U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, in februari bereikten ons de cijfers van het aantal jongeren dat via de examencommissie alsnog tracht een diploma te halen. In 2016 waren dat er 5371, een stijging van maar liefst 68 procent in vergelijking met 2013. De slaagcijfers stijgen echter slechts met 6 procent.

U zei het positief te vinden dat steeds meer jongeren de weg vinden naar de examencommissie. Onderzoek toont echter aan dat het vooral gaat om jongeren die het reguliere schoolsysteem verlaten, met persoonlijke problemen worstelen, herhaalde zittenblijvers of jongeren die een C-attest hebben gekregen. Wij vrezen dat de sterke stijging van de instroom moet worden begrepen als een zoveelste alarmbel die structurele problemen die in ons onderwijssysteem zitten, signaleert, waardoor jongeren dreigen af te haken.

Minister, hoe interpreteert u deze cijfers? Ziet u de examencommissie als een alternatief pad naar diplomering of blijft dit in uw ogen toch vooral de uitzondering? Welke acties zult u ondernemen in het licht van deze cijfers, zowel wat betreft het stijgend aantal jongeren dat voor de examencommissie kiest als het lage slaagcijfer?

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Minister, ik zal het gedeelte van mijn vraag over de cijfers overslaan omdat mevrouw Gennez die al heeft aangehaald.

Sinds enkele jaren melden scholen steeds meer een stijgende trend waarbij leerlingen een examen afleggen aan de examencommissie terwijl ze nog les volgen op school. Deze werkwijze zou vooral populair zijn bij leerlingen uit het beroeps- en technisch onderwijs, maar ook bij leerlingen uit de richting Humane Wetenschappen. Deze kwestie werd ook aangehaald door de examencommissie in haar jaarrapport, waaruit zou blijken dat 27 procent van de kandidaten voor een kwalificatie aan de examencommissie inderdaad een dergelijke combinatie maakt. Volgens de examencommissie doen zij dit mogelijk om een schoolse achterstand weg te werken en zo sneller hun diploma te behalen.

Uiteraard is het wenselijk dat het reguliere onderwijs altijd de eerste keuze blijft en dat de examencommissie dient als uitzonderingsmaatregel voor leerlingen die uit de boot zijn gevallen.

Hoe interpreteert u de stijgende cijfers? Hoe groot schat u het probleem in waarbij steeds meer jongeren hun lessen op school combineren met examens aan de examencommissie? Tijdens een vorig debat in de commissie rond deze kwestie gaf u aan dat u zou kijken of er maatregelen konden worden genomen om de hinder voor scholen die steeds meer met deze trend geconfronteerd worden, te beperken. Hebt u nog maatregelen ondernomen of in het vooruitzicht gesteld? Kunt u een stand van zaken leveren met betrekking tot de moderniseringsoperatie binnen de examencommissie? Kunt u in uw antwoord ook stilstaan bij de digitalisering van de examens en het vakoverschrijdend geïntegreerd toetsen? In uw antwoord op mijn schriftelijke vraag nr. 379 uit het zittingsjaar 2015-2016 gaf u aan dat er binnen de examencommissie een project werd opgestart om te onderzoeken hoe de stage bij de examencommissie kan worden geïntegreerd in het bso-aanbod. Hierbij zou men ook onderzoeken of deze optie haalbaar en wenselijk zou zijn. Kunt u hierover enige duidelijkheid scheppen?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, voor de cijfers verwijs ik ook naar mevrouw Gennez.

Reeds in de bespreking van mijn vraag om uitleg op 3 december 2015 stelde u dat de examencommissie een waardevolle tweede kans biedt, maar dat ze niet moet uitgroeien tot een alternatief voor het reguliere circuit. Er werd ook gesteld dat de examencommissie niet mocht leiden tot discriminatie. Niet alle studierichtingen worden geëxamineerd via de examencommissie en bovendien is het mogelijk om via de examencommissie bepaalde decretaal verplichte studieonderdelen als de geïntegreerde proef te omzeilen.

De kwestie werd opnieuw opgenomen in mijn schriftelijke vraag van 20 juni 2016 waarop u antwoordde: “De examencommissie bekijkt momenteel op welke manier zij de meer praktische vakken en de stage kan integreren in haar aanbod. De optie waarbij de examencommissie de theoretische component van een opleiding examineert maar zich voor de praktische en toegepaste vakken zou baseren op (deel)attesten en evaluaties door de school verdient daarbij een grondig onderzoek. Deze optie past binnen het idee om flexibele leerwegen maximaal mogelijk te maken opdat er nog meer jongeren hun diploma secundair onderwijs zouden kunnen behalen.”

De recente cijfers zijn een goede aanleiding om hierover verduidelijking te vragen. Hoever staat men met het onderzoek naar de integratie van praktische vakken, stages en geïntegreerde proef  in de evaluatie van de examencommissie? Wordt de optie om (deel)attesten en evaluaties door de school mee te nemen in de evaluatie van de examencommissie verder uitgewerkt? Hoever staat men hiermee? Volgens sommige onderwijsverstrekkers test de examencommissie enkel minimumdoelen en niet de vaardigheden die men op school aanleert. Hoe wilt u vermijden dat de examencommissie  een gemakkelijkheidsoplossing wordt voor wie enkel opteert voor die minimumdoelen?

We moeten ook stellen dat er op de school zoveel meer gebeurt: leren samenleven en leren samenwerken. Uiteraard mist men dit bij het alternatieve circuit.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik breng deze vragen onder in vier grote thema’s: een, de missie van de examencommissie; twee, de noodzakelijke gelijkwaardigheid van de diploma’s uitgereikt door de examencommissie met die van het voltijds secundair onderwijs; drie, de moderniseringsoperatie binnen de examencommissie, en vier, de combinatie examencommissie en voltijds secundair onderwijs.

Ik start met de examencommissie. Ik heb het al vaak beklemtoond: het behalen van een diploma secundair onderwijs is van groot belang. Niemand hier zal dat betwisten. Vandaar dat het ook belangrijk is dat meerdere wegen daartoe leiden: een sterk secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs met een modulair circuit en ook het systeem van de examencommissie. Zoals ik al meermaals gezegd heb: mijn absolute voorkeur gaat naar het gewone ‘schoolse’ secundair onderwijs dat het overgrote deel van onze jongeren volgt, omdat het nog steeds de beste plaats is om het diploma te behalen. Naast de kennis die men vergaart en de leerinhouden die men krijgt, heeft de school immers ook een belangrijke – zo niet zeer belangrijke – sociaal-maatschappelijke functie aangezien het jongeren ook vormt en weerbaar maakt. Ons onderwijs brengt jongeren met diverse achtergronden en talenten samen.

Maar dat neemt niet weg dat het secundair onderwijs niet voor elke jongere de beste of de mogelijke weg is, vandaar de andere pistes. We mogen niet blind zijn voor het feit dat vele jongeren de voorbije jaren gebruikmaken van de mogelijkheid om een diploma te halen via de examencommissie, én voor het feit dat jongeren een combinatie maken van voltijds secundair onderwijs en de examencommissie. Het feit dat een groeiend aantal jongeren die combinatie maakt, toont aan dat er een reële vraag is – en ik wik mijn woorden – naar flexibele trajecten.

Scholen nemen regelmatig contact op met de examencommissie om jongeren een alternatieve weg naar een diploma te wijzen, aangezien dat voor sommige jongeren, die vaak kampen met verschillende problematieken, een mogelijke weg blijkt. Ik zie het voltijds secundair onderwijs en de examencommissie – en overigens ook het tweedekansonderwijs – dus niet als concurrenten, maar als partners in het bieden van mogelijkheden tot het behalen van een kwalificatie.

Ook ik vind het belangrijk dat een diploma van de examencommissie evenwaardig is aan een diploma van het reguliere onderwijs of het tweedekansonderwijs. De examencommissie mag in geen geval een gemakkelijkheidsoplossing zijn – daar zijn ook vragen over. Om de kwaliteit en de gelijkwaardigheid van de diploma’s van de examencommissie te waarborgen, hanteert de examencommissie uiteraard dezelfde eindtermen als die van het voltijds secundair onderwijs: de standaarden voor de examenprogramma’s zijn dus dezelfde. Die examenprogramma’s worden bovendien door de onderwijsinspectie goedgekeurd. Het gaat dus om een vergelijkbare situatie als in het voltijds secundair onderwijs: daar gaat de inspectie immers na of de eindtermen op een herkenbare manier zijn opgenomen in de leerplannen. Trouwens, de inspectie zal dit jaar – in 2017 – een doorlichting van de examencommissie uitvoeren, waarbij ze ook het interne kwaliteitszorgsysteem van de examencommissie zal evalueren. Dat is heel belangrijk om te zien of daar absoluut alles oké is.

Wat de slaagpercentages betreft, is het inderdaad zo dat het aandeel gestegen is van 61 in 2013 naar 66,7 procent. Een van de elementen die deze stijging helpt verklaren, is het feit dat de examencommissie haar vakfiches heeft herwerkt. Hierdoor is het voor kandidaten duidelijker welke leerstof ze moeten beheersen, hoe het examen zal verlopen en welke leermiddelen ze hiervoor kunnen gebruiken. Er is meer transparantie en duidelijkheid over de te volgen weg. Tot daar het eerste blok van de vragen over de missie van de examencommissie en over de gelijkwaardigheid die we moeten nastreven en de transparantie.

Wat de moderniseringsoperatie binnen de examencommissie betreft, zijn er enkele belangrijke elementen die ik wil aangeven en waarvan de grote lijnen al in 2016 werden uitgezet. De examencommissie heeft haar aanbod in het bso gewijzigd en een nieuwe inhoud gegeven aan de specifieke vakken van deze studierichtingen. De studierichting kantoor werd aangepast. We weten namelijk al langer dat deze studierichting niet zoveel kansen op de arbeidsmarkt biedt. Dat bleek uit de screenings van het voltijds secundair onderwijs. Kandidaten zullen nu dus kunnen kiezen voor de nieuwe versie van kantoor/kantooradministratie en gegevensbeheer of voor kantoor/logistiek. De inhoud is gewijzigd. De richtingen organisatiehulp/organisatieassistentie en publiciteitsgrafiek/publiciteit en illustratie verdwijnen in 2017 uit het aanbod, aangezien de screenings van het voltijds secundair wezen op een problematische overgang naar de arbeidsmarkt. We proberen de screenings toe te passen in de werking van de examencommissie.

Tweede maatregel: het specifieke gedeelte zal vanaf 2018 worden geëvalueerd met een assessment.

Die assessments zullen beroepskwalificaties als kwaliteitsstandaard nemen. Ze zullen kandidaten op een geïntegreerde manier toetsen op hun functioneren binnen een reële arbeidsomgeving. Elke jongere die wil deelnemen aan deze assessments zal met een portfolio moeten bewijzen dat hij of zij nuttige werkervaring heeft opgedaan die relevant is voor de competenties die dit assessment zal toetsen. Kandidaten zullen enkel aan het assessment mogen deelnemen, als het portfolio voldoende kwaliteitsvol en relevant is voor hun studierichting. Stage of een geïntegreerde proef invoeren in de examencommissie is niet mogelijk, omdat dat begeleidingsprocessen vergt die typisch zijn voor een school maar die de examencommissie als examencentrum niet kan organiseren. Het assessment is echter evenwaardig aan een stage en geïntegreerde proef; ook VDAB werkt met soortgelijke assessments. Dat wordt dus geïntroduceerd.

Met de dubbele beweging, wat de modules of de richting betreft en wat het specifieke gedeelte betreft, garanderen de nieuwe examenprogramma’s meer kwaliteit en zorgen ze voor een betere aansluiting op de arbeidsmarkt.

Wat de digitalisering betreft, blijft de examencommissie maximaal inzetten op digitale examens. Nu al wordt een op drie examens afgelegd in deze vorm. Daarnaast maken we digitale analyses van de examens. Als uitloper van contacten met het Nederlandse Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling (Cito) startte de examencommissie in 2016 met de systematische analyse van examenresultaten. Met TiaPlus, een door het Cito ontwikkelde applicatie, onderzoeken de vakverantwoordelijken de kwaliteit van de examenvragen. Met de feedback kunnen opstellers van nieuwe examens hun werkwijze dan ook bijstellen. Zo verhoogt de examencommissie de betrouwbaarheid en validiteit van haar examens. De examencommissie bouwt de digitalisering dus zowel uit in de examens zelf als in de kwaliteitswaarborging ervan.

Tot slot, collega’s, kom ik even terug op de kwestie van de combinatie van de examencommissie met het voltijds secundair onderwijs, een situatie die ten andere ook bestaat met ons tweedekansonderwijs. Inhoudelijk zette de examencommissie een vrijstellingenbeleid op. De examencommissie bekijkt aanvraag per aanvraag of de vakinhouden van de aangevraagde vrijstellingen voldoende overeenstemmen met de vakinhouden van het al verworven studiebewijs of van al met succes afgelegde vakken in het secundair onderwijs of tweedekansonderwijs. De regelgeving verbiedt geen inschrijvingen bij de examencommissie voor wie op hetzelfde moment is ingeschreven in het voltijds secundair onderwijs of in het tweedekansonderwijs. Door een koppeling in het datawarehouse van de databanken van het secundair onderwijs, het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs enerzijds met die van de examencommissie anderzijds, zullen we in de toekomst een beter zicht krijgen op de studieloopbanen van de kandidaten bij de examencommissie. We rekenen er eigenlijk op dat dat vanaf 2018 mogelijk zou moeten zijn.

Collega Celis, u stelde de vraag naar de grootte van het probleem van jongeren die lessen op school combineren met examens aan de examencommissie. We hebben daar vooral organisatorische problemen, bijvoorbeeld rond stages die samenvallen met examendata. In opvolging van een schriftelijke nr. 379 is hierover overleg geweest tussen de examencommissie en het Katholiek Onderwijs Vlaanderen (KOV). Kandidaten voor de examencommissie kunnen zelf het examenrooster samenstelling en dit al vier maanden op voorhand. Overleg tussen school en leerling moet het mogelijk maken dat een examenrooster bij de examencommissie wordt opgesteld dat compatibel is met het verloop van stages. Aangezien je dat zo kunt regelen, zouden daar geen problemen meer rond mogen zijn.

Tot hier mijn relatief exhaustief antwoord. De vragen maakten ruimere antwoorden nodig.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Minister, dank u wel voor uw inderdaad exhaustief antwoord. Er is van onze kant nog een bedenking in verband met de analyse van welke jongeren het precies zijn die die grote stijging veroorzaken. Kunnen we extra investeren of extra kijken hoe we die jongeren waar mogelijk maximaal in het reguliere onderwijs houden? Want het is toch wel een alarmsignaal.

De voorzitter

Mevrouw Celis heeft het woord.

Vera Celis (N-VA)

Minister, dank u wel voor het antwoord. Ik deel uw mening dat de eindfinaliteit, het behalen van een diploma, of dat nu via de examencommissie of via het regulier onderwijs gebeurt, buiten de discussie staat. Ik denk dat het zeer belangrijk is dat er zeer goede afspraken kunnen worden gemaakt tussen de verschillende actoren. Dat het gaan naar een examencommissie geen gemakkelijkheidsoplossing mag zijn, zoals u aangaf, dat deel ik absoluut.

Ik vond het belangrijk een antwoord te krijgen op de vraag naar digitalisering van de examens en een beetje toelichting te krijgen bij het assessment dat de kandidaat voor de examencommissie zou kunnen ondergaan. Daar hebt u zeer uitgebreid op geantwoord. Dat is zeker meer dan voldoende op de vragen die ik heb gesteld, waarvoor dank.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, dank u voor het antwoord. Ik onthoud het kansen geven, ook aan flexibele leertrajecten, naast het voltijds secundair onderwijs, en dat de zorg voor kwaliteit enerzijds en de toegang tot de arbeidsmarkt anderzijds belangrijk zijn. Essentieel vind ik dat u stelt dat er dit jaar een doorlichting van de examencommissie zal gebeuren door de inspectie. We kijken samen met u met veel belangstelling uit naar deze doorlichting en we hopen daar ook de resultaten van te kunnen ontvangen. Ten slotte herhaal ik wat ik ook daarnet al heb gezegd: je mag nooit vergeten dat je op een school toch nog zoveel meer meemaakt, ook leren samenleven en samenwerken.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, ik heb nog een kleine suggestie. Wanneer de inspectie dit gaat doorlichten – ik trek de parallel met de gesprekken die ze hebben gehad met leerlingen tussen 10 en 18 jaar – zou het goed zijn om ook eens met die jongeren te praten en hun te vragen hoe zij terugkijken op het secundair onderwijs. Wanneer ik zie wie er het Consciencegebouw of andere gebouwen van de centrale examencommissie binnengaat, dan deel ik die bezorgdheid. Het is een goede formule om alsnog dat diploma te halen, maar ik denk dat we bij die jongeren ook wel wat informatie kunnen halen die wij als parlementsleden en u als minister echt wel kunnen gebruiken.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer De Ro, ik zal rekening houden met uw opmerking.

Mevrouw Gennez, het stelt me enigszins gerust, hoewel dat misschien een beentje een foute woordkeuze is, dat het aantal ongekwalificeerde jongeren daalt. Dat is een goede zaak. Het zou kunnen dat jongeren die vroeger zonder kwalificatie uitvielen, nu toch, nadat ze zijn uitgevallen – wat geen goede zaak is – de weg naar die examencommissie vinden. Wanneer die commissie een manier is om jongeren die vroeger uitvielen alsnog aan een diploma te helpen, dan vind ik dat een goede zaak.

Het totaal aantal jongeren met een kwalificatie stijgt ook. Het is dus niet zo dat in het gewoon onderwijs plots zoveel minder jongeren de stap naar een diploma zetten, dat is ook een goede zaak.

Voor mij is het ook van belang dat scholen flexibele trajecten kunnen aanbieden aan jongeren. Dat is de reden waarom we die naadloos flexibele trajecten in het leven hebben geroepen. Het zal in de toekomst iets belangrijker worden dat jongeren die daar nood aan hebben sneller bij zo’n flexibel traject worden gebracht en dat daar ook actief gebruik van wordt gemaakt. Daar moeten ook middelen voor worden uitgetrokken. Dat systeem moet echter iets meer ingeburgerd geraken. Die flexibele trajecten zijn trajecten die een gewone schoolcarrière ook mogelijk maken.

Voor het merendeel van de leerlingen blijft, zoals de heer De Meyer terecht zegt, het gewoon onderwijs zoals wij dat kennen in Vlaanderen het allerbelangrijkste en het best persoonsvormende. Maar er is een groep jongeren waarvoor dat moeilijker ligt en die meer baat hebben bij modulair onderwijs, duaal onderwijs, flexibele trajecten of de examencommissie. Ik denk dat het goed is dat we dat aanbod op alle fronten sterk maken. U hebt echter gelijk, mevrouw Gennez, dat er ook jongeren zijn die uitvallen omdat ze gedemotiveerd zijn. We moeten die groep in het oog houden en ervoor zorgen dat die zo klein mogelijk blijft.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Uiteraard ben ik blij dat de ongekwalificeerde uitstroom daalt. Dat is al een aantal jaren het geval, dat is dus zeker positief. Wat me wel wat zorgen baart, is effectief de stijging van de instroom in de examencommissie met 68 procent ten opzichte van het slaagpercentage dat maar met 6 procent stijgt. Gezien die grote kloof is de heel concrete vraag om daar wat nauwgezetter te monitoren.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.