U bent hier

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, zoals u weet, vraag ik al van in het begin van deze legislatuur extra aandacht voor de stijgende langdurige werkloosheid, omdat de structurele langdurige werkloosheid een graadmeter is voor de doelmatigheid van het arbeidsmarktbeleid. De rest wordt vaak bepaald door de conjunctuur, en gelukkig evolueert die nu in de positieve zin en daalt de algemene werkloosheid. Toch moeten we extra aandacht hebben voor de langdurige werkloosheid. Vandaar mijn vraag om uitleg, die een vraag naar informatie is over de eerste resultaten van Tender Intensief Werkplekleren, TIW, die ik kreeg op basis van een schriftelijke vraag.

De intensieve trajecten van TIW zijn er gekomen als alternatief voor de WEP+, de Werkervaringsprojecten, die in 2015 werden afgeschaft. In de TIW-projecten wordt op basis van een aanbesteding samengewerkt met externe partners die via werkplekleren de afstand tot de arbeidsmarkt trachten te overbruggen. VDAB staat in voor de toeleiding van de werkzoekenden naar de partners. Ook TIW richt zich hoofdzakelijk op langdurig werkzoekenden.

De trajecten zijn gestart op 1 januari 2016. De begeleiding door de opdrachtnemer eindigt 12 maanden na de definitieve toeleiding. Uitzonderlijk kan VDAB eenmalig na een gemotiveerde aanvraag het traject tot 18 maanden verlengen.

Volgens de eerste voorlopige resultaten een jaar na opstart werden 2837 werkzoekenden naar de externe partners toegeleid. Op 31 december 2016 zijn 12,9 procent van de deelnemers uit het traject naar werk uitgestroomd. Daarnaast heeft, op het einde van 2016, 1,9 procent van de deelnemers een deeltijdse betrekking met inkomensgarantie-uitkering, zit 2,25 procent in een IBO-traject, een individuele beroepsopleiding, en heeft 4,97 procent op regelmatige basis interimcontracten.

Uit deze voorlopige cijfers blijkt dat de TIW-trajecten een lagere uitstroom geven dan de gemiddelde uitstroomresultaten van de WEP+. Dat is op basis van de resultaten die wij van de WEP+ hebben. Ik zie u nee schudden, minister, en kijk dus uit naar uw antwoord daarop. Als we de gemiddelde uitstroomcijfers van de WEP+ vergelijken met die van TIW, dan is dat opmerkelijk omdat de conjunctuur nu gunstiger is en de TIW-deelnemers sterkere profielen hebben dan de WEP+-deelnemers, want toen ging het om nog langduriger werklozen.

Daarom heb ik volgende vragen.

Ik heb voorlopige cijfers gegeven, maar wil graag weten hoe u het eerste jaar TIW zult evalueren. Heel belangrijk daarbij is dat parameters worden gebruikt die een volledige vergelijking met WEP+ mogelijk maken. Het is interessant om te kijken welke begeleiding van langdurig werkzoekenden wel en welke niet werkt.

Hoe verklaart u de relatief lage uitstroomresultaten van TIW?

Hoeveel trajecten werden verlengd tot 18 maanden? Misschien ligt daar wel een verklaring.

Belangrijk bij TIW is natuurlijk werkervaring opdoen. Hoeveel van de deelnemers hebben effectief een stage doorlopen gedurende het traject, een beroepsverkennende stage, opleidingsstage of instapstage voor jongeren? Hebt u daar cijfers over?

Zijn de uitstroomresultaten voor u een voldoende aanleiding voor specifieke acties om de uitstroom naar werk te verhogen?

Ik heb me gebaseerd op de eerste uitstroomcijfers. Ik denk dat het belangrijk is om de eerste tender te evalueren om daar ook lessen uit te trekken. Wanneer plant u dat?

Minister Muyters heeft het woord.

Mevrouw Kherbache, ik schudde effectief nee en u zult meteen begrijpen waarom. Ik hoop dat u ook meteen begrijpt waar uw redeneerfout zit.

U vraagt eerst naar de parameters waarmee wordt geëvalueerd. Ik zal niet de doelstellingen herhalen, maar uiteraard hangen de parameters daarmee samen, en we gebruiken de doelstellingen ook voor de resultaatsfinanciering die we in de tender opnemen. De belangrijkste parameter is de uitstroom naar werk. Die komt zowat in alle acties van VDAB naar voren. De financiering van de tenderpartner hangt af van het feit of de werkzoekende na de begeleiding effectief aan het werk is. Er wordt gemeten of de werkzoekende onmiddellijk na het programma aan de slag is, en drie maanden later wordt dat opnieuw bekeken. Een andere belangrijke indicator is het aantal IBO’s die tijdens het programma worden uitgevoerd, omdat er een rechtstreekse link is tussen een IBO en toekomstige tewerkstelling. Met die indicatoren vormt VDAB zich een beeld van de effectiviteit van het TIW-programma.

Het uitstroompercentage dat u op basis van de gegevens uit de schriftelijke vraag berekende, is zeker geen officiële resultaatsmeting. U hebt zelf berekeningen gemaakt, en daarbij maakt u één fout. U vergelijkt met het totale aantal toeleidingen tot en met december 2016. Niet iedereen is echter op 1 januari 2016 begonnen. Er zijn ook mensen begonnen in oktober, november en december 2016. Zij zijn in 2016 wel toegeleid, maar hopelijk verwacht niemand van hen dat ze meteen al na een paar maanden aan het werk zijn. We kennen het profiel van deze mensen, en intensieve begeleiding is nodig. Ik hoop dat u ook niet verwacht dat werkzoekenden die pas zijn toegeleid, effectief nu al aan het werk zijn.

Vandaag hebben we nog maar 10 afgesloten trajecten. Daarvan hebben er 6 geleid tot een uitstroom naar werk. Die aantallen zijn effectief nog veel te klein om er een conclusie aan te verbinden, maar wat u concludeert, namelijk dat de uitstroom naar werk maar 12 procent bedraagt, is zeker niet juist. Dat we in de TIW-trajecten toch nog 366 mensen tellen die eind december aan het werk zijn en dat 136 geregeld een interimcontract hebben, betekent dat de partners niet alleen IBO’s en stages zien als mogelijkheid om begeleiding te krijgen, maar dat ze ook via regulier werk en tijdelijke contracten ervaring kunnen opdoen. Dat is een heel goede, positieve zaak. Tot de 366 mensen die aan het werk zijn, behoren die 6 van wie het traject is afgelopen, maar de rest zit nog in begeleiding met een externe partner. Dat is dus een heel positieve zaak dat ze tijdens het programma al aan het werk zijn.

Omdat we spreken over trajecten met een standaardduur van 12 maanden die in de loop van 2016 zijn gestart, zijn de meeste trajecten dus nog open. Dat hebt u intussen wel begrepen. Er zijn vandaag nog niet veel aanvragen tot verlenging ingediend. Eind januari waren er 10 goedgekeurde verlengingen tot 18 maanden, is mij gezegd.

Van de werkzoekenden die werden toegeleid, volgden er 206 een beroepsverkennende stage, 109 een beroepsinlevingsovereenkomst, 7 een opleidingsstage en 122 een IBO.

Zoals dat altijd het geval is bij de uitbestedingen van VDAB, werden de regels voor de tenderpartners uiteraard op voorhand vastgelegd binnen de tender. De regels kunnen dan tijdens de looptijd van een uitbesteding niet zomaar worden gewijzigd, omdat het uiteraard gaat om contractuele bepalingen. De vastgestelde verbeterpunten kunnen altijd wel worden meegenomen bij de input voor de uitwerking van de tijdelijke werkervaring (TWE), die, zoals u weet, in de plaats van de tender komt. Omdat de tenderpartners signaleerden dat het bestaande aanbod aan werkplekleervormen onvoldoende is voor werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, heb ik wel al een nieuwe werkplekleervorm gelanceerd, namelijk de werkervaringsstage. De doelgroep daar, dat zijn de mensen voor wie een IBO nog te hoog gegrepen is. De werkervaringsstage focust op het remediëren van een gebrek aan generieke competenties of een gebrek aan relevante werkervaring bij werkzoekenden met een grote, maar overbrugbare afstand tot de arbeidsmarkt. Die werkervaringsstage is een stage die plaatsvindt op de reële werkvloer bij de werkgever. In een eerste fase is dat een instrument dat nu bijkomend ter beschikking is gesteld bij de tender of de TWE-trajecten die zullen worden opgestart.

De voorlopige resultaten van de tender volgen wij natuurlijk continu op. Dat kunnen we omdat dat resultaatsverbintenissen en betalingen zijn. Om een beter, globaler beeld te krijgen, moeten we toch 2018 als evaluatiemoment vooropstellen. De komende maanden zal ik samen met VDAB en de partners de kritische analyse maken, maar de formele evaluatie is veeleer voor eind 2017, wanneer we voldoende meetbare resultaten en voldoende afgewerkte tenders hebben.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, ik dank u voor de extra toelichting. Het was duidelijk dat de cijfers die u had gegeven, over een periode gingen, dat dat niet per traject was, maar het waren natuurlijk de enige cijfers die we ter beschikking hadden. Daarom vind ik dat, als dat op een jaar voor die groep de uitstroom is, dat betekent dat men ofwel echt wel gaat voor langdurige trajecten, ofwel dat het lang duurt. Of het zou moeten zijn dat dat opstarten traag gebeurt. Dat zijn cijfers die ik dan zal opvragen. U zegt dat er nu nog slechts tien daadwerkelijk zijn afgerond. Dan betekent dat eigenlijk dat het opstarten ook zeer gefaseerd is gebeurd. In die zin begrijp ik ook wel dat we nu nog geen sluitende conclusies kunnen trekken. Daar ben ik het wel volledig mee eens. Die tender zal echter hét instrument worden om langdurig werkzoekenden, ook in het kader van de tijdelijke werkervaring, intensief te begeleiden. Mijn bekommernis is dan dat we en cours de route al zo snel mogelijk kunnen bijsturen aan de hand van de uitstroomresultaten. Ik noteer dat er in 2018 een evaluatie is, maar dat men tegen het einde van 2017 een idee zal hebben met betrekking tot de afgesloten trajecten.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Collega, ik dank u voor de vraag. Het lijkt me wel heel goed dat de minister toch wel wat verduidelijking heeft gegeven over die berekening van die uitstroomcijfers. Het lijkt me ook wel nog veel te vroeg om te zeggen dat de uitstroomcijfers van die tender niet goed zijn. Het is daarnet ook gezegd: de trajecten zijn begonnen vanaf 1 januari 2016, maar daarom niet specifiek op die datum. Dat was in de loop van dat jaar. Sommige trajecten kunnen tot achttien maanden duren. Het lijkt me op dit moment nog wel wat te vroeg om daar al conclusies uit te trekken, maar het is zeker en vast interessant om daar tegen eind 2017 meer over te weten. Ik denk dat we dat dan ook wel verder zullen kunnen opvolgen.

Mevrouw Claes heeft het woord.

Sonja Claes (CD&V)

Minister, ik ben ook erg tevreden met het genuanceerde antwoord dat u hebt gegeven, want toen ik de vraag en de berekening van de collega las, maakte me dat wel erg bezorgd. Dit is immers uiteindelijk een belangrijk instrument. Het moet gestalte geven aan de hervorming van het werkervaringsplan-plus (WEP-plus), waarover ik toen erg kritisch was. Dit zal ons uiteindelijk ook voor een stuk leren op welke manier we met TWE zullen moeten omgaan.

Minister, ik ben blij dat u en VDAB dat nauwgezet opvolgen en dat we pas eind 2017 een evaluatie gaan hebben. Nu, uit de tender blijkt wel dat de diverse partners op verschillende manieren werken met betrekking tot deze problematiek. Het lijkt me toch wel belangrijk om bij een evaluatie te bekijken welke manier van werken bij diegenen die die tender in de diverse regio’s hebben gekregen, het beste werkt. Men moet dat goed in de gaten houden, zodat VDAB kan bijsturen als het ene beter zou werken dan het andere.

Er was vooropgesteld dat er in 2016 2500 trajecten zouden gebeuren. De partners haalden dat. In 2017 zou het cijfer van 5000 trajecten moeten worden gehaald. Is dat op schema? Is die financiering in orde? Dat is me nog niet helemaal duidelijk. Is dat reeds toegewezen aan de vorige partners? Is dat een uitbreiding van hun contingent? Hoe gaat u om met die bijkomende trajecten die in 2017 zullen moeten worden gerealiseerd?

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Minister, ik treed collega Van Eetvelde bij: het is wat vroeg om al harde conclusies te trekken wat die uitstroom naar de arbeidsmarkt betreft. Het lijkt ons niet meer dan logisch dat het stelsel ook wat tijd krijgt, en dat het mogelijk wat kinderziektes kent. Een van de elementen is dat dat TIW-stelsel niet de mogelijkheid zou bieden om door te stromen via uitzendcontracten of contracten van bepaalde duur. Kunt u dat bevestigen? Wat is de reden daarvoor? Kan er eventueel een bijsturing zijn om de doorstroming daar te verbeteren?

Ik heb twee concrete vragen. Die TIW-trajecten werden aan twee profitspelers en een non-profitspeler toegekend. Wordt dat ook bijgehouden? Zijn er verschillen tussen de beide, of staat dat op gelijke voet? Ik denk dat we dat ook moeten opvolgen.

Ik vernam dat er voorstellen circuleren om dit bij te sturen, onder andere van de Werkplekarchitecten. Zij hadden een voorstel om in een voorbereidend traject van twee maanden te voorzien voor de doelgroep die nog niet rijp zou zijn voor TIW. Ik veronderstel dat u daarvan wel op de hoogte bent. Hoe schat u hun voorstel in?

Minister Muyters heeft het woord.

Mevrouw Talpe, wat dat eerste betreft, dat lijkt me wél het geval. Ik verwijs naar de cijfers die ik heb getoond en de cijfers die mevrouw Kherbache heeft geciteerd. Zelfs binnen het traject zijn er uitzend… (Opmerkingen van Emmily Talpe)

En daarna kan ook. Ook dat telt. Dat kan ook worden meegenomen.

Mevrouw Claes, wat de tenders betreft, ik zal opvragen hoe dat juist is gelopen. Dat is iets dat VDAB doet. Dat is praktisch. Ik heb niet meteen de vraag gesteld of dat een uitbreiding van het bestaande contract is of dat er een nieuwe aanbesteding is gedaan voor die bijkomende capaciteit. Ik zal dat navragen en zal de gegevens aan het commissiesecretariaat overmaken.

Uw voorstel om met ‘good practices’ te werken lijkt me vanzelfsprekend. Dat zal ik ook zeker meenemen. Ik denk dat het goed is dat we de ervaring van de beste trajecten ook delen met de andere partners, en dat zeker meenemen naar het definitieve traject van de tijdelijke werkervaring. Daar ben ik het absoluut mee eens. Mevrouw Talpe, uiteraard gaan we bij elke partner bekijken welke de beste trajecten zijn en waarom. Dat komt overeen met wat mevrouw Claes zei. Is dat objectief verklaarbaar of niet? Dat zijn allemaal dingen die we zeker moeten meenemen.

Mevrouw Kherbache, ik denk dat ik al heb geantwoord over die voortrajecten. Ik kan zomaar niet inbreken in een bestaande tender en zeggen ‘weet je wat, nu doen we dát nog’.

Ik kan wel hier en daar een instrument bij aanbieden dat ze allemaal kunnen gebruiken, maar we moeten er wel over waken dat we de essentie van de zaak, namelijk een jaar, verlengbaar met achttien maanden, niet gaan veranderen door daarvoor nog eens een ander traject aan te bieden. Dat gaat niet. We moeten bekijken wat er ter zake kan, maar ik ben graag bereid om elke ervaring mee te nemen om die toekomstige tijdelijke werkervaring nog beter te maken. Laat dat duidelijk zijn.

Mevrouw Kherbache, de cijfers zijn juist. Het aantal dat is gestart, het aantal dat is uitgestroomd enzovoort: dat klopt. Die cijfers kwamen van mij. Ik wil echter vragen dat de berekening en de conclusie die daaraan werd gekoppeld, namelijk dat er maar 12 procent naar werk is uitgestroomd, niet verder zouden worden gedeeld. Met de uitleg die ik heb gegeven, is immers wel duidelijk dat dat niet de juiste conclusie is.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, voor alle duidelijkheid, ik heb zelf niets berekend. (Opmerkingen van minister Philippe Muyters)

Dan gaat het over de conclusie. Ik stel een vraag. Ik geef aan dat, als je die cijfers bekijkt, we aan die uitstroom zitten. U zegt dat dat een voorlopig cijfer is. Ik heb ook aangegeven dat dat nog geen definitief uitstroomcijfer is. We hebben nog geen parameters. Hoe ben ik dan tot mijn vraag gekomen? Dat is een vraag uit bezorgdheid, gezien de structurele langdurige werkloosheid en gezien de ongeruste signalen die ik krijg van die externe partners. Ze geven aan dat de ambitie hoog is, dat men heel veel van hen verwacht. Uiteraard zal dat ook te maken hebben met het feit dat men resultaten van hen verwacht, en terecht. Ze geven echter ook al aan dat men wel realistisch moet zijn als het gaat over de uitstroomresultaten die men van die externe partners verwacht. Ik denk dat we er vooral voor moeten zorgen dat de instrumenten die men ontwikkelt en de aanbestedingen die men uitschrijft, ervoor zorgen dat die langdurige werkloosheid daadwerkelijk wordt aangepakt. Minister, laat dat dus de discussie zijn, en als er vragen worden gesteld, dan is dat omdat er op het terrein een grote ongerustheid is op dat vlak.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.