeft advies over de instrumentontwikkeling, de contactname met respondenten en ze verstrekt tot slot advies aan mezelf over de communicatie en de valorisatie. Ook hierover kunt u meer info vinden op de website.

In het bestek wordt geen voorafname gedaan op de methodologie. Die methodologie maakt deel uit van de gunningsprocedure. Die bekijken we dus daar. In het bestek wordt gevraagd naar actuele data om een geobjectiveerd en representatief beeld te krijgen van de tijdsbesteding van leraren. We vragen hiermee naar een nieuwe dataverzamelingsronde. Het is aan de indieners om in hun offerte aan te geven op welke wijze ze aan dataverzameling zullen doen en welke eventuele secundaire analyses zij zullen uitvoeren.

De gunningsprocedure loopt nog steeds, en het is nu dus te vroeg, collega’s, om te melden aan wie deze opdracht zal worden toegekend. De kostprijs is mee bepalend voor het gunnen. Wij communiceren nooit over het beschikbare budget. Het zou namelijk een beetje raar zijn dat we op voorhand zeggen wat het is. Het is een openbare aanbesteding. We zoeken dan de beste offerte. Het onderzoek zal sowieso plaatsvinden. Na de gunning zal ik u laten weten wat het budget is dat daarvoor wordt uitgetrokken.

Daarover zijn we het eens geworden tussen werkgevers en werknemers. Dat heeft natuurlijk ook consequenties, collega’s. Betekent het dat alle gesprekken nu opgeschort zijn? Neen. Ik heb aan de sociale partners gevraagd om opnieuw rond de tafel te gaan zitten om een inventaris te maken van maatregelen die buiten de scope vallen van het onderzoek dat nu loopt en die een positieve impact kunnen hebben op de loopbaan van de leraar.

Ik heb als voorbeeld de pool voor startende leraars gegeven. Want die pool of de manier waarop je werkzekerheid geeft aan starters, staat los van de noemerdiscussie, staat los van de gebeurlijke uren dat je ze vrijstelt om, wat in ons initiële voorstel zat, bij te scholen tijdens de start. Dat is iets wat je, zoals de heer De Meyer zei, volledig los kan zien van de scope van het onderzoek zoals die op dit ogenblik gedaan is.

Ik heb de werkgevers en werknemers gevraagd om mij niet-limitatief een aantal suggesties te doen over wat volgens hen kan worden losgekoppeld. Maar we moeten het erover eens zijn wat die maatregelen dan zijn.

Ten tweede is het de bedoeling om tot een inhoudelijke consensus te komen. Betekent dat, collega’s, dat we dan naar een minipact aan het evolueren zijn? Neen.

De afspraak is gemaakt dat als we over deelmaatregelen een consensus tussen werkgevers, werknemers en overheid bereiken, deze onderdeel kunnen zijn van een globaal pact, maar dat we pas over een pact zullen spreken als er overeenstemming is over alle elementen. Daarover zijn we het eens. Als we bijvoorbeeld tot een consensus komen over de startende leraars, dan spreken we nog niet van een pact. We gaan voor een totaalpakket. Men kan niet koud en warm tegelijk blazen. Men kan niet kiezen voor een studie en dan kwaad zijn dat we een studie uitvoeren. We moeten een consensus vinden. We zijn in blijde verwachting van een aantal voorstellen van werkgevers en werknemers.

Ik kom dan bij de budgettaire ruimte. Zoals gezegd heb ik op 15 februari in het Vlaams Parlement de sociale partners opgeroepen om inhoudelijk te blijven overleggen. Ik heb me toen ook bereid verklaard om binnen de budgetten van de Vlaamse Regering op zoek te gaan naar middelen. Maar dit is een verhaal van de kip of het ei. U kent de budgettaire situatie en het is zeer moeilijk om een blanco cheque te vragen. Ik heb dus consensusmaatregelen nodig, en dan is het zaak om daarvoor middelen te vinden.

Die boodschap is ook gegeven aan de werkgevers- en de werknemersorganisaties. Werkgevers en werknemers zijn afzonderlijk aan tafel gekomen en ik hoop dat er zeer binnenkort ook inhoudelijk kan worden gesproken, binnen de contouren die ik net heb geschetst.

Eerlijkheidshalve moet ik wel zeggen dat ik op de plenaire vergadering met werkgevers en werknemers heb vastgesteld dat er over heel weinig maatregelen eensgezindheid is. Daarom hadden we een, vind ik zelf, evenwichtig pakket voorgesteld, maar daar zit nog wel wat spanning. Een voorbeeldje dat ik misschien al heb gegeven, is dat van het toezicht tijdens speeltijden. Is dat inherent aan de job van leraar of behoort het er niet toe? Ik merk dat sommige werkgevers en werknemers op dat punt diametraal tegenover elkaar staan. Mogelijk is de startende leraar net wel een van de punten waarover consensus kan worden gevonden, maar de violen zijn nog niet helemaal gestemd. Wij werken daaraan verder, de agenda wordt opgemaakt en ik hoop dat we snel verder gesprekken kunnen voeren.

Ik kom dan bij de zeer pertinente vragen over de stijging in de werkdruk sinds 2014. In deze context is de SERV-monitor zeer interessant. Die gaat natuurlijk niet alleen over onderwijs en toont een stijging in de werkdruk over de hele arbeidsmarkt, en zeker ook in onderwijs. Ik geef een paar cijfers mee. In 2016 behoort 63,2 procent van de werknemers tot de niet-problematische categorie. Voor onderwijs is dat 62,8 procent, een klein beetje onder het gemiddelde dus. In 2013 was het globaal nog 71 procent en zat onderwijs op 71,6 procent. In 2004 was het 69 procent met onderwijs op 72,2 procent. Onderwijs zat dus vroeger een stuk boven de middellijn en nu er een beetje onder. De situatie is dus minder niet-problematisch. Mevrouw Gennez heeft vooral naar de werkdruk gekeken, maar ik wil u vragen naar twee zaken te kijken, zowel de werkdruk als de emotionele belasting. Dat zijn twee belangrijke componenten. In 2016 is onderwijs 62,8 procent niet-problematisch, gezondheids- en welzijnszorg scoort minder goed met 61,8 procent niet-problematisch. De zakelijke dienstverlening zit op 56 procent niet-problematisch, post en telecommunicatie op 55 procent. De categorie niet-problematisch wordt globaal in de samenleving kleiner. Het is dus niet alleen een probleem van onderwijs, het geldt voor de hele samenleving.

Kijken we naar acuut problematisch, dan zien we onderwijs evolueren van 11 procent in 2013 naar 15,8 procent. De gezondheids- en welzijnszorg is geëvolueerd naar 16,3 procent, chemie naar 16,7 procent, de voedingsindustrie naar 21 procent, een stijging met maar liefst 10 procent. Dat zijn enorme stijgingen waarvan we toch eens de precieze oorzaken moeten nagaan.

Ook in de emotionele belasting zien we een beetje dezelfde tendens met een stijging van de cijfers voor de categorie problematisch in 2016. Globaal over alle domeinen heen, zien we meer problemen van werkbaarheid.

Er is zonder twijfel een verband met de emotionele belasting, die in het onderwijs een hogere score vertoont. Onderwijs is een contactberoep: als kinderen bezorgd zijn, komen leerkrachten ook in contact met hun zorgen. Zo is dat vrij goed te verklaren.

Op het vlak van de andere risicofactoren zoals taakvariatie, autonomie, ondersteuning door de leidinggevenden en arbeidsomstandigheden, scoort de sector onderwijs dan weer duidelijk beter dan het Vlaams gemiddelde. Maar op het vlak van de emotionele belasting scoren we dus minder goed. Het Vlaamse gemiddelde is wat dat betreft 77 procent niet-problematisch, en dat is slechts 65 procent in het onderwijs. In de discussie rond de zware beroepen hebben we ervoor gepleit om de emotionele belasting ook mee op te nemen als criterium. Hier zien we dat dit voor onderwijs geen onterechte vraag is.

Mijnheer De Meyer, wat betreft uw punctuele vragen over het startersplatform, bekijk ik momenteel samen met de sociale partners of we dit thema de volgende maanden verder kunnen behandelen. Ik heb een voorstel gedaan voor een platform. Als daar een consensus rond groeit, kunnen we daarop verder werken. De werkgevers zijn zich aan het beraden waarover ze verder willen spreken. Wat mij betreft, is dit een van de maatregelen die al genomen zou kunnen worden in afwachting van de oplevering van het onderzoek naar de tijdsbesteding van de leerkrachten in het basis- en secundair onderwijs. Tot zover de stand van zaken tot vandaag.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, net zoals mevrouw Brusseel vind ik het spijtig dat we terug bij af zitten in de discussie over het lerarenloopbaanpact. Er is inderdaad vergelijkend referentieonderzoek, onder andere van de OESO, waaruit zou blijken dat de gemiddelde Vlaamse leerkracht 39 uur per week werkt. Mij zou het logisch lijken dat men de studie naar de werklastmeting bij het begin van de legislatuur zou hebben besteld, wanneer de voorbereidingen voor het lerarenloopbaanpact werden getroffen. We nemen nu akte van de timing. We gaan ervan uit dat die beslissing eerstdaags genomen zal worden. U kunt dat autonoom doen en dus kan het snel gaan. We kijken uit naar de oplevering binnen de elf maanden na 1 mei, namelijk op 31 maart 2018.

Ik vind het positief dat u de sociale partners mee de opdracht en de reikwijdte van de studie wilt laten bepalen. Dat is belangrijk voor het draagvlak. Ik vind het ook evident dat het dan over de globale opdracht van de leraar zal gaan en niet alleen over de noemer.

Dat u niet communiceert over het budget, lijkt me logisch, omdat we op zoek gaan naar de beste bieder, zowel wat de kwaliteit betreft als de prijs. Mijn vraag was vooral of u extra middelen hebt gereserveerd die u zou kunnen investeren in een attractievere lerarenloopbaan. Tot nu toe had ik altijd begrepen dat dat er niet was en dat u eerst concrete voorstellen afwachtte – in het verleden was dat soms anders – omdat men zich dan kan beperken tot de goede voorstellen en niet de hemel moet beloven evenmin als een panoplie van dure voorstellen.

We gaan het verdere verloop van de werklastmeting en de andere besprekingen afwachten. De verklaring die wij zien voor de stijging van de werkdruk en van de emotionele belasting bij leerkrachten is dat we wel durven vermoeden dat de besparingen van de Vlaamse Regering in het onderwijs het werk alsmaar minder werkbaar maken. De beperking van het tijdskrediet lijkt mij ook iets wat voor veel leerkrachten een zware dobber is. Dat komt boven op de federale maatregelen met betrekking tot de preferentiële tantièmes en de diplomabonificatie zowel voor de berekening van de loopbaanduur als voor de berekening van het pensioen. Dat heeft een negatief effect, zowel op de loopbaan als op de werkingsmiddelen en dat zien we helaas weerspiegeld in de cijfers. We hopen dat er alsnog middelen gevonden worden om te investeren want de druk is, zoals u zelf erkent, zeer groot.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Vooraf wil ik een rechtzetting doen: mijn vraag was ingediend op 14 maart.

Ik wil vier elementen vermelden. Het is belangrijk dat het sociaal overleg wordt verdergezet. De minister heeft duidelijk omschreven waarover de studie zal gaan.

Minister, ik herhaal mijn pleidooi – maar ik heb begrepen dat ik u niet hoef te overtuigen, maar mogelijk lezen de sociale partners ook het verslag – dat het gesprek over de starters, meer werkzekerheid en meer begeleiding, op korte termijn wordt voortgezet.

Minister, veronderstel dat de studie wordt opgeleverd op 31 maart 2018 en u zou willen dat het startersplatform ingaat op 1 september 2018, nadat u een algemeen akkoord hebt over het geheel, dan moet dit hoe dan ook technisch zeer goed voorbereid zijn. Als u dat moet starten op 1 april 2018, dan vrees ik dat het niet zal lukken om dat te laten ingaan op 1 september daaropvolgend.

Ik hoop dat in de studie ook wordt nagedacht over de wijze waarop we een opdracht moeten formuleren. Moet dat nog altijd gebeuren met de formule van noemers? Zijn daar meer eigentijdse formules voor, weliswaar wetende dat het lesgeven en de contacturen essentieel zijn? Maar misschien kunnen de geesten ook rijpen op dat vlak om te zoeken naar een betere formulering die meer eigentijds en adequaat is.

Ik wil ook nog iets zeggen over de middelen. Ik begrijp u volledig wanneer u zegt dat u vooraf moeilijk kunt stellen over welke enveloppe we beschikken voor het loopbaanpact. Wanneer er trouwens wordt verwezen naar het verleden, wil ik toch herinneren dat er in het verleden op dat vlak weinig vooruitgang is geboekt.

Mocht de Vlaamse Regering of mochten sommige fracties denken dat het loopbaanpact en een meer eigentijdse invulling van de boeiende opdracht voor de leerkrachten van morgen, waarbij wij het beroep aantrekkelijk willen maken en extra maatregelen willen nemen voor starters en mensen die aan het eind van hun loopbaan zijn, geen euro zullen kosten, dan is dat mijns inziens een grote illusie. Ik heb dat ook vorig jaar en het jaar voordien al gezegd.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik ben inderdaad bezorgd dat de gesprekken over het lerarenloopbaanpact zouden stilvallen, maar uiteraard ben ik het ermee eens dat men de werklast zou meten. Op een bevraging een poos geleden over de verschillende aspecten van het lerarenberoep hebben veel leerkrachten gereageerd. Een van de zaken betrof de werkdruk en binnen die werkdruk de zaken die men aanziet als opdrachten die behoren tot de kerntaak en opdrachten die daar niet zozeer toe behoren. Er is zeker niet alleen de noodzaak om te meten hoeveel uur per week leerkrachten werken, maar ook in welke taken zij veel tijd stoppen en welke taken zij echt relevant vinden en niet, en waarom.

Een aantal elementen moeten zeker worden opgenomen in het onderzoek. Zoals u het schetst, minister, ben ik zeer tevreden dat inderdaad verschillende zaken zullen worden gemeten, zoals de onderwijsniveaus, de leerlingenkenmerken, de klaskenmerken en de schoolkenmerken. Het is belangrijk daar rekening mee te houden.

Het is goed dat er wordt gekeken naar hoeveel SES-leerlingen in een klas zitten, dat is een belangrijke parameter, maar ook naar waar de school is gelegen. Het kan gaan over kleine gemeenten en plattelandsgemeenten versus centrumsteden en grote steden zoals Brussel, Antwerpen en Gent. Ik neem aan dat daar rekening mee kan worden gehouden.

Wordt er bijkomend in dit kader een werklastmeting gedaan van de directies? Misschien is daarover nagedacht, misschien niet, maar als we kijken naar het ziekteverzuim, het psychosociaal welzijn enzovoort, dan is dat een uitdaging die zich niet alleen voordoet bij leerkrachten maar ook bij directies.

Ik ben tevreden dat die werklastmeting er komt, maar mijn bezorgdheid is natuurlijk dat dit een tijd zal duren en dat daardoor de fundamentele discussie zal stilliggen.

Wat ik zeer goed en belangrijk vind, is dat u inderdaad aan de vakbonden de lijst zult voorleggen met vragen die zullen worden gesteld en waarover zij dan hun zeg kunnen doen. Dat is heel belangrijk om te vermijden dat men achteraf zegt dat er eigenlijk geen objectieve werklastmeting mogelijk is in onderwijs omdat het allemaal zo complex is. Dat zou wel eens een valkuil kunnen zijn. Met alle respect voor de sociale partners die belangrijke bezorgdheden hebben, moeten we ons ervoor hoeden dat ze achteraf komen zeggen dat een gemiddelde leerkracht eigenlijk niet bestaat. Daar ben ik een beetje bezorgd over.

Het is goed dat we intussen kunnen praten over andere maatregelen. Het is goed dat de werkgevers en werknemers met een lijst maatregelen zullen komen. Hopelijk hebben ze er wel een consensus over bereikt. Als ze daar geen consensus over hebben, is het goed dat ook wij blijven nadenken over maatregelen die intussen kunnen worden genomen. U hebt er al enkele genoemd, zoals de vervangingspool en de startersbegeleiding van leerkrachten. We hebben geen bijkomend onderzoek nodig om te zien dat de startende leerkracht beter dan vandaag moet worden ondersteund. De cijfers spreken voor zich. Ik hoop dan ook dat werkgevers en werknemers snel op één lijn zitten over hoe die startende leerkracht moet worden ondersteund. Ook mijn fractie is een fel pleitbezorger om die startende leerkracht beter te ondersteunen zodat die het onderwijs niet te snel verlaat.

Ik heb nog een opmerking over de discussie over de werkdruk en de link die mevrouw Gennez legde met de besparingen. Ik heb er een aantal cijfers bij genomen en ik denk, mevrouw Gennez, dat we alle cijfers moeten bekijken. Als we zien dat de psychische vermoeidheid in de sector is gestegen van 31 procent in 2007 naar 41 procent in 2016, dan denk ik niet dat u dat op deze Vlaamse Regering moet afwimpelen.

Dit is onheus. De werkdruk is gestegen door allerlei factoren. De psychische vermoeidheid kan meer te maken hebben met bepaalde technologische evoluties en de toepassing ervan, dan met het beleid van de Vlaamse Regering. Tenzij u zegt dat het aan de heren Vandenbroucke en Smet ligt. Maar dan moet u daar met hen eens over praten. Ik ga dat niet doen, ik laat die heren met rust. Ze hebben heel belangrijke dingen te doen.

Ze zitten hier sinds 2014 al niet meer, mevrouw Brusseel.

Ann Brusseel (Open Vld)

Dat is niet lang geleden, mevrouw Gennez. Als u met de vinger wijst naar deze Vlaamse Regering over de werkdruk en de consequenties inzake psychosociaal welzijn, dan moet u naar de cijfers kijken. Er zijn hier heel mooie cijfers die gaan over metingen van 2007-2016.

Mevrouw Brusseel, de minister erkent de cijfers. Het is heel vreemd dat u daar een andere draai aan geeft.

Ann Brusseel (Open Vld)

Mevrouw Gennez, ik geef aan niets een draai. Ik vind het niet fijn dat u mij onderbreekt. Wilt u mij laten uitspreken? Dat zorgt voor concentratieproblemen. We moeten daar eerlijk in zijn.

Minister, ik vind het ook belangrijk dat, wanneer de werkgevers suggesties van de vakbonden weigeren, u zich niet onder druk mag laten zetten als ze voor extra middelen pleiten. Misschien kunnen de werkgevers en de koepels ook eens nadenken over de middelen waarmee zij kunnen schuiven om hun jonge leerkrachten beter te ondersteunen.

Ik wil toch enkele zaken inbrengen. Het is een goede zaak dat we de werklastmeting eerst gaan doen. Ik heb er al voor gepleit in actuele vragen en ook in de commissie. Dat is een zeer goede zaak. Als we nu toch een beetje tijd hebben om allerlei zaken uit te rekenen, ik heb in een actuele vraag op 1 oktober 2014 al gevraagd: stel dat die 22 uren er zouden komen, ook na de werklastmeting, kunnen we dan eindelijk eens weten hoeveel mensen in fulltime-equivalenten maar ook in koppen, we uit het onderwijs drukken bij een gelijkblijvend urenpakket? Dat kan ook eens worden berekend. Maar goed, we zijn blij dat die werklastmeting gebeurt.

Minister, het is zeer goed dat u de partners daarin betrekt, dat u geen werklastmeting hebt waarvan achteraf wordt gezegd dat ze niet goed is gebeurd. Want dan staan we nergens. Ze had wat ons betreft wat vroeger mogen gebeuren, maar goed, we zijn nu waar we zijn.

Minister, ik verwees ook naar het rapport van Hay Management van 2001 of 2002. Ik zat toen nog op het secretariaat-generaal, dus het was 2001-2002. Ik raad u aan die studie eens te bekijken en de kritiek die daarop is gekomen, om die te kunnen ondervangen. Er zaten wel een aantal hiaten in dat rapport.

U vroeg naar suggesties van parameters om nog mee te nemen. Dan kunnen we die ineens ook meegeven. Er zijn twee zaken die je moet proberen te detecteren als verklarende variabelen, want dat heb ik niet gehoord, maar ik kan mis zijn. Dat is de koepel waartoe een school behoort, tenzij u dat automatisch bij de factor school neemt, maar daar ben ik niet zeker van. Als het gaat over bepaalde vakken, welke leerplannen worden er gebruikt? Dat is een zeer interessant gegeven. Als leerkrachten spreken over werkdruk, vanwaar komt die dan werkelijk?

Een open deur intrappen is uiteraard planlast. Wellicht zult u zeggen: als u zo voortgaat, ben ik hier een mega-onderzoek aan het doen en dat krijgen we niet gedraaid. Dus ik zal zelf maar al die feedback geven. Het onderzoek dat je hebt gedaan over Tarra-planlast en de klas, is een niet onbelangrijke vraag.

Een titel van een van de vraagstellingen die u zou kunnen meenemen, zou zijn: wie en welke middelen zijn er niet in onze school, terwijl ze wel op onze school zijn toegekomen? Dat is een niet oninteressante vraag, want het gaat over met hoeveel collega's we de school moeten runnen en hoeveel collega's en hoeveel middelen we eigenlijk van de overheid ter beschikking hebben gekregen. Dat is ook een interessante kwestie om mee te nemen.

Nog drie zaken om iets ruimer te gaan. We moeten opletten dat we in de werklast van onderwijs en leerkrachten niet alle taken op onderwijs afwentelen. Dat is een belangrijke taak, ook in het eindtermendebat. We mogen niet alles op onderwijs afwentelen, want dat is iets waar leerkrachten mee bezig zijn.

De startende leerkrachten: ja. Er zijn er een aantal die geen werk vinden, dat is ook juist. Maar ik wil toch nog eens onder de aandacht brengen dat we ook moeten zorgen dat het juiste profiel leerkracht afstudeert. Waarom zeg ik dat? Voor zeer capabele mensen die gedreven en gemotiveerd zijn en die we met bijsturing op de juiste plaats krijgen, is dat zeer goed. Maar er zijn ook mensen die starten aan de lerarenopleiding en terechtkomen in het beroepsonderwijs, voor wie het jammer genoeg niet hun ding is. Dat moeten we ook durven zeggen: dit is niet uw ding. In dat kader moeten we goed kijken naar wat een startende leerkracht nodig heeft. We mogen niet vergeten dat de hogescholen daar ook een taak in moeten hebben.

De praktijkvakken en de stages zijn een apart gegeven om mee te nemen. Wat willen we daarvan weten?

Dat zijn enkele bijkomende vragen en kwesties.

Mijn vraag is al deels beantwoord. Ik wil nog vragen of alle onderwijsniveaus betrokken werden in het basisonderwijs, maar dat is in orde. Ik wil nog de vraag van mevrouw Brusseel onderstrepen om, indien mogelijk, ook de directies te betrekken in dat onderzoek. Dat zou een heel goede oefening zijn. Mogen de leerkrachten ook aanduiden welk soort leerkrachten… In het secundair onderwijs heeft een taalleerkracht een andere taakbelasting dan een wiskundeleerkracht.

Kathleen Helsen (CD&V)

Ik weet niet of het mogelijk is, maar het zou interessant kunnen zijn om ook de effectiviteit in beeld te brengen. Er zijn leerkrachten die zeer hard werken, maar die daarmee niet noodzakelijk resultaten boeken in het leerproces. Naar aanleiding van het loopbaandebat was ik nog niet zo lang geleden met leerkrachten in discussie over de 22 uren. Een master gaf in de derde graad een vak van 1 uur. Hij vond het niet zo simpel om dat rond te krijgen. Hij zei: ‘Ik heb keiveel werk. Als ik zie aan hoeveel leerlingen ik lesgeef. Ik kom ongeveer 25 uur in een klas. Ik heb 25 uur contact met een leerling als ik alle dagen kan benutten in een schooljaar. Dat is niet het geval. In realiteit geef ik eigenlijk 20 uur aan een leerling les. Ik heb veel leerlingen, maar die leerling zie ik 20 uur.’ In die 20 uur deed die leerkracht zeven toetsen op een schooljaar, waardoor hij enorm veel voorbereidend werk had om een toets op te stellen en om die toets voor al die leerlingen te verbeteren. Ik vroeg of het noodzakelijk was, als je 20 uur lesgeeft aan leerlingen, 7 uur te wijden aan toetsen, en je gedurende de andere uren gestresseerd te voelen omdat je de leerstof niet gezien krijgt. Dat houdt verband met effectiviteit. Hoeveel toetsen moet je voorbereiden, uitvoeren en verbeteren om de voortgang van het leren van de leerlingen op te meten? In welke mate bereid je leerlingen in het laatste jaar van een derde graad goed voor op hoger onderwijs als je zeven toetsen doet op 20 uur en ze in een volgend jaar nog één keer een examen hebben van een vak? Die elementen spelen ook. Die leerkracht zei dat dat een enorme belasting was in zijn vak: zoveel leerlingen, zo weinig contacturen en zoveel toetsen. Natuurlijk weet ik niet of het mogelijk is om daar rekening mee te houden, maar het zou toch kunnen dat daar ook een element zit. Leerkrachten werken heel hard, en misschien veel harder dan nodig, om dezelfde leerresultaten te boeken.

Wij hebben het daarover nog gehad. Als het gaat over het begeleiden van leerlingen met bijzondere noden, gebeuren er heel veel inspanningen, maar wij weten niet of die inspanningen altijd leiden tot de beoogde effecten. Daar kan wel wat winst inzitten. Het is niet gemakkelijk te meten, maar wel interessant om er rekening mee te houden als we het hebben over de taakbelasting.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, er zijn heel veel aanvullende vragen.

Ik ga niet ten gronde in op alle suggesties waarmee rekening kan worden gehouden in het onderzoek. We zullen bekijken wat we gaan meenemen en op welke manier we dat kunnen doen. Ik moet wel maken dat ik geen drie jaar lang onderzoek. Ik kan niet van elke leraar in Vlaanderen de taakbelasting onderzoeken. We zullen een aantal profielen moeten hebben. Ik heb goed geluisterd, maar ik zal daar nu geen commentaar op geven. Zodra het bestek gefinaliseerd en gegund is, zullen jullie het ook kunnen zien. Ik wil vooral dat men het eens is over wat we doen.

Collega’s, ik moet met dit dossier niet naar de regering, want de beslissing om het te doen is al genomen. Ook met de gunning moet ik niet naar de regering. Ik gun elk jaar onderzoeken, en ik heb daar budgetten voor. Dat is dus ook geen probleem.

Ik vind de associatie met de besparingen niet helemaal correct. Mevrouw Gennez, ik begrijp dat u dat zegt, dat is vanuit uw positie ook logisch. Maar wij investeren deze legislatuur 0,5 miljard euro extra in onderwijs. Wij hebben niets bespaard op leraren die worden ingezet. Natuurlijk zijn scholen vrij om hun schoolorganisatie te doen. Het is mogelijk dat, afhankelijk van de keuzes die scholen maken, het al of niet lastiger is voor leerkrachten. Dat is natuurlijk de vrijheid van onderwijs en de manier waarop men zich organiseert.

Ik ben wel tevreden dat ik over alle banken heen heb gehoord dat het goed is dat we dat onderzoek doen. Bij het sluiten van het regeerakkoord en bij de debatten die toen werden gevoerd, heb ik niemand horen zeggen dat ik eerst een taakbelastingsonderzoek moest uitvoeren. Ik begrijp dat sommigen zeggen dat het vroeger had mogen gebeuren, maar eigenlijk werden daarover toen geen discussies gevoerd. Ik noteer een akkoord bij iedereen om het te doen. Het had al kunnen klaarliggen toen ik minister werd, maar ik ga dat debat niet opnieuw voeren. In de vorige legislatuur is er ook jarenlang gediscussieerd over een loopbaanpact. Toen is die studie ook niet uitgevoerd. Een van de redenen waarom ik wat aarzelde om het te doen, is net datgene wat zich hier nu aan het ontspinnen is: ‘Dat moet erbij en dat moet erbij en dat moet erbij!’ Ik gruw ook van een debat waarin men zegt: ‘Iemand die Frans geeft, heeft het veel lastiger dan iemand die sport geeft!’ Dan krijg je intern, onder leerkrachten, grote, stigmatiserende discussies over wie het al of niet het lastigst heeft. We zullen dat goed moeten bewaken, dat we niet in zo’n richting evolueren. We zullen toch een klein beetje lijnen moeten trekken in wat wordt onderzocht. Dat is de reden waarom het mij wat heeft tegengehouden om het wel te doen. Maar enfin, de beslissing is genomen, en ik zal u op de hoogte houden van de verdere evoluties.

Mevrouw Brusseel en mevrouw Krekels hadden nog iets gevraagd over de directeur. Er loopt op dit ogenblik een apart onderzoek naar het ziekteverzuim en de oorzaken bij directies. Dat lijkt me nuttig. Dat onderzoek gaan we laten lopen. Dat gebeurt al. Hier gaat het eigenlijk over de taakbelasting bij leraars, waarbij ook de directeurs een rol kunnen spelen, maar de directeurs zijn we op dit ogenblik al apart aan het bekijken.

Mijnheer De Meyer, het volgende is ook heel belangrijk voor u, net als voor iedereen, maar het is een antwoord op uw opmerking. Wat mij betreft, is het niet noodzakelijk, maar we moeten nu de gesprekken afwachten, om op het volledige pact te wachten vooraleer een bepaalde maatregel kan ingaan. Ik sluit dus niet uit dat we vroeger met iets kunnen starten, maar we moeten natuurlijk wel eensgezindheid ervoor krijgen, en het zou wel nuttig zijn dat we al uitwerken wat we kunnen uitwerken. Ik hoop dus dat dat een antwoord is op de vraag die u nog extra stelde. Ik vind persoonlijk dat we iets moeten doen aan de werkzekerheid voor de starters, maar ook de schoolorganisatie kan daar een heel belangrijke rol in spelen. Ik kijk naar de heer De Ro, die nooit aarzelt om het voorbeeld te geven van hoe het in zijn stad gaat. Ik zie op nog plaatsen in Vlaanderen hoe je door de manier waarop je je aanwervingsbeleid organiseert... (Opmerkingen van Jo De Ro)

Voilà, u bent aandachtig aan het luisteren. U was naar beneden aan het kijken, maar plots zie ik u stralen tot hier bij mij. Het wordt nog warmer rond mij. (Opmerkingen van Jo De Ro)

Dat zullen we nog wel herstellen. Uw moment komt nog, maak u geen zorgen, voel u niet ongelukkig. Het was trouwens ook heel warm daar op die conferentie, als ik dat mag zeggen, maar het is hier vandaag ook warm, vind ik.

Zonder dat we als overheid ingrijpen, kunnen er dus nu ook al interessante maatregelen worden genomen, maar ik vind dit persoonlijk prioritair en iets dat we ook mooi kunnen losmaken van het andere.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, het laatste woord is inderdaad aan het parlement. Ik zou dus oproepen om te stoppen met de polemiek over de voorgangers, want we zijn ondertussen al ver over de helft van de legislatuur. Ik denk dat we op een constructieve manier naar de toekomst moeten kijken. Ik denk ook dat het geen zin heeft om te schermen met de ‘open end’. We zijn zeer blij dat die er is, en niemand stelt dat ook in vraag, heb ik begrepen: meer leerlingen, meer middelen. Uit het jaarverslag van AgODi bleek echter dat er daadwerkelijk wel sprake was van een reële besparing op de werkingsmiddelen, van bijna 5 procent in het secundair onderwijs en van 2,3 procent reëel in het basisonderwijs. Laten we echter met zijn allen op een positieve manier uitkijken naar constructieve gesprekken tussen werkgevers en werknemers en naar een mooi pakket om het beroep van leraar toch aantrekkelijker te maken.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Minister, ik ben zeer tevreden met uw aanvullende antwoord. Ik zou het als volgt willen samenvatten: het startersplatform kan het eerste speerpunt zijn van het loopbaanpact.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, mochten we nog heel veel elementen toevoegen aan de discussie, dan zou het inderdaad wel een beetje te veel kunnen worden. Men moet uiteraard gaan peilen naar de essentie, om een zo objectief mogelijk beeld te krijgen. Het feit dat er een aantal zaken moeten worden onderzocht, mag ons er echter niet van weerhouden of doen aarzelen om het onderzoek daadwerkelijk te doen, hoe moeilijk dat ook is. Bepaalde parameters zullen meteen hun onderscheid aantonen, en andere niet.

We kijken heel vaak naar het onderwijs als er in de samenleving op de ene of andere manier zaken fout lopen of niet lopen zoals we zouden willen. Daar moeten we ons dan zelf over buigen, niet alleen bij de discussie over eindtermen, maar ook in bredere zin. Dat is een trend geweest de voorbije tien, vijftien jaar. Dan hoeft het inderdaad niet te verbazen dat er een gevoel is van gestegen werkdruk in het onderwijs, met mensen in het onderwijs die heel vaak de boodschap krijgen dat ze tal van problemen moeten kunnen bespreken en oplossen of bijdragen tot de oplossing. Dat moet ook in overweging worden genomen.

Verder denk ik niet dat er veel polemiek is. Het is gewoon zo dat, wanneer wij als leden van de meerderheid vinden dat er zaken worden gezegd die niet helemaal kloppen, we dat enigszins rechtzetten. Voilà.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.