U bent hier

Commissievergadering

donderdag 20 april 2017, 10.05u

Voorzitter
Vraag om uitleg van Koen Daniëls aan Hilde Crevits, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Onderwijs, over de stimulering en ondersteuning van de hogescholen bij het optimaal inzetten van de beschikbare middelen
De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Mijn vraag hangt een beetje samen met de vraag over de ingenieursopleiding.

Op maandag 13 maart organiseerde de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) een congres met als thema leren, innoveren en internationaliseren. Ook de financiering van het hoger onderwijs kwam aan bod met onder meer het toekennen van de klik in de financiering waarin de Vlaamse Regering voorzag, alsook de 10 miljoen euro extra voor praktijkgericht onderzoek. Men was daar wel tevreden over, maar in een van de panels werd luidop de vraag gesteld of het aangewezen is om studierichtingen te ontwikkelen waar nog geen markt voor is, maar die wel studenten opleveren enerzijds, en anderzijds vast te stellen dat er te weinig studenten zitten in STEM-richtingen (science, technology, engineering, mathematics), waar de maatschappij om smeekt.

De kwestie van de onderwijsbelastingseenheden (OBE’s), de gewichten die aan de STEM-studierichtingen worden toegekend, is daar onlosmakelijk mee verbonden.

Professor Marc De Vos stelde zich ook de vraag of de beschikbare middelen wel ten volle en honderd procent efficiënt worden ingezet. Hij had het daarbij over de verlengde studieduur, alsook de relatief grote groep studenten die geen diploma haalt en de vaststelling dat studenten niet de volle 60 studiepunten opnemen. Dit is meer de regel dan de uitzondering voor bepaalde studenten.

Professor Vandenbroucke verwees eveneens naar de nood aan een goede oriëntering.

Naar aanleiding van het congres en een aantal gesprekken die ik had, minister, heb ik volgende vragen. Welke aanpassing ziet u aan het leerkrediet en de zogenaamde flexibilisering zodat we studenten ertoe aanzetten te starten met een traject dat veel meer aansluit bij het modeltraject en dus met opname van een volledig studiejaar, zodat de ‘volgtijdelijkheid’ meer wordt gewaarborgd en zodat studenten zich sneller heroriënteren indien de gekozen studierichting niet lukt?

Welke aanpassing aan het Financieringsdecreet ziet u mogelijk om instellingen hoger onderwijs sneller aan te zetten om studenten te helpen heroriënteren zonder dat dit financieel wordt afgestraft voor de instelling waar ze vertrekken, dan wel de instelling waar ze toekomen?

Hoe ziet u de mogelijkheid om door aanpassing van het Financieringsdecreet de inrichting en massificatie van opleidingen met een hoge OBE en de interne allocatiemodellen waarbij middelen worden getransfereerd naar opleidingen met een lagere OBE maar waar dringend nood is aan meer studenten, om dergelijke interne verschuivingen tegen te gaan en eigenlijk het beleidsmatig meer te aligneren op de realiteit?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het is een interessante vraag, mijnheer Daniëls, maar ik was wat bezorgd over de uitgangspunten. Misschien heb ik die verkeerd gelezen. Ik zou het eigenlijk wel kras vinden als studenten bij het maken van hun studiekeuze rekening zouden houden met de puntengewichten van een opleiding. Dat vind ik iets vreemds. Ook bij een heroriëntering van studenten lijkt dat me een moeilijk criterium. Dat neemt niet weg, mijnheer Daniëls, dat we vragen kunnen stellen over de hoogte van de puntengewichten voor de verschillende studiegebieden en de achterliggende logica. Daar heb ik wel begrip voor, dat we dat bekijken, maar dat dit nu een rol speelt of moet spelen bij de studiekeuze vind ik wel wat vreemd.

Ik begrijp uw zorgen zeer goed en deel ze. De flexibilisering van het hoger onderwijs heeft positieve kanten. We hebben er al uitgebreid bij stilgestaan. Bij de start van deze legislatuur hebben we daarover al een actuadebat gehad. Het aantal studenten stijgt, het aantal diploma’s stijgt, het studierendement stijgt, maar – er is een grote maar – er haken te veel studenten af en ze doen er langer over om het diploma te behalen. Dus we moeten ingrijpen, daar zijn we het over eens, dat dat nodig is.

We hebben al een en ander gedaan. Dat wil ik toch in herinnering brengen. Ten eerste is er de studiekeuze, te starten bij de overgang van het secundair naar het hoger onderwijs. De oriëntatie moet verbeteren. We hebben nu de ‘algemene niet-bindende oriënteringsproef’. Deze is nu opnieuw achter de rug, en ongeveer een kwart van de laatstejaars ging al met het instrument aan de slag. Een kwart is goed, maar het is driekwart te weinig. Ik vind dat elke laatstejaars daarmee aan de slag moet gaan. Dat wordt een belangrijk aandachtspunt bij de ronde van de directies die we doen in de maand mei. Het gaat hier over het instrument Columbus, niet de toelatingsproef, maar de oriënteringsproef in het secundair onderwijs.

Daarnaast zijn er de ‘verplichte, niet-bindende toelatingsproeven’ bij het begin van het hoger onderwijs. Deze week, gisteren, kwam de digitale instapproef voor de lerarenopleidingen van de hogescholen online. Alle studenten die een professionele bachelor onderwijs willen aanvatten, zullen deze proef voortaan afleggen.

Voor de universitaire richtingen zijn er de ijkingstoetsen – deze zijn niet-bindend – die steeds verder worden uitgebreid. Dit jaar wordt diergeneeskunde daarin op algemeen verzoek meegenomen. Dat was hoogdringend.

Ik verwacht wel wat van de betere oriëntering, maar soms zullen studenten toch een minder geslaagde keuze maken. In dat geval moeten ze sneller worden aangezet om te heroriënteren. Daartoe hebben we reeds de maatregelen voor studievoortgangsbewaking versterkt. Als een student geen 60 procent – in het verleden 50 procent – heeft, kunnen bindende voorwaarden opgelegd worden.

Met betrekking tot het leerkrediet is de werkgroep binnen de Vlor momenteel de mogelijke alternatieven aan het oplijsten. Ik ben in blijde verwachting van constructieve voorstellen wat dat betreft. Ik heb hun beloofd dat we de resultaten van deze werkgroep gaan afwachten alvorens aanpassingen aan te brengen aan het systeem van het leerkrediet.

De uitdaging schuilt erin een systeem te vinden dat studenten en instellingen stimuleert om studievoortgang te maken, zonder dat de verworvenheden van de flexibilisering worden aangetast en zonder dat er ongewenste neveneffecten ontstaan op het vlak van concurrentie en financiering bij instellingen, of een soort uitstel- of shopgedrag bij studenten.

Het huidige financieringssysteem is gebaseerd op een evenwicht tussen inputfinanciering, dat is de financiering voor studiepunten die de student opneemt, en ouputfinanciering, voor studiepunten die de student ook effectief behaalt, en desgevallend ook het diploma dat daar, hopelijk toch, uit volgt. Globaal gesproken leveren studenten die succes boeken, dus meer centen op dan studenten die falen. Uiteraard is het systeem iets genuanceerder dan dat.

Met betrekking tot de heroriëntering kent het financieringssysteem reeds een specifieke regeling. De Codex Hoger Onderwijs stelt dat een instelling voor zijn financiering het aantal opgenomen studiepunten door een generatiestudent behoudt, als die student zich heroriënteert door in de loop van hetzelfde academiejaar te veranderen van opleiding en instelling of door over te stappen naar een opleiding van het hoger beroepsonderwijs. De instelling waar de student zich inschrijft na heroriëntering, wordt gefinancierd voor de studiepunten die de student in de tweede opleiding opneemt. Ook bepaalt de Codex Hoger Onderwijs dat bij een generatiestudent die zich snel heroriënteert, zijn opgenomen studiepunten – of een deel ervan, afhankelijk van de datum waarop er geheroriënteerd wordt – opnieuw toegevoegd worden aan zijn individueel leerkrediet. Daar zijn wel wat evenwichten genomen.

Als ik uw vraag goed begrijp, maar u kunt zich gerust verduidelijken straks, zou het kunnen dat het beter is om opleidingen met een hoge OBE tegen te gaan en dat er een verband is tussen een hoog puntengewicht en de massificatie in bepaalde opleidingen. Ik heb mijn administratie eens laten nakijken welk puntengewicht – want ik vind dat een zeer interessante gedachte – de nieuwe professionele initiële bacheloropleidingen krijgen. Ik beperk mij tot deze opleidingen omdat u verwijst naar het VLHORA-congres. We kunnen dat onderzoek diepgaander voeren.

Van de vijftien nieuwe opleidingen die gestart zijn vanaf het academiejaar 2012-2013 zijn er drie met een puntengewicht 1, acht met een puntengewicht 1,2, namelijk industriële wetenschappen en technologie, en vier met een puntengewicht 1,6. De meeste nieuwe opleidingen hebben niet het hoogste puntengewicht. Deze bevinden zich in het studiegebied industriële wetenschappen en technologie. Dat is een sector waaruit inderdaad veel afgestudeerden nodig zijn, maar die – volgens de logica van de puntengewichten – niet meteen ‘veel geld’ oplevert.

Kijkt men naar de instroom van de generatiestudenten bij de professionele bacheloropleidingen, dan zien we dat de meeste studenten instromen in het studiegebied handelswetenschappen en bedrijfskunde, namelijk 8129 generatiestudenten in het academiejaar 2015-2016. Dat is het studiegebied met het laagste puntengewicht, namelijk 1. De twee volgende studiegebieden zijn gezondheidszorg, met 4883 generatiestudenten, en onderwijs, met 4550. Deze beide studiegebieden hebben wel het hoogste puntengewicht van 1,6, maar men kan toch moeilijk stellen dat in deze studiegebieden massificatie een probleem is: zowel in de zorg als in onderwijs hebben we alle handen absoluut nodig.

Ik wil gerust nog verder onderzoek doen, want nog eens, ik vind uw associatie zeer interessant. We moeten dat zeker bekijken, maar ik kan vandaag niet meteen afleiden dat die match er is, dat men opleidingen aanvraagt omdat men in een hogere schaal zou vallen en dan massaal gaat aantrekken om die schaal nog een keer extra te bevolken.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, eerst een aantal verduidelijkingen. Ik denk niet dat een student kijkt naar het puntengewicht in de OBE’s in de financiering om een studiekeuze te maken. Dat is ook mijn vraag niet, en dat heb ik nergens naar voren gebracht. Maar hogescholen houden daar wel rekening mee, en dat was blijkbaar wel iets wat heel duidelijk naar voren kwam op het VLHORA-congres.

Ik ben daar de hele dag geweest. Er werd toch wel meegegeven dat er op die manier wordt – en dan kom ik bij mijn derde vraag, over de interne allocatiemodellen – gezorgd dat er voldoende studenten in de 1,6 zitten om van daaruit via een intern allocatiemodel middelen te transfereren naar die studierichtingen en opleidingen die een gewicht 1 of 1,2 hebben.

Volgens de cijfers die u geeft – ik heb het snel even opgeteld – zijn het er in 1,6 9433, en in 1 zijn het er 8029. Dat maakt dus dat er wel degelijk meer zijn in 1,6 dan in 1. Ik spreek geen waardeoordeel uit als ik ze optel. 4883 en 4550, dat is 9433. Dat zijn dus wel degelijk meer generatiestudenten. Ik spreek geen waardeoordeel uit over die opleidingen. Ik stel alleen wel vast dat het voor nieuwe opleidingen in STEM moeilijk is door de hoge kost die daar in labo’s en IT-ondersteuning tegenover staat. Dat maakt inderdaad dat we ook op STEM-opleidingen voor de hogescholen – ook voor de universiteiten, maar vooral voor de hogescholen – een rem hebben. Ik heb zo een tweetal interne allocatiemodellen mogen inkijken. Ik kan u zeggen dat die interne transfers gigantisch zijn. Ik vraag me daarbij dan af: als je intern dan toch zoveel transfereert, waarom kunnen we het dan in de regelgeving niet meenemen?

Wat leerkrediet betreft, ben ik inderdaad ook afwachtend van wat erin gaat zitten in wat men voorstelt. Onze fractie staat achter flexibilisering voor die studenten die het nodig hebben, maar het kan toch niet zijn dat de gemiddelde student vandaag maar 54 studiepunten meer opneemt en dus met andere woorden de facto er een jaar aan breit? Misschien moeten we dat tegen de studenten wel eens beginnen te zeggen dat er dan in de loopbaanvoorwaarden voor de pensioenen ook een prijskaartje boven hun hoofd hangt, want dat wil zeggen dat hun studieduur verlengt en dat ze dus langer zullen moeten werken en/of meer studiejaren zullen moeten afkopen. Ik denk dat we dat misschien nog wat meer naar voren moeten brengen.

Ik lees nog altijd overal ‘instaptoets’ en van die toestanden. Ik denk dat het beter is om de zaken te noemen zoals ze zijn, zijnde: niet-bindende toelatingsproef, niet-bindende oriënteringsproef. Dan weet iedereen waarover we het hebben. U zegt het correct, maar in recente persberichten heb ik dat toch mogen lezen.

Ik ben blij dat instellingen inderdaad niet financieel afgestraft worden als ze heroriënteren, of dat de ontvangende instellingen nog iets krijgen van de student die bij hen zit. Maar blijkbaar leeft toch nog het gevoel dat zij niet het volle pond krijgen. Ik weet niet waar daar de verschillen zitten tussen enerzijds de regelgeving die daarin voorziet en anderzijds de beleving die er is van ‘het brengt ons niet zoveel op voor mensen die toch geheroriënteerd worden, want wij krijgen daar niet zoveel van’. Ik denk dat dat nog eens herbekeken moet worden, zeker voor overgangen tussen universiteiten en hogescholen.

Vooral bij mijn derde vraag, minister, zit ik dus nog wat op mijn honger.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik heb begrip voor een aantal zorgen die onze collega geformuleerd heeft. Minister, ik noteer dat u stelt dat het zinvol is om de hoogte van de puntengewichten te evalueren.

Mijnheer Daniëls, waar ik het een beetje moeilijker mee had, was inderdaad uw derde vraag. Ik veronderstel dat u die niet louter theoretisch stelt, maar dat u een aantal concrete hogescholen en studierichtingen voor ogen hebt. Misschien kunt u ons wat meer duidelijkheid creëren hierover, want voor mij was deze vraag nogal theoretisch en niet volledig te volgen.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ik denk dat de derde vraag niet zo theoretisch is. Misschien is het woord ‘massificatie’ een beetje vreemd in deze context, maar ik denk dat het belangrijk is om zicht te krijgen op die interne allocaties, teneinde te begrijpen of er effectief gesleuteld moet worden aan die OBE’s. Wat is de reële kost van een opleiding? Stemt dat overeen met de manier waarop wij de opleiding financieren? Ik denk ook, minister, dat dat een ingewikkelde oefening is, maar dat het een belangrijk onderzoek kan zijn om te zien of wij eigenlijk op een juiste en transparante manier de financiering van die studierichtingen mogelijk maken. Bijvoorbeeld de STEM-opleidingen hebben hun kost in de organisatie ervan, maar wil men wat verdere stappen zetten in de digitalisering van andere opleidingen, dan heeft dat ook zijn kost. De vraag is dan uiteindelijk of die verschillen in OBE’s nog in die mate te rechtvaardigen zijn. Ik denk dat dat een belangrijk en nuttig onderzoek kan zijn.

Een tweede punt dat men moet onderzoeken, is of men effectief niet bepaalde heroriëntering van studenten uitstelt, of daar milder mee is, in functie van de financiering. Want dat is niet in het belang van de student. En dat is voor ons allen, denk ik, nog altijd het belangrijkste uitgangspunt in het bekijken van de regelgeving: is dit in het belang van de student? Moet je sneller geheroriënteerd worden? Laat een jongere geen tijd verliezen. Als we zelf al niet willen dat ze het zich gemakkelijk maken door hun studieduur te verlengen, dan moeten wij er ook voor zorgen dat anderen er niet voor zorgen dat die studieduur nodeloos gerokken wordt. We moeten daar eerlijk in zijn. Als men kan vaststellen dat bepaalde instellingen omwille van hogere OBE’s studenten te lang aan boord houden, dan moet daarover gesproken worden.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik ben het honderd procent eens met de laatste opmerking van collega Brusseel. We hebben dat ook gevraagd in het lopende onderzoek van het leerkrediet.

U hebt zich goed verduidelijkt, collega Daniëls. Evident gaan studenten daar geen rekening mee houden, maar als het gedrag van een hogeronderwijsinstelling zo zou zijn dat je kunstmatig jongeren langer gaat houden en gaat vermijden dat ze heroriënteren, kan dat uiteraard niet. Daar ben ik het zeker mee eens.

Wij zien ook dat er minder studiepunten opgenomen worden bij de start. Je kunt erover discussiëren: is dat een goede zaak of een minder goede zaak? Er zijn studenten die werken terwijl ze studeren. Er zijn veel zaken en engagementen mogelijk.

Waar ik het heel moeilijk mee heb, is het lange traject dat studenten afleggen om hun diploma te halen en nog erger de huidige uitval. Een op de vijf van de studenten die starten, haalt geen diploma in het hoger onderwijs. Dat heeft een enorme impact op je verdere leven. Ik heb in mijn nabije kennissenkring meegemaakt wat het met een mens doet als men de capaciteiten heeft om hoger onderwijs te volgen maar het niet lukt. Zo ontstaat er faalangst. We moeten daar echt op ingrijpen. Daarom zijn de oriëntering en de niet-bindende toelatingsproef voor mij cruciaal. Op die manier wordt men geconfronteerd met waar men staat en kan men vertrouwen opdoen omdat men dan weet waaraan men moet werken. Dat zijn voor mij echt belangrijke zaken.

Ik begrijp ook de opmerking van de heer De Meyer. Door de manier waarop de vraag is gesteld, zijn sommige zaken wat moeilijk in te schatten.

Er was de vraag naar het permanent controleren van de herallocaties. Ik heb het daar ook moeilijk mee. We hebben een regeerakkoord dat stelt dat we vertrouwen hebben in de instellingen. U vraagt nu aan mij om alles te controleren. (Opmerkingen van Ann Brusseel)

Ja, maar het is al eens onderzocht. Geven we dat vertrouwen of niet? Geven we het vertrouwen dat ze kwalitatieve opleidingen garanderen of controleren en kleuren we dat? Ik zal dat niet doen. De vraag naar onderzoek begrijp ik, maar ik wil de autonomie in stand houden. We zijn al zeer regelgevend. Als we zien dat er massaal op eenzelfde punt wordt geheralloceerd, dan kan dat een argument zijn om te zeggen dat de gewichten misschien niet helemaal correct zijn. In functie daarvan ben ik zeker bereid om dat te doen.

Ik hoor ook – en het onderzoek heeft dat ook aangeduid – dat bij een kleine lerarenopleiding men veel meer 1,6 nodig zal hebben dan bij een reusachtig grote lerarenopleiding. Daar zitten ook al verschillen op. Het is interessant. Misschien zijn de gewichten niet helemaal meer correct. Ik hoor ook van sommige hogescholen dat ze toevallig allemaal kleine opleidingen hebben. Dat klopt ook. Nog eens, zonder een bulk extra middelen zal een herweging er sowieso toe leiden dat er winnaars en verliezers zijn.

U zou kunnen zeggen dat het groeipad daarvoor kan worden gebruikt. Sommigen hebben dat voorstel al gedaan. Dat is een bespreekbare optie. Momenteel gaan de zwaarste gewichten naar verpleegkunde en de lerarenopleiding. Dat zijn net de opleidingen waar we snakken naar een grote instroom.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

De derde vraag is wel degelijk ingegeven door concrete, interne allocatiemodellen die ik heb gezien. Minister, misschien is het raadzaam dat het Rekenhof dit even bekijkt. Ik vraag geen permanente controle. We hebben een decreet dat gebaseerd is op bepaalde modellen. Er kan een eenmalig onderzoek worden gevoerd. U moet de administratie daar dan ook niet verder mee belasten.

Wat betreft het inzetten van het groeipad, heb ik heel wat hogescholen horen pleiten voor het gebruiken van de klik voor de aanpassing van de OBE’s. Er is strategisch een andere optie genomen om eerst die 7000 te bereiken voor de OBE’s. Dat is een keuze die gemaakt is, maar heeft natuurlijk wel een aantal gevolgen.

Wat betreft de heroriëntering krijg ik toch het signaal dat studenten niet alle studiepunten opnemen en bepaalde moeilijke vakken bewust achterwege laten. Bijgevolg is het moeilijk om sneller te heroriënteren. Men slaagt wel op de andere vakken, maar men heeft de moeilijke laten vallen en die komen dan later. De mensen die aan studiebegeleiding doen, hebben zo geen volledig beeld. Het gaat mij niet over werkstudenten, studenten met een beperking en dergelijke, maar over de grote groep generatiestudenten. Daar stellen we vast dat velen niet de 60 studiepunten meenemen.

Collega’s, er is dus nog werk aan de winkel, in het belang van de instelling, in het belang van de student, in het belang van de ouders, die betalen, in het belang van de belastingbetaler, die ook een deel van de rekening betaalt, en ook in het belang van onze arbeidsmarkt, die op bepaalde vlakken echt mensen nodig heeft, in de STEM-richtingen, maar ook in de humane wetenschappen. To be continued, om het in het mooi Nederlands te zeggen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vraag om uitleg van Caroline Gennez aan Hilde Crevits, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Onderwijs, over het advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) betreffende het basisonderwijs Vraag om uitleg van Jos De Meyer aan Hilde Crevits, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Onderwijs, over masters in het basisonderwijs Vraag om uitleg van Kathleen Krekels aan Hilde Crevits, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Onderwijs, over het basisonderwijs in de toekomst

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.