U bent hier

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, SD-Worx, een grote speler met een groot bereik, houdt nogal precies bij hoe vaak we met z’n allen ziek zijn en wat daarvoor de redenen zijn. Zo blijkt dat vorig jaar 6 op de 10 werknemers ministens een dag afwezig waren op zijn of haar werk door ziekte. Als we wat meer doorrekenen, blijkt het te gaan om gemiddeld 5,52 op 100 dagen per werknemer. Dat zijn de cijfers.

Kijken we naar de onderliggende trend, dan zegt ons die veel meer en dat is ook de reden waarom ik deze vraag stel. Het cijfer dat SD-Worx naar voren schuift, blijkt het hoogste te zijn dat ooit in ons land is genoteerd. In 2002, dus een kleine 15 jaar geleden, bedroeg het gemiddeld ziekteverzuim nog maar 3,82 dagen te bedragen. Dat is toch een aanzienlijke stijging van het aantal ziektedagen.

De afgelopen weken was er heel veel te doen over de griepepidemie, we konden ze bijna dagelijks volgen, maar daar heeft het niets mee te maken. De stijging zit bij de langdurig zieken. Daar tekenen we de grootste stijging op in vergelijking met 2002, namelijk met 93 procent. Dat kunnen we toch niet zomaar naast ons neerleggen. Het heeft een invloed op de organisatie op de werkvloer en op een bepaald ogenblik dreigt men in een vicieuze cirkel terecht te komen. Afwezigheid van mensen doet de werkdruk bij anderen stijgen, en daarmee komen we dan bij de tweede grote factor die de stijging van de afwezigheden wegens ziekte verklaart en die ik wil omschrijven als fysieke en mentale slijtage: stress, burn-out, bot- en spieraandoeningen, dus meer ergonomische factoren.

Plaatsen we dat opnieuw in een iets ruimer kader, dan moeten we natuurlijk de link leggen met het feit dat onze arbeidsactieve populatie – gelukkig – ouder wordt. Een ander aspect daarvan is dat wellicht bepaalde klachten nu eerder dan later aan de oppervlakte komen. De combinatie werk en privéleven blijkt nog altijd niet evident te zijn.

Uiteraard moet de federale overheid, in het kader van de sociale zekerheid, met dit gegeven aan de slag. We kunnen er echter niet naast dat ook u, minister, daarin een bevoegdheid hebt. Er is een impact op de economie en u bent bevoegd voor de arbeidsmarkt. Kijken we naar het beleidsmatige antwoord dat tot nog toe is gegeven, dan stellen we uiteraard vast dat erop is ingezet. Ik denk aan de combinatie werk-privé, via dienstencheques, maar ook aan initiatieven rond werkbaar werk en de focus op talent en competenties. We zien dat er onderdelen naar voren worden geschoven, zoals het activeren van talenten, het investeren in talenten en het doorbreken van vooroordelen, die het mogelijk moeten maken de combinatie werk-privé beter te laten werken.

Ik lees in uw beleidsbrief: “Het komende beleidsjaar zal in het teken staan van de doorstart van het nieuwe beleid en de drie sporen. Ik wil de nieuwe projecten en maatregelen goed opvolgen en ruimte inbouwen voor ervaringsuitwisselingen en zichtbaarheid geven aan de lopende acties.”

Samenvattend kunnen we zeggen dat verschillende maatregelen een antwoord proberen te bieden op de problematiek. Ik zie een heel grote continuïteit, als ik het positief uitdruk. Als ik iets kritischer ben, vraag ik me af of we niet wat meer dynamiek nodig hebben. We hebben er al verschillende keren op gewezen dat uw beleidsbrief en andere initiatieven vertrekken van een omgevingsanalyse. Misschien is die gebaseerd op oudere cijfers. Nu hebben we er meer recente en die spreken van 93 procent meer langdurig zieken, meer burn-out, meer chronische letsels. Deze cijfers kunnen misschien aanleiding geven tot bijkomende initiatieven, want het lopende beleid blijkt niet van aard te zijn om de trend te keren, integendeel.

Minister, erkent u de cijfers en vaststellingen?

Bent u van oordeel dat de maatregelen die genomen zijn in het verleden niet het gewenste effect hebben bereikt?

Hebt u een verklaring waarom de maatregelen niet zijn aangeslagen bij de werknemers?

Hebt u hierover overleg gepleegd met de minister van Welzijn enerzijds en de federale collega’s anderzijds? Zo ja, wat was de uitkomst van dit overleg? Plant u binnenkort nog bijkomend overleg?

Plant u bijkomende initiatieven, in het licht van de cijfers die ik daarnet heb geciteerd?

Minister Muyters heeft het woord.

Voorzitter, mijnheer Van Malderen, uiteraard heb ik dat rapport van SD Worx gezien, met de gemaakte veronderstellingen die verwijzen naar een mogelijk verband met stress en mogelijke factoren als het ouder worden van werknemers en de combinatie van werk en gezin. Dan kom je vrij snel uit op wat u zelf ook naar voren bracht, namelijk de werkbaarheid. Als ik dan de cijfers van de werkbaarheidsmonitor bekijk, die we op 1 februari in de plenaire vergadering hebben besproken, dan zijn die vrij gelijklopend met wat hier naar voren komt. Je ziet een achteruitgang op drie parameters: werkstress, de balans tussen privé en werk en demotivatie. Die achteruitgang is zeker geen goede zaak in het licht van langer werken en met meer goesting gaan werken, wat we proberen te promoten.

Als je dit meer in detail onderzoekt, dan zie je in de werkbaarheidsmonitor toch ook nog duidelijke verschillen in de sectoren. Dat heb ik ook naar voren gebracht in de plenaire vergadering. Wat ook heel opvallend was, was dat de situatie voor 55-plussers inzake werkbaarheid was verbeterd. Dat deed me ook besluiten dat er een aantal factoren buiten het werk zijn die zeker zullen meespelen. Ziekteverzuim, en bij uitbreiding werkbaar werk, is een complexe thematiek, waarbij meerdere factoren op elkaar inwerken.

Dan kom ik eigenlijk tot de andere vragen die u hebt gesteld. Ik ben niet van oordeel dat de maatregelen die ik heb genomen, niet het gewenste effect hebben. We proberen echter altijd de maatregelen mee te laten evolueren. U hebt een aantal maatregelen aangehaald. Ik verwijs alleen al naar ‘Focus op Talent’ en onze samenwerking met de werkgeversorganisaties en de vakbonden met betrekking tot deze zaken. Ik heb hun net gevraagd om de reeds lang bestaande programma’s te updaten, om met de kennis die ze in het verleden in die programma’s hebben opgedaan te komen tot zaken die nog meer tot de essentie kunnen komen en die op een nieuwe, vernieuwende manier daar juist op kunnen inwerken.

Zoals u weet, heb ik ook samen met de vakbonden en de werkgevers geprobeerd om alles wat opleiding en vorming betreft, te vereenvoudigen en te verbeteren. U weet dat de visienota van de Vlaamse Regering als antwoord op het voorstel van de sociale partners, nu ter verdere bespreking naar de sociale partners is gegaan.

Wat ik ook heb gedaan en helemaal geen mislukking vind, is bijvoorbeeld de loopbaancheque. Dat is iets dat we zelf hebben ingevoerd. Ik denk dat we toch allemaal moeten erkennen dat dat een enorm succes is. Zo’n instrument kan er mee voor zorgen dat mensen met meer goesting naar hun werk gaan, omdat ze nadenken over hun loopbaan, omdat ze keuzes kunnen maken op een juist moment. Dat lijkt me toch heel essentieel als we mensen langer aan het werk willen houden.

Ik ben het dus niet met u eens dat de maatregelen die in het verleden zijn genomen, allemaal mislukt zijn. Dat is niet de indruk die ik heb. Zoals ik zei, wij proberen continu in te spelen op de nieuwe gegevens die er toch ook ongetwijfeld zijn.

Ik heb nog geen overleg gehad met mijn collega’s omdat ik de weg van de sociale partners ben ingegaan. De Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) heeft zelf gezegd bijkomend onderzoek te zullen doen op basis van de werkbaarheidsmonitor van de Stichting Technologie Vlaanderen (STV), en dan samen met mij het maken van een actieplan te zullen bekijken. Dat bijkomend onderzoek moet meer inzicht geven in de resultaten van de werkbaarheidsmonitor en dus ook in wat SD Worx beperkter naar voren heeft gebracht. Daarna komt er dan een actieplan. Ik heb daar nog deze week contact over gehad met de voorzitter van de SERV. Hun verdere analyse is gepland van nu tot eind juni, om daarna dan dat actieplan te kunnen starten. In de loop van het najaar zouden we ter zake dan de volgende stappen kunnen zetten.

Ik denk dat we daarmee, met de mensen die elke dag actief zijn op het werk, met de sociale partners, tot instrumenten, tot acties kunnen komen die in de toekomst verder het verschil kunnen maken.

De heer Van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben blij dat u spontaan de link hebt gelegd met werkbaarheid. Dat hoef ik dat in mijn repliek zelf niet meer te doen. Dat was natuurlijk enigszins voorspelbaar. Ik wil u dan echter wel oproepen om volledig te citeren en niet alleen het gedeelte eruit te halen dat dan ogenschijnlijk positief is. De algemene werkbaarheid wordt immers als meer problematisch ervaren. Daar hebben we het begin februari over gehad. Het is inderdaad zo dat je links en rechts wel een aantal positieve dingen ziet, maar de scherpste daling werd bijvoorbeeld genoteerd in de sector van de social profit. Daar hebben we natuurlijk een heel grote impact op het algemene cijfer. Ik kom straks nog wel eens terug op de vraag naar bijkomend onderzoek, waar u zelf ook naar hebt verwezen. Het is echter natuurlijk zo dat er, naast de door u genomen maatregelen die ik heb geciteerd, ook maatregelen zijn genomen waarbij het zo ver is gekomen dat men datgene waarin was voorzien, probeert af te bouwen. Ik heb een bijkomende vraag. Ik leg specifiek de link met de social profit, omdat we daar zowel budgetten vastleggen als mee de onderhandelingen rechtstreeks voeren. Is werkbaarheid een thema voor u in het kader van onderhandelingen voor een Vlaams Intersectoraal Akkoord voor de Socialprofitsector (VIA)? Voor zover die bezig zijn, want ik stel vast dat daar zeer weinig nieuws over te vergaren valt. Kunnen we daar bijkomende initiatieven verwachten?

Niemand heeft hier gezegd dat wat in het verleden is geprobeerd, allemaal is mislukt. Dat zijn de woorden die u me in de mond probeert te leggen. Wat we vaststellen, is dat, in weerwil van wat is opgezet en geprobeerd, waarover is onderhandeld en dat vaak ook heel breed werd gedragen, we vandaag worden geconfronteerd met een toch wel scherpe stijging als het gaat over langdurig zieken. Je kunt daar heel wetenschappelijk naar kijken en zeggen dat dat ook te maken heeft met een lagere mortaliteit bij bepaalde aandoeningen, wat je ook wel ziet terugkomen, maar feit is dat onze arbeidsmarkt vandaag te weinig rekening houdt met die trends. Zult u ook wat dat betreft bijkomende initiatieven nemen, bijvoorbeeld om langdurig zieken en mensen met een handicap een sterkere plaats op de arbeidsmarkt te geven? Nogmaals, ik zeg niet dat u niets doet. Alleen stellen we vast dat de trend vandaag negatief is. Ik vraag u dus om daar bijkomende initiatieven in te nemen en daar een actievere rol in te spelen.

Ik ben blij met het initiatief van de SERV om dat wat meer in detail te gaan bekijken, en dus ook deze gegevens van SD Worx mee te nemen. We hebben eerder al gevraagd om daar ook sectoraal de verschillen uit te halen. Ik verwijs naar wat bijvoorbeeld bij Volvo Trucks aan het gebeuren is. Daar loopt er vandaag een stakingsaanzegging, niet om meer loon te vragen, maar omdat men zegt dat het werkritme en de manier waarop men moet werken onhaalbaar zijn. Met dat in het achterhoofd vraag ik u dat u ook zou bekijken, naast de studie en het actieplan en de sectorale analyse, hoe we concrete acties op de bedrijfsvloer kunnen krijgen, want het zal toch daar zijn dat het verschil zal moeten worden gemaakt.

Minister, samengevat, ik ben een beetje teleurgesteld door uw antwoord. U verdedigt uiteraard wat u doet. Niemand ontkent dat u die pogingen doet. Alleen had ik in het licht van die nieuwe cijfers gehoopt op dat meer ‘dash’, wat meer nieuwe initiatieven, in plaats van continuïteit. In dezen is rustige vastheid roestige vastheid, en dat is niet wat we nodig hebben.

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Het stijgende ziekteverzuim is een probleem waar vooral de federale begroting steeds meer de financiële gevolgen van draagt. Het is nog niet aangehaald, het was een heel goede zaak dat federaal minister van Werk Peeters en federaal minister van Volksgezondheid De Block een pakket maatregelen hebben getroffen voor de progressieve werkhervatting van zieken, om daarop in te werken. Ik heb daar een tijdje geleden nog een vraag om uitleg over gesteld. We weten dat VDAB daar de beste leerling is, op dat elan moeten we zeker constructief verder werken.

Belangrijke sleutels liggen inderdaad op federaal vlak: sociale zekerheid, arbeidsrecht en welzijn op het werk. In Vlaanderen hebben we het preventieve luik binnen Welzijn, maar ook, u hebt het al aangehaald de loopbaancheques en de aanmoedigingspremie’s zijn heel belangrijk in de aanpak.

Mijn fractie is ook heel bezorgd over de problematiek van de burn-out. De combinatie werk/privé is een belangrijk item daarbij. In tegenstelling tot wat sommigen geloven is een burn-out niet alleen te wijten aan het werk, het is meestal een heel complex gebeuren. Het is ook niet per se te voorkomen door niet te gaan werken. De combinatie werk/privé is in het verleden al te vaak herleid tot niet-werk/privé. Dat leidt tot een zeer grote maatschappelijke kost, en zeker voor vrouwen draagt dit bij tot het glazen plafond en een grotere loonkloof. We moeten federaal gaan voor die tijdelijke verloven die gericht kunnen worden opgenomen en andere vormen van werken zoals deeltijds telewerken en meer resultaatsgericht werken.

We weten dat werknemers die meer autonomie krijgen gelukkiger zijn op de werkvloer. U verwees ook naar de werkbaarheidsmonitor waar demotivatie een van de drie problemen was. Kan Vlaanderen de werkgevers nog meer sensibiliseren om daar ook oog voor te hebben, voor de rol van autonomie op hun werkvloer?

Mevrouw Remen heeft het woord.

Grete Remen (N-VA)

Voorzitter, minister, ziekteverzuim is een algemeen maatschappelijk probleem. Dat is niet alleen hier binnen het parlement een probleem, of voor de minister, dat is algemeen voor de maatschappij zo, want er zijn op dit moment meer zieken dan werklozen. Het langdurig ziekteverzuim is de afgelopen tien jaar met 50 procent gestegen. We betalen heel veel aan sociale uitkeringen, alleen hiervoor 5 miljard euro. Ook kortdurig ziekteverzuim is een probleem. Dat is momenteel het hoogst bij de dertigers, dat staat in die studie van SD Worx. Puur vanuit financieel oogpunt is dit onhoudbaar, voor de werkgever maar ook voor de maatschappij en voor onze welvaartstaat.

Ik wil nog aanhalen dat er ook ziekten zijn die niet altijd medisch verklaarbaar zijn. De profiteurs moeten eruit. Een sociaal vangnet mag geen hangnet worden.

We moeten ook wijzen op de risico’s van een fade-out: mensen die langdurig ziek zijn raken los van de werkvloer. De werkdrempel wordt groter, en dan kunnen we spreken van: uit het oog, uit het hart, en dat moeten we voorkomen.

Op federaal vlak is er nu het re-integratieproject opgestart, dat is positief. Alle partijen worden gesensibiliseerd. De werkgever ook, maar die doet al heel veel om het ziekteverzuim bij de werknemers te voorkomen omdat hij als eerste het slachtoffer is. Hij betaalt de eerste maand de volle pot en dan moet hij ook nog op de werkvloer vervanging zoeken, herorganiseren en dat is niet altijd evident in deze tijden. Er zijn heel veel werkgevers die hier al goed preventief op inspelen. In tegenstelling tot wat de heer Van Malderen zegt, er zijn echt al werkgevers die hun best doen. Ze denken na over de organisatie op langere termijn om mensen langer en gezond aan het werk te houden. Ik vind dat de werkgever hierin extra mag worden ondersteund, naast de re-integratie die zij ook nog moeten behandelen, want uit cijfers van Acerta blijkt ook dat zonder inspanningen maar 20 procent terugkeert na een jaar, en 10 procent na twee jaar. Dat is eigenlijk heel weinig. Contact houden met die zieke werknemer is ook cruciaal, maar dan moet er medewerking zijn van beide kanten. Het is zo dat de werkgever niet altijd inzage krijgt in de ernst en de aard van de ziekte van zijn werknemer vanwege privacyredenen en/of omdat de behandelende arts niet altijd meewerkt.

Minister, er zijn nu concrete trajecten van kracht, ook op federaal vlak, en er is beslist om die langdurig zieken te begeleiden terug naar een aangepaste job. Dat is zeer belangrijk. Met behoud van ziekte-uitkering kunnen die mensen geleidelijk en op eigen tempo opnieuw aan het werk gaan. Preventieve maatregelen zijn altijd effectiever, maar dat is een federale bevoegdheid. Hoe kan Vlaanderen de werkgever ondersteunen in die trajecten? Ik bedoel bijvoorbeeld: in plaats van de werkgever te bestraffen, meer incentives geven om hem te belonen bij een geslaagde re-integratie van een zieke werknemer.

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Van Malderen, u vroeg of ik van oordeel ben dat de maatregelen die in het verleden genomen, zijn niet het gewenste effect hebben gehad. Ik ben blij dat u daar zelf op antwoordt dat dat geen mislukking was. Dat zegt u duidelijk. Dat heb ik niet gezegd. Ik neem daar nota van. Ik dacht dat u dat wel vond, ik heb me daar vergist.

Ik denk dat u hier en daar zaken in mijn mond probeert te leggen. U zegt de zaken anders dan ik. U zegt dat u blij bent dat ik naar die werkbaarheidsmonitor ga, maar dat ik niet alleen de positieve zaken moet aanhalen. Ik heb gezegd, zoals ik in de plenaire vergadering heb gezegd, dat er achteruitgang is op drie parameters, dat er een verschil is voor de verschillende sectoren. Ik begrijp dus niet dat u beweert dat ik alleen de positieve zaken uit de werkbaarheidsmonitor heb gehaald, dat is echt niet zo. Ik begrijp evenmin dat u dat hebt gezegd, tenzij u op dat moment niet helemaal aan het volgen was. Maar goed, het is eender wat de oorzaak was. Ik heb zeker niet alleen het positieve eruit gehaald.

Ik zou ook niet gevraagd hebben om samen met de sociale partners een actieplan op te zetten of bijkomende analyse te doen, als ik niet dacht dat er iets moest gebeuren of vond dat er geen actie nodig was. Dat vind ik ook een rare zaak.

In verband met de VIA-onderhandelingen stel ik voor dat u zich wendt tot minister van Welzijn Vandeurzen. Hij voert die onderhandelingen, ik ga mij daar niet over uitspreken.

In verband met de langdurig zieken – en dat is drie keer aan bod gekomen – wil ik er nog eens op wijzen dat wij al deden wat minister Peeters en minister De Block hebben voorgesteld, zoals ik al verschillende keren heb gezegd. Binnen de bestaande wetgeving, met VDAB, benaderden wij de langdurig zieken of arbeidsgehandicapten al. Als ik het me goed herinner, heb ik het voorbeeld gegeven van een chauffeur die angst had om te rijden; deze persoon werd door VDAB benaderd en tot een heel andere job begeleid; hij is arbeidsongeschikt voor die job, maar niet voor andere. Daar bestond een RSZ-overeenkomst over, dat wordt betaald door het federale niveau. Dat heb ik allemaal al gezegd. Dat is wat er nu federaal geconcretiseerd is. De overeenkomst zal naar meer mensen gaan dan in het verleden, het wordt ongeveer een verdubbeling. Wij deden dat al. Dat wordt nu wat versterkt door het federale niveau. Prima. Heel goed. De anderen zullen het nu ook eindelijk doen, want daar gebeurde het niet, voor alle duidelijkheid. We moeten de dingen op een juiste manier blijven stellen.

In verband met het sectorale, mijnheer Van Malderen, hoop ik dat de sociale partners genoeg met hun voeten in de werkvloer staan, zowel de vakbonden als de werkgeversorganisaties, om niet iets theoretisch in het actieplan te zetten. Ik hoop – en ik zal daar als partner zelf mee voor zorgen – dat ze een actieplan uitwerken waarin ze met hun voeten op de grond blijven. Ik hoop dat er instrumenten uitkomen die nuttig kunnen worden gebruikt op de werkvloer. Dat is nogal wiedes. Voor mij speelt het een rol om dit samen met de sociale partners te doen, juist omdat het een impact kan hebben in de bedrijven en voor de werknemers. Dat is voor mij een heel duidelijke zaak.

Dat u ontgoocheld bent over wat ik zeg, vind ik ook eigenlijk raar. Ik heb aangegeven dat er instrumenten zijn die heel goed werken, dat we volop bezig zijn met de modernisering van de instrumenten van werkgevers en vakbonden. Dat is al gebeurd bij de werkgevers, de nieuwe programma’s daar zijn gestart midden 2016. Voor de vakbonden wordt dat hopelijk een van deze weken goedgekeurd door de regering en dan kan dat ook starten.

Ik vind dat beide, de vakbonden en de werkgevers, de verschillende organisaties, zeer goed werk hebben geleverd om vanuit hun kennis en kunde de vernieuwingen in hun instrumenten voor te stellen, zodat het effect in de toekomst nog beter zal zijn. Niet omdat het verleden slecht was, maar omdat we meegaan met wat er op de markt moet gebeuren. Dat zijn grote veranderingen. Er zijn zelfs resultaatsverbintenissen aan gekoppeld, zowel voor de werkgevers als voor de vakbonden. Het is de eerste keer ooit dat we aan allebei heel uitdrukkelijk hebben gevraagd na te gaan hoe ze het verschil kunnen maken. Complementariteit met wat de VDAB doet, complementariteit met wat de privésector doet. Ze hebben daar heel hard aan gewerkt. We kunnen heel duidelijk zeggen dat we op een andere manier werken, omdat dat ook vanuit de markt zelf wordt gevraagd.

Opleiding is nog een element. Jaren geleden heb ik aan de sociale partners al gevraagd om met voorstellen daarover te komen. Dat is nu eindelijk gelukt en we gaan daar nu op in om te kijken naar de nodige verandering. Opleiding is in de hele werkbaarheid toch ook heel fundamenteel.

Als u dat allemaal te weinig vindt, ontgoocheld bent en had verwacht dat ik nog veel meer nog zou doen, oké ... Maar ik vind dit al zeer veel, meer dan in het verleden is gebeurd. Ik heb op deze zaken zelf heel hard gewerkt om ervoor te zorgen dat de stappen nu kunnen worden gezet.

Mevrouw Talpe, ik neem uw voorstel rond autonomie zeker mee naar de sociale partners. Wellicht kan dat element meespelen om het werk werkbaarder te maken. Ik ben het ook met u eens dat niet altijd het werk het probleem vormt en dat is ook de reden voor bijkomend onderzoek. Dat bij 55-plussers de werkbaarheid verbetert, heeft allicht ook te maken met een andere gezinssituatie. Dat zijn ook elementen die we moeten meenemen.

Tot slot wil ik gewoon zeggen dat ik deze problematiek zeer ernstig neem. In Vlaanderen, met de mogelijkheden die wij hebben, doen we heel veel en dat zullen we blijven doen. We beseffen dat de arbeidsmarkt continu in beweging is. Dat wil ook zeggen dat onze acties continu in beweging moeten zijn. Dat is vandaag effectief het geval en dat zal ook morgen zo zijn.

De heer van Malderen heeft het woord.

Bart Van Malderen (sp·a)

Minister, ik heb met veel gretigheid opgeschreven dat u het engagement hebt uitgesproken om met zaken naar voren te komen die impact dienen te hebben op de concrete werkvloer, op bedrijfsniveau. We zullen wat volgt dan ook in die zin beoordelen – the proof of the pudding is in the eating.

Een van de eerste opportuniteiten die zich aandienen – en op dat punt ben ik dan wat minder gerustgesteld – zijn de VIA-onderhandelingen, de onderhandeling over het Vlaams Intersectoraal Akkoord. Ik vind het eerlijk gezegd jammer dat u daarvoor naar minister Vandeurzen doorverwijst. Ik dacht dat een regering een collegiaal iets was en dat een minister van Werk in een sector, zoals de social profit, die alsmaar aan belang wint en waarin we zelf in grote mate aan de knoppen kunnen draaien, terwijl we dat in de rest van de privésector veel minder kunnen, belangrijke signalen zou willen geven.

Dus the proof of the pudding will be in the eating. Want dit is een algemeen maatschappelijk probleem, daarin geef ik mevrouw Remen zelfs gelijk. Dat betekent ook dat iedereen op een collegiale manier zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Ik roep u op dat voortaan dan ook op die manier te doen. Niet omdat dingen mislukt zijn, maar omdat ze duidelijk ontoereikend zijn. Dat is zelfs geen intrinsieke beoordeling van de maatregelen op zich. We zitten gewoon in een andere, een evoluerende arbeidsmarkt en daar moeten we op antwoorden. We moeten inzetten enerzijds op preventie en anderzijds op het re-integreren van mensen wanneer ze met langdurige ziekte worden geconfronteerd. Op elk van die vlakken zijn stappen vooruit te zetten. Ik zeg niet dat u er geen zet, minister, maar ze mogen wat groter zijn en sneller. Daar zullen we u in de toekomst op beoordelen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.