U bent hier

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters (Open Vld)

De Vlaamse Regering keurde op 30 november 2016 het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen goed. Dit is een belangrijke nieuwe formele stap op weg naar het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen, dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zal vervangen.

Vervolgens startte de consultatieronde van dit witboek voor lokale besturen, de gemeenten en provincies, de adviesraden en het college van voorzitters van gebiedswerkgroepen. Er volgden tevens infomomenten in januari 2017.

De adviesraden en de lokale besturen werden gevraagd advies uit te brengen voor 13 februari 2017. We horen her en der dat de periode van adviesverlening voor tal van lokale besturen te kort was. Gezien deze opmerkingen dringt zich hier de vraag op of de adviesinzameling representatief is.

Inmiddels zijn al verschillende adviezen verleend, onder meer door de VVSG, een aantal provincies en de SERV op 13 februari 2017. Hier staan een aantal terechte kritische opmerkingen in.

Zo lezen we onder meer dat er bedenkingen zijn bij de gehanteerde cijfers in het witboek rond ruimtebeslag. Ik citeer:

“Cijfers. In het BRV is sprake van 14 procent verharding en 33 procent ruimtebeslag. In december 2016 bracht de Vlaamse overheid nog een rapport uit waarin tevens een grafiek werd opgenomen inzake ruimtebeslag. De daarin gebruikte data waren afkomstig van het kadaster bij de FOD Financiën. Daaruit blijkt een ruimtebeslag van 27 procent (zie https://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/monitor-groene-economie). Al zijn niet alle verhardingen terug te vinden in het kadaster, toch lijkt het de SERV dat een dergelijke afwijking nogal groot is. Om een juist beeld te krijgen over het toekomstig ruimtebeslag dienen de gehanteerde cijfers minstens te worden geactualiseerd.”

Ook lezen we dat inzake de ruimteboekhouding wordt gevreesd dat gebieden in het RSV bestemd voor industrie straks opgesoupeerd worden door andere bestemmingen. Ook hier het citaat:

“Ruimteboekhouding industrie. De monitoringtabel (ruimteboekhouding) in het Witboek geeft aan dat de industrie de enige sector is van de bestemmingen met ruimtebeslag met een nog openstaand saldo ten aanzien van de begrote toestand RSV, namelijk 3.400 ha. Het witboek BRV stelt – in tegenstelling tot het RSV – dat er geen afzonderlijke kwantitatieve doelen worden bepaald voor de bestemming met ruimtebeslag omwille van verweving. De SERV merkt op dat de kans dan wel groot is dat de resterende hectaren opgesoupeerd zullen worden door andere bestemmingen als woningbouw, overig groen, enz.”

De SERV vraagt dat bij de operationalisering van de beleidskaders de nodige rechtszekerheden worden ingebouwd, iets waar onze fractie al meermaals op hamerde.

Wat betreft de knooppuntwaarde heeft de SERV tevens een aantal bedenkingen en vraagt hij rekening te houden met de hedendaagse trends. Zo geeft hij aan dat ook energie een belangrijke rol speelt bij de flexibele toepassing van knooppunten en dat er niet meer naast digitale verbindingen en stromen, zoals smart cities en smart logistics, kan worden gekeken. 

Parallel met de adviesbevraging liep er een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) en een strategische milieubeoordeling (SMB). De SMB, die de impact van de beleidsvoorstellen moet analyseren, zou tegen 31 januari 2017 beschikbaar zijn opdat de resultaten kunnen worden meegenomen bij de opmaak van de kaders.

Minister, wat betreft de consultatieronde bij lokale besturen zijn mijn vragen de volgende. Hoeveel adviezen van lokale besturen werden ontvangen tegen 13 februari 2017? Wat is over de grote lijnen de teneur van deze adviezen?  Wordt ook rekening gehouden met adviezen die na 13 februari 2017 worden ingediend?

Hoever staat het met de opmaak van de maatschappelijke kosten-batenanalyse? Wat is de stand van zaken?

Is de strategische milieubeoordeling (SMB) inmiddels afgerond en is deze beschikbaar?  Wat is de stand van zaken?

In maart zou een partnerforum volgen en zouden de tussentijdse beleidskaders getoetst worden op de beleidsatria lokale besturen. Is voor dit forum al een concrete datum gepland en welke partners worden hierbij betrokken?

Minister, wat is uw standpunt aangaande de bemerkingen van de SERV over de gehanteerde cijfers rond ruimtebeslag?

Wat is uw standpunt over de bemerkingen van de SERV aangaande de ruimteboekhouding en de knooppuntbenadering?

Minister Schauvliege heeft het woord.

Op 16 februari 2017 waren in totaal 82 adviezen ontvangen. De teneur van de advisering is dat er globaal een brede steun bestaat voor de strategische doelstellingen en ruimtelijke principes in het Witboek Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Tegelijk zijn er nog heel wat vragen over de concrete toepassing en uitvoeringsmodaliteiten ervan. Het lijkt me voorbarig om verder in detail te gaan. Mijn administratie is momenteel nog volop bezig de adviezen te analyseren. Bovendien komen er elke dag nog adviezen binnen. De adviezen die voor het eind van de maand binnenkomen, wens ik zeker mee te nemen in de behandeling.

Ruimte Vlaanderen heeft op 17 januari 2017 een bestek gepubliceerd met als titel ‘Budgettaire en financiële impact aan de hand van een kosten-baten analyse van het transitietraject in het witboek BRV’. Er is gekozen voor een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking van diensten. De indieningstermijn is afgesloten en meerdere offertes bereikten mijn administratie. Momenteel worden de voorstellen gescreend. Het is mijn bedoeling de opdracht begin maart van start te laten gaan. De studie zal lopen voor een periode van negen maanden. Maar het bestek vraagt uitdrukkelijk aan de inschrijvers rekening te houden met het politiek besluitvormingsproces en na drie maanden een eerste set bruikbare rekenresultaten voor te leggen.

Ik vind het belangrijk dat we bij de opmaak van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen steeds de vinger aan de pols kunnen houden als het gaat om de effecten op ons leefmilieu. Het BRV is immers een belangrijke opstap naar een volwaardig omgevingsbeleid. We hebben er daarom vrijwillig voor gekozen om het traject naar het beleidsplan te laten begeleiden door een strategische milieubeoordeling. Deze maakt integraal onderdeel uit van het proces dat moet leiden tot een definitief goedgekeurd beleidsplan. In een eerdere fase heeft mijn administratie al een tussentijdse analyse ontvangen naar aanleiding van de vroegere werktekst voor het witboek. De milieubeoordelaar legt momenteel de laatste hand aan een tweede tussentijds analyserapport. Het rapport zal een globale beoordeling geven van de strategische krachtlijnen in de visie maar vooral ook een set aanbevelingen voor de op te maken beleidskaders. Ik zal mijn administratie vragen het rapport te publiceren op hun website zodra een definitieve versie van het rapport beschikbaar is.

De stand van zaken heeft geen impact op de timing en het verdere traject naar het ontwerp-beleidsplan.

Het partnerforum gaat door op 16 maart. Ik betrek op dit forum partners uit het maatschappelijk middenveld, lokale besturen, verschillende beleidsdomeinen, buurlanden en buurregio’s, private en semiprivate partijen, academici en betrokkenen uit de BRV-gebiedswerking in het kader van het relancetraject. De uitnodiging is dus zeer breed en gaat naar zo’n 200 personen die zich de laatste jaren geïnteresseerd hebben getoond. De beleidsatria voor de lokale besturen gaan door tussen 20 en 31 maart.

Het lijkt me voorbarig om op basis van één advies nu al een standpunt in te nemen. Ik ben eerst nog in afwachting van een aantal adviezen, waaronder die van de SARO en de Minaraad. De analyse van alle adviezen is bovendien nog volop gaande.

Ik wil wel iets zeggen over de cijfers voor ruimtebeslag. Er zijn in de pers de voorbije dagen allerlei meningen verschenen over zogenaamde achterhaalde cijfers die gehanteerd zouden zijn in het witboek BRV. Ik heb sterk de indruk dat een rechtzetting op zijn plaats is. Het advies van de SERV verwijst in verband met ruimtebeslagcijfers naar een rapport dat op zijn beurt cijfers van de FOD Economie hanteert. In de voorbereiding voor het witboek BRV is zeer nauwgezet gekeken naar alle bronnen die cijfers zouden kunnen geven over het ruimtebeslag in Vlaanderen. Zo zijn er bijvoorbeeld statistieken van het kadasterregister, is er de bodembezettingsstatistiek voor België van de FOD Economie en zijn er cijfers van het Europees Milieuagentschap. Al die cijfers zijn verschillend omdat ze van verschillende definities vertrekken, andere basisbronnen hanteren of dat ze een andere nauwkeurigheidsgraad gebruiken. Al deze bronnen hebben gemeen dat ze gewoonweg niet het ruimtebeslag weergeven, zoals dat Europees gedefinieerd is.

Wellicht kent u de definitie van ruimtebeslag inmiddels ook al uit uw hoofd: ‘Ruimtebeslag bestaat uit de ruimte, ingenomen door onze nederzettingen, dus door huisvesting, industriële en commerciële doeleinden, transportinfrastructuur, recreatieve doeleinden, serres, enz. Parken en tuinen maken hier ook deel van uit.’ Iedereen kan deze definitie vinden in het witboek BRV, zoals goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Iedereen kan ook nagaan in welke mate de door de pers en de SERV geciteerde bronnen, niet overeenstemmen met deze definitie. Omdat al de vele bestaande bronnen niet geschikt bleken, is beslist in de voorbereiding van het witboek BRV het ruimtebeslag te berekenen met het dynamisch landgebruiksmodel van VITO. Dit landgebruiksmodel combineert de best beschikbare gegevens in een landgebruiksbestand met een detaillering van 10 op 10 meter. Het landgebruiksmodel van VITO is de best beschikbare bron gebleken en dus de enige bron die we gebruiken om te meten dat 32,7 procent van de oppervlakte van Vlaanderen is ingenomen door ruimtebeslag. Ook dit is zeer duidelijk vermeld in het witboek BRV.

In de politieke bespreking, voorafgaand aan de goedkeuring van het witboek, heeft VITO dit alles zeer goed uitgelegd aan iedereen die betrokken is bij de besluitvorming. Ik zou hierbij ook iedereen willen oproepen om voortaan te refereren aan dezelfde bron. Het citeren van andere, ongeschikte bronnen leidt alleen maar tot verwarring – tenzij dat natuurlijk de bedoeling is. Ik vind het ongehoord dat sommigen van die verwarring misbruik maken om te twijfelen aan de onderbouwing van het witboek. Het leidt volgens mij slechts tot bangmakerij over het ruimtelijke beleid van de Vlaamse Regering, en daar is niemand bij gebaat.

Ik stel vast dat ook VITO een rechtzetting heeft gevraagd. Ik hoop dat dat ook zal lukken. Ik heb al aangegeven dat ik het voorbarig vind om op basis van één advies een standpunt in te nemen. Ik heb mijn diensten gevraagd alle standpunten grondig te screenen en samen te leggen. Het is op basis daarvan dat we conclusies zullen trekken, ook samen in de regering. Het is ook daarom dat die consultatie loopt, om al die bezorgdheden mee te nemen.

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters (Open Vld)

Bedankt voor uw antwoord, minister. Het is alleszins de bedoeling om een zo groot mogelijk draagvlak te creëren voor dat witboek BRV, dat straks moet resulteren in een BRV als dusdanig. U geeft aan dat er al heel wat discussie is geweest, in de pers en dergelijke, rond enerzijds het gehanteerde cijfermateriaal en anderzijds het bronnenmateriaal. Het is alleszins zeer goed om daar duidelijkheid in te scheppen, want anders zijn we veel verder af van het creëren van een groot draagvlak. Als ik de laatste persberichten zie, denk ik dat er veeleer minder draagvlak zal zijn dan wat men beoogde, namelijk een zo groot mogelijk draagvlak.

Wat het ruimtebeslag betreft, verwijst u naar de Europese definitie daaromtrent. Maar toch zien we her en der, in verschillende exposés, dat er telkens wel een andere benadering wordt gehanteerd. Nu eens stelt men dat, als we op dat elan doorgaan, het over een inname van 6 hectare per dag gaat. Dan weer lezen we dat het 5,5 hectare per dag is. We zien toch dat er wel heel veel verschillen zijn in de gehanteerde cijfers. Het is heel belangrijk dat daar duidelijkheid in wordt geschapen.

We moeten dan ook verwijzen naar wat we zowel twee weken geleden in de plenaire vergadering besproken hebben als vorige week in de commissie, toen er ook van mijnentwege nog vragen waren. Men blijft nieuwe studies bestellen rond de ruimte-inname. Dat komt toch een kleine beetje over alsof er nog geen volkomen duidelijkheid is.

Ten tweede zijn er de adviezen. Voor mij was het, op het moment dat ik mijn vraag indiende, niet geheel duidelijk of er naast dat van de SERV ook al andere adviezen waren, bijvoorbeeld van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening (SARO) en dergelijke. Ik dacht dat voor iedereen 13 februari de deadline was. Ik hoor dat er 82 adviezen zijn. Dat lijkt mij nog niet zo veel, zeker omdat opnieuw alle lokale besturen, dus 308 gemeenten, gevraagd waren om toch ook een advies in te dienen. Dan stel ik mij de vraag of dat wel voldoende representatief is voor heel Vlaanderen. Ik neem aan dat in die 82 adviezen niet alleen de lokale besturen, maar ook de provinciale besturen, de gebiedswerkgroepen en dergelijke daar mee in vervat zijn. U kunt dat straks misschien nog wat verduidelijken.

Inmiddels heb ik, zij het pas sinds gisteren, het advies kunnen lezen van de VVSG. Ik weet niet of dat advies wel door elk lokaal bestuur gedragen wordt, want ik lees daar onder andere het volgende in, wat mij toch wel zorgen baart: “Als – terecht – wordt gekozen om wonen en werken te stimuleren in knooppunten en bestaande grotere kernen, betekent dit dat sommige landelijke gemeenten de mogelijkheid wordt ontzegd te groeien en dus financieel gezond te blijven.” De VVSG vraagt verder dan wel om zeker te zorgen voor compenserende maatregelen en een vergoeding van die gemeenten. Eigenlijk betekent dat dan ook wel dat de timing van een en ander inzake het BRV in het gedrang komt. Want als de VVSG hier een pleidooi houdt voor een financiering – gekoppeld aan het Gemeentefonds, denk ik dan – voor gemeenten die open en groen blijven, denk ik dat we toch nog een lange weg te gaan hebben.

Als ik dat advies van de VVSG naast het advies van de bestendige deputatie van de provincie Limburg leg, dan is dat toch een heel andere teneur. In het advies van de provincie Limburg lees ik: “Het witboek is niet rijp voor toepassing in ruimtelijke beleidspraktijken in Vlaanderen.” Ten tweede vraagt de provincie Limburg een eigen ruimtelijke situatie voor een eigen ruimtelijk beleid. Ze blijft erop hameren dat op dit ogenblik het witboek onvoldoende kan overtuigen, temeer omdat Limburg – en dat geldt ook, zoals we ook gezegd hebben in de plenaire vergadering, voor de Kempen en een deel van West-Vlaanderen – verstoken blijft van een aantal knooppunten. Ik weet dat collega Ceyssens daar in de commissie Mobiliteit ook een aantal vragen over zal stellen aan uw collega.

Als we rekening houden met die adviezen en als ik de terechte bekommernissen lees van de provincie Limburg rond dat verhaal van de knooppunten, dat we daar nog ver van huis zijn, dan maak ik mij toch wel wat zorgen. Ik stel mij zeker ook vragen bij de verdere timing.

Voor alle duidelijkheid wil ik benadrukken dat ik het advies van de provincie Limburg volledig mee kan onderschrijven. Bij het advies van de VVSG stel ik mij de vraag of dat wel door alle lokale besturen gedragen wordt.

Minister, u hebt gezegd dat die atria allemaal zullen plaatsvinden in de loop van de maand maart. Ik denk dat het voor de leden van deze commissie heel belangrijk is dat wij ook hier in de commissie eens een grondige gedachtewisseling kunnen hebben met een aantal geledingen voor het verdere verloop van de transformatie van het witboek BRV naar een definitief BRV, want ik denk dat er nog heel wat vragen op ons afkomen.

Dan stel ik mij tegelijk nog een vraag bij de timing. Ik verwijs dan opnieuw naar het advies van de SERV. Als er verder wordt gegaan op dit elan, heeft men serieuze bedenkingen bij de woningschaarste, omdat er op dit ogenblik te weinig middelen voorhanden zijn om appartementsgebouwen volledig te kunnen renoveren en zodoende een vraag te kunnen doen op de demografische groei.

De heer Ceyssens heeft het woord.

We weten allemaal dat we met het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen toch wel een revolutionaire beslissing genomen hebben, in die zin dat we gezegd hebben dat de ruimtelijke ordening zoals die geweest is, niet meer zo zal moeten zijn in de toekomst, om Vlaanderen verder uit te bouwen. Ondanks het feit dat we allemaal willen dat Vlaanderen verder blijft groeien en evolueren, moeten we dat op een andere manier gaan doen dan hoe we het tot op heden gedaan hebben, met zorg voor open ruimte. Die open ruimte staat garant voor onze voedselvoorziening, onze onthaasting, onze recreatie en dergelijke meer. Maar ook heel belangrijk is de link tussen mobiliteit en ruimtelijke ordening die we in het verleden, met de ruimtelijke ordening die we toegepast hebben, heel dikwijls vergeten zijn.

Ik denk dat het niet meer dan normaal is dat op het moment dat er een dergelijke koerswijziging wordt ingezet, er heel veel vragen komen. Dat is een beetje dubbel. Mocht de minister vandaag een pasklaar antwoord hebben op alle vragen, dan zou alles al beslist zijn en zouden we voorbijgegaan zijn aan elke vorm van participatie en inspraak. Anderzijds, als er nog heel veel openstaande vragen zijn, komt men met het gegeven: er zijn hier zaken beslist, en we weten dit nog niet en dat nog niet. En zo kunnen we nog wel even doorgaan. Ik heb dus alle begrip voor bezorgde vragen, vanuit welke hoek dan ook.

Ik moet wel zeggen dat ik de afgelopen week toch wel even de wenkbrauwen fronste, minister, toen ik een aantal bemerkingen van een collega van u uit de Vlaamse Regering hoorde. Ik vraag mij af of die uit een van die slecht ontsloten gebieden van Vlaanderen kwam en daardoor te laat was op de ministerraad, toen dit Beleidsplan Ruimte Vlaanderen werd besproken.

Maar goed, ik deel natuurlijk volledig de bekommernis van collega Peeters, die hier vandaag de Limburgreflex maakt. Daar wil ik zeker en vast in meegaan. De bezorgdheid die er vanuit Limburg is, is heel terecht. Alleen denk ik dat we een beetje van mening verschillen over de remediëring. We kunnen twee dingen doen. We kunnen in Limburg zeggen: we zijn vandaag slecht ontsloten, maar goed, het zij zo, laat ons gewoon verder doen zoals we bezig zijn, met alle mogelijke gevolgen van dien. Onze open ruimte wordt verder aangesneden, de versnippering gaat verder, de ruimtelijke kwaliteit gaat verder achteruit, ons mobiliteitsprobleem wordt elke dag een stukje groter. Of we kunnen zeggen: wij zijn inderdaad ongerust, want wij hebben die mobiliteitsknooppunten wel degelijk nodig om ons in Limburg verder te kunnen ontwikkelen.

U zult het mij vergeven dat ik, net als collega Peeters, naar de case Limburg grijp, maar ik denk dat er zo nog wel enkele regio’s in Vlaanderen te vinden zijn. Collega Dochy zal daar ongetwijfeld nog iets dieper op ingaan.

Collega’s, toen we over het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen spraken in het Vlaams Parlement, was op een gegeven moment zelfs de conclusie dat het eigenlijk geen debat was, omdat we het er allemaal over eens waren dat we het anders moesten gaan doen. We zijn het dan ook aan onszelf verplicht om dat ernstig te nemen en niet vanaf dag één een aantal zaken die beslist zijn, al in twijfel te beginnen trekken. Maar er ligt dan natuurlijk gigantisch veel werk op de plank voor de uitrol van dit heel ambitieuze plan. Daarom, collega Peeters, ga ik donderdag inderdaad ook de vraag stellen aan minister Weyts, over hoe hij dit verder zal uitrollen vanuit zijn bevoegdheid. En ook voor u, minister, denk ik dat er heel belangrijke uitdagingen zijn wat betreft uw instrumentenkoffer, zoals de verhandelbare bouwrechten. Maar ik denk dat we ook naar een heel goede berekening zullen moeten gaan van wat dit allemaal gaat kosten.

Laat het ons daarover eens zijn: die mensen die hierdoor vandaag schade lijden aan hun eigendom, die moeten vergoed worden. Ik vind het een beetje een vreemde redenering als men zegt dat er minder gebouwd zal kunnen worden op het platteland en dat daardoor die huizen minder waard zullen worden. Ik ben geen economist, maar volgens mij zorgt schaarste er juist voor dat zaken een stukje duurder worden. Dat die huizen minder waard gaan zijn, durf ik dus ten zeerste te betwijfelen. Maar wat betreft die gronden die morgen niet meer aangesneden kunnen worden, zijn wij als CD&V heel duidelijk: die eigenaars moeten op een billijke manier vergoed worden. En dat zal Vlaanderen geld kosten. Betekent dat dat we dat daarom niet moeten doen? Uiteraard niet, want we gaan daar ook een grote maatschappelijke winst uit halen, waar we onze mobiliteit eens deftig kunnen organiseren, waar we het schaarse goed open ruimte in Vlaanderen kunnen bewaren voor de toekomst en voor ons nageslacht, en vooral, waar we ons kunnen wapenen tegen problemen die we vandaag zelf veroorzaakt hebben door een ondoordachte ruimtelijke ordening.

De heer Vandaele heeft het woord.

Minister, ik ben blij dat u nog toelichting hebt gegeven bij de status van de verschillende cijfers en bij de Europese definitie van ruimtebeslag. Wij denken dat dit inderdaad de juiste invalshoek is en dat we daarvan moeten uitgaan. Het heeft geen zin om nu allerlei cijfers op een hoopje te vegen en op die manier een gigantische spraakverwarring te veroorzaken, waardoor we er helemaal niet meer uit komen. Daar hebben we geen behoefte aan. Dit is het kader dat ook door de Vlaamse Regering is geschetst. Ik denk dat we dat het best als uitgangspunt behouden, willen we de vis niet verdrinken. Het zal zo al moeilijk genoeg zijn.

Of de gemeenten gecompenseerd moeten worden, als beloning omdat ze de open ruimte niet volbouwen, dat weet ik niet. Dat lijkt me misschien een stap te ver, maar we kunnen daarover spreken. Maar dat, zoals collega Ceyssens zegt, de mensen die op een bepaald moment financieel verlies dreigen te lijden, gecompenseerd moeten worden, daar ben ik het helemaal mee eens. Dat hebben wij ook altijd gezegd. Anders zul je natuurlijk geen enkel draagvlak voor dit beleidsplan creëren. En dan zijn we nog verder van huis.

Het is belangrijk, minister, dat we op koers blijven en dat we doen wat we gezegd hebben te zullen doen, en niet beginnen te wankelen. Ik heb ook de stukken gelezen van een van uw collega’s uit de regering. Die is toevallig uit mijn streek. Of dat goed ontsloten is of niet, weet ik niet, collega, maar toch voldoende om in Brussel te raken.

We moeten in elk geval op koers blijven en mogen de basis niet in twijfel trekken van beslissingen die zijn genomen, maar we moeten wel zo snel mogelijk de instrumenten hebben om de mensen gerust te stellen die denken dat ze wel eens nadelen zouden kunnen ondervinden. Die instrumenten moeten worden uitgewerkt en een aantal zaken moeten worden verfijnd. Ik denk dan aan planschade en aan planologische compensatie, maar er zijn ook nieuwe zaken waar we willen aan werken zoals die verhandelbare bouwrechten. Als we daar lang mee wachten, vrees ik dat de ongerustheid bij de mensen te groot zal worden om het draagvlak stevig genoeg te maken. Ik vrees ook dat dan in de tussentijd nog allerlei zaken op gang kunnen worden getrokken die we eigenlijk liever niet willen.

De heer Dochy heeft het woord.

Ik deel heel duidelijk de bezorgdheid van mevrouw Peeters en van de heer Ceyssens vanuit een algemene plattelandsreflex met natuurlijk ook een focus op West-Vlaanderen en specifiek op de Westhoek. Het is duidelijk dat het verhaal van de knooppunten een aantal bezorgdheden heeft losgeweekt bij die mensen in zeer landelijke gebieden, vooral door het feit dat men van basismobiliteit naar basisbereikbaarheid gaat waarbij men eigenlijk het openbaar vervoer afbouwt en de knooppunten wat minder in de kijker staan. Men vreest te worden geconfronteerd met nadelen in het kader van het ruimtelijk beleid. Minister, ik hoop dat u ons op dat vlak wat kunt geruststellen.

We moeten ook heel duidelijk rekening durven te houden met de toekomstige mobiliteit, want we focussen ons vandaag op het huidige systeem van openbaar vervoer. Wanneer we echter een plan willen maken of de ambitie hebben om de ruimtelijke ordening tegen 2050 op orde te brengen, moeten we er ons van bewust zijn dat de mobiliteit, het mobiliteitsprobleem, de mobiliteitsaanpak en de kansen om mobiel te zijn in de volgende jaren zullen wijzigen. De elektrificatie van de wagen met daaraan gekoppeld de zelfrijdende auto zal op het vlak van mobiliteit een heel ander patroon uitbouwen dan wat we nu kennen met het verhaal van het traditionele openbaar vervoer. Wij moeten daar ook rekening mee willen houden. Men komt met een totaal andere focus dan wanneer men over landelijke gebieden spreekt, want de elektrische auto kan perfect ook klimaatneutraal zijn.

Een van de belangrijke redenen van de bezorgdheid van mensen in landelijke gebieden zijn de zeer felle uitspraken van de Vlaamse bouwmeester. Toen hij aantrad, heeft hij heel duidelijk gezegd dat bepaalde dorpen het beste zouden verdwijnen. Hij heeft ook gezegd dat mensen in die landelijke gebieden beter niet zouden investeren in hun woningen, maar beter zouden sparen om later een woning in de stad te kopen. Hij heeft dat later wat genuanceerd maar wat gezegd is, is gezegd, wat geschreven is, is geschreven en wat gelezen is, is gelezen. Mensen zijn daardoor een beetje op stang gejaagd en zijn vandaag in elk geval nog niet volledig gerustgesteld.

Wat tot slot het al dan niet vergoeden van urbanisering voor landelijke gemeenten betreft, ligt de drive van gemeenten om te urbaniseren heel vaak in de fiscaliteit. Hoe meer bebouwde oppervlakte, hoe meer kadastraal inkomen, wat het inkomen van de gemeente vergroot. Als we er niet in slagen het inkomen van de gemeente los te koppelen van de urbanisering op zich, zal die drang blijven bestaan. Dat is ook zeer menselijk, politici zoeken middelen om zaken te realiseren. Het is een belangrijke taak van de Vlaamse overheid om de criteria van het Gemeentefonds – ik heb dat op andere fora ook al meermaals gezegd – aan te passen wanneer we dat ruimtelijke beleid slaagkansen willen geven en wanneer we de open ruimte die beschikbaar is voor recreatie, voedselproductie enzovoort leefbaar willen houden. We mogen die hete aardappel niet zomaar blijven doorschuiven.

Minister Schauvliege heeft het woord.

We hebben een traject doorlopen. In 2012 was er een groenboek, nu is er een witboek dat als bedoeling heeft een groot debat op gang te brengen. Dat is ook de reden waarom er nog geen beslissing is en we een ruime consultatie houden. Ik vind het goed en logisch dat daar reactie op komt en dat we dit kunnen bespreken en daarover kunnen debatteren. Dat is juist de bedoeling van dat witboek. Op basis van de reacties komen we dan tot het definitieve BRV.

Van de 82 adviezen die we hebben ontvangen, zijn er 72 van stads- en gemeentebesturen, 4 van provinciebesturen, 1 van de Verenging van de Vlaamse Provincies en 2 van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Wanneer we die adviezen screenen, dan zien we dat iedereen het eens is met de principes. Dat zien we trouwens ook in de Klimaatresolutie die door het parlement is goedgekeurd. Daarin staan heel uitdrukkelijk de ambities die ook in het witboek BRV staan. Het is ook goedgekeurd door de regering en tijdens een persconferentie samen met alle politieke partijen aangekondigd. Overal waar men komt, is iedereen het erover eens dat we iets moeten doen aan het tempo van inname van open ruimte en verharding. We kunnen dat tempo niet volhouden.

Iedereen is het eens over dat principe, maar dan kijkt iedereen naar zijn of haar eigen situatie. Dat is dan de volgende stap, en dan wordt het moeilijker. Dan moeten we de juiste instrumenten hebben waar op dit moment de laatste hand aan wordt gelegd. De Vlaamse Regering heeft afgesproken die ruime consulatie te houden, dat is ook de reden waarom we volop bezig zijn met die infovergaderingen. We bekijken alle adviezen goed en we onderbouwen het geheel ook financieel. Ik heb daarnet gezegd dat de bestekken zijn uitgeschreven en het Instrumentendecreet. Ik vind het heel belangrijk dat dat drieluik samen blijft. We hebben een timing die ambitieus lijkt, maar die ook tijd neemt. We hebben altijd gezegd dat het de bedoeling is om begin 2018 met het definitieve BRV te komen. Het is ook zo dat er nog is voorzien in een openbaar onderzoek zodra het BRV er is.

Het klopt dat de trendsetting, onder meer door een aantal ongelukkige uitspraken van onder andere de bouwmeester die op een bepaald moment letterlijk zei dat iedereen naar de stad moet gaan wonen, kwaad bloed heeft gezet en tot heel wat verwarring heeft geleid. Overal waar ik ga, zeg ik dat dat niet zo is en dat er ook op het platteland mogelijkheden zijn voor verdere ontwikkeling, maar dat er vooral kernversterkend moet worden gewerkt.

Er zal dus nog heel wat water naar de zee vloeien, daar zijn we ons van bewust, maar niets doen is het slechtste wat we kunnen doen. Dan pas krijgen we grote problemen.

Mijnheer Dochy, we verwijzen naar collectieve vervoersknooppunten maar ook andere knooppunten zoals fietspaden staan daarin vermeld. Het gaat natuurlijk niet alleen over het klimaat, u verwijst naar elektrische wagens, die kunnen veel oplossen maar als we met zijn allen in de file staan, geraken we ook niet vooruit of achteruit omdat we allemaal ver wonen van de plaats waar we werken. Ook dat is iets wat in het BRV aan bod komt en op elkaar moet worden afgestemd. We hebben echt wel nood aan die langetermijnvisie over waar we met onze ruimte naartoe willen. Ik ben ervan overtuigd dat we de bezorgdheden voldoende kunnen wegnemen en onderbouwen.

We zitten nu in een fase waarin we het witboek aftoetsen. De volgende fase betreft het Instrumentendecreet en een aantal andere financiële afwegingen. Die moeten meer klaarheid en zekerheid brengen. Ik wil nogmaals heel uitdrukkelijk vermelden dat wij niet over één nacht ijs zijn gegaan en dat er heel veel lokale aftoetsingen voor het witboek zijn gebeurd. Er is heel veel inspraak geweest van alle betrokken actoren waarbij met die bezorgdheden rekening is gehouden. Dat kan het draagvlak voor dit witboek BRV alleen vergroten. Met die principes is iedereen het eens, de volgende stap is duidelijkheid scheppen over een aantal onzekerheden die leven bij mensen, onder meer over eigendomsrecht. Ik heb ook altijd gezegd dat we het eigendomsrecht van mensen zeker niet zomaar zullen aantasten.

Mevrouw Peeters heeft het woord.

Lydia Peeters (Open Vld)

Minister, ik herhaal dat we misschien het best een gedachtewisseling kunnen houden over dit onderwerp.

U zegt dat het de bedoeling is om het draagvlak te vergroten. Over de grote principes zoals het beperken van de bijkomende ruimte-inname, verweving, kernversterking is men het inderdaad allemaal eens.

In een recent artikel van het Netwerk Architecten Vlaanderen lees ik trouwens dat er, om naar nul hectare ruimte-inname te gaan, helemaal geen revolutie nodig is. Het is belangrijk dat voor ogen te houden, want dat draagvlak creëren is heel belangrijk, en daar maak ik me heel wat zorgen over.

Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat het advies van de SERV dat we intussen hebben kunnen bestuderen, ook niet niks is. De SERV dringt aan op een actualisatie van de cijfers. Uit vraagstelling in deze commissie vorige week bleek dat bijkomende studies zijn gevraagd door Ruimte Vlaanderen. Ik denk dat men een zo groot mogelijk draagvlak krijgt wanneer heel duidelijk is hoe het exact zit met die cijfers. Dat is het eerste facet.

Ten tweede focust men te veel, en ik denk dat de heren Dochy en Ceyssens dat beamen, op de bestaande traditionele fysieke vervoerdsmodi terwijl er in de toekomst, rekening houdend met de technologische ontwikkelingen, heel wat andere mogelijkheden zullen zijn.

Rekening houdend met die twee facetten moet het mogelijk zijn om een draagvlak te creëren. Die facetten zijn heel belangrijk wanneer men verder wil gaan in het kader van het BRV.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.