U bent hier

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Minister, het is niet de eerste keer dat de uithuiszettingen hier aan bod komen. Het recht op wonen is een mensenrecht, en we hebben het ook opgenomen in de Grondwet en de Vlaamse Wooncode. Niet alleen volwassenen hebben recht op wonen. Ook kinderen en jongeren hebben dat recht. Een uithuiszetting is eigenlijk een schending van dat recht, waardoor ook andere rechten in het geding komen.

Kinderen bevinden zich in een zeer afhankelijke positie ten aanzien van hun ouders. Ouders zijn natuurlijk verantwoordelijk voor een passende levensstandaard voor hun kind, maar de overheid moet bijspringen wanneer dit niet blijkt te lukken. Uit onderzoeken blijkt dat zowat een derde van de huurders onvoldoende middelen overhoudt om menswaardig te leven na betaling van de huur. Voor huurders met een zeer laag inkomen loopt dat zelfs op tot boven de 80 procent.

We weten niet precies hoeveel uithuiszettingen er zijn. Dat wordt niet systematisch in kaart gebracht, maar uit onderzoek blijkt dat 80 tot 225 huishoudens per week uit huis worden gezet, bijna altijd wegens een huurachterstal. Het aantal gemelde uithuiszettingen schommelt de laatste jaren rond de 13.000. Dat zijn er heel wat. In de helft van de gevallen zijn er kinderen bij betrokken.

De laatste keer dat we dit hier bespraken was naar aanleiding van het onderzoek van het Kinderrechtencommissariaat, waaruit bleek dat een op de drie dak- of thuislozen minderjarig blijkt te zijn en achthonderd kinderen in Vlaanderen op straat leven. De verontwaardiging daarover behoort niet toe aan één iemand; door die cijfers zijn we allemaal geschokt.

Minister, we vinden allemaal dat we de private huurmarkt moeten versterken. Dat was uw insteek in de conceptnota Private Huur. Dat is ook afgesproken in het regeerakkoord. In uw conceptnota hebt u laten verstaan dat u samen met de minister van Welzijn een algemeen plan zult opmaken om dak- en thuisloosheid te vermijden en dat u zult uitzoeken hoe u het Huurgarantiefonds kunt optimaliseren. Die evaluatie moet nu wel stilaan afgerond zijn. We kunnen dat optimaliseren of minstens kijken hoe we dat op een goede manier kunnen laten functioneren.

Ondertussen, terwijl we hier de discussies voeren, worden dagelijks gezinnen op straat gezet, ook tijdens de winterperiode. Ik hoef u waarschijnlijk niet te vertellen hoe traumatisch uithuiszettingen zijn op het menselijke vlak, maar tijdens de winter worden de effecten versterkt, ook al omdat dat een kettingreactie veroorzaakt. Vanuit dat probleem stapelen zich een hele hoop andere problemen op, en vaak is thuisloosheid een gevolg. Dat komt ook doordat de zeer elementaire winteropvang niet geschikt is voor gezinnen met kinderen.

Verschillende organisaties – ik denk aan het Vlaams Netwerk van Verenigingen waar Armen het Woord Nemen, de Vlaamse ombudsman, de Gezinsbond – hebben al gepleit om een soort moratorium, een winterstop in te roepen voor uithuiszettingen tijdens de winterperiode. Ook in Frankrijk bestaat dat. Van 1 november tot 15 maart wordt elke vorm van uithuiszetting van huurders verboden. In Wallonië en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bestaat zo’n systeem voor de sociale huisvesting. In hoeverre vinden wij het nuttig om dat ook in Vlaanderen in te voeren, wetende wat de gevolgen van zo’n uithuiszetting zijn of kunnen zijn? In hoeverre verdient dat instrument navolging? Indien er reglementair, wettelijk of decretaal in niets is voorzien, is elke huurder aangewezen op de goodwill van zijn verhuurder en het beoordelingsvermogen van rechters om al dan niet uit huis te worden gezet in de winterperiode.

Minister, bent u bereid, om naar het voorbeeld van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Waalse Gewest, een winterstop in te voeren voor uithuiszettingen in de sociale huur en hiervoor in het kaderbesluit Sociale Huur een beperking op te nemen? Bent u voorstander van een algemeen verbod op uithuiszettingen tijdens de winterperiode? Zo ja, zult u daarvoor initiatieven nemen? Zult u initiatieven nemen om binnen een beleidsoverschrijdende aanpak samen met de collega’s uit de andere gewesten, te ijveren voor zo’n algemeen wintermoratorium? Als u vindt dat dit niet de geschikte maatregelen zijn, welke maatregelen overweegt u dan wel te nemen om die uithuiszettingen, inzonderheid die van gezinnen met kinderen, tijdens de winterperiode aan te pakken en te voorkomen?

Minister Homans heeft het woord.

Mevrouw Hostekint, ik ben blij dat u in uw vraag om uitleg zelf hebt aangegeven dat de cijfers die u citeert, enkel gaan over vorderingen tot uithuiszetting. Dat hebt u correct gezegd. Dat is wel belangrijk, want cijfers over effectieve uithuiszettingen zijn niet voorhanden.

Ben ik bereid om het Brusselse en Waalse voorbeeld te volgen? Het is niet de verhuurder die overgaat tot een uithuiszetting. Het is altijd een vrederechter die dat doet. En het is altijd een laatste stap in een heel proces dat eraan voorafgaat. Dat was een beetje verwarrend in uw vraagstelling.

Dat hele proces neemt al behoorlijk wat maanden in beslag. Een uithuiszetting kent geen winnaars, enkel verliezers. Een sociale verhuurder, een sociale huisvestingsmaatschappij (SHM), kan zeer kort op de bal spelen en in veel gevallen een effectieve uithuiszetting vermijden. Navraag bij de Vereniging van Vlaamse Huisvestingsmaatschappijen (VVH) leert ons dat dat ook zeer effectief gebeurt door alle sociale huisvestingsmaatschappijen in Vlaanderen.

De sociale verhuurder moet sowieso contact opnemen met het OCMW indien er problemen worden gesignaleerd, en men moet naar de vrederechter. Dat is dan weer een heel proces waarin het OCMW een heel belangrijke rol speelt. Een betere opvolging van de huurachterstallen bij de sociale huisvestingsmaatschappijen betekent een daling van de uithuiszettingen.

Uithuiszettingen betreffen in de meeste gevallen mensen die, ondanks begeleiding van de sociale huisvestingsmaatschappijen en het OCMW en zo meer, en ondanks een voorstel tot schuldbemiddeling enzovoort, niet willen betalen. Daar is het signaal van een uithuiszetting het laatste redmiddel, maar dat gebeurt dus helemaal niet zo vaak.

Een winterstop op uithuiszettingen is geen structureel antwoord op de problematiek. We moeten maximaal blijven inzetten op het voorkomen van uithuiszetting, door enerzijds te blijven zorgen voor de betaalbaarheid van het sociaal woonaanbod, maar anderzijds ook door de verhuurders te sensibiliseren en te ondersteunen om kort op de bal te kunnen spelen en tijdig gespecialiseerde hulpverlening in te schakelen als zich problemen voordoen bij een huurder. Ik heb u al gezegd dat dat wel degelijk gebeurt.

U verwijst onder andere naar de situatie in Brussel en Wallonië. Ik wil u meegeven dat er in Brussel geen algemeen verbod is om tijdens de winter tot uithuiszetting over te gaan. Er is wel een ministeriële omzendbrief die met betrekking tot de sociale huisvesting bepaalt dat enkel in uitzonderlijke gevallen kan worden overgegaan tot uithuiszetting. Maar er is dus geen stop. Het is goed om dat hier even aan te stippen.

Ik ben geen voorstander, mevrouw Hostekint, van een algemeen verbod op uithuiszettingen in de winter, want dat heeft ook perverse gevolgen. U verwees zelf naar het voorbeeld in Frankrijk, waar wel een algemeen verbod geldt. Daar werd gewezen op het feit dat verhuurders door de winterstop net sneller overgaan tot een uithuiszetting, zeker tegen het einde van de zomer en in de herfst, om te verzekeren dat de uithuiszetting is afgerond voor de winterstop. Daarnaast kan een tijdelijke stop tot gevolg hebben dat problemen nog verder escaleren, zoals een oplopende huurschuld, huurschade en overlast voor de buren, met alle gevolgen van dien. Het voorbeeld van Frankrijk laat ons zien dat dit niet zaligmakend is en dat er behoorlijk wat nadelen aan verbonden zijn.

Er is nog een andere reden waarom ik het niet eens ben met de invoering van dit systeem. Er zou namelijk sprake zijn van een ongelijke behandeling tussen enerzijds iemand die in een sociale woning woont en anderzijds iemand die op de private huurmarkt huurt. En dat is natuurlijk niet goed. Uw vraag spitst zich vooral toe op de sociale huisvestingsmarkt. Op de private markt doet die problematiek zich natuurlijk ook voor. Maar ik herhaal wat ik bij het begin heb gezegd: het is niet de verhuurder die effectief overgaat tot de uithuiszetting, het is de vrederechter.

Wat we wel al doen, is prioritair inzetten op het voorkomen van uithuiszetting. Een uithuiszetting kent immers enkel verliezers. Hoe sneller kan worden ingegrepen bij het vaststellen van problemen, hoe beter. Ook in het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding (VAPA) verdient de bestrijding van dak- en thuisloosheid de nodige aandacht. Het is mijn collega Vandeurzen, bevoegd voor het welzijn, die het plan voor de bestrijding van dak- en thuisloosheid trekt. Er is een gemengd platform opgericht, bestaande uit een brede waaier van woon- en welzijnsactoren, dat een ontwerp van plan van aanpak van dak- en thuisloosheid heeft uitgewerkt. Dat plan is op 9 december 2016 aan de Vlaamse Regering meegedeeld. Ik veronderstel dat dat ook in jullie bezit is, collega’s.

Een belangrijk luik in dat globaal plan is de preventie van uithuiszetting: een aantal acties om te komen tot vroegtijdige inzet van woonbegeleiding op de private huurmarkt, zoals het installeren van een lokaal meldpunt, de evaluatie van de gerechtelijke procedure uithuiszetting, de uitbreiding van de capaciteit woonbegeleiding, aandacht voor de intersectorale samenwerking en dergelijke meer. Daarbij aansluitend zal ik ook nagaan hoe het Huurgarantiefonds een effectiever instrument kan zijn in het kader van de preventie van uithuiszetting. Dat fonds heeft immers alleen maar kans op slagen als het wordt ingezet in een ruimer geheel van maatregelen. Zoals we allemaal weten, is dat instrument momenteel niet echt succesvol.

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Bedankt, minister. We zijn het erover eens dat er vooral op preventie van uithuiszettingen moet worden ingezet. Dat was ook niet de insteek van mijn vraag. Ik ben zeer blij om te horen dat daar binnen de sociale huisvesting meer werk van wordt gemaakt. Ik merk trouwens zelf ook dat er een betere opvolging is van huurachterstallen en dat er inderdaad korter op de bal wordt gespeeld. Ik denk dat dat noodzakelijk is.

U zult mij ook niet horen zeggen dat uithuiszettingen ondoordacht of lichtzinnig zouden gebeuren. Die moeten inderdaad door een vrederechter gebeuren. Er zullen allemaal wel zeer goede redenen voor zijn – mensen hebben een huurachterstal opgebouwd – en men zet niet zomaar mensen op straat. Dat is allemaal waar, maar zoals u zelf zei, heeft een uithuiszetting geen winnaars. Dat heeft een grote maatschappelijke kost. Het heeft ook een grote emotionele impact. Het is iets dat bijzonder traumatiserend kan zijn, niet het minst voor kinderen. Uithuiszettingen zijn altijd heel erg, maar in de winter is het gewoon onmenselijk.

We weten dat een op drie dak- en thuislozen minderjarig is. We weten dat in een welvarende regio als Vlaanderen achthonderd kinderen op straat leven. We zijn daar allemaal bijzonder door geschokt. We moeten natuurlijk een structureel plan hebben om daaraan tegemoet te komen. We zullen dat niet alleen oplossen met de aanpak van uithuiszettingen. Maar ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat op straat leven en op straat komen te staan, bijzonder erg is en dat kinderen daar op geen enkele manier enige verantwoordelijkheid of schuld aan kunnen hebben. Zij zijn natuurlijk wel degenen die daar vaak in betrokken worden. Ik blijf mijn vraag daarom stellen, minister. Dat spitst zich niet alleen toe op de sociale huurmarkt, maar op de huurmarkt in het algemeen. We moeten alles doen om dat soort situaties te vermijden, zeker in de winter.

Mevrouw Partyka heeft het woord.

Voorzitter, eigenlijk is deze vraag om uitleg van mevrouw Hostekint de voortzetting van de actuele vragen die onder andere door u, de heer Anseeuw en mezelf werden gesteld in de plenaire vergadering van 12 oktober 2016, naar aanleiding van het rapport van de kinderrechtencommissaris ‘(n)ergens kind aan huis. Dak- en thuisloosheid vanuit kindperspectief’. In dat rapport gaat het onder andere over het feit dat een op de drie dak- en thuislozen minderjarig is en over de grote impact die dat heeft op het sociaal leven, het schoolleven, de geestelijke gezondheid en de verdere ontwikkeling van de kinderen. Er is toen ook een studiedag geweest.

Het rapport van de kinderrechtencommissaris pleit vooral voor preventieve woonbegeleiding en voor het voorzien in meer nood- en transitwoningen door lokale besturen. Het vraagt vooral dat preventieve woonbegeleiding een structureel speerpunt wordt van het beleid.

Er is toen ook iets aangekaart waarop geen antwoord is gekomen. Het blijft echter een pertinente vraag: we hebben namelijk geen duidelijk zicht op het aantal uithuiszettingen. We hebben het wel over het aantal vorderingen, maar eigenlijk hebben we echt geen zicht op de problematiek. Misschien iets meer wat de sociale huisvesting betreft, maar voor de private markt weten we gewoon niet over hoeveel uithuiszettingen het effectief gaat. En dat zouden we toch echt moeten weten. We zijn volledig verantwoordelijk voor woonbeleid. We zouden dus toch echt moeten weten hoeveel gezinnen er op straat komen te staan.

Wat het aantal uithuiszettingen in de winter betreft, wordt er in het rapport van de kinderrechtencommissaris verwezen naar allerlei Europese en Oost-Europese landen waar er inderdaad een moratorium is op het huiszettingen voor bijvoorbeeld gezinnen met kinderen die nog heel jong zijn. De vraag blijft op welke manier we daarvoor kunnen zorgen. Iedereen die in een lokale overheid actief is, krijgt weleens te maken met dat soort gevallen van mensen die effectief van de ene dag op de andere op straat komen te staan. Uiteraard ligt er altijd een zware problematiek achter. Er zijn natuurlijk ook eigenaars die recht hebben op een correcte betaling en is er een problematiek van een vrederechter die daarover uitspraak doet. Het is dus wel een heel moeilijke en complexe problematiek. Het is inderdaad niet zo eenvoudig om daarop een antwoord te bieden.

Langs de andere kant hebben we zelf wel hefbomen om dat te doen. Zo is er bijvoorbeeld de wet op de humanisering van de uithuiszettingen, die ondertussen een volledig Vlaamse bevoegdheid is. Op federaal niveau waren er regels opgesteld over in welke omstandigheden uithuiszettingen kunnen gebeuren. Daarbij werd onder andere verwezen naar het feit dat dat niet kan als er precaire omstandigheden of winteromstandigheden zijn. Ondertussen is dat een Vlaamse bevoegdheid geworden. Ook woonbeleid is een volledig Vlaamse bevoegdheid geworden. Ik vind dus dat we een debat moeten voeren over hoe we omgaan met die uithuiszettingen. Een uithuiszetting is een bijzonder ingrijpende maatregel, die voor het hele gezin, zeker voor de minderjarigen in het gezin, grote gevolgen heeft. Ook voor de eigenaars is dat ingrijpend, daarmee ben ik het volledig eens. We moeten dat debat inderdaad niet eenzijdig voeren, maar we moeten het wel doen.

Minister, u verwijst naar het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding. In een onderdeel van dat plan staat inderdaad dat daarvan werk moet worden gemaakt. Misschien moeten we dat eens opnemen met de commissie Wonen, om onder andere eens te bekijken op welke manier de gerechtelijke procedure kan worden aangepast of op welke manier zowel eigenaars als diegenen die uit huis worden gezet, beter kunnen worden begeleid.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Ik probeer beknopt te zijn, want anders lopen we het risico dat we er een gedachtewisseling van maken in plaats van een vraag om uitleg.

Een moratorium op de uithuiszettingen in de winter vind ik geen goed idee, zeker niet wanneer het gaat over sociale woningen. We hebben in Vlaanderen immers eigenlijk al een veel logischer systeem – de minister heeft het al aangehaald – waarin er eigenlijk het hele jaar door begeleiding vanuit het OCMW mogelijk en wenselijk is. In het kaderbesluit Sociale Huur is sowieso in die mogelijkheid voorzien. Er wordt gesuggereerd dat, wanneer de huurder zijn verplichtingen niet langer nakomt, de verhuurder die huurder bij voorkeur doorverwijst naar het OCMW, naar budgetbegeleiding.

Wanneer is er dan nog een kans op die uithuiszetting? Wanneer die huurder die begeleiding weigert. Een moratorium zou in dat opzicht, en zeker in de gevallen waarbij begeleiding wordt geweigerd, fundamenteel onrechtvaardig zijn, ook ten aanzien van andere huurders die wél ingaan op dat aanbod. Verder zou het probleem ook alleen maar verschuiven naar de lente en de herfst. Het doet mij wat denken aan een variant op een spreekwoord. ‘Als iedereen voor eigen deur veegt, dan ligt de straat vol’, zo zeg ik het altijd. Daarmee zijn we ook niet gebaat. U moet daar eens over nadenken, collega's. Het hangt ervan af in welke richting je veegt.

Het systeem dat we in Vlaanderen hebben om uithuiszettingen uit sociale woningen te vermijden, is een stuk logischer dan wat men in Brussel en bijvoorbeeld ook in Frankrijk hanteert. Het komt er inderdaad alleen maar op aan dat sociale verhuurders die daarin een belangrijke rol te spelen hebben, kort op de bal spelen en zo snel als mogelijk met het OCMW en andere instanties die daarin een rol kunnen spelen, gaan samenwerken. We horen en zien op het veld dat er daarvan al heel veel goede voorbeelden zijn. Het voortzetten van wat we vandaag doen om uithuiszettingen uit sociale woningen te vermijden, lijkt me de wenselijke weg die we verder moeten bewandelen.

De heer Engelbosch heeft het woord.

Jelle Engelbosch (N-VA)

De problematiek van de uithuiszettingen is er. We mogen dat inderdaad niet onder stoelen of banken steken. Maar de stoom komt mij bijna de oren uit wanneer ik hier de suggestie hoor om de private verhuurders enkele maanden per jaar te verbieden hun huurder uit de woning te zetten. Ik denk niet dat dat een oplossing is.

Zoals de minister aanhaalt, is het de rechter die beslist. Tegen de tijd dat we in de fase zitten van een echte uithuiszetting, zijn we echt wel minstens een halfjaar aan het fietsen. Dan is er al minstens een half jaar huurachterstal die waarschijnlijk voor de zomer gestart is. Dan is er waarschijnlijk al een uitstel geweest, een afbetalingsplan dat niet werd nageleefd.

We kunnen en willen toch echt niet de verhuurder zeggen dat het nog eens vijf maanden zal duren voor hij de huurder kan uitzetten. Dan zijn we minstens een jaar verder en het kan echt niet de bedoeling zijn om de private huurmarkt zo'n verregaande regeling op te leggen. Het is niet aan de private verhuurders om de problemen die er vandaag zijn of de problemen die sommige mensen hebben, op zich te nemen, laat staan op te lossen. Er zijn vangnetten – de minister heeft ze opgesomd – en in Vlaanderen zie ik de mensen niet op straat staan. Er zijn vangnetten genoeg in Vlaanderen voor de mensen die dat willen. We mogen echt die weg niet opgaan. Het zou de private huurmarkt verstoren als we zo verregaand zouden overwegen om in de winter niemand uit zijn huis te mogen zetten.

Minister, we hebben al heel wat debatten gevoerd over het Huurgarantiefonds. Er is een evaluatie bezig. Hebt u een zicht op wanneer de resultaten te verwachten zijn?

Groen wil een pleidooi houden voor een moratorium voor uithuiszettingen in de winter voor gezinnen met kinderen.

Mijnheer Engelbosch, ik denk niet dat dat betekent dat we de besognes van verhuurders die u terecht aankaart, niet moeten meenemen of geen oplossing voor moeten vinden. Maar de cijfers waarop deze vraag zijn gebaseerd, 800 kinderen die op straat leven, mogen we ook niet onder de mat vegen. Volgens het rapport van de kinderrechtencommissaris is de belangrijkste oorzaak daarvan effectief uithuiszettingen en uithuiszettingen ten gevolge van wanbetalingen. Het logische vangnet is natuurlijk een transitwoning, maar de transitwoningen blijken in de meeste gemeenten bomvol te zitten. Dat blijkt uit een antwoord op een schriftelijke vraag van mij. Ik heb toen gevraagd of er eventueel meer geld voor transitwoningen zou zijn, maar dat is er niet. Vlaanderen heeft het niet en ook de lokale besturen niet.

Daarom vind ik deze oplossing een logische brug. Het ene sluit ook het andere niet uit. Vanuit de Vlaamse overheid kan er maximaal worden ingezet op het voorkomen van uithuiszettingen, maar een moratorium voor gezinnen met kinderen lijkt mij de menselijkheid en de logica zelve.

Minister Homans heeft het woord.

Collega's, ik heb weinig concrete vragen gehoord. Ik heb heel veel interessante beschouwingen gehoord.

Ik wil wel zeggen dat een uithuiszetting niet per definitie betekent dat men dak- of thuisloos wordt. Dat vind ik toch wel een nuance in dit debat.

Mevrouw Partyka vroeg of er onderzoek is gebeurd naar hoeveel effectieve uithuiszettingen er zijn, want nu hebben we enkel het aantal vorderingen. Het Steunpunt Welzijnswerk heeft in het verleden hierover onderzoek gedaan. Misschien moeten we dat onderzoek eens opvragen. Ze hebben simulaties gemaakt. Ik ken de cijfers niet uit het hoofd, maar het is misschien nuttig om het onderzoek eens vanonder het stof te halen.

Zowel de kabinetten als de administraties van Welzijn en Wonen hebben een overleg gepland met de vrederechters. Het is belangrijk om die problematiek daar aan te kaarten. Daar zal ook de evaluatie van het Huurgarantiefonds worden besproken. Die evaluatie van het Huurgarantiefonds en de resultaten uit de gesprekken zullen we meenemen in de private huurwetgeving die hopelijk tegen de zomer door de regering kan worden goedgekeurd.

Mevrouw Hostekint heeft het woord.

Michèle Hostekint (sp·a)

Natuurlijk zijn we er allemaal van overtuigd, ik ook, dat we moeten inzetten op preventie van uithuiszetting. Natuurlijk hebben we nood aan een structureel plan om die dak- en thuisloosheid tegen te gaan. Natuurlijk gebeuren uithuiszettingen niet zomaar en gaat er een hele historiek aan vooraf en gebeurt het niet lichtzinnig en gebeurt het niet zomaar van de ene op de andere dag. Ik ben het er allemaal mee eens. Natuurlijk leiden uithuiszettingen niet per definitie tot op straat leven, maar het feit blijft dat heel wat gezinnen vandaag uit huis worden gezet. Als we die cijfers vandaag niet kennen, moeten we werk maken van monitoring. We moeten ervoor zorgen dat we wel weten over hoeveel gezinnen het effectief gaat. Het blijft een feit dat we vandaag, ook in de winter, mensen en gezinnen met kinderen op straat blijven zetten.

Mijnheer Engelbosch, u kunt zeggen dat er in Vlaanderen vangnetten genoeg zijn en dat u de gezinnen niet ziet die op straat leven. Als er 800 kinderen vandaag op straat leven, als een op drie van de dak- en thuislozen minderjarig zijn, dan zijn er niet genoeg vangnetten, dan gebeurt er vandaag niet genoeg, dan zijn er vandaag niet genoeg maatregelen om daaraan tegemoet te komen, anders zouden we niet met zulke cijfers worden geconfronteerd.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.