U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, voor de dertiende keer liep in Vlaanderen van 17 tot 24 februari 2017 de Week tegen Pesten.

Binnen en buiten die ene week gebeurt er heel wat rond pesten en pestgedrag op heel verschillende terreinen: wellicht het meest binnen het onderwijs maar ook in het jeugdwerk en op de werkvloer. En toch wordt er nog altijd erg veel gepest in Vlaanderen: een op de twintig Vlaamse scholieren tussen de 10 en 18 jaar wordt gepest. De persoonlijke en maatschappelijke kostprijs van pesten is en blijft erg hoog.

Het jaarverslag van het Kinderrechtencommissariaat bulkt telkens weer van rapporteringen van pestgedrag van jongeren tegenover jongeren. Uiteindelijk zijn beide partijen slachtoffer. Het is duidelijk dat het omkeren van dit gedrag niet eenvoudig is.

Er kan nochtans een krachtdadig beleid worden gevoerd. Zweden maakt het duidelijk, de cijfers liggen er viermaal lager. Het is nodig om de verwachtingen ten aanzien van scholen scherp te krijgen en dit kan met een duidelijk wetgevend kader, met aandacht voor de individuele leerling, maar ook voor groepsdynamiek, werken met groepen en oplossen van conflicten in de lerarenopleiding. In een antipestdecreet kan een centraal meldpunt pesten en de oprichting van een kenniscentrum pesten worden opgenomen. Dit zijn instrumenten die op andere terreinen hun nut hebben bewezen.

Minister, wilt u werk maken van een duidelijk wetgevend kader rond een antipestbeleid?

Komt er meer aandacht voor pesten in de lerarenopleiding?

Bent u bereid om samen met de collega-ministers van Jeugd en Werk een centraal meldpunt pesten en een kenniscentrum pesten op te richten?

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Aansluitend bij de brede problematiek die mevrouw Meuleman heeft geschetst, wil ik graag inzoomen op een specifiek onderzoek van de KU Leuven naar de impact van migratieachtergrond op pesten en een aantal resultaten die daaruit blijken.

Het onderzoek wees namelijk uit dat jongeren met een migratieachtergrond vaker pesten maar ook vaker gepest worden. 13,3 procent van de jongeren met een migratieachtergrond en 8,6 procent van de andere jongeren werd slachtoffer van klassiek pesten. Het gaat dan over slaan, uitsluiten, roddels, vernederingen, face to face op de speelplaats of in het privégebeuren.

Bij cyberpesten is het verschil tussen jongeren met en zonder migratieachtergrond iets kleiner: waar 4,7 procent van de autochtonen aangeeft online gepest te zijn, is dat bij de jongeren met een migratieachtergrond 6,7 procent.

We zien ook de keerzijde: jongeren met een migratieachtergrond zijn zelf ook vaker dader. Bij jongeren met een migratieachtergrond geeft 11,3 procent aan het afgelopen jaar iemand te hebben gepest, terwijl het percentage autochtone pesters 3,1 procent is, toch opmerkelijk lager. Ook bij cyberpestgedrag is het verschil duidelijk tussen de beide categorieën: 4 procent jongeren met een migratieachtergrond tegenover 1,2 procent pesters zonder migratieachtergrond.

Het onderzoek geeft aan dat de beide verschillen, zowel wat pesten als wat gepest worden betreft, zowel qua slachtoffer als qua dader zijn, voor een groot deel te verklaren zijn door het als ‘anders’ worden gezien. Als anders worden gezien, geeft aanleiding tot gepest worden. Zichzelf als anders ervaren zet dan weer aan tot pesten, vanuit een misplaatste emancipatorische reflex.

Minister, een deel van de oplossing, zo suggereert het onderzoek, is uiteraard een algemeen antipestbeleid, maar ook het streven naar een betere sociale mix dan vandaag in veel van onze Vlaamse scholen bestaat. In meer gemengde scholen daalt niet per se het pestgedrag in het algemeen, maar wel de kloof qua pestgedrag tussen jongeren met en jongeren zonder migratieachtergrond. Een gezonde sociale mix en een sterk en structureel antipestbeleid kunnen dus met andere woorden zowel de algemene als de specifieke problematiek aanpakken.

Minister, hoe zult u het antipestbeleid versterken, met welke concrete acties? Overweegt u ook een specifiek onderzoek naar een reeks doelgroepen om dat algemeen antipestbeleid toch ook nog wel wat gerichter te maken, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar inclusie? In welke maatregelen voorziet u om de sociale mix te versterken? Dat onderzoek vraagt dat zeer expliciet, maar de nieuwsberichten die ons tot nader order bereiken met betrekking tot het nieuwe Inschrijvingsdecreet en de uitspraken die daarover her en der al zijn gevallen, leiden niet tot groot vertrouwen als het gaat over de versterking van de sociale mix via dat kanaal.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Voorzitter, minister, mijn vraag sluit aan bij die van mijn collega’s. Aangezien ik niet de eerste vraagsteller ben, kort ik mijn inleiding dus al enigszins in.

Uit een recente studie van de Universiteit Antwerpen blijkt dat een op de tien leerlingen wordt geconfronteerd met cyberpesten. Cyberpesten verloopt het vaakst via de sociale media, voor 60 procent, en via sms, voor 40 procent. Als we de cijfers vergelijken met het ‘traditioneel’ pesten, dan stellen we zelfs vast dat 6,5 procent van de leerlingen die via digitale toepassingen worden gepest, ook offline wordt gepest. Een grote groep leerlingen wordt dus de klok rond geconfronteerd met onaanvaardbaar grensoverschrijdend gedrag.

Minister, in het kader van die problematiek stelde u samen met uw collega, minister Gatz, recent Cyber-Scan voor, een ‘toolkit’ waarmee scholen aan de slag kunnen om een beleid tegen cyberpesten uit te werken. Die toolkit kwam tot stand in samenwerking met het Vlaams Kenniscentrum Mediawijsheid.

Hieromtrent wens ik u dan ook de volgende vragen te stellen. Kunt u een toelichting geven bij die nieuwe toolkit Cyber-Scan en uw visie wat verduidelijken op het beleid dat scholen kunnen voeren tegen cyberpesten? Wegens de complexiteit van cyberpesten en het feit dat dergelijk pestgedrag niet enkel geconcentreerd is op school, is een domeinoverschrijdende aanpak tegen pesten en cyberpesten wenselijk. Kunt u eveneens een overzicht en een stand van zaken leveren van de acties die u samen met uw collega-ministers onderneemt om deze problematiek verder aan te pakken?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het is nu een beetje een andere inkleuring, maar het is niet de eerste keer dat we deze problematiek hier bespreken. Ik denk dat werken aan het welbevinden van leerlingen een zeer belangrijk aandachtspunt is. Daarbij is het niet alleen van belang om pesten tegen te gaan, maar álle vormen van antisociaal en grensoverschrijdend gedrag. Het gaat erom zowel de fysieke als de psychische en de seksuele integriteit van kinderen en jongeren te beschermen. Daarom heb ik samen met mijn collega-ministers ook een mededeling Integriteit laten goedkeuren door de Vlaamse Regering, op 29 januari van vorig jaar. Ik vraag me af of het met een wetgevend kader specifiek voor het antipestbeleid in scholen beter zal worden of niet. Ik ga daar een paar bedenkingen bij formuleren en zal daarbij proberen te voorzien in een aantal concretiserende argumenten.

Het tegengaan van pesten moet als gelijk worden gezien aan het tegengaan van allerlei andere vormen van grensoverschrijdend en antisociaal gedrag, zoals seksueel grensoverschrijdend gedrag of druggerelateerde problemen. Het is niet mogelijk en ook niet wenselijk, denk ik, om voor elke vorm van grensoverschrijdend gedrag in aparte wettelijke verplichtingen en een apart wettelijk kader te gaan voorzien.

Om grensoverschrijdend en antisociaal gedrag te voorkomen, is het van belang dat doorheen het schoolbeleid een rode draad wordt bewaakt. Die rode draad is de zorg voor een positief en verbindend leer- en schoolklimaat. Die rode draad hanteer ik bij alle ondersteuningsinitiatieven die ik onderneem. We hebben een brochure ‘Werken aan een verbindend schoolklimaat’. U weet dat ik een zeer grote fan ben van ‘peer support’. Ik geloof ook echt in het weerbaar maken van jongeren om pesten te vermijden in een klas. Ik heb hier al vaker gezegd dat we de kracht onderschatten die jongeren zelf hebben.

Jongeren kunnen veel meer dan wij denken zorgen voor dat verbindende klimaat, waar weinig ruimte is voor pesterijen.

We hebben ook bij de Vlor een overlegplatform Welbevinden opgestart waarin alle partners vertegenwoordigd zijn.

Bij het werken aan preventie leggen we de nadruk op welbevinden. Dit zal – en zo, collega’s, kom ik toch bij een decreetgevend initiatief – zijn plaats  krijgen in het decreet Leerlingenbegeleiding, als het zwaartepunt van de leerlingenbegeleiding in de scholen komt te liggen en we deze taak voldoende verankeren in de regelgeving.

Collega’s, ik geef ook mee – en ik begeef mij nu op glad ijs – dat bij het twaalftal erkenningsvoorwaarden om scholen te starten het werken aan een verbindend schoolklimaat niet opgenomen is. Dat is enkel gericht op kennis. Rond die andere zaken bestaat vandaag niets. We moeten daar ook eens over nadenken.

Ik wil uiteraard niet betwisten dat men op school in de eerste plaats aan kennisverwerving doet en kennis doorgeeft, maar de inspectie heeft vorig jaar op mijn vraag – en de heer De Ro verwees ernaar – een bevraging gedaan bij 120.000 leerlingen naar hun welbevinden. Daar zijn enorm interessante resultaten uit gekomen. Je moet ook bekijken hoe een schoolklimaat een bijdrage kan leveren tot een pestvrij klimaat, waar op geen enkel front overschrijdend gedrag is. Dit maar om te zeggen dat ik een speciaal decreet daarvoor niet opportuun vind. Maar het verankeren in de manier waarop we met leerlingen en jongeren omgaan, vind ik wel opportuun. Daarom is mijn medewerkster hier vandaag. Zij is bezig met het begeleiden van het nieuwe decreet Leerlingenbegeleiding en de positionering, de plaats, die het welbevinden op zich daarin moet krijgen, alsook de manier waarop we dat al of niet decretaal sterker kunnen verankeren.

Aanvullend wil ik ook meegeven dat, wat betreft het schoolpersoneel, de leraars en de anderen, de personeelswetgeving geldt. De wet op welzijn en meer specifiek de wetgeving inzake het voorkomen van psychosociale risico’s op het werk, waar pesten deel van is, zijn ook van toepassing op scholen. Deze regelgeving werd in begrijpbare vorm voor scholen vertaald in de brochure ‘Psychosociale risico’s op het werk’, die in oktober 2016 ter beschikking werd gesteld.

Het Overlegplatform Welbevinden van de Vlor heeft in zijn actieplan een actie opgenomen die gericht is op de lerarenopleiding. In dat overleg worden goede voorbeelden uitgewisseld over hoe in de lerarenopleidingen wordt omgegaan met de aanpak van pesten en cyberpesten bij studenten. In dat overleg organiseren wij ook afstemming over hoe het voorkomen en aanpakken van pesten onderdeel is of zou kunnen zijn van het curriculum van de lerarenopleiding. Dat wordt op dit ogenblik besproken.

In het kader van de mededeling ‘Integriteit’, die ik zonet aanhaalde, startten de Ambrassade en het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk met de opmaak van een kennisplatform. Dit gaat weer breder dan alleen de preventie van pesten. Met het kennisplatform zullen we een overzicht hebben van de meest geactualiseerde kennis over onder andere de aanpak van pesten en cyberpesten, en zullen we kunnen leren uit de aanpak van verschillende beleidsdomeinen en sectoren. Het antwoord op deze vraag is dus: ja.

Wat betreft het concept van een centraal meldpunt wordt opnieuw vanuit de mededeling ‘Integriteit’ ingezet op de hulplijn 1712. Daar kunnen zowel ouders als leerlingen terecht met hun vragen en klachten. Uiteraard blijven de leraar en de school het eerste aanspreekpunt. Ook het CLB is een aanspreekpunt voor zulke problemen.

Dan is er de nieuwe toolkit ‘Cyber-Scan’. Dat is een speelse interactieve toolkit waarmee de school een concreet cyberpestbeleid kan uitwerken. De tool werd ontwikkeld door het Kenniscentrum Mediawijsheid, in samenwerking met de Universiteit Antwerpen. Ik heb daarvoor 25.000 euro vrijgemaakt. Minister Gatz heeft ook middelen vrijgemaakt. De Cyber-Scan is online beschikbaar en te downloaden. Daar kunt u ook de speluitleg terugvinden.

De beleidsdomeinoverschrijdende aanpak komt terug in verschillende dossiers. De voorbereiding en opstart van een vervolgwetenschappelijk onderzoek met betrekking tot geweld op kinderen en jongeren is gestart. Wij zijn ook gestart met de voorbereiding van een kennisplatform ‘Integriteit’ en wij wisselen uit.

En dan is er de link met de migratieachtergrond van jongeren. Zoals ik eerder al liet weten naar aanleiding van de schriftelijke vraag nummer 136 van mevrouw Kathleen Helsen, ga ik naar aanleiding van dit onderzoek geen extra initiatieven nemen omdat, wat mij betreft, deze problematiek onderdeel moet zijn van de totale aanpak van de school. Élke vorm van pesten moet voorkomen of aangepakt worden. Er moet wel bijzondere aandacht zijn voor de cijfers uit het onderzoek.

In de vragen hierboven heb ik al gesteld dat het belangrijk is dat scholen voor het voorkomen en aanpakken van pesten een ‘whole school approach’ huldigen. Die aanpak onderstreept dat het belangrijk is om positief te leren omgaan met verschillen tussen jongeren. Belangrijk is ook dat we samen met de jongeren aan oplossingen werken. Ik denk aan de lijn die het Gemeenschapsonderwijs vorig jaar huldigde met betrekking tot diversiteit: het zoeken naar gelijkenissen in de verschillen of, omgekeerd, het positief benaderen van de verschillen, als onderdeel van wie je bent. Je ziet hetzelfde bij het katholiek onderwijs, met een katholieke dialoogschool, waar ze heel actief zoeken naar de manier waarop je respect kunt hebben voor de verschillen.

Collega’s, ook hier ga ik terug naar de basis: het is het algemene kader, het schoolklimaat dat wordt geschapen, dat mee de voedingsbodem van het pesten, of toch een groot deel ervan, wegneemt. Dat geldt voor alle vormen van pesten, ook vormen die te maken hebben met de migratieachtergrond van jongeren.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

Minister, ik ben inderdaad blij met uw antwoord dat er een duidelijker wettelijk kader zal komen. Dat hoeft inderdaad geen speciaal wetgevend initiatief te zijn. Als dat wordt opgenomen in het decreet Leerlingenbegeleiding, is het goed.

Maar mijn vraag was geïnspireerd door een artikel van professor Deboutte. Hij beschreef hoe belangrijk een zeer duidelijk verwachtingskader is. Pesten moet je niet zozeer individueel aanpakken, maar door te werken aan de groepsdynamiek. Bij pesten is het vaak zo dat er bijstanders zijn, mensen die de kant van de pester kiezen omdat ze denken dat ze anders ook zullen worden gepest. Je moet er eigenlijk voor zorgen dat die bijstanders een soort van behoeders worden, dat de pester eigenlijk diegene wordt die geïsoleerd geraakt doordat het zo duidelijk is wat de waarden zijn. Het moet zo expliciet zijn dat pesten niet wordt aanvaard, dat eerder de pester wordt geïsoleerd en dat er zeer weinig bijstanders zijn. Maar dan moet je werken aan een cultuuromslag, aan heel duidelijke verwachtingen en een heel duidelijk kader. Dat werpt z’n vruchten af in landen als Finland en Zweden. Ik denk dat op die manier te werk gaan, zo’n groepsdynamiek, ook bij ons een goede stap vooruit zou zijn. Ik kijk met verwachting uit naar het decreet Leerlingenbegeleiding.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Voorzitter, ik sluit mij daarbij aan. Ik kijk ook met verwachting uit naar de voorstellen van aanpassing van het decreet Leerlingenbegeleiding. Ik begrijp ook het belang dat de minister hecht aan ‘peer mediation’ en ‘peer support’. We hebben daarover in het verleden al een aantal vragen gesteld. De vraag is: gaan we werken met een vorm van good practices die we uitrollen? Of hoe wilt u dat concreet verder ondersteunen?

U zegt dat u zeer expliciet niet kiest voor het doelgroepenbeleid naast een algemeen anti-pestbeleid. Ik neem daarvan akte.

U hebt misschien een beetje strategisch niet geantwoord op de vraag naar het belang van een betere sociale mix. Moeten we daarover nog een andere vraag stellen? Of kunt u wat meer inzicht verschaffen in die problematiek?

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Het feit dat er in deze commissie al zoveel vragen zijn gesteld rond pesten en pestgedrag, toont aan dat de interesse in deze problematiek vanuit de verschillende instanties bijzonder groot is.

Minister, ik was zeer tevreden met de gemeenschappelijke aanpak tussen u en de collega’s. Ik stel mij daarbij wel de vraag of dat verder wordt opgevolgd en gemonitord. Overeenkomen dat er een aanpak is en dat het domeinoverschrijdend moet zijn, is zeer goed, maar in de uitwerking en de opvolging moet er natuurlijk ook nog iets gebeuren.

U zegt dat de school inderdaad een eerste opdracht heeft tot het verwerven van kennis en kennisoverdracht, maar dat daarnaast het welbevinden absoluut belangrijk is. In het aanbod om met pesten, pestgedrag en welbevinden om te gaan binnen de school zijn er al heel wat instrumenten. Ik dank u ook voor de bijkomende uitleg rond de nieuwe toolkit Cyber-Scan.

Maar uiteraard zijn we er dan nog niet helemaal. Want als ik in het jaarverslag van het Kinderrechtencommissariaat lees dat in sommige scholen nog heel eenzijdig wordt gereageerd op pestproblematiek, dan baart mij dat zorgen. Er is soms onvoldoende begeleiding van de dader, het slachtoffer of beide.

Dan stel ik mij de vraag, ondanks het feit dat er ondertussen zo ontzettend veel instrumenten zijn en dat er op zoveel plaatsen wordt onderschreven dat pestgedrag niet wordt getolereerd, of we toch nog ergens iets moeten doen, qua opvolging, qua monitoring of andere zaken, om aan dat pestgedrag die maximale halt toe te roepen. Vandaar mijn bijkomende vragen.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, ik heb vooral positieve geluiden gehoord.

Mevrouw Gennez, voor ‘peer mediation’ heb ik een overeenkomst gesloten met de Vlaamse Scholierenkoepel. Zij hebben een budget gekregen. Er is ook een leerkracht gedetacheerd om jongeren op te leiden, een standaardopleiding te geven, om op school aan ‘peer mediation’ te doen. Het is de bedoeling dat we jaar na jaar meer jongeren hebben die opgeleid zijn en meer scholen hebben die ‘peer mediation’ inbedden in het beleid.

Een paar maanden geleden ben ik naar de studiedag daarover geweest, met de jongeren. Dit kan vele vormen aannemen. Het is niet zo dat er één manier is om binnen een schoolse context ‘peer mediation’ in te burgeren. Scholen hebben hun eigen manier van werken. Dat kan vele vormen aannemen. Het belangrijkste is dat het doel voor iedereen gelijk is. Wat mij betreft, als die samenwerking – nu het tweede jaar – met de Vlaamse Scholierenkoepel positief geëvalueerd wordt, kunnen zij voor mij de hefboom zijn, mits begeleiding door gedetacheerde leerkrachten om dat breed uit te rollen in de scholen in Vlaanderen.

Het theoretische kader is uitgewerkt door de overheid. Het is dus niet zoiets dat overal een soep is. Het is echt één structuur die kan worden gevolgd, maar die zich op heel diverse manieren kan uiten in scholen.

Mevrouw Gennez, wat de sociale mix betreft, kan ik duidelijk zijn. Er is vandaag een decreet. In het regeerakkoord staat dat dit decreet het best wordt herwerkt, maar er staat niet in dat de sociale mix wordt afgeschaft. Ik heb dat vastgesteld en trouwens ook bij de Vlor gezien. Ik kijk met respect naar wat u als parlementsleden als opdracht gekregen hebt. Velen zeggen dat het vandaag niet optimaal werkt, maar ik heb nog niemand een constructieve bijdrage horen leveren over hoe het dan beter kan.

Veel mensen maken analyses. Voor Gent werkt het goed, voor Antwerpen niet, omdat het te veel papierwerk is. Dat het een nogal omslachtig systeem is, daar zijn we het allemaal over eens. De vraag is hoe we het beter en minder omslachtig kunnen maken. Zolang er echter niets beters is, blijft wat mij betreft, het decreet bestaan, maar ik zoek naar betere systemen. Dit staat een beetje los van het digitale platform met één inschrijvingsdatum in heel Vlaanderen. Au fond heeft het daar niets mee te maken. Dat kan ik sowieso doen, maar hoe de sociale mix beter kan, is mij niet duidelijk. Eigenlijk ligt de opdracht nog steeds bij de parlementsleden. Ik heb de parlementsleden gevraagd twee dossiers op te volgen, de eindtermen en het Inschrijvingsdecreet. Wie dat op zich neemt, laat ik over aan het voorrecht van de decreetgevende macht.

Wat u zegt, mevrouw Celis, over de monitoring van het beleid, klopt, maar daar dient de inspectie voor. De inspectie moet kijken of de eindtermen worden gehaald. Op eigen initiatief en ook omdat ik heb gevraagd, hebben ze nu ook het welbevinden gemeten. Dat is de inspectie 2.0 en in de huidige evolutie, zal de inspectie ook het globale kwaliteitsbeleid in een school meten. Dan is er natuurlijk plaats om het verbindende schoolklimaat mee te meten. De manier waarop we de inspectie 2.0 willen vormgeven, is een goede zaak.

Als ik me niet vergis, heeft de leidinggevend ambtenaar van de inspectie, Lieven Viaene, hier nog geen toelichting gegeven bij zijn hertekening van de inspectie. Onze agenda is natuurlijk al vol, maar ik denk dat dat wel nuttig zou zijn. Het kan ook nog in september of oktober. Bij hem kunt u ook terecht met vragen over hoe we het schoolklimaat beter kunnen controleren, monitoren, in kaart brengen, hefbomen geven. Het lijkt me nuttig dat hij met zijn mensen daar eens wat toelichting over geeft. Ze hebben heel lang aan een kader gewerkt, het met de scholen doorgesproken en nu moeten er ook een paar wijzigingen in het decreet worden aangebracht. Volgens mij is het goed dat hij dat op een bepaald moment – dat mag ook in september of oktober – eens komt toelichten. Dan zal ook de vraag van mevrouw Celis concreet beantwoord kunnen worden.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.