U bent hier

De voorzitter

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Minister, communautaire stilstand: het was voor sommigen het toverwoord voor een goed sociaal economisch beleid. Ik denk dat de Vlaamse Regering en de Federale Regering dat respecteren. Maar af en toe worden er weleens ballonnetjes opgelaten. En ik doe daar zelf ook graag aan mee. (Gelach)

We moeten blijven nadenken over een betere structuur voor onze stad, ook voor Vlaanderen. Ik zou zeggen: zo weinig mogelijk voor het federale België – maar dat is natuurlijk mijn overtuiging.

Ik denk dat iedereen erbij gebaat is dat onze stad Brussel op een goede en efficiënte manier wordt bestuurd. De Brusselaar kan er alleen maar beter van worden. Het is goed dat er af en toe eens denkoefeningen gebeuren. Een van die denkoefeningen hebben we recent nog meegemaakt, namelijk de fusie van de politiezones. De fusie van de gemeenten komt dan ook telkens terug.

Een van de pistes bij de beleidsverklaring van de heer Vervoort, minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, maar tegelijkertijd ook voorzitter van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC), was namelijk om over te gaan tot een fusie van die GGC met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ik herinner mij trouwens – en u wellicht ook – dat in het vorige regeerakkoord van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dit expressis verbis was opgenomen in dat regeerakkoord.

Mijn fractie is daar geen voorstander van. Wij denken dat het goed is dat de gemeenschappen nog steeds hun rol te vervullen hebben in Brussel. Ik weet het: de GGC blijft een merkwaardige structuur. Anderzijds is het ook een orgaan waardoor Vlaanderen sinds de zesde staatshervorming iets te zeggen heeft over bepaalde bevoegdheden. Ik verwijs onder meer naar kinderbijslag en inburgering, twee heel speciale en cruciale bevoegdheden in Brussel. Jammer genoeg zie ik daarvan echter nog niet de resultaten. Dertien jaar nadat Vlaanderen de verplichte inburgering heeft ingevoerd, is er al veel gepalaverd in Brussel, in de zin van: ‘We gaan dat ook doen.’ Maar ondertussen zie ik de resultaten niet en zie ik niet wanneer die verplichting daadwerkelijk zal worden ingevoerd.

Minister, we hebben al een aantal keren discussie gevoerd over uw aanwezigheid in dat GGC-college. Ik weet dat u uw taak vervult in het VGC-college (Vlaamse Gemeenschapscommissie), maar in het GGC-college jammer genoeg niet. Nochtans denk ik dat u dan mee aan het stuur kunt staan, ook al hebt u enkel een raadgevende stem.

Ik stel vast dat er een beleidsverklaring is van de minister-president van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Ik geef toe dat u daar niet verantwoordelijk voor bent, maar in die beleidsverklaring lanceert die minister-president toch bepaalde denkpistes.

Minister, de Vlaamse Regering heeft een poot in de VGC en anderzijds ook in de GGC. Hoe staat u ten opzichte van dat idee dat werd gelanceerd? U kunt desbetreffend ook aan het roer staan. U kunt opmerkingen maken. Ik weet hoe dat gaat met een beleidsverklaring: ze gaat naar alle leden van die regering. Ik neem aan dat die beleidsverklaring van het GGC-college ook bij u is terechtgekomen. Hebt u het Verenigd College van de GGC gewezen op het standpunt dat in Vlaanderen leeft? Er zijn ook resoluties, al enkele jaren oud. Sommige onderdelen ervan zijn zelfs al uitgevoerd.

Hebt u het GGC-college daarop gewezen? Hebt u namens de Vlaamse Regering andere voorstellen naar voren geschoven om de werking van die Brusselse instellingen, die veelheid en complexiteit die er bestaat, te doen verbeteren? Ik blijf erbij dat het in het belang van elke Brusselaar en elke bezoeker is dat er efficiënte organen zijn in Brussel. Het is goed om af en toe denkpistes te lanceren, maar vroeg of laat moeten we natuurlijk wel eens landen.

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Inleidend wil ik zeggen dat ik in de Vlaamse Regering niet bevoegd ben voor institutionele hervormingen. Ik zeg dat omdat het duidelijk moet zijn dat ik in wat volgt, een persoonlijk standpunt inneem en niet het standpunt van de Vlaamse Regering. Er is over deze problematiek binnen de Vlaamse Regering niet gesproken, laat staan een standpunt ingenomen. Ik wil wel graag antwoorden op uw vragen, maar dat doe ik dan als politicus. Dat was trouwens ook mijn opstelling in het vraaggesprek ‘De Kenners’, dat u vorige week in de studio van BRUZZ mocht bewonderen, en waar ik sommigen van u gelukkig ook af en toe in mag bewonderen.

Hoe staat de Vlaamse Regering ten opzichte van de beleidsverklaring waarin de GGC en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zouden worden samengevoegd? Ik herhaal dat de Vlaamse Regering zich niet heeft uitgesproken over de visie op het voorstel van mogelijke institutionele hervormingen in de schoot van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. De idee om de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest samen te voegen, is een van de voorstellen die minister-president Vervoort in het kader van de beleidsverklaring heeft uitgesproken.

Dat men een oefening wenst te maken van een mogelijke nieuwe omschrijving van de gewestelijke instrumenten op basis van een concentratie van middelen en een efficiënt optreden, kan legitiem worden genoemd worden. Die verzuchting moet mijns inziens dan ook worden begrepen als een oefening, een opening, een start van een debat, om de gewestelijke instrumenten te rationaliseren.

De Brusselse instellingen zijn het gevolg van een compromis in de staatshervorming van 1988-1989. De staatshervorming van 1988 herverdeelde de gemeenschapsbevoegdheden binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. Dat leidde in 1989, met de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, tot de oprichting van de drie gemeenschapscommissies zoals we die vandaag kennen. Zo kon de staatshervorming een visie op ons land, met drie gewesten en drie gemeenschappen, verzoenen in onze hoofdstad. Het was ook goed dat Brussel daardoor uit de koelkast werd gehaald, zoals dat heet.

De zesde staatshervorming heeft het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest versterkt, enerzijds door de herfinanciering en anderzijds door Brussel dezelfde bevoegdheden te geven als de twee andere gewesten. Ik denk hierbij onder andere aan toerisme, economie, werk, sportinfrastructuur en fiscale uitgaven. Bovendien werden er in Brussel gemeenschapsmateries aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie toevertrouwd. Dan gaat het bijvoorbeeld over gezinsbijslag en gezondheidszorg.

We mogen hierover van mening verschillen, maar men kan argumenteren dat de zesde staatshervorming een logische voortzetting van de voorgaande hervormingen is. Daarmee wil ik niet zeggen dat die logica tot in de eeuwigheid moet of kan worden doorgetrokken, maar men heeft er in elk geval op voortgebouwd. Ze brengt dus geen fundamentele wijzigingen aan in de bevoegdheidsstructuur, maar brengt wel enkele nieuwigheden – zoals inzake sommige gemeenschapsbevoegdheden in Brussel – die geen afbreuk doen aan de bestaande mechanismen. Er is inderdaad een gevoelige uitbreiding van de bevoegdheden van de GGC, maar aan het bestaande mechanisme van besluitvorming in de GGC is bijvoorbeeld niets veranderd.

De versterking van de Brusselse instellingen heeft onweerlegbaar ook een impact op de band tussen Brussel en beide grote gemeenschappen. Sommigen zeggen daarom zelfs dat Brussel evolueert naar een ‘gemeenschapsgewest’, maar wat ik vooral onthoud, is dat de nieuwe bevoegdheden ook kansen kunnen creëren voor de Brusselaars en voor de gemeenschappen om samen te werken.

Terwijl de politieke organen van GGC en gewest de facto samenvallen, is dat niet zo voor de administratie en de financiering, en ik denk dat daar een stuk van het debat van de heer Vervoort over gaat. Die zijn volledig gescheiden. Er is dus niet een fusie zoals wij die kennen tussen het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap, waarbij de budgetten kunnen worden overgeheveld in het kader van een algemene begroting en waarbij er een gemeenschappelijke administratie is. De idee om naar een vereenvoudiging of fusie te gaan tussen GGC en gewest, is daarom verdedigbaar. Het is op zich niet verboden dat regeringen nadenken over hun institutionele toekomst. We mogen evenmin eeuwig getrouwd zijn met bepaalde instellingen. Evolutie is natuurlijk altijd mogelijk en misschien zelfs wenselijk.

Weet natuurlijk dat een en ander geregeld is in onze institutionele regelgeving. De ideeën van de Brusselse minister-president moeten afgetoetst worden aan de Grondwet en eventuele andere wetten en praktische bezwaren. Er zijn immers wel degelijk aandachtspunten bij het idee van een fusie of een meer doorgedreven samenwerking. Zo zijn er de rechten van de Vlaamse Gemeenschap op het vlak van taal, politieke vertegenwoordiging, medezeggenschap enzovoort, die moeten worden bewaakt. Ook op het vlak van de financiering en de administratie geldt natuurlijk enige waakzaamheid. Maar een debat over vereenvoudiging en rationalisering moeten we niet a priori uit de weg gaan. Op dat vlak is er in Brussel zeker werk aan de winkel. Die gevoeligheid delen we. Het uitgangspunt van mij persoonlijk, maar ook van de Vlaamse Regering, is altijd geweest dat de Vlaamse Gemeenschap en de VGC hun verantwoordelijkheid moeten kunnen blijven opnemen in Brussel.

Wat we hierboven besproken hebben, is geen materie die besproken wordt binnen het college van de GGC as such, collega Vanlouwe. U verwijst naar het op tafel leggen van de resolutie van het Vlaams Parlement binnen het college van de GGC, maar dit is veeleer voer voor staatshervormingen of gesprekken tussen gewesten en gemeenschappen. Ik denk dat, ondanks een bepaalde discretie in het algemeen rond institutionele hervormingen, iedereen nu zo’n beetje her en der uit het bos begint te komen met pistes en oefeningen. Zoals het altijd gaat, worden er zaken op tafel gelegd, die soms volledig tegengesteld kunnen zijn, maar die soms ook in elkaars verlengde kunnen liggen. We zitten nu in de fase om dat te detecteren. Ik probeer dat, net als u, nauwgezet in het oog te houden. Wij zitten absoluut niet in een onderhandelingsfase. Dat is momenteel niet aan de orde.

De voorzitter

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Bedankt voor uw toelichting, minister. Er zijn bepaalde punten waar ik me bij kan aansluiten. Met andere heb ik het moeilijk. U bent inderdaad niet bevoegd voor institutionele hervormingen, maar u bent wel een bruggenbouwer, een ‘liaison’. Dat zijn woorden die u zelf altijd gebruikt.

Ik vind het ook belangrijk dat die bruggen gebouwd worden met de VGC en met de GGC. Ik stel vast dat u dat op het vlak van de VGC goed doet. Ik had wel graag gezien dat er ook een vorm van terugkoppeling zou gebeuren en dat u met een soort van mandaat naar de VGC zou gaan. Over het GGC-college stel ik vast dat u die taak van bruggenbouwer misschien iets minder vervult. We hebben het er al verschillende keren over gehad. Nochtans is het GGC-college het orgaan dat bijkomende en heel belangrijke bevoegdheden heeft gekregen.

U hebt ook gezegd dat u niet het standpunt van de Vlaamse Regering vertolkt, maar een persoonlijk standpunt. Het is een oproep van mij om dat debat misschien in de Vlaamse Regering op gang te brengen om op die manier goed voorbereid te zijn. We zijn natuurlijk geschrokken wanneer de Brusselse minister-president zegt dat we institutionele hervormingen nodig hebben en dat we heel de GGC zullen laten opgaan in het Brusselse Gewest. Ik weet dat dat ook wel te maken heeft met een sterke administratie in het Brusselse Gewest en een iets minder sterke administratie in de GGC. Ik denk dat iedereen wel weet waarover we dan spreken.

Die band is er institutioneel, maar die moet volgens mij dan ook daadwerkelijk ingevuld worden. U zegt terecht dat die Vlaamse Gemeenschap haar verantwoordelijkheid moet blijven nemen, niet alleen wat betreft de bevoegdheden die ze exclusief uitoefent, namelijk Onderwijs, Cultuur en Welzijn, er zijn ook een soort van concurrentiële bevoegdheden of bevoegdheden waar de Vlaamse Gemeenschap dan toch onrechtstreeks bevoegd is. Ik verwijs opnieuw naar kinderbijslag en inburgering.

Minister, ik doe ten aanzien van u een oproep als bruggenbouwer, een term die u geregeld gebruikt, om voorbereid te zijn om dat debat met collega’s in het GGC-college en de Brusselse Regering op te starten, maar dat wij daar ook eensgezind als Vlaamse Gemeenschap in Brussel maar toe kunnen gaan. Het is misschien goed dat het debat wordt opgestart in de Vlaamse Regering. Dan kunnen wij dat ook hier in onze commissie Brussel van het Vlaams Parlement voeren en kunnen wij voorbereid zijn. Dat kan nu ook met een mandaat naar dat GGC-college gaan, zonder voortdurend ballonnetjes die de nodige ergernis en wrevel opwekken. Vorige week was er nog het debat in het Brussels Parlement. Dan zie ik de minister-president zeggen dat Vlaanderen zich niet moet bemoeien met Brussel. We willen allemaal dat Brussel beter bestuurd is. Er is een bepaalde input die kan worden gegeven op het vlak van mobiliteit. Als er bepaalde problemen zijn, denk ik dat het goed is dat Vlaanderen maar uiteraard ook Wallonië een bepaalde input zouden brengen.

Ik blijf erbij: die taak van bruggenbouwer mag u wat mij betreft vervullen, maar dan moet u volgens mij ook aanwezig zijn op dat GGC-college. Maar ik doe vooral een oproep om dat debat intern te voeren in de Vlaamse Regering en ook hier bij ons in de commissie. Op die manier kunnen we een bijdrage leveren om van Brussel die betere stad te maken, met minder instellingen, minder structuren, minder complex, waar iedereen beter van wordt en waar beslissingen op een eenvoudige manier, snel en efficiënt kunnen worden genomen, gewoon in het belang van de Brusselaar.

De voorzitter

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord

Elke Van den Brandt (Groen)

Er is daarstraks gezegd dat de vorige regering de GGC zou willen fusioneren. Groen is altijd heel duidelijk geweest: als het van Groen afhangt, blijft de GGC bestaan. Dat is een standpunt dat we vandaag innemen en dat we ook de afgelopen decennia hebben ingenomen, ook wanneer alle andere partijen ervan overtuigd waren dat het een nutteloos instrument was.

Mijnheer Vanlouwe, ik vind het tegenstrijdig dat u zegt dat de GGC moet blijven bestaan, maar anderzijds, telkens wanneer er een staatshervorming is, u er geen voorstander van bent om daar überhaupt bevoegdheden aan te geven. Ik denk dat het een relevant instituut is, maar ik wil niet te allen prijze aan het instituut vasthouden. Dat is net het probleem in Brussel, namelijk dat iedereen zijn taboes en zijn fetisjen heeft. De Franstaligen willen niet praten over politiezones en fusies van gemeenten. Aan Nederlandstalige kant eens praten over wat de taak van een gewest en van een gemeenschap is, is taboe. In de Rand krijg je vooral debatten over de grens die geen millimeter mag verschuiven. Als we echt een debat willen over hoe we Brussel goed kunnen besturen, dan zal iedereen een aantal taboes moeten durven loslaten en met open vizier kijken.

Minister, u hebt hier geantwoord als politicus. Ik heb u ook deze week met veel plezier aanhoord in ‘De Kenners’ als politicus. Ik was het niet met alles eens. Ik vond het wel een boeiend debat, en ik waardeer het dat u een aantal pistes zoekt om vooruit te gaan in Brussel en dat u mee wilt nadenken over een betere structuur van Brussel. U zult in Groen een bondgenoot vinden om daar dieper over te praten.

De voorzitter

De heer Poschet heeft het woord

Joris Poschet (CD&V)

Collega Van den Brandt, er zijn inderdaad een aantal taboes, maar die worden bij sommigen wel wat minder en minder. Ik hoorde onlangs onze burgemeester zelfs het idee lanceren om een fusie te doen met Ganshoren. Dat zou een interessante optie kunnen zijn, nietwaar collega’s Vanlouwe en Van den Brandt?

Ik heb een paar bedenkingen bij uw vraag, collega Vanlouwe. Ik denk niet dat expressis verbis in het regeerakkoord van het Brusselse Gewest of de GGC staat dat ze naar een fusie willen van de GGC met het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, en zeker niet in het vorige bestuur, want daar hadden wij ook nog een post in het GGC-college. Mocht u denken dat ergens te hebben gelezen: wij zijn daar alvast tegen.

Ik vind het fijn dat u verwijst naar de resoluties van 1995. Dat doet ons deugd, want daarin wordt ook een belangrijke rol toegedicht aan de VGC. Dan ben ik blij dat u een stap in onze richting zet. Ik begrijp echter nog niet welke positie u ten aanzien van de GGC inneemt. Wat wilt u? Wilt u daar weg of niet? En als u daar weg wilt, hoe gaat u dan de rechten van de Nederlandstaligen verankeren, wetende dat ze institutioneel sterker verankerd zijn in de GGC-organen dan in de gewestelijke organen?

De voorzitter

De heer Bajart heeft het woord.

Lionel Bajart (Open Vld)

Mijnheer Vanlouwe, dank voor de vraag. Ik volg ook voor een deel de opmerkingen van de twee collega’s. Maar ik wil eerst een stap terugzetten en onderstrepen dat de speech van minister-president Vervoort toch niet zo baanbrekend is als zou kunnen blijken uit de vraag.

Ten eerste moeten we er rekening mee houden dat het de allereerste keer is dat de beleidsverklaring van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en de beleidsverklaring van het Verenigd College van de GGC samenvielen. Dat is toch belangrijk. Het is logisch dat de soms kunstmatige grens tussen gemeenschap en gewest ter discussie wordt gesteld op het moment dat die twee niveaus elkaar kruisen in een parlementaire setting.

De tweede reden waarom die speech volgens mij niet zo opvallend is, is omdat hij over zaken ging die veeleer een oud zeer zijn dan wel een nieuw verschijnsel. Het is dus logisch dat de koe eindelijk bij de horens wordt gevat, om te bekijken waar de Brusselse institutionele structuur beter kan worden georganiseerd. Daar gaat het over. Die oefening hebben we in Vlaanderen al een tijd geleden aangevat, en zij loopt onder de leiding van minister Homans nog steeds verder.

De Brusselse instituties moeten ten dienste staan van de Brusselaars. Daarover zijn we het allemaal eens. We moeten ernaar streven om de Brusselaars een perfecte dienstverlening te bieden. Dit kan eenvoudiger georganiseerd worden dan nu het geval is. Mevrouw Van den Brandt, u zei het al: voor de Brusselaar maakt het niet echt uit onder welke institutie een dienst ressorteert. Maar het is van belang om kwaliteitsvol en snel, of sneller, geholpen te worden. In die optiek is meertaligheid in de Brusselse instellingen een thema dat voldoende aandacht verdient. Dit thema zou aan beide zijden van de taalgrens ter harte moeten worden genomen.

Ik juich met andere woorden in grote lijnen de oproep van minister-president Vervoort toe om te bekijken waar de kunstmatige grenzen veeleer storend dan faciliterend werken. Dat is een belangrijke oefening. Maar we moeten ook bekijken of we komaf kunnen maken met deze institutionele Kafka. Ik vind, samen met mijn partij, dat we daarbij niet moeten aarzelen. Uiteraard moet dit gebeuren via een denkoefening waarbij alle democratische partijen worden betrokken en waar ook de academische wereld en het verenigingswezen gehoord worden. Vlaanderen moet actief participeren in deze zoektocht naar een institutioneel model waar de Brusselaar beter van wordt.

De voorzitter

Minister Vanlouwe heeft het woord.

Het is nuttig dat wij hier al een klein en bijzonder kort debatje over hebben gevoerd.

Mijnheer Poschet, ik zou u toch willen oproepen om het gewestelijk regeerakkoord van 2009 toch eens even te lezen. Daar staat letterlijk een bedenking bij omdat ik dacht dat de Vlaamse partijen er toen niet mee akkoord gingen en de Franstalige wel. Het staat wel degelijk in het regeerakkoord, maar ik vind het nu niet meteen terug.

De term is gevallen: sommigen willen hier een gemeenschapsgewest van maken. Mijn partij is voorstander van een soort stadsgewest. Ik denk dat dat nuttig is. Wij zijn ook meer een stad. We hebben niet de oppervlakte van het Vlaamse Gewest of het Waalse Gewest. Hier leven ook twee institutionele gemeenschappen. Hier leven ook heel wat nieuwkomers die van alle kanten van de wereld hier zijn terechtgekomen. Dat zorgt voor problemen, maar ook voor uitdagingen. Deze problemen doen zich ook in andere grootsteden voor. Er is nood aan die stedelijke aanpak. Een grootstad of hoofdstad kun je niet besturen met lokale dorpspolitici. Dat zijn niet mijn woorden, maar die van Luckas Vander Taelen. Je hebt een stedelijke visie nodig. Voor Brussel heb je volgens mij een hoofdstedelijke visie nodig. We zijn meerlagig. We zijn de hoofdstad van het federale niveau. We zijn de hoofdstad van institutionele gemeenschappen. We zijn de hoofdstad van de EU. Ik weet dat daarover een discussie bestaat: zijn we de hoofdstad, dan wel de zetel van de EU? Er zijn hier heel wat expats actief. Er zijn heel wat nieuwkomers die het blijkbaar soms moeilijk hebben of die je niet zomaar kunt indelen bij deze of een andere gemeenschap. Ik stel wel vast dat dat probleem zich ook voordoet in steden als Antwerpen, Gent, Charleroi en Luik. Ik heb het dan over de weg vinden naar de juiste instellingen, die die mensen kunnen helpen op het vlak van inburgering, onderwijs, kinderopvang.

Een stadsgewest zou een oplossing kunnen zijn. Maar dan moet je natuurlijk aan die structuren beginnen te rommelen. Er was inderdaad een oproep van de burgemeester van een van de gemeenten om eens te denken aan een fusie. Ik vind het goed dat men langs Franstalige kant eindelijk eens dat debat durft te openen. Ik hoop dat er heel spoedig initiatieven genomen worden, ook op het vlak van de politiezones. Dat is toch eigenlijk ondenkbaar! Van Ganshoren tot hier ben ik vanmorgen door vijf gemeenten gereden, elk met een eigen politiereglement en dergelijke.

Ik stel zelfs vast dat men er zich mee bezighoudt om in de tunnels de gemeentegrenzen aan te duiden. U moet daar eens op letten: aan de wanden van de tunnels hangt een bordje met de naam van de gemeente waarin men zich bevindt. Dat is natuurlijk achterhaald. Het is 19e-eeuws. Het stamt nog altijd uit 1830.

In het Vlaamse Gewest is men overgegaan tot fusie. In het Waalse Gewest is men overgegaan tot fusie. In Vlaanderen leeft het debat opnieuw. Er zijn burgemeesters in Limburg, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant die er inderdaad van overtuigd zijn dat dat nuttig is. Ik stel vast dat dat hier nog altijd bijzonder moeilijk is.

Ik las onlangs een artikel in La Libre Belgique, waarin de verklaring werd gegeven waarom die fusie uiteindelijk overal kon plaatsvinden, behalve hier in Brussel.

Ik herinner mij dat voormalig minister van Binnenlandse Zaken Louis Tobback zei: ‘Je kunt het alleen maar doen als je hun het geld afneemt.’ Niet wij hebben dat gezegd, maar Louis Tobback: ‘Je kunt het alleen maar doen met geld.’

We moeten erover nadenken en erover debatteren. Ik roep de Vlaamse Regering er nogmaals toe op om voorbereid te zijn.

U hebt een unieke functie, als bruggenbouwer, in politietermen ‘een liaisonofficier’. Het lijkt mij nuttig dat u in dat GGC-college, maar ook in dat VGC-college, zou zeggen: ‘Laat ons een open debat voeren over bepaalde gevoeligheden die er bestaan langs Vlaamse kant, maar tegelijkertijd ook langs Franstalige kant.’

Ik weet dat er structuren zijn, zoals het Overlegcomité. Maar, zoals u weet, is het Overlegcomité meestal een gevolg van een belangenconflict, termijnen die moeten worden gerespecteerd, overleg dat er moet zijn. Meestal is het een gevolg van een heel conflict dat eraan is voorafgegaan, beslissingen die worden aangevochten, om dan te komen op het Overlegcomité, waar dat conflict soms ook strandt. We zullen zien wat er de komende dagen zal gebeuren met de geluidsnormen. Het is niet altijd hoopgevend.

Ik doe dus een oproep: ‘Ga naar dat VGC-college, als bruggenbouwer’ – een titel die u zelf altijd gebruikt. Het is van belang dat het debat wordt gevoerd. Minister-president Bourgeois heeft in het begin, in 2014 eigenlijk, zelf het initiatief genomen om naar de andere ministers-presidenten te gaan. Ik dacht dat hij er toen voor had gekozen om eerst naar minister-president Vervoort te gaan, om overleg te plegen. Ik denk dat dat een goede zaak was. Hij was in 2014 ook symbolisch aanwezig bij de opening van een Vlaams schooltje in Schaarbeek. Ik denk dat minister Crevits dat ook al heeft gedaan. Volgens mij heeft ze in 2015 of 2016 een schooltje in Anderlecht geopend. Dat zijn lovenswaardige initiatieven, die aantonen dat die interesse voor Brussel er bij verschillende partijen in deze coalitie uiteindelijk is. Maar dan moeten we ook de middelen die we hebben, de structuren, ten volle gebruiken om te komen tot betere, efficiëntere en eenvoudigere structuren.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.