U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, dat kinderen met een beperking ook een plaats hebben binnen de kinderopvang naast kinderen zonder beperking, is hier al meermaals ter sprake gekomen en is natuurlijk heel erg belangrijk. Momenteel zijn er nog maar een beperkt aantal initiatieven voor inclusieve kinderopvang.

Voor 2017 voorziet u in een budget van 9,5 miljoen euro voor het nieuwe uitbreidingsbeleid binnen de kinderopvang, zo lezen we in de beleidsbrief. Dit budget zal worden aangewend voor het creëren van nieuwe plaatsen, alsook voor de omschakeling van bestaande plaatsen naar een hogere subsidietrap.

Op 1 januari 2014 gingen zestien Centra voor Inclusieve Kinderopvang (CIK’s) van start, gespreid over vijftien Vlaamse zorgregio’s en Brussel. Zij staan in voor de opvang van kinderen met specifieke zorgbehoeften en werken outreachend en ondersteunend naar andere kinderopvangvoorzieningen. In de beleidsbrief kondigt u aan dat het begeleidingstraject van de erkende Centra voor Inclusieve Kinderopvang zal worden voortgezet.

In antwoord op mijn vraag om uitleg over inclusieve kinderopvang van 23 februari 2016 zei u dat er toen werk werd gemaakt van een evaluatie van de ondersteunende en outreachende taak van de centra. Deze evaluatie moet beslissingen toelaten aangaande een eventuele uitbreiding. Ook zou Kind en Gezin in de loop van 2016 aanbevelingen formuleren aangaande inclusieve kinderopvang.

Minister, kunt u duiding geven bij de evaluatie van de Centra voor Inclusieve Kinderopvang? Wat waren de resultaten? Welke maatregelen werden daaraan gekoppeld?

Welke aanbevelingen met betrekking tot inclusieve kinderopvang werden door Kind en Gezin in de loop van 2016 geformuleerd? Welk gevolg wordt daaraan gegeven?

In hoeverre zal in de nieuwe uitbreidingsronde voorrang worden gegeven aan initiatieven die inclusieve kinderopvang aanbieden?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Collega’s, Centra voor Inclusieve Kinderopvang zetten via hun inclusiecoaches in op sensibiliseren rond inclusieve opvang. Sensibiliseringsacties richten zich zowel naar kinderopvanglocaties, onder meer via het Lokaal Overleg Kinderopvang, als naar mogelijke toeleiders. Denk bij het laatste aan vroeg- en thuisbegeleidingsdiensten, multifunctionele centra, artsen, ziekenhuizen, centra voor ontwikkelingsstoornissen, revalidatiecentra enzovoort.

Voor 2015 ziet Kind en Gezin een stijging van het aantal subsidieaanvragen voor individuele inclusieve opvang ten opzichte van 2014. De stijging van het aantal subsidievragen is groter in zorgregio’s met een CIK, dan in een regio zonder wat laat vermoeden dat sensibilisering leidt tot meer aandacht voor kinderen met specifieke zorgbehoeften.

Via het Lokaal Overleg Kinderopvang bereikt de inclusiecoach ook lokale besturen. Via individuele contacten nemen ze een belangrijke rol op in het sensibiliseren van lokale beleidsverantwoordelijken.

Centra voor Inclusieve Kinderopvang zetten ook intensief in op samenwerking en het uitbouwen van netwerken in functie van inclusieve opvang.

Ze doen dat niet alleen in functie van het toeleiden van kinderen met specifieke zorgbehoeften naar opvang. De inclusiecoaches hebben een belangrijke rol als bruggenbouwers tussen de opvang, actoren met een aanbod naar kinderen met specifieke zorgbehoeften en scholen. Het verbinden van opvang, zorg en school versterkt kinderbegeleiders in hun competenties en draagt zo bij tot hun welbevinden en betrokkenheid. Vanuit het perspectief van het kind draagt het bij tot meer pedagogische continuïteit en meer veiligheid, waardoor het kind alle kansen krijgt op een optimale ontwikkeling.

Centra voor Inclusieve Kinderopvang zetten tot slot ook in op het uitbreiden en delen van expertise. Zij doen dit via individuele ondersteuningstrajecten of groepstrajecten.

Via individuele ondersteuningstrajecten worden verantwoordelijken en kinderbegeleiders van een opvanglocatie onder andere ondersteund in het ontwikkelen van een pedagogisch beleid gericht op inclusieve opvang.

In 2015 bereikten de Centra voor Inclusieve Kinderopvang 206 opvanglocaties. Waar de centra externe opvanglocaties bereiken, groeit de interesse om zelf met inclusieve opvang aan de slag te gaan. Het toont aan dat het outreachend werken zeer belangrijk is als we kinderopvanglocaties toegankelijker willen maken voor kinderen met specifieke zorgbehoeften.

Het werkingsgebied van een Centrum voor Inclusieve Kinderopvang werd regelgevend afgebakend tot de zorgregio waarin het gevestigd is. De evaluatie leert dat een op tien ondersteuningsvragen afkomstig zijn van buiten de zorgregio waar het centrum gevestigd is. De vraag is dus of we deze beperking van het werkingsgebied moeten aanhouden. Het regelgevend kader bepaalt momenteel ook dat ondersteuningstrajecten van het Centrum voor Inclusieve kinderopvang pas in aanmerking komen als er in de opvang minstens één kind met specifieke zorgbehoeften wordt opgevangen.

Centra voor Inclusieve Kinderopvang ervaren deze bepaling als een beperking. Zij brengen hier verschillende argumenten aan. Allereerst hebben opvanglocaties beperkt vat op de vraag naar inclusieve opvang, waardoor de aanwezigheid van een kind met specifieke zorgbehoeften niet altijd gegarandeerd kan worden. Inclusiecoaches ervaren dat ondersteuningstrajecten ook een meerwaarde hebben als het gaat om het creëren van een draagvlak voor inclusieve opvang bij verantwoordelijken en kinderbegeleiders. Tot slot kan het besef dat het gaat om een kind met een specifieke zorgbehoefte, zeker in de vergunde opvang voor baby’s en peuters, ook komen na verloop van tijd.

Met betrekking tot beide regelgevende beperkingen pleit Kind en Gezin voorlopig voor een pragmatische benadering. Op termijn zal moeten worden bekeken of de aanpassing van het regelgevend kader nodig is.

Tot slot onthouden we uit de eerste evaluatie vooral dat de Centra voor Inclusieve Kinderopvang pionierswerk leveren dat zijn vruchten begint af te werpen. Maar zoals dat gaat met pionieren, is het een traject met vallen en opstaan.

In de brede maatschappelijke context is inclusieve opvang nog niet verworven. Bij hulp- en zorgverleners leeft vaak de overtuiging dat opvang thuis of in een gespecialiseerde setting jonge kinderen met specifieke zorgbehoeften meer ontwikkelingskansen biedt. Tegelijk twijfelen kinderbegeleiders en verantwoordelijken zelf nog al te vaak aan hun pedagogische competenties waar het gaat om de opvang kinderen met specifieke zorgbehoeften. Centra voor Inclusieve Kinderopvang spelen een belangrijke rol in het doorbreken van deze stereotiepe denkbeelden.

U vroeg naar de mate waarin in de nieuwe uitbreidingsronde voorrang wordt gegeven aan initiatieven die inclusieve kinderopvang aanbieden. Welnu, dit is in de uitbreidingsronde 2017 geen specifiek criterium, net zoals het dat niet was in de uitbreidingsronde 2015-2016. Organisatoren kunnen immers steeds inclusieve opvang aanbieden als een vraag zich voordoet. Ze kunnen daar dan een subsidie voor individuele inclusieve kinderopvang voor krijgen. Dit kun je als organisator niet inplannen: de opvang onderzoekt de vraag van de ouders en beslist in ieder individueel geval of het erop kan ingaan, afhankelijk van de concrete situatie. Het is dus niet omdat een organisator vandaag nog geen inclusieve opvang aanbiedt dat hij er niet voor openstaat. Inclusieve opvang op individuele basis hanteren als criterium om voorrang te geven in de uitbreidingsronde, is bijgevolg niet eenvoudig. Bovendien is het ook niet steeds zo dat een organisator die aangeeft er voor open te staan, ook steeds op een latere vraag ingaat.

Daarnaast krijgen sommige organisatoren een subsidie voor structurele inclusieve opvang. Die plaatsen zijn echter gegroepeerd bij een beperkt aantal organisatoren, die hun werking op een structurele manier hebben aangepast voor inclusieve opvang. Ook dit is dus niet te koppelen aan het uitbreidingsbeleid van plaatsen voor baby’s en peuters.

In eerste instantie ligt de focus dus vooral op het verder sensibiliseren van organisatoren, via de Centra voor Inclusieve Kinderopvang, om ook open te staan voor kinderen met een specifieke zorgbehoefte.

Daarnaast werd ook het basisondersteuningsbudget ingevoerd waarop ouders een beroep kunnen doen voor de specifieke zorgbehoefte van hun kind. Dit basisondersteuningsbudget wordt gefaseerd uitgerold. Ouders kunnen dit budget onvoorwaardelijk besteden en kunnen dit ook inzetten binnen de kinderopvang wanneer er nood is aan verdere ondersteuning, opdat deze kinderen werkelijk inclusief kunnen worden opgevangen.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

De inclusieve kinderopvang staat nog in de kinderschoenen en is nog in evolutie. De overtuiging is dat dit kan gebeuren binnen de reguliere opvang, mits de nodige ondersteuning en, zoals u terecht zegt, mits het doorbreken van stereotiepe denkbeelden bij kinderbegeleiders en aanbieders van kinderopvang.

Wat ik zeker onthoud uit uw antwoord is toch wel het effect dat de Centra voor Inclusieve Kinderopvang ter zake hebben. Als u zegt dat er in de zorgregio’s waar ze actief zijn, duidelijk meer vraag is en meer toeleiding naar inclusieve kinderopvang, ligt een volgende vraag voor de hand: moet dit niet worden uitgebreid naar andere regio’s? Voorlopig bent u dat nog niet van plan, maar u houdt goed in de gaten of op termijn een aanpassing van het regelgevend kader nodig is.

Mijn vraag is dan: hebt u daarvoor een termijn vooropgesteld?

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

Elke Van den Brandt (Groen)

Minister, u hebt verwezen naar de omzendbrief voor de verdeling van de uitbreidingsmiddelen. U hebt gezegd wat daar niet in zal staan, dus geen specifieke oproep, net zoals de vorige jaren. Kunt u een tipje van de sluier lichten over wat er wel in zal staan, over hoe de verdeling zal zijn? Welke middelen zullen naar nieuwe kinderopvang gaan, welke middelen naar de uitbreiding van de cao enzovoort? Dat kan eventueel schriftelijk bij het verslag.

Er is nu een bestaande manier om inclusieve opvang te stimuleren. Er zijn op het terrein ook een aantal initiatieven die op innovatieve manieren proberen inclusief te werken, en dat past dan niet altijd per se binnen die hokjes van de regelgeving. In uw decreet is er een artikel waarmee u innovatieve projecten mogelijk kunt maken. Tot nu toe hebt u dat nog niet gebruikt omdat u dat niet nodig achtte, terwijl er toch een aantal crèches zijn die zeggen toch iets anders te werken. Bent u bereid om dat toch te bekijken?

Ik wil een voorbeeldje geven van hoe de bestaande regelgeving bepaalde innovatieve projecten kan tegenwerken. Er is voorzien in kinderopvang voor kinderen van 0 tot 3 jaar, en daarna, van 3 tot 12 of 14 jaar, heb je de buitenschoolse opvang. Zeker als wordt gewerkt met kinderen met een beperking – maar dat is misschien ook zo voor alle kinderen – is het heel belangrijk dat je naar een zachte overgang kunt gaan, dat je die kinderen ook na hun 3 jaar, ook nadat ze naar school gaan, eventueel nog kunt laten terugkomen, dat je hen kunt opvangen. Zo zijn er dus een aantal kaders die beperkend kunnen zijn om echt naar inclusieve opvang te gaan. Wilt u in het kader van de taskforce of in het kader van de innovatieve projecten waarin het decreet voorziet, bekijken hoe er een boost kan worden gegeven aan de inclusieve kinderopvang?

De voorzitter

Mevrouw Saeys heeft het woord.

In welke mate zullen er ook initiatieven worden genomen met betrekking tot de buitenschoolse kinderopvang voor kinderen met een beperking? We stellen immers toch regelmatig vast dat daar kinderen worden geweigerd. In het kader van het M-decreet zullen we immers alleen maar zien dat steeds meer kinderen met een beperking ook les gaan volgen in het gewonde onderwijs. Tijdens de hoorzittingen over de vrijetijdsbesteding van kinderen is dat ook meerdere keren aan bod gekomen. Er worden linken gelegd met Jeugd, met Cultuur. Op het terrein zijn er toch ook wel heel veel vragen, bijvoorbeeld bij de speelpleinwerking, die ook wordt geconfronteerd met kinderen met een beperking. Hoe zullen die mensen daarin worden begeleid?

De voorzitter

De heer de Kort heeft het woord.

Dirk de Kort (CD&V)

Minister, het is goed te zien dat steeds meer initiatieven van inclusieve kinderopvang ook daadwerkelijk van start kunnen gaan. Wat ik ook wel merk, is dat sommige van die initiatieven van start gaan in gebieden die al goed worden gedekt als het gaat over de gewone kinderopvang. Volgens de Barcelonanorm, op basis waarvan altijd wordt afgetoetst, zijn daar eigenlijk voldoende kinderopvanginitiatieven. Is het voor deze initiatieven van inclusieve kinderopvang dan toch niet wenselijk om via een apart kader de zaken te bekijken? Kunnen daarvoor eventueel in de toekomst aanbevelingen worden ontwikkeld vanuit het beleid?

De voorzitter

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Het initiatief dat we destijds hebben genomen voor meer inclusieve kinderopvang, is volgens mij een bijzonder geslaagd initiatief, als ik zie hoe op vrij korte tijd en toch met een niet bijzonder groot geldpakket de toegankelijkheid van onze kinderopvang is verbeterd voor kindjes met beperkingen. Dat is volgens mij een heel goede zaak. Ik denk dat we zonder meer moeten zeggen dat we de volgende jaren ook moeten blijven doorgaan op die mindset bij de organisatoren. Ik denk dat het nu niet zo is dat die sensibilisering zich ook richt op de buitenschoolse kinderopvang. Dat lijkt me op dit moment niet de scope te zijn, maar we zouden inderdaad eens met Kind en Gezin kunnen bekijken of een verruiming daar mogelijk is. Dat moeten we echter misschien wel eerst even met Kind en Gezin bekijken alvorens we daarover een echte uitspraak kunnen doen. Als ik zie wat de sensibilisering al heeft opgeleverd, dan weten we echter wel dat de methodiek succesvol is.

Die omzendbrief voor de uitbreiding wordt gemaakt door Kind en Gezin. Ik heb daar alleszins nog geen ontwerp van gezien. Men zegt me dat dat onderweg is voor bespreking. Mevrouw Van den Brandt, we hebben echter wel gevraagd om daarin ook een aantal zaken mee in rekening te brengen die hier in de commissie zijn gezegd. Een van de punten was het volgende. Als we de logica volgen dat de subsidies van trap 1 moeten gebeuren in de regio’s waar programmatieruimte is, dan is dat niet echt altijd voor diegenen die de meeste problemen qua concurrentie hebben omdat er in dezelfde regio ook inkomensgerelateerde systemen zijn. We hebben dus gevraagd of het toch mogelijk is om bij een versterking van trap 1 de prioriteiten zo te stellen dat dat voor de levensvatbaarheid van sommige initiatieven beter kan. We hebben een aantal van dergelijke vragen meegegeven aan Kind en Gezin, met het oog op het redigeren van een formule.

Er wordt natuurlijk eigenlijk wel gewerkt aan een nieuw programmatie-instrument. Kind en Gezin heeft bij de omzendbrieven tot nu toe altijd rekening gehouden met een aantal objectieve parameters. Ik denk dat we de Barcelonanorm al ver voorbij zijn. Ik denk dat we voor Vlaanderen al aan 50 procent zitten, maar regionaal is dat nog erg ongelijk verdeeld. We moeten dus zoeken naar een formule om zeker die ongelijkheden wat te nivelleren. Er is echter zeker wat te zeggen voor een voorafname, bijvoorbeeld voor de steden of de grote steden, en zeker voor Antwerpen. U komt uit de regio van Antwerpen. Daar is zeker veel voor te zeggen, want daar is het gat toch nog wel aanzienlijk.

Mevrouw Van den Brandt, ik ben niet zo geneigd om nu urbi et orbi aan te kondigen dat we oproepen gaan doen voor innovatieve projecten in toepassing van een artikel uit het decreet. Ik sluit niet uit dat men dat artikel kan gebruiken als er zich iets opdringt, maar mijn inschatting is toch dat er nog zoveel moet worden gestabiliseerd en uitgebreid in de sector dat we onze middelen het best inzetten voor het vergroten van de levensvatbaarheid, van de capaciteit, en ook in een aantal dossiers waarvoor in deze commissie regelmatig ook aandacht is gevraagd: de flexibele kinderopvang, onthaalouders en hun statuut. Er zijn dossiers genoeg.

Ik vind het niet wijs om nu bewust een oproep te doen voor innovatie, er een heel circuit voor op te zetten om er dan een zeer beperkt bedrag voor te mobiliseren en dan nog in projectvorm, terwijl er zoveel vragen zijn waaruit we moeten kiezen om het beschikbare budget in te zetten. Als er zich ad hoc een heel punctuele situatie voordoet, dan neem ik aan dat er een beroep op kan worden gedaan. Ik ben geneigd om aan het agentschap te zeggen dat als eerste prioriteit de middelen beter worden ingezet op het verduurzamen van het decreet zoals het er nu uitziet.

De voorzitter

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, de evolutie is heel duidelijk. U stelt terecht dat het aantal kinderen met een beperking dat kan worden opgevangen binnen de kinderopvang beduidend is toegenomen. De inclusiecoaches spelen daarin duidelijk een grote rol. We zullen dit blijven opvolgen vanuit deze commissie.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.