U bent hier

Commissievergadering

donderdag 19 januari 2017, 10.18u

Voorzitter
van Paul Cordy aan minister Hilde Crevits
676 (2016-2017)
van Björn Anseeuw aan minister Hilde Crevits
677 (2016-2017)
De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord.

Paul Cordy (N-VA)

Minister, uit een grootschalig onderzoek van de Universiteit Antwerpen bij Vlaamse studenten is gebleken dat tot 10 procent van hen stimulerende medicatie en meer concreet methylfenidaat, op de markt onder de merknaam Rilatine, gebruikt als stimulans om de examens door te komen of betere resultaten te halen. Dat studenten middelen gebruiken is natuurlijk niet nieuw, maar wel hebben we nu voor het eerst uitgebreid zicht op hun aantal en de frequentie van hun middelengebruik.

In Het Nieuwsblad van 6 december 2016 werd toxicoloog Jan Tytgat geciteerd: “Het is iets lichaamsvreemds dat studenten bewust innemen om hun concentratie en vermoeidheid te beïnvloeden. Een vorm van doping dus. In een eerlijke wereld zijn die examenresultaten niet terecht.”

We kunnen ons afvragen waarom we ons druk zouden maken om wat individuele studenten doen, maar in bepaalde faculteiten is de druk om een hoge score te behalen zeer groot om richting doctoraat of specialisatie door te stromen. En dan is er sprake van valsspelen indien bepaalde studenten betere resultaten behalen door het gebruik van middelen. We kunnen dan spreken over een vorm van fraude. 

Minister, acht u het nodig dat examenreglementen worden aangescherpt en dat er hierover effectief bepalingen worden opgenomen?

Bent u van plan met de universiteiten een gesprek te voeren om deze vorm van examenfraude aan te pakken en terug te dringen?

Zijn er maatregelen nodig om bij betwistingen over examenresultaten het aspect middelenmisbruik mee in overweging te nemen?

Bent u van plan ten minste ook een bewustmakingscampagne hieromtrent te voeren aan de universiteiten en hogescholen?

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Rilatine is ook een nuttig middel, minister, op voorwaarde dat het correct wordt gebruikt en voor de juiste medische indicatie. Nu blijkt inderdaad dat heel veel studenten het tijdens de blokperiode als pepmiddel gebruiken. Sommigen nemen het om een nachtje door te kunnen blokken, anderen slikken vijf of zes tabletten per dag en dat is eigenlijk wel heel erg veel. Uit de meest recente Vlaamse cijfers uit 2013 blijkt dat 5 procent van de Vlaamse studenten zich wel eens aan een pil Rilatine waagt en dat – nog belangrijker – 3 procent tijdens examenperiodes dagelijks Rilatine slikt. Dat zijn zo’n 7000 studenten, toch een pak volk. Nederlanders zijn over dat soort dingen vaak iets opener en daar geeft 11 procent van de studenten aan dat ze Rilatine slikken zonder dat ze daar een medische indicatie voor hebben. De 3 procent in onze Vlaamse cijfers zou dus wel eens een onderschatting kunnen zijn.

Rilatine is makkelijk te verkrijgen. Je moet er een voorschrift voor hebben, maar er zijn ook wel studenten die nu en dan een pil kunnen opsparen en dan ontstaat natuurlijk een parallelle markt waar studenten gretig gebruik van kunnen maken. Rilatine gebruiken is echter niet zonder gevaar. Wie te veel Rilatine gebruikt, weet niet altijd waaraan zich te verwachten. Sommige mensen worden heel onrustig, anderen krijgen paranoïde gedachten als ze genoeg pillen slikken.

En als het helemaal in de soep draait als je er genoeg slikt, kun je stuiptrekkingen krijgen en kun je zelfs in coma raken. Het is natuurlijk een middel dat op het centrale zenuwstelsel werkt. Dat is niet zonder risico als je het niet op de juiste manier gebruikt.

Hogescholen en universiteiten kunnen voor hun beleid met betrekking tot gezondheidsopvoeding en preventie de sociale toelage gebruiken die ze daarvoor krijgen. Binnen dat sociaal beleid ten aanzien van studenten kunnen ze dan ook inzetten op die problematiek.

Minister, uw goede collega Vandeurzen zegt altijd dat ‘health in alle policies’ is, en wie ben ik om hem tegen te spreken? En dus is mijn eerste vraag of u zelf acties plant voor een probleem dat kennelijk vrij omvangrijk is. Zult u daarvoor samenwerken met de collega-ministers? Hebt u een zicht op de manier waarop hogescholen en universiteiten vandaag inzetten op de strijd tegen middelenmisbruik bij hun studenten?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, bedankt voor deze vraag, die mij ook wel wat bekommert. Ik wil beide vraagstellers expliciet bijtreden in het afkeuren van het misbruik van stimulerende middelen, waaronder Rilatine als pepmiddel voor studenten die dit geneesmiddel helemaal niet nodig hebben. Ik vind dat ‘not done’, want studenten die dat zomaar gebruiken, die bedriegen vooral zichzelf. Wie denkt dat stimulerende middelen ook sneller een diploma zullen opleveren, of je wapenen om later succesvol aan de slag te gaan, die heeft het natuurlijk grondig fout. Door het oneigenlijke gebruik schep je immers een kunstmatige situatie die onmogelijk houdbaar is voor de rest van je leven en je beroepscarrière, en die zelfs schadelijk is op lange termijn. Je verspeelt bovendien de kans om effectief te leren om je te concentreren en om te gaan met stress en onzekerheid. Het schept dus een heel kader dat niet natuurlijk is. Wie denkt te moeten terugvallen op stimulerende middelen, heeft die vaak helemaal niet nodig en houdt vaak zichzelf voor de gek. Dat is nog het ergste, dat je denkt dat je ze nodig hebt, maar dat het in heel veel gevallen totaal onnodig is.

Hoe gaan we daar nu mee om, collega’s? Ik merk dat universiteiten en hogescholen zich terdege bewust zijn van de problematiek. Zij nemen hun taak om studenten te sensibiliseren en te ontraden ook bijzonder ernstig. Ik heb op 30 juni 2016 al op een vraag om uitleg van Jos De Meyer geantwoord dat de hogescholen en de instellingen voor het beleid met betrekking tot gezondheidsopvoeding en -preventie de sociale toelage kunnen aanwenden om ook op dat vlak een sociaal beleid uit te bouwen ten aanzien van de studenten.

Universiteiten en hogescholen hebben wel de autonomie om hun examenreglement zelf vorm te geven. Ze doen dat uiteraard het best met de studenten zelf. Dat is trouwens ook verplicht. Ze kunnen dan ook het best de opportuniteit inschatten om daar sancties aan te koppelen. Er moet natuurlijk nog altijd een causaal verband bewezen worden. Een van de collega’s zei daarnet al dat er ook Rilatine-gebruik is dat volkomen terecht is. Het is een geneesmiddel, dus je kunt niet zomaar zeggen dat het voor iedereen fout is.

Ik heb er geen probleem mee dat men de pistes onderzoekt om dat op te nemen in reglementen, dat het gebruik van stimulerende medicatie verboden wordt als middel om studieprestaties te bevorderen, maar het moet wel bewezen examenfraude zijn en je moet wel alle regels in acht blijven nemen. Ik geloof persoonlijk wel het meest in de preventieve aanpak. Als je het in een examenreglement opneemt, is het curatief, om te sanctioneren. Ik geloof het meest in het preventieve en het echt overtuigen van jongeren dat het niet nodig is om die middelen te gebruiken, tenzij je ze wel nodig hebt op medisch voorschrift.

Ik zal de universiteiten en hogescholen vragen om de problematiek van het gebruik van stimulerende middelen in een examencontext zeer nauwgezet op te volgen en mij op de hoogte te houden. Maar ik denk ook, collega’s, dat de problematiek in de algemene context van middelenmisbruik past, die zich niet beperkt tot de examens alleen. Vele aspecten van het studentenleven houden risico’s in op dat vlak.

Ik heb misschien ook nog nieuws voor jullie, collega’s. Binnenkort beschikken we ook over nieuwe gegevens. Iedereen verwijst nu naar de gegevens van 2013, maar er loopt op dit ogenblik een nieuwe bevragingsronde. De Universiteit Antwerpen rondt op dit ogenblik het onderzoek af over het gebruik van stimulerende medicatie als prestatieverhogend middel bij geneeskundestudenten aan onze vijf universiteiten. Daarnaast is de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD) ook een nieuwe studentenbevraging aan het doen, zodat we over enige tijd een update zullen hebben van de cijfers uit 2013. Het is elementair dat we die ook hebben. Beide onderzoeken zullen ons een nog beter inzicht geven in de problematiek, zodat we, als dat nodig is, ook extra maatregelen kunnen nemen.

Samengevat kan het wat mij betreft dus om naar de examenreglementen te kijken. Sensibiliseren wil en zal ik zeker doen. Ik werk graag samen met collega Vandeurzen, omdat we hier op het snijpunt tussen Welzijn en Onderwijs zitten, waarbij Onderwijs wel in de focus moet komen als kwetsbare doelgroep. En tot slot komt er dus een update van de cijfers, waarmee we hopelijk nog beter aan de slag kunnen.

De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord.

Paul Cordy (N-VA)

Het was niet echt nieuws, minister, want ik had al iets opgevangen over het lopende onderzoek aan de UA.

Uiteraard kunnen we het best preventief werken. Het is beter om te voorkomen en om mensen ervan bewust te maken dat men die middelen niet nodig heeft en ze het best niet gebruikt, omdat de gevolgen ervan ernstig kunnen zijn.

Ik ben blij te horen dat u het als een mogelijkheid ziet om dat op te nemen in het examenreglement. Bij rondvraag bleek dat dat bij de universiteiten eigenlijk nog niet echt op de radar zat. Toen ik de vraag stelde, zei men wel: eigenlijk zouden we dat wel eens moeten bekijken. Een examenreglement is iets dat constant moet worden geüpdatet op basis van mogelijke evoluties in een samenleving. Men moet zich ervan bewust zijn dat ook zoiets kan meespelen en dat men daar rekening mee moet houden.

Uiteraard moet er in de eerste plaats ingezet worden op preventie. Ik denk dat dat de verstandigste boodschap is.

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, bedankt voor uw antwoord. Het verheugt mij dat u het belang onderschrijft van de strijd tegen middelenmisbruik in het algemeen, maar ook bij studenten, en dat u pleit voor een preventieve aanpak. U hebt gelijk als u zegt dat deze problematiek in een algemene problematiek van middelenmisbruik past. Daarom was een van mijn vragen ook op welke manier u wilt gaan samenwerken met uw collega’s. U hebt zelf aangegeven dat het over een raakvlak tussen Welzijn en Onderwijs gaat. Welzijn is hierin zeer belangrijk.

Dat brengt mij bij een andere vraag die ik gesteld heb, namelijk of u zicht hebt op wat er vandaag gebeurt binnen de verschillende hogescholen en universiteiten, onder andere op het vlak van preventieve acties. Zelfs binnen het veld van de drughulpverlening levert men heel veel inspanningen om preventieve acties op touw te zetten, maar het is altijd heel moeilijk om in te schatten wat het effect daarvan is. Al doende leert men, natuurlijk. Ik kan mij dan ook wel inbeelden dat, als elke dienst studentenvoorzieningen binnen een hogeschool of universiteit zelf opnieuw het warm water moet uitvinden, zonder dat die specialiteit in huis is, een nauwe samenwerking met het veld van de hulpverlening voor dit probleem toch wel belangrijk is. Dat is een pleidooi dat ik hier wil houden. Als het gaat over de problematiek van middelenmisbruik, die toch wel groot is, wil ik ervoor pleiten om nauw samen te werken met het veld van de welzijnswerkers en de drughulpverlening, omdat dat sowieso tot meer resultaat zal leiden.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

De eerste zinnen van de minister vond ik bijzonder belangrijk: haar duidelijke stellingname en afwijzing van welke van deze producten ook.

Opname in het examenreglement kan een duidelijke signaalfunctie hebben, maar op het moment dat je moet controleren, wordt het natuurlijk wel eventjes complexer. Daarom wil ik herhalen, zoals ik ook al op 30 juni 2016 gezegd heb, dat preventie het allerbelangrijkste is.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Minister, ik wil dat onderschrijven. Het is niet evident om, wanneer je zaken in een examenreglement opneemt – wat de universiteiten zelf moeten doen –, dat ook na te gaan. Als ze dat per se willen doen, kan dat. Het kan ook een tijdelijke oplossing zijn. Ik geloof veel meer in preventie. Ik denk wel dat men er op het terrein uit zal geraken zonder dat we ingrijpen. Het is interessant dat we deelnemen aan het debat hierover. Ik begrijp de bekommernissen, maar misschien moeten we ook durven te kijken naar de oorzaak van heel het probleem. De zittijden aan de universiteit zijn zeer gespreid en studenten hebben ruim de tijd om zich voor te bereiden en toch grijpen ze naar middelen. Waarom is dat zo? Zou het kunnen dat er concentratieproblemen zijn?

Voorzitter, ik weet dat u ook geïnteresseerd bent in onderzoek naar de werking van het brein. Zou het kunnen dat de evolutie in het gebruik van moderne technologie ervoor gezorgd heeft dat er meer concentratieproblemen zijn? Waar zit de kern van het probleem en welke verantwoordelijkheid kunnen jongeren daar zelf in nemen?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik ben het erover eens dat we vooral moeten inzetten op preventie. Het is uiteraard de bedoeling om met gespecialiseerde diensten samen te werken, maar ik zal dit punt op de agenda zetten van de eerstvolgende vergadering van de Vlaamse Universiteiten en Hogescholen Raad (VLUHR) met de vraag of zij daar mee bezig zijn. Dat hier expertisedeling van belang is, lijkt mij een evidentie. Wat de opname in het examenreglement betreft, dacht ik dat er veel juridische problemen zouden kunnen zijn inzake de bewijslast. Net dit kan ook een preventieve werking hebben als studenten dit lezen en zien dat de instelling daar actief mee omgaat. Als ze merken dat dit niet getolereerd wordt, kan het preventief werken.

De voorzitter

De heer Cordy heeft het woord.

Paul Cordy (N-VA)

Ik sluit mij aan bij die opmerking dat het opnemen in een examenreglement, naast de juridische implicaties, vaak ook een signaalfunctie heeft. Bovendien, mocht het echt verder uit de hand lopen, bestaat de mogelijkheid om maatregelen te treffen. Ik ben blij dat het nauwgezet wordt opgevolgd.

De voorzitter

De heer Anseeuw heeft het woord.

Björn Anseeuw (N-VA)

Minister, ook ik ben tevreden dat u dit actief zult opvolgen, onder andere door de onderwijsinstellingen te bevragen op welke manier ze daarmee bezig zijn. Het is cruciaal om na die oplijsting te kijken wat we daarmee gaan aanvangen. Hogescholen en universiteiten kunnen op een of andere manier toch worden aangezet om nauwer samen te werken met de drughulpverlening, waar heel veel kennis en kunde aanwezig is om dit probleem aan te pakken.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.