U bent hier

De heer Doomst heeft het woord.

Minister, de burgemeester van Geraardsbergen heeft zich wat geroerd. Dat is meestal ook op een zondag. Dat is Guido-dag. (Gelach. Opmerkingen)

Het was zijn bedoeling dat er zou worden geluisterd naar zijn boodschap die vooral ging over het Gemeentefonds. Ik heb ondertussen veel erfenisverhalen meegemaakt en iedereen vindt bij een erfenis dat hij zijn rechtmatig aandeel moet krijgen. Men voelt zich heel snel benadeeld. In deze is het ook een beetje begrijpelijk dat 40 procent van de betrokken erfenis, het Gemeentefonds, gereserveerd wordt voor een deel van de familie en dat de anderen daarin niet meespelen. Het is normaal dat dit leidt tot wrevel en ergernis.

De burgemeester van Geraardsbergen is blij dat de Ronde aan zijn neus passeert, maar hij is niet blij dat de voorafname van het Gemeentefonds ook aan zijn neus passeert. Hij klaagt dit dus aan en professor De Rynck gaat daarmee akkoord. We zitten met een voorbijgestreefd systeem. Daar is wel wat van aan. De criteria zijn welomschreven, maar de betrokken burgemeester dreigt dit bij het Grondwettelijk Hof aan te vechten.

Minister, hebt u met de betrokkene contact gehad? Treedt u hem bij dat er voor een stuk een ongelijkheid is? Ik begrijp dat u zult zeggen dat dit niet overeengekomen is, dat er niet aan wordt gesleuteld en dat u zult vragen wie zal zeggen wie er minder zal krijgen. Bent u echter bereid om daarover gedurende de volgende maanden anticiperend studiewerk te doen?

Minister Homans heeft het woord.

Minister Liesbeth Homans

Mijnheer Doomst, ik heb de nota of het werkstuk van de heer De Padt gelezen, maar ik heb dat niet officieel gekregen. We hebben het zelf opgesnord. Ik heb tijdens de kerstvakantie in de media gelezen dat hij een gesprek wilde. Ik heb nog geen enkele vraag tot overleg gekregen. Het is misschien leuk om in de media allerlei uitspraken te doen, maar dan niets te ondernemen als het erop aankomt. Ik wil gerust een gesprek met de heer De Padt aangaan, maar ik ben geen vragende partij voor een gesprek over een herijking of een herverdeling van het Gemeentefonds. Dit is al regelmatig aan bod gekomen in deze commissie. De verdelingscriteria zijn al vaak onderwerp geweest van gesprek.

Ik ben het er absoluut mee oneens dat er weer wordt beweerd – niet alleen door de heer De Padt, maar ook door andere burgemeesters – dat de verdeling van het Gemeentefonds niet transparant zou zijn. Die is wel transparant. Er is een verschil tussen de criteria die niet duidelijk zouden zijn en het niet eens zijn met de criteria. Dat is een groot verschil. De criteria zijn wel degelijk duidelijk, maar je kan het niet eens zijn met de verdeling. Dat gaat echter niet over de duidelijkheid en de transparantie van de criteria op zich. Ik wil benadrukken dat de criteria wel degelijk transparant zijn. Iedereen kan die ook zien op de webstek van het Agentschap Binnenlands Bestuur. Ze staan er heel duidelijk omschreven.

Het is dus niet juist dat ze niet transparant zijn. Het is ook niet juist dat ze willekeurig zouden zijn. De voorafnames voor de steden – ik kan er niets aan doen dat ik zelf uit een kleine stad in Vlaanderen kom – staan ook duidelijk omschreven. Er zijn criteria met betrekking tot de centrumfunctie, de open ruimte, fiscale armoede. Er zijn ook sociale criteria zoals het aantal sociale woningen op het grondgebied. Dat is allemaal heel duidelijk en transparant omschreven. Ook de keuze van de centrumsteden en de provinciale steden in de ‘voorafnames’ zijn wel degelijk gebaseerd op feitelijkheden en zijn niet met de natte vinger gekozen, zoals werd beweerd in de media. Ze zijn gebaseerd op het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) en de analyse van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) en Belfius zoals die bestonden op het moment dat het Gemeentedecreet tot stand is gekomen.

Ik heb wel begrip voor de opmerking van de burgemeester van Geraardsbergen dat steden en gemeenten en de stedelijke en gemeentelijke contexten evolueren. Dat klopt. Of dit betekent dat een herziening van de huidige verdelingswijze noodzakelijk is, is van een compleet andere orde. Als ik het goed heb begrepen, ging de kritiek vooral over het feit dat er een bedrag per inwoner was berekend. In verschillende kranten heeft men dan gezegd dat die stad of die gemeente zoveel krijgt per inwoner. Dat is natuurlijk geen manier van vergelijken. Los van het Gemeentefonds krijgen ze via andere financieringsstromen middelen binnen. Dit klopt dus langs geen kanten.

Men kijkt voor de voorafnames altijd in de richting van de grotere steden. Allemaal goed en wel, maar aan het begin van het uitbreken van de asielcrisis was de heer De Padt jammer genoeg een van de eerste burgemeesters om te zeggen dat hij geen vluchtelingen wilde opvangen. Als je er enerzijds voor pleit om meer middelen te krijgen vanuit het Gemeentefonds – waar ik geen voorstander van ben – en anderzijds zegt dat je geen verantwoordelijkheid of taak van een stad wilt overnemen omdat je die niet aankan, dan vind ik dat erg jammer, zeker omdat het snel na elkaar is gebeurd.

Ik wil wel een debat over het Gemeentefonds, dat mag altijd, maar, mijnheer Doomst, u hebt zelf verwezen naar het regeerakkoord dat zeer duidelijk is. Ik wil ook meegeven dat het voor mij als minister van Binnenlands Bestuur verdomd moeilijk is om bij elke begrotingsopmaak en bij elke begrotingscontrole de groeivoet van 3,5 procent – wat ongeveer gelijkstaat aan 83 miljoen euro – te handhaven. Elke keer als er naar geld wordt gekeken en als er wordt gevraagd waar kan worden bespaard, komen alle collega’s van de coalitie af met de groeivoet van het Gemeentefonds. Elke keer opnieuw. Er is nog nooit aan geraakt, mijnheer De Loor, en ik kan u geruststellen dat zolang ik minister van Binnenlands Bestuur ben, er niet geraakt zal worden aan de middelen voor het Gemeentefonds of de groeivoet. Het is in budgettair moeilijke tijden heel moeilijk om die groeivoet te kunnen handhaven, maar we doen het. Dat gaat ongeveer in totaliteit over een bedrag van 2,4 miljard euro.

Het regeerakkoord is duidelijk. Er is ook over onderhandeld tijdens de vorming van deze coalitie met de drie partijen dat er niet wordt geraakt aan de criteria, het bedrag of de groeivoet van het Gemeentefonds. We hebben aan het begin van deze legislatuur aan de gemeenten laten weten wat de prognoses waren en welke bedragen ze zouden krijgen, zodat ze die in de meerjarenplanning konden opnemen. Het zou heel onkies zijn dat de Vlaamse overheid na twee derde van het traject ineens zegt dat het maar om te lachen was en dat we ingrijpen op de bedragen. Het is verdomd moeilijk om die 83 miljoen euro elk jaar tweemaal overeind te houden. Ik houd er echter aan vast. Ik zal nooit toegeven. Ik zal geen extra geld krijgen. Dat is een illusie. Ik ben al blij dat ik de groeivoet heb. Bij een herijking of een herverdeling krijgt de een iets bij, maar moet de ander iets afgeven. Dan begin je een debat over 308 Vlaamse gemeenten. Nu hebben we een aantal klagers – je kunt dit terecht of onterecht vinden –, maar als we gaan morrelen aan de verdeelsleutel, aan de criteria en aan de bedragen, dan zullen we nog veel meer gemeenten horen klagen omdat ze iets moeten afgeven. Dat is niet billijk en gaat in tegen het regeerakkoord.

Ik heb ook gelezen dat men naar het Grondwettelijk Hof wil stappen. Het decreet dat het Gemeentefonds regelt, dateert van 2002. Ik ben geen jurist, maar volgens mij is de termijn allang vervallen. Misschien wilt men tegen een ander decreet naar het Grondwettelijk Hof stappen, maar dan wil ik er toch wel op wijzen, gelet op het feit dat de heer De Padt behoort tot een van de coalitiepartijen, dat het desbetreffende decreet – waar ik niet met naam en toenaam naar heb verwezen maar voor wie het wil begrijpen, is het duidelijk –, kamerbreed is goedgekeurd in dit Vlaams Parlement.

De heer Doomst heeft het woord.

Minister, ik heb er natuurlijk niet voor gepleit om rechtsomkeer te maken. Dat doet men alleen in Brussel in de tunnels. Dat was niet de bedoeling van mijn vraag. Ik heb in de kerstperiode waar iedereen met budgetten bezig was geen enkel lokaal bestuur horen zeggen dat ze er niet geraken. Dat betekent dus wel dat er veel lokale beheerskracht is en dat we met de 3,5 procent soelaas hebben geboden aan de situatie. Iedereen bekijkt het natuurlijk vooral vanuit zijn eigen gemeentelijke bankrekening. Dat gaat zo.

Ik denk wel dat ze een punt hebben dat we met een verouderd model bezig zijn.

Zoals u zelf gezegd hebt, zijn er heel wat bewegingen. We rijden met een model van 20 of 25 jaar geleden. Het is wellicht tijd om dat op termijn eens te herbekijken. Het Autosalon is bezig. Je hoeft niet te kopen, maar inlichtingen vragen is altijd goed om te kijken hoe dat model verbeterd kan worden. De suggestie was om daar de komende maanden al voorbereidend werk te doen en dat eventueel met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten eens te bekijken.

We waren trouwens in Namen met de collega’s van de verschillende deelparlementen. Ook daar was dat een van de bedenkingen.

De heer Dochy heeft het woord.

Minister, natuurlijk zijn de lokale besturen verheugd over de inzet en het engagement om de groeivoet van 3,5 procent, die verankerd is in het regeerakkoord, te handhaven. Die 3,5 procent is wel niet in hoofde van het lokale bestuur, maar in hoofde van de totale pot van het Gemeentefonds. Wat het effect is voor elke stad of gemeente, is afhankelijk van hoe de criteria in elkaar zitten.

Ik wil nog twee elementen toevoegen. We moeten voorzichtig zijn met het veralgemenen van de situatie van Geraardsbergen. Als Geraardsbergen geen verantwoordelijkheid neemt in het kader van de vluchtelingenproblematiek, is dat de verantwoordelijkheid van de lokale bestuurders aldaar, maar er zijn veel andere steden en gemeenten die wel hun taak opgenomen hebben, ook al krijgen ze geen groot stuk uit het Gemeentefonds en voldoen ze niet aan de normen om centrumstad of provinciale stad te zijn en werken ze zonder die extra middelen voort.

Kort voor de jaarwisseling heb ik vastgesteld dat we in het parlement op een vrij vlotte en snelle manier, zonder bespreking in de commissie, geconfronteerd zijn met een aanpassing van het decreet met betrekking tot het Gemeentefonds. Als het bevolkingsaantal van de stad Leuven boven de honderdduizend inwoners komt, leidt dat tot een verhoging van de middelen voor die stad met 6,7 miljoen euro. Als het klopt wat u daarnet zei, zou dat betekenen dat dat ten koste is van andere steden en gemeenten – tenzij u hier zegt dat het budget wel verhoogd zal worden. Het is evident dat dit vragen oproept bij andere gemeenten, zeker bij centrumsteden of kleine provinciale steden: hoe is het mogelijk dat er vanwege enkele tientallen inwoners meer, plots een dergelijk groot extra budget aan die stad gegeven wordt? Het is hun gegund, maar mij gaat het om het principe. Het is blijkbaar toch mogelijk om uit de algemene middelen 6,7 miljoen euro vrij te maken.

Wat tot slot de ogen uitsteekt bij de bestuurders van de gewone steden en gemeenten, is het bericht dat verspreid is – u zult weten of het waar is of niet – dat men in Antwerpen voor alle personeelsleden in een iPhone 7 voorzag. Men zei er zelfs bij dat die mensen die telefoon niet permanent bij zich moeten hebben. In het weekend hoeven ze hem niet op te nemen. Eigenlijk is het gewoon een geschenk. Er zijn noden in Antwerpen, minister, maar als dat de noden zijn, en als het geld van het Gemeentefonds, die 1200 euro die daar meer gegeven wordt dan in de gemiddelde landelijke gemeente, daarvoor gebruikt wordt, dan krijgen wij een draaierig gevoel in onze maag. In West-Vlaanderen zeggen we: dat is geld breken met hamers. Dat kan ook niet de bedoeling zijn.

De heer De Loor heeft het woord.

Minister, ik schrik er toch van dat u zegt dat bij het opstellen van de budgetten uw collega-ministers elk jaar opnieuw willen raken aan de groeivoet van het Gemeentefonds van 3,5 procent. Ik neem daar nota van.

Burgemeester De Padt heeft de verdelingscriteria van het Gemeentefonds op de korrel genomen en in vraag gesteld. Ik zie dat meer als een noodkreet over de financiële situatie van steden en gemeenten. Ik stel ook vast dat burgemeester De Padt daar niet alleen mee staat. Anderhalf jaar geleden was er de open brief van 48 burgemeesters over de financiële situatie van de steden en gemeenten. De VVSG heeft ook al een aantal keren aan de alarmbel getrokken. En het moet gezegd, minister: zowel u als de voltallige Vlaamse Regering maakt het de lokale besturen ook niet gemakkelijk op dat vlak. Ik denk aan de afschaffing van de compensatie voor materieel en outillage, de besparingen en de niet-indexering van de sectorale subsidies, de regularisatie van de gesubsidieerde contractuelen (gesco’s). En vanaf 2017 is er dus ook de volle impact van de taxshift op de lokale financiën.

Er is in deze commissie en in de plenaire vergadering al een aantal keer verwezen naar het onderzoek van de VVSG op basis van de DIBISS-cijfers (Dienst voor de Bijzondere Socialezekerheidsstelsels), dat aangeeft dat de groeivoet van 3,5 procent volledig opgaat aan de financiering van de pensioenen van de statutaire ambtenaren. U gaf aan dat dat altijd goed is voor een bedrag van 82 of 83 miljoen euro, maar als je weet dat dat naar de pensioenen van de statutaire medewerkers gaat, biedt dat geen extra ruimte om nog bijkomend of vernieuwend beleid te voeren. Ik zie het dus veeleer als een noodkreet van een aantal instanties en burgemeesters.

Minister, ik wil u nogmaals vragen om uw rol op te nemen als belangenbehartiger van de lokale besturen en de steden en gemeenten, en om samen met de lokale besturen, met uw federale collega’s en met de VVSG een oplossing te vinden voor de financiën. Ik benadruk het woordje ‘samen’, want ik leg niet alles in uw mandje. Het is het gemeentelijke niveau dat het dichtst bij de inwoners staat en dat het meeste vertrouwen geniet bij de Vlaming. Ik vind het dan ook superbelangrijk dat wij dat vertrouwen kunnen waarmaken. Ik kijk dan naar u, minister, als belangenbehartiger van steden en gemeenten, om samen met de instanties die ik daarnet genoemd heb, naar oplossing te zoeken voor de toekomst.

Mevrouw Sminate heeft het woord.

Collega Doomst, ik begrijp de frustratie die aan de basis van deze vraag ligt. Ik zit in hetzelfde schuitje als u. Maar het is ook zo dat de laatste tijd heel veel collega’s zich geroepen voelen om over de criteria te klagen, maar dat heel weinig collega’s dan ook zeggen wie er dan minder moet krijgen, want daar komt het uiteindelijk wel op neer. Dat is ook de reden waarom er vandaag geen enkel concreet voorstel wordt gedaan om tot nieuwe criteria te komen. We moeten dat ook durven toe te geven, dat nieuwe criteria er enkel zullen komen op het moment dat er meer budgettaire ruimte is. En ik heb niet het idee dat die er op heel korte termijn zal komen.

Wij hebben allemaal onze meerjarenplanning gemaakt op basis van de verdelingscriteria die er in 2013 waren, plus die 3,5 procent. Als je daar nu aan gaat sleutelen, zullen de gemeenten die rijkelijk bedeeld waren, naar extra inkomsten moeten zoeken. Ik denk niet dat dat op dit moment wenselijk is.

Als u zegt dat dat bij de vorming van een nieuwe regering opnieuw op tafel moet komen, dan ben ik uw bondgenoot.

De heer Meremans heeft het woord.

Ik heb ook al gereageerd via de regionale visuele pers. Ik heb vooral moeite met de timing. We zijn bijna aan het einde van de legislatuur van de gemeenten – ik ken de streek en de stad Geraardsbergen en haar toestand goed –, en plots lees ik dat de burgemeester zegt: ‘Ik zou ook wel een boeiende stad kunnen zijn, maar ik krijg te weinig geld van de overheid.’

Dat is toch wat kort door de bocht. Je zou kunnen vragen, los van het Gemeentefonds, hoeveel Vlaanderen investeert in je gemeente via wegenwerken, via de herwaardering van stuwen en sluizen op de Dender. Een andere gemeente kan dan zeggen: kijk eens aan, daar investeert Vlaanderen zoveel, en hier maar zo weinig. Dat kun je ook in rekening brengen. Dan ben je ook vertrokken.

Op het einde van de legislatuur ziet men bepaalde dingen komen, men ziet wat men wel en niet kan realiseren, en dan zegt men dat het de schuld is van Vlaanderen. Men heeft nog geen contact met de minister opgenomen omdat men op zoek is naar andere gemeenten die men aanschrijft, in de hoop zich samen met ons tegen die andere gemeenten te keren. Want men zegt heel duidelijk dat die en die gemeente te veel krijgt. Als je dat wilt aanpakken, doe je dat eerst bij de vorming van de Vlaamse Regering. Het komt eerst in een partijprogramma, maar dan moet je wel man en paard noemen en zeggen hoe je het wilt verdelen. Je kunt een euro maar een keer uitgeven.

Als het een signaal zou zijn, dan geef je een signaal. Nu moet de bevolking blijkbaar meebetalen voor advocaten die een rechtszaak moeten aanspannen. Of dat allemaal goed bestuur is, laat ik voor de mening van de toehoorders.

Het is al te gemakkelijk om te zeggen dat het slecht gaat met je gemeente, maar als lokale overheid kun je veel doen. Je kunt investeringen aantrekken, je kunt tweeverdieners aantrekken, er zijn veel mogelijkheden. Daarom is het tijdstip nogal verdacht. In mijn eigen stad leeft dat ook. Dendermonde vraagt: ‘Waarom zijn wij geen centrumstad?’ Dan openen we die discussie ook weer. Als je daar wilt aan morrelen, mij niet gelaten, maar dan moet je het doen bij het begin van een legislatuur en niet op het einde.

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Minister, naar aanleiding van de media-aandacht voor een verklaring van de burgemeester van Geraardsbergen bevinden er zich verschillende steden in een precaire financiële situatie. Dan wordt er nogal vlug gegrepen naar de middelen die men van de hogere overheden krijgt. In veel gevallen zal het wel zo zijn dat verschillende steden zich benadeeld voelen ten opzichte van andere steden. Dat is een zeer complex gegeven. Er zijn tal van studies gemaakt door universiteiten en allerhande instellingen om te proberen daar een objectieve studie van te maken, hoe moeilijk dat ook is. Tot dusver zijn nog niet velen daarin geslaagd. Ik zit meer dan tien jaar in deze commissie, en al die tijd is er sprake van om te komen tot een meer objectieve verdeling van die middelen van het Gemeentefonds.

Dat zal het voorwerp moeten uitmaken van een politiek signaal in het volgende regeerakkoord, maar er zal ook een actualisatie moeten komen van de verdeling van de middelen van het Gemeentefonds. Het is in zekere mate achterhaald. We moeten de tijd nemen om over te gaan tot een goede, objectieve studie om aan het politieke niveau voor te leggen. Dat zal moeten gebeuren in de volgende legislatuur. De tijd is nu niet meer voorhanden. We zullen moeten komen tot een herijking of een objectivering van de verdeling van de middelen van het Gemeentefonds. Daaraan moet een objectieve studie ten grondslag liggen, zodat de politieke overheden zich erover kunnen buigen.

Die middelen zijn hoe dan ook voor actualisering vatbaar. Wat we nu al zovele jaren kennen, is niet meer van deze tijd. Er zijn zoveel omstandigheden gewijzigd, niet alleen met betrekking tot de veiligheid – ik geef maar dat voorbeeld – maar ook tot tal van andere elementen. Minister, ik wil u vragen om daar nu al werk van te maken, zodat er al enkele studies kunnen plaatsgrijpen en we binnen afzienbare tijd kunnen overgaan tot de actualisering van de verdeling van de middelen van het Gemeentefonds. Dat zal hoogstwaarschijnlijk in de volgende legislatuur zijn – en het kan maar best in het begin van de legislatuur zijn.

Minister Homans heeft het woord.

Minister Liesbeth Homans

Voorzitter, er zijn heel veel tussenkomsten, maar ik ben, denk ik, redelijk duidelijk en ferm geweest in mijn antwoord. Een herijking of herverdeling van het Gemeentefonds zal er niet komen. Het regeerakkoord is daarover zeer duidelijk. Mijnheer De Meulemeester, over volgende legislaturen spreek ik mij natuurlijk niet uit. U hebt daar ook niet voor gepleit.

Voorzitter, ik heb hier heel veel collega’s van lokale besturen – kleine gemeenten, grote gemeenten en zelfs een stad – horen spreken. Maar men kan niet om lusten vragen zonder er enkele lasten te willen bijnemen.

De heer Doomst heeft het woord.

Wat bepaalde collega’s zeggen, klopt: het eindigt natuurlijk altijd bij ‘Heb ik meer of heb ik minder?’ Maar de vraag moet hier, op dit forum, toch wel zijn: is het ‘just’ of ‘nie just’? Dat is wat we willen aanbrengen.

Ik wil maar zeggen: het is geen tussendoortje of vieruurtje, maar een viergangenmenu. Daar moet je werkelijk op tijd weten welke kok en welke keuken er is. Ik heb altijd geleerd dat de beste producten op de vroegmarkt te krijgen zijn. Je moet er op tijd bij zijn. Daarom vraag ik het niet te laten verslensen. Laat ons zo snel mogelijk voorbereiden om dan de oefening te doen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.