U bent hier

Commissievergadering

donderdag 19 januari 2017, 10.18u

Voorzitter
De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, ik heb een vraag over de niet-bindende toelatingsproef voor de lerarenopleiding.

Dit academiejaar hebben ongeveer zesduizend eerstejaarsstudenten, die dus al in het eerste jaar lerarenopleiding zitten, deelgenomen aan de eerste testafname van de niet-bindende toelatingsproef zoals deze in het regeerakkoord is opgenomen. Deze niet-bindende toelatingsproef is ingeschreven om kandidaat-studenten een beeld te kunnen geven van hun startcompetenties in de lerarenopleiding, uiteraard gekoppeld aan de ambities van deze meerderheid om het beroep dat cruciaal is in onderwijs, zijnde dat van leraar, opnieuw inhoudelijk te versterken. Ik herhaal nog eens: een leraar beïnvloedt in zijn carrière duizend leerlingen. Dus laat ons alsjeblieft zorgen dat mensen met de nodige en juiste startcompetenties beginnen aan de lerarenopleiding.

De studenten werden getest op hun vaardigheden Nederlands en hun motivatie en studievaardigheden. Dat gebeurde bij alle studenten in de lerarenopleiding. De studenten lager onderwijs kregen daarbij ook nog testen voor wiskunde en Frans voorgeschoteld.

Uit de cijfers die de Vlaamse Hogescholenraad (VLHORA) in een persbericht vrijgaf, blijkt dat 70 procent een voldoende score haalt voor Nederlands, 50 procent behaalt een voldoende score voor Frans en 65 procent behaalt een voldoende score voor wiskunde. Uit een bevraging nadien bij de studenten blijkt dat 80 procent onder hen de niet-bindende toelatingsproef nuttig en zinvol vond en ook daadwerkelijk aan de slag gaat met de resultaten; dat wil zeggen: een begeleidingstraject volgen om de tekorten bij te spijkeren. Dat is het opzet: wie een onvoldoende haalt op de niet-bindende toelatingsproef wordt geacht om in begeleiding te gaan.

In een eerste reactie gaf u, minister, al aan dat de toets een positief instrument is voor jongeren die daarmee de boodschap krijgen hun vaardigheden nog wat bij te spijkeren. Dat is nu inderdaad het geval, want nu is hij afgenomen bij degenen die ingeschreven zijn, als test. De niet-bindende toelatingsproef zal worden afgenomen vóór men start met de opleiding.

Minister, had u deze resultaten verwacht? Zullen de resultaten van de niet-bindende toelatingsproef worden vergeleken met de resultaten die op het einde van het academiejaar behaald worden om te zien of de test een goede voorspeller is gebleken?

Welke cesuur is gehanteerd voor deze test en de verschillende onderdelen? Hoe verhoudt deze cesuur zich tegenover de eindtermen? Hoe verhoudt deze cesuur zich tegenover het Europees Referentiekader (ERK) voor Talen? Dat lijkt mij niet onbelangrijk voor het Nederlands.

Wat is de stand van zaken betreffende de hervorming van de lerarenopleiding? Ik breng nog even in herinnering: het versterken van de vakkennis, de vakdidactische vaardigheden en het klasmanagement.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik heb weinig emoties bij die resultaten. Het is niet de bedoeling om mijn emoties daarrond publiek te maken. Het is een eerste afname van die toets. We hebben het hier uitgebreid gehad over ‘wat zijn testgroepen?’. Ik ga daar nu niet nog eens uitgebreid op in betreffende: wie is getest en waar leggen we de lat?

Ik kan wel zeggen dat vooral Frans, een onderdeel van de instapproef voor de studenten bachelor lager onderwijs, een groot struikelblok blijkt te zijn voor de beginnende studenten. Dat is zeker een van de vaststellingen.

Wat me zeer blij maakt – en daar mag ik een emotie aan hechten –, is dat uit de enquête onder de deelnemende studenten blijkt dat ze tevreden zijn dat ze dat gedaan hebben, en dat heel velen van hen zeggen dat ze met die resultaten aan de slag willen. Dat is natuurlijk de bedoeling: dat ze weten waar hun knelpunten zitten.

Wat ga ik doen op het einde van het academiejaar? Ja, collega, goede suggestie. Het is inderdaad de bedoeling om de studieresultaten van de deelnemers aan de instaptoets voor lerarenopleiding te gaan analyseren. Anders zou het een beetje jammer zijn om die af te nemen. We hebben validaties nodig van de competenties, zoals we dat bij Columbus doen. We moeten de resultaten kennen van het einde van het jaar om die te vergelijken. Is daar een link en is dat geloofwaardig?

De analyse kan uiteraard maar gebeuren als hiervoor de nodige gegevens beschikbaar zijn in de databank hoger onderwijs. Dat is het geval in de maand oktober, als het academiejaar voorbij is. Dit deel van de analyse gebeurt door de VLHORA, en dat zal in december van dit jaar zijn. Wij moeten machtiging krijgen van de Vlaamse Toezichtcommissie om de instaptoetsdatabank met de resultatendatabank te kunnen koppelen.

Er is geen sprake van al dan niet slagen. Het is niet de bedoeling dat de kwantiteit van de instroom via de instaptoets wordt bepaald. We willen de instroom wel kwalitatief zetten door studenten een indicatie te geven van de zin van de studiekeuze.

Voor Nederlands en wiskunde wordt feedback gegeven in kwartielen. Binnen de categorie A zijn de scores van de eerste 25 procent van de studenten uit het testpubliek, een B staat voor een resultaat tussen 26 en 50 procent enzovoort. De kwartielen waren dit jaar berekend op basis van een testpubliek dat we al gehad hadden van een representatieve steekproef bij de laatstejaarsstudenten van het secundair onderwijs. Er was een pretest, dan kwartielen, en dan krijgt men het resultaat.

Volgend jaar worden ze gebaseerd op de resultaten van de zesduizend studenten die dit jaar hebben deelgenomen aan de instapproef. Bij A zeggen we dat ze in de test de startcompetenties gehaald hebben, naarmate een lagere scorecategorie wordt sterk op remediëring aangedrongen. De feedbackcategorieën van de instaptoets Frans zijn door middel van een cesuurbepaling gelinkt, zoals u zelf suggereert, mijnheer Daniëls, aan het Europees referentiekader voor moderne vreemde talen, dat is ERK-niveau A0 tot en met B2. De feedback van de studievaardigheden en de motivatietest is gebaseerd op het LEMO-onderzoek (kenmerken van leren en motivatie).

De huidige groep aankomende studenten heeft iets beter gepresteerd dan de pretestgroep. Volgend jaar zullen de feedbackcategorieën gebaseerd worden op de resultaten van de zesduizend studenten die nu de toets hebben afgelegd, wat betekent dat de feedbackcategorieën strenger afgesteld zullen staan omdat de resultaten nu iets beter waren.

Wat de lerarenopleiding betreft, weet u dat er een aantal werkgroepen aan de slag zijn. Die zijn op dit ogenblik de adviezen aan het finaliseren. Ik verwacht die binnen de komende weken en dan zullen we heel actief werk kunnen maken van de krijtlijnen voor de verdere hervorming, die ik zeker voor het zomerreces wil afronden.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, de VLOHRA gaat die analyse maken tegen december van dit jaar. Dat is eind 2017 pas? (Instemming)

Oké, het kan niet anders, ze hebben pas in september alle data.

Dat is nog vrij lang, want ondertussen zit daar nog een cohort tussen. (Opmerkingen van minister Hilde Crevits)

Minister, u kunt niet anders, dat klopt. Men zou natuurlijk tussentijds kunnen werken. We zouden de resultaten van januari kunnen bekijken. Dat moet wel mogelijk zijn.

U spreekt over Frans ERK, van A0 tot B2. Ik ben heel geïnteresseerd in de verdeling van de studenten over de verschillende niveaus ERK. Er is ook een test wiskunde afgenomen. Ik heb niet gehoord welke cesuur daarvoor is gebruikt. Van het Nederlands vraag ik me af of het een test is op basis van voorafbepaalde doelen, wat normaal is, dan wel of het een relatieve test is. U zei dat het een meting is in kwartielen van de bereikte resultaten, maar niet bij een normale verdeling van studenten die hebben deelgenomen, die dan scoren a rato van de medestudenten. Dat is wel vreemd. Bij een niet-bindende toelatingsproef zet je een norm. Vanaf die norm kun je ervan uitgaan dat een student slaagt en dus dat je al of niet begeleiding moet geven. Maar als het een relatieve verhouding is van de kwaliteit en de score van de medestudenten, dan krijg je wel een ander verhaal. Je moet veel sneller in begeleiding als er veel sterke medestudenten deelnemen, of je moet minder snel in begeleiding. Minister, ik veronderstel dat u straks uitlegt hoe we dat moeten begrijpen.

Minister, ik ben ook blij dat u mijn suggestie meeneemt om de tests te vergelijken met wat op het einde van het academiejaar wordt gehaald. Ik wil toch toevoegen dat de huidige instroom waarop we ons hebben gebaseerd, niet onze normgroep is. Op mijn schriftelijke vraag 380 hebt u duidelijk geantwoord wat de slaagpercentages zijn, en die dalen. Als we de huidige groep als norm nemen, dan zeggen we dat we dat niveau willen bereiken. Ik dacht dat we een hoger niveau als insteek willen. Ik vraag dus dat we de normgroep die we nu hebben, niet nemen als norm, maar wel de verwijzing naar de eindtermen.

Ik schrik niet van de resultaten van Frans. Uit de laatste peilingsproeven bleek dat slechts 25 procent van de leerlingen uit het secundair onderwijs een eenvoudige tekst in het Frans konden begrijpen. Ik vraag om de resultaten van de toelatingsproef te koppelen aan de peilingsproeven die we hebben op populatieniveau. Dat maakt dat we een duidelijker zicht hebben op wie er instroomt in de lerarenopleiding en hoe zich dat verhoudt tot de normen die we stellen.

Het is juist, dit is een kwalitatieve test. Het gaat er niet over of we meer of minder studenten willen, het gaat erover dat we de juiste profielen willen. Dan volgt de vraag: krijgen we ze met begeleiding waar we ze willen krijgen? Die vraag zal ik in de toekomst opnieuw stellen. Sommige hogescholen zeggen dat we moeten opletten dat we niet onze eigen begeleiding evalueren op het einde van de rit, maar wel dat de student in kwestie de normen haalt die we stellen.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, dit is een heel interessant en belangrijk dossier. Om het te kunnen evalueren is er tijd nodig, want je moet cohortes kunnen volgen en zien welke resultaten er effectief worden geboekt tijdens de opleiding. Dat is dus helaas een werk van lange adem, maar het kan niet anders, want anders is het geen degelijk werk. Dat kunnen we ons niet veroorloven.

Minister, u hebt gezegd dat naarmate de prestaties lager zijn, er sterker wordt ingezet op remediëring. U had het over de verschillende kwartielen. Het hoogste kwartiel is klaar voor de opleiding. Ik neem aan dat er dan nog een kwartiel is waar je kunt werken op de remediëring. Ik wil ook graag horen of het onderste kwartiel en misschien dat erboven niet geschikt is, maar beter iets anders doet. Ik vrees dat de hogescholen zich verplicht zullen voelen om in te zetten op de remediëring van iedereen, maar dat is niet haalbaar. Ik heb het dan niet alleen over het niet behalen van cijfers voor Frans, maar ook en vooral voor Nederlands.

Wat de cesuur betreft, dat kon ik even niet zo goed volgen toen het ging over ERK van A0 tot B2. Waar lag de cesuur voor de tests? Is het B2? B2 gaat over de hoofdgedachten van een ingewikkelde tekst, concrete en abstracte onderwerpen, technische besprekingen in een vakgebied, spontaan reageren, normale uitwisseling met moedertaalsprekers mogelijk zonder dat het een inspanning vergt: dat lijkt al vrij ambitieus te zijn.

Als de heer Daniëls aangeeft dat slechts 25 procent van de leerlingen een eenvoudige tekst kan begrijpen, dat is niveau B1. De bevindingen met betrekking tot de testresultaten voor Frans moeten worden meegenomen als we spreken over de hervorming van de lerarenopleiding. We willen wel degelijk een verhoogde instroom. We hebben een grote instroom nodig in de lerarenopleiding. We willen vooral een verhoging van de kwaliteit van de instroom, daar is het ons om te doen. Kwantitatief misschien ook, minister, want het aantal studenten dat nu instroomt, ligt niet zo hoog. In bepaalde regio's zullen er wel noden zijn in de komende jaren, als je kijkt naar de pensioneringscijfers van de VDAB.

We hebben een instroom nodig, alleen moet die kwaliteitsvol zijn en moeten we nadenken over het vak Frans in de lerarenopleiding voor het lager onderwijs.

Als u over de Nederlandse taal meer informatie hebt, dan wil ik dat ook graag horen.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, er is al bijzonder veel gezegd, waardoor ik het bijzonder kort ga houden. De zorg voor kwaliteit van de lerarenopleiding delen we allemaal, collega’s. Daarom is het belangrijk dat mensen met een goed, correct profiel aan de opleiding beginnen. Maar collega Brusseel heeft gelijk wanneer ze zegt: en liefst ook voldoende in aantal, gezien de pensioneringsbeweging onder de leerkrachten.

We kijken met heel veel belangstelling uit naar de evaluatie die u aankondigt voor dit najaar en we hopen dat die ons ook ter beschikking zal worden gesteld.

Minister Hilde Crevits

Wilt u dat graag via een schriftelijke vraag waarin ik dat aankondig of liever zo? (Gelach)

Jos De Meyer (CD&V)

Wat u het liefst hebt, zodat we zo efficiënt mogelijk worden geholpen. We kunnen soepel zijn in die zaken, als we maar snel de resultaten krijgen. (Gelach)

Ik wil er toch nog even op wijzen dat er ook een enquête is geweest. Uit uw eerdere antwoorden heb ik begrepen dat de meeste deelnemers effectief achteraf hebben aangegeven dat ze de resultaten ernstig nemen. Dat wijst erop dat mensen met een zeer goed profiel effectief in de lerarenopleiding zijn gestart. Dat is een belangrijk element.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik wil het volgende voorstel doen. We zijn hier met vragen om uitleg bezig en ik ken ook niet alle antwoorden op technische vragen die zijn gesteld. Gelet op de interesse die er is, vind ik het nuttig dat de mensen die de proef hebben ontwikkeld, gewoon eens naar hier komen en uitleg geven over de niveaus. We hoeven daarvoor zeker niet tot na de evaluatie wachten, dat kan al de komende weken. Het heeft ook niets met een evaluatie te maken, integendeel, het kan zelfs nuttige info opleveren voor het verder uitrollen van de tests.

Vandaag behaalt 50 procent van de jongeren die starten, het diploma niet. Dat zijn zeer hoge uitvalcijfers in de lerarenopleiding. Als nu de helft uitvalt, moeten we dus goed kijken wie wel doorstroomt. Nagaan wie er door het eerste jaar geraakt, lijkt me bijzonder nuttig en relevant. Ik ben er niet zo’n fan van om dat in januari al tussentijds te bekijken. Een remediëringstraject neemt wel een beetje meer tijd in beslag dan drie maanden. Voor mij is januari dus een beetje snel. Ik zou mikken op het einde van het jaar. Wel kunnen we interessante extra suggesties meenemen. Waar ligt de lat? Op welke manier bepalen we dat? Wat is de norm? Misschien moeten we nog eens de vraag om uitleg over de samenstelling van de preselectiegroep bekijken die ik in het verleden heb beantwoord.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, ik denk dat het inderdaad goed is een hoorzitting te organiseren, zodat we toelichting, maar ook een overzicht van de volledige data kunnen krijgen. Dat geeft ons ook inzicht in de testitems, en dat is niet onbelangrijk om er vanuit het parlement verder op te kunnen werken.

De slaagcijfers zijn de afgelopen jaren van tegen 50 procent naar 45,13 procent gedaald. De instroom vanuit het aso is van 49 procent naar ongeveer 44 procent gegaan, en we zien een sterke stijging van leerlingen van het bso in de lerarenopleiding. Vandaar ook mijn vraag om met andere zaken te koppelen. Het is niet onbelangrijk om die twee met elkaar te vergelijken, temeer ook omdat er inderdaad een spanningsveld bestaat. Onze fractie ontkent dat niet. We hebben genoeg leerkrachten nodig, maar we hebben er ook goede nodig. Het is niet een kwestie van mensen voor de klas te hebben en dan tevreden te zijn. We moeten de goede en juiste mensen in de lerarenopleiding hebben. En we moeten ook zorgen dat die lerarenopleiding opnieuw aantrekkelijk wordt, zodat mensen op de vraag wat ze gaan studeren, opnieuw trots durven te antwoorden dat ze de lerarenopleiding gaan volgen. Ik verwijs hierbij naar de vraag van daarnet over het ziekteverzuim. Dat leraren overal het verwijt krijgen dat ze meer ziek zijn, is geen goede zaak.

We moeten er ook voor zorgen dat we coherent en duidelijk zijn in ons woordgebruik. Instaptoets, instapproef, oriënteringsproef: het wordt allemaal maar door elkaar gebruikt. Het is een niet-bindende toelatingsproef en we moeten dat ook zo blijven noemen. Anders krijgen we een en al verwarring. Weet als student maar waarover het dan gaat. Ik roep iedereen dus op het woordgebruik heerlijk helder te houden, en dan zien we verder wanneer we de nodige toelichting hebben gekregen.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.