U bent hier

De voorzitter

De heer Schiltz heeft het woord.

Op 1 april 2016 trad de vernieuwde kmo-portefeuille in werking. Dit instrument werd op een aantal domeinen aangepast, zodat er een vereenvoudiging kwam van het instrument en de aanvraag van het instrument. Het systeem van de verschillende van elkaar afgescheiden pijlers is verdwenen. Bij de nieuwe kmo-portefeuille zijn er slechts twee pijlers over, namelijk advies en opleiding. Kmo’s kunnen op basis van hun noden en behoeften kiezen hoe ze die portefeuille gebruiken. Vervolgens werden ook de steunplafonds verhoogd en gedifferentieerd naargelang de grootte van de onderneming. Kleine ondernemingen kunnen tot 10.000 euro steun krijgen, middelgrote tot 15.000 euro. Tot slot werd ook het vraaggestuurde karakter van het instrument verhoogd. Dat zijn allemaal goede zaken.

Bij de vorige versie van de kmo-portefeuille hadden de meeste klachten betrekking op de gemiste subsidies. Bedrijven gaven aan dat ze het jammer vonden dat ze geen gebruik hebben kunnen maken van de subsidie omdat die niet tijdig werd aangevraagd of omdat het eigen aandeel niet tijdig werd gestort. Om aan dit laatste te verhelpen, werd de aanvraagprocedure vereenvoudigd. Voortaan kunnen aanvraag en betaling samen gebeuren, en dat is een grote verbetering.

Wat de aanvraagtermijn betreft, is er echter niets veranderd. Het gaat nog altijd over een termijn van 14 dagen na de opleiding, en dat is kort. U werkt heel hard aan de bekendmaking van het instrumentarium bij de bedrijven maar kmo’s zijn heel moeilijk te bereiken en er zijn er ook heel veel. De situatie doet zich dan ook wel eens voor dat iemand in zo’n opleiding terechtkomt en dan van zijn studenten verneemt dat er een kmo-subsidie is voor de opleiding. In zo’n geval is 14 dagen bijzonder kort.

Werknemers hebben wel een maand tijd om een aanvraag in te dienen voor opleidingscheques, bij kmo’s zou het dan maar 14 dagen zijn. Dat is toch een groot verschil. In welke mate is dat verschil nog nuttig en nodig?

Minister, is er sinds de hervorming van 1 april een opvolging van het nieuwe systeem? Komen daar klachten over binnen? Zo ja, wat zijn dan de voornaamste klachten? Komt er een evaluatie van de vernieuwde kmo-portefeuille? Worden nog verdere aanpassingen aan de kmo-portefeuille gepland, en dan heel specifiek met betrekking tot de indieningstermijn?

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Voorzitter, ook ik heb een vraagje over de kmo-portefeuille, toch al sinds jaar en dag de meest succesvolle subsidiemaatregel voor kmo’s en ondernemers in Vlaanderen. Dat is ook na de hervorming zeker zo. Ik had daar een aantal cijfers over opgevraagd bij u, een half jaar na de inwerkingtreding van de hervorming op 1 april. Dit blijkt ook uit de budgetten: ook voor 2016 en 2017 is ongeveer 50 miljoen euro uitgetrokken voor die steunmaatregel. Collega Schiltz heeft net de hervorming zelf nog eens goed geschetst. Dat zal ik hier dus niet doen.

Na een half jaar blijkt dat er toch een aantal positieve zaken te vertellen vallen over die kmo-portefeuille. Meer ondernemers en meer kmo’s hebben steun gekregen in vergelijking met dezelfde periode het jaar voordien. Een kleine kanttekening is dat ze echter wel iets minder steun krijgen voor hun opleiding en vorming in vergelijking met dezelfde periode vorig jaar. Het is dus een goede zaak dat meer bedrijven en ondernemers worden bereikt. Dat is ook logisch, want er is heel wat gecommuniceerd over en campagne gevoerd voor de kmo-portefeuille. Ik denk dat de minister-president in zijn toespraak bij de UNIZO-startreceptie tot zeven keer toe heeft verwezen naar de kmo-portefeuille, om die te promoten. Dat is een goede zaak. Dat is heel positief. Alleen moeten we ervoor zorgen dat de financiële steun, zoals collega Schiltz zei, voldoende aantrekkelijk is, qua procedure, maar ook qua hoogte, om het verschil te maken, ook in de toekomst.

We zien dat die extra middelen voornamelijk naar de adviespijler gaan. De middelen voor het inhuren van consultancy groeien het sterkst, van 2,7 naar 4,3 miljoen euro in die eerste zes maanden. Dat is op zich een goede zaak. Dat die maximumsteun is opgetrokken voor middelgrote bedrijven, ondersteunen we zeker. Vooral middelgrote bedrijven gebruiken het instrument van de kmo-portefeuille meer dan ooit tevoren: er zijn 73 procent meer steunaanvragen voor opleidingsprojecten van middelgrote bedrijven en 50 procent meer steunaanvragen voor advies van die middelgrote bedrijven.

Enkel voor die kleinere ondernemers is de evolutie iets minder rooskleurig. Er zijn wel nog altijd veel steunaanvragen, maar de steunintensiteit is wel wat gezakt. Er wordt 15 procent minder steun gegeven voor opleiding dan voorheen. Toen was dat gemiddeld 355 euro per steundossier, nu nog 308 euro.

We zijn het er allemaal over eens dat opleiding en vorming essentieel zijn in een loopbaan, of dat nu in een zelfstandigenstatuut of in een statuut van ambtenaar of werknemer is. We hebben het daar vorige week nog uitgebreid over gehad. Ondersteuning vanuit de overheid is daarbij een bijzonder belangrijke stimulans. We zien dat werknemers en ambtenaren via de opleidingscheques 50 procent steun krijgen voor hun opleidingsinspanningen. Voor zelfstandigen en ondernemers is dat nu gezakt naar 40 procent. Gelukkig is dat 40 procent en geen 30 procent, zoals initieel vooropgesteld, maar het blijft toch enigszins een discriminatie: zelfstandigen en ondernemers krijgen voor dezelfde opleidingen eigenlijk minder steun dan werknemers en ambtenaren. Op zich is dat toch niet de bedoeling. We willen loopbanen stimuleren. We willen vorming en opleiding in loopbanen stimuleren, en of men dan zelfstandige of werknemer of ambtenaar is, zou eigenlijk geen verschil mogen maken. Misschien is er in het opleidings- en vormingspact dat we vorige week nog bespraken, wel een aanknopingspunt om dat te verhelpen en te bekijken hoe we zelfstandigen op dezelfde manier kunnen ondersteunen als werknemers en ambtenaren, zeker omdat steeds meer mensen in hun loopbaan switchen van statuut: ze zijn even zelfstandige, oefenen even een vrij beroep uit, zijn even ambtenaar, zijn even werknemer. Er zijn dus steeds meer gemengde loopbanen, dus zou het logisch zijn om die ondersteuning voor opleiding en vorming ook eenvormig te maken.

Minister, we steunen dus van harte de vereenvoudiging van de kmo-portefeuille die u hebt ingezet, en ook die actieve campagne waarmee het instrument in de markt wordt gezet, maar we willen toch vragen om het instrument na een jaar te evalueren, zowel wat de procedure betreft, zoals collega Schiltz daarnet stelde, als wat de effectieve ondersteuning betreft. Voor ons mogen zelfstandigen en ondernemers daarbij niet minder steun krijgen voor hun opleiding en vorming dan werknemers en ambtenaren, zeker als je bekijkt waar we vandaan komen. In 2015 was nog 90 procent van de steundossiers voor de kmo-portefeuille afkomstig van de kleinere ondernemingen en zelfstandigen. Dat was goed voor bijna 40 miljoen euro of 88 procent van de steun. We zien nu dat middelgrote ondernemingen meer steun krijgen. Dat is op zich een goede zaak, maar het mag dus niet ten koste gaan van kleine bedrijven en zelfstandigen.

Minister, hoe evalueert u die eerste maanden van de vernieuwde kmo-portefeuille? Kunt u een update geven van de cijfers en vergelijken met dezelfde periode in de voorgaande jaren? Kunt u de inspanningen inzake opleiding en vorming voor kleine ondernemers en zelfstandigen beter ondersteunen? Kunt u dat eventueel meenemen in de uitvoering van het opleidings- en vormingspact, waar u aan werkt? Wordt er een monitoring uitgevoerd van de gehanteerde prijzen van advies- en consultancybedrijven? Het optrekken van de steunplafonds mag immers niet leiden tot hogere prijzen, maar wel tot meer en beter advies voor onze bedrijven. Dat is de achilleshiel die we in het verleden weleens hebben gezien wat dit instrument betreft.

Hoe wordt de kwaliteit gegarandeerd van de advies- en opleidingsinstanties die erkend zijn in het kader van de kmo-portefeuille? Wordt dat gemonitord? Wordt ter zake op een of andere manier controle georganiseerd?

Er zijn middelen vanuit het diversiteitsbeleid verschoven naar de kmo-portefeuille. Een deel van de gesteunde adviesprojecten zijn inderdaad hr-projecten, maar hebt u er een zicht op of en hoe diversiteit op de werkvloer in die projecten een thema is, en hoe zult u ervoor zorgen dat die middelen daar inderdaad daadwerkelijk voor worden gebruikt? Diversiteitsmiddelen moeten inderdaad voor diversiteitsprojecten worden gebruikt. Dat was toch alleszins uw bedoeling.

Ten gronde, wordt er nog een evaluatie gemaakt van de kmo-portefeuille na een jaar? Wie zal die uitvoeren en aan de hand van welke parameters?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik wil eerst toch even de doelstelling van de kmo-portefeuille naar voren brengen. Ik denk dat we het daarover allemaal altijd eens zijn geweest. Onze bedoeling was dat de intrinsieke kwaliteit van de kmo beter zou worden dankzij het inwinnen van extern advies en het geven van opleidingen aan de medewerkers. Eigenlijk was het de bedoeling om daar zo veel mogelijk kmo’s bij te betrekken. Ik denk niet dat het onze bedoeling was om een belastingvermindering te geven op een alternatieve manier. Dat men op die manier wat minder belastingen moet betalen, kan een bijwerking zijn. Je krijgt op deze manier immers iets terug van je belastinggeld. Dat was echter niet de hoofddoelstelling. Ik denk dat iedereen het daar toch over eens is. Het was belangrijk om dan natuurlijk de evaluatie te maken.

Op basis van die eerste resultaten durf ik te zeggen dat de evaluatie gewoonweg positief is. De vereenvoudiging die we hebben doorgevoerd aan de kmo-portefeuille, heeft er duidelijk toe geleid dat de kmo-portefeuille steeds meer wordt gebruikt. We zijn dus ongetwijfeld geslaagd in onze doelstelling dat meer kmo’s extern advies zouden inwinnen en opleidingen geven aan hun medewerkers. We hebben een mooie stijging van het aantal aanvragen als ik vergelijk met 2015. We bereiken met eenzelfde budget meer kmo’s, wat zorgt voor een grotere hefboom. Het resultaat is dus positief.

Mijnheer Bothuyne, u vroeg ook nieuwe cijfers. Ik zal ze aan de commissiesecretaris bezorgen, maar ik wil er toch een paar geven. Ik heb nu de cijfers van 1 april 2016 tot 31 december 2016. Het eerste dat ik hier vaststel, is dat we voor advies 3054 goedgekeurde dossiers hadden. Dat is een stijging met 644 dossiers tegenover dezelfde periode in 2015. Dat is dus al fantastisch: veel meer kmo’s hebben een adviesaanvraag gedaan. Als ik kijk naar hoe die 644 dossiers verdeeld zijn, dan blijkt dat er 348 meer adviesvragen zijn van bedrijven met 0 tot 5 werknemers. Ik denk dus dat de kleine ondernemingen echt veel meer advies hebben gevraagd. Dat is een heel positieve zaak in dat geheel. Het is zelfs zo dat de bedrijven met 50 tot 250 werknemers slechts goed zijn voor 78 van de 644 bijkomende adviesvragen. U stelde dat we moeten oppassen wat de kleintjes betreft. De kmo’s hebben altijd al meer advies gevraagd, maar uit de absolute cijfers blijkt dat de stijging daar nog eens het grootst is. Natuurlijk is dat procentueel niet zo: als je vroeger maar 1 adviesvraag had, en nu 2, dan is dat een stijging met 100 procent, als u begrijpt wat ik bedoel. Het gemiddelde subsidiebedrag is daar gestegen met 569 euro, tot 2324 euro.

We hebben – houd u vast – van 1 april tot 31 december 84.656 opleidingsondersteuningen van de kmo-portefeuille goedgekeurd. Vergeleken met dezelfde periode in 2015 zijn dat er 18.974 meer. Dus bijna 20.000 meer kmo’s hebben opleidingsondersteuning via de kmo-portefeuille gevraagd. Ik vind dat toch enorm veel, een enorm percentage extra. Simpel gezegd, en om de grootteorde aan te geven: we zijn van 60.000 naar 80.000 gegaan, een mooi resultaat.

Mijnheer Bothuyne, van die stijging met bijna 19.000 gaat het in 8654 gevallen om bedrijven met tussen 0 en 5 werknemers. Opnieuw komt een zeer groot deel van die stijging dus van de kleinste ondernemingen. Bij de bedrijven tussen 50 en 250 werknemers gaat het om slechts 2473 ondersteuningen. Uit de absolute getallen blijkt ook hier zeer duidelijk dat meer kleine ondernemingen een beroep hebben gedaan op de kmo-portefeuille om hun werknemers of zichzelf op te laten leiden, wat een heel goede zaak is.

Ik denk dat daarmee ook wordt aangetoond dat de verlaging van het percentage op zich geen enkel negatief effect heeft gehad, want we kunnen met hetzelfde geld echt bereiken wat we wensen te bereiken, namelijk dat kmo’s meer extern advies vragen en meer opleiding geven in het bedrijf. Dat was toch de doelstelling. Ik ben daar dus heel blij mee.

Wat mij betreft, werkt de huidige formule dus goed. De inspanningen inzake opleiding en vorming voor kleine ondernemers en zelfstandigen blijven we ondersteunen via dit instrument. Ik heb u met de cijfers aangetoond dat een steeds grotere doelgroep dit gebruikt. Mijnheer Schiltz, ik denk dat de vereenvoudiging en het verder bekend maken ter zake zeker hebben meegespeeld.

De kmo-portefeuille valt niet onder de toepassing van het opleidings- en vormingspact van de sociale partners. Het akkoord dat zij hebben gesloten, gaat over de vraaggerichte instrumenten ter ondersteuning van opleiding voor werkenden en werkzoekenden, dus niet die voor werkgevers. De kmo-portefeuille is ook vraaggericht, maar vanuit de kmo’s, en dat zit niet in het akkoord van de sociale partners.

Ik blijf uiteraard waken over de synergieën, maar ik denk dat je altijd moet kijken naar je doelstelling. De doelstelling van de opleiding van een werknemer is dat hij zich ook met het oog op de toekomst zou klaarmaken, niet specifiek voor zijn job. Ik denk dat het hier vorige week tijdens de hoorzitting goed is gezegd door Hans Maertens. Hij zei dat het de bedoeling is van de vraaggestuurde opleidingsportefeuille en de opleidingscheques om ervoor te zorgen dat een werknemer vandaag én morgen zijn afstand tot de arbeidsmarkt zo klein mogelijk houdt, niet specifiek voor een bedrijf, maar specifiek voor zichzelf, met het oog op de arbeidsmarkt van vandaag en morgen. De doelstelling is dus verschillend, en dan kan het ook zijn dat de percentages om mensen ertoe aan te zetten om dat te doen, verschillend zijn. We zullen de 50 procent bij de opleidingscheques echter zeker wel meenemen bij de bespreking van de vraaggerichte ondersteuning voor werknemers. Dat lijkt me duidelijk.

Er werd me ook gevraagd hoever we daarmee staan. Ik denk dat ik vorige week nog heb gezegd dat ik zo snel mogelijk een nota zal voorleggen aan de regering. Ik werk daar heel hard aan, maar eenvoudig is dat niet, ook niet na het akkoord van de sociale partners, omdat niet alles direct is gevat.

U hebt natuurlijk gelijk wat het monitoren van de prijzen betreft. Een voordeel van de nieuwe regeling is dat we daar een eerste goed antwoord op geven met het optrekken van het steunplafond en het verlagen van het steunpercentage. Kmo’s moeten immers 70 of 60 procent van de kosten zelf betalen, en zo responsabiliseren we de kmo’s. Ik denk dat u ook weet dat de kmo’s zelf enorm kritisch staan tegenover onverantwoorde prijzen of prijsstijgingen waarvan zij zelf het grootste stuk moeten dragen. Het is dus niet meer zo dat 50, 60 of soms zelfs 70 procent wordt gedragen door de overheid, waardoor de prijs minder belangrijk werd. Wat we nu hebben gedaan, maakt dat ze veel duidelijker de marktcontrole zelf mee volgen. Naast die marktcontrole gedreven door de kmo’s heb ik in het kader van de prioriteiten voor 2017 ook de opdracht gegeven aan het Agentschap Innoveren & Ondernemen om een voorstel uit te werken over hoe we de jongste technieken op het vlak van data-analyse kunnen inzetten om aan monitoring en fraudebestrijding te doen in de kmo-portefeuille. Dat is een opdracht waar ik nog geen resultaat van heb.

Dan is er de vraag over de kwaliteit. Ik denk dat twee elementen van belang zijn. Enerzijds is er de registratieregeling voor de dienstverleners. Om te worden geregistreerd als dienstverlener voor de kmo-portefeuille moet de kandidaat-dienstverlener een audit doorlopen. Die audit heeft twee elementen: kan men dat organisatorisch aan en heeft men kennis van wat al dan niet kan worden ingediend in het kader van de kmo-portefeuille? Voor alle duidelijkheid, dat is geen beoordeling van de kwaliteit van de cursus. Het gaat over de kwaliteit van de organisator, van de dienstverlening, niet van de cursus.

Voor het borgen van de inhoudelijke kwaliteit zijn we op een andere manier te werk gegaan. Dat verloopt via de continue feedback van klanten en gebruikers. Dat lijkt me een heel goede manier van werken. De huidige applicatie van de kmo-portefeuille bevat een ratingsysteem, waarbij klanten de mogelijkheid hebben om de geleverde prestaties van de dienstverleners te evalueren. Geïnteresseerde klanten kunnen dus ook gaan zoeken naar de dienstverleners die positief geëvalueerd zijn. In het kader van het waarborgen van kwaliteit zal ik de komende jaren ook verder investeren in het uitbouwen van dat matchmaking- en evaluatieonderdeel van de applicatie van de kmo-portefeuille.

Wat het diversiteitsbeleid betreft, het is op basis van de databankgegevens waarover we nu beschikken niet evident om een uitspraak te doen over de effectieve invulling van de verscheidene hr-projecten. Zoals u weet, werkt de kmo-portefeuille als een volautomatisch systeem. Dat is ook een van de grote voordelen: je weet dat, als je het hebt ingediend en je aan de voorwaarden voldoet, er niemand is die nog intervenieert vanuit de administratie. Je krijgt het. We zoeken nog naar een goed evenwicht tussen een administratief eenvoudige procedure qua aanvraag en de noodzaak van inhoudelijke monitoring, zodat we daar toch iets meer over zouden kunnen weten. Vandaag is die inhoudelijke monitoring uitsluitend mogelijk via de vakgebieden die zijn opgenomen in de kmo-portefeuilleapplicatie. Daar is hr-beleid wel als categorie opgenomen, maar er is geen subcategorie specifiek voor evenredige arbeidsdeelname en diversiteit (EAD). Dienstverleners kunnen wel aangeven in welke vakgebieden ze actief zijn. Die vakgebieden zullen worden herbekeken in het kader van de vernieuwing van de zoekmodule voor dienstverleners die ik al aanhaalde. Zo bekijken we of we meer inzicht kunnen krijgen in deelthema’s die binnen hr-projecten aan bod komen. Vandaag kan ik dat dus echter niet.

De vraag naar de klachten lijkt me ook wel belangrijk. U hebt daar allebei naar gevraagd. In 2015 hebben we 23 klachten over de kmo-portefeuille gekregen. Zoals u weet, ging dat toen echter over 98.919 dossiers. In 2016 hebben 22 klachten gekregen, maar dan op 145.000 dossiers. Dat is dus een klachtenpercentage van 0,023 procent vroeger en 0,015 procent nu. Het doet me denken aan een bepaalde renner, met zijn “cero cero”. We krijgen dus eigenlijk toch weinig klachten. Ik denk dat iedereen dat zal erkennen. Als we het aantal klachten bekijken ten opzichte van het aantal ingediende dossiers, dan zit dat goed.

En als je dan bekijkt wat de klachten zijn, blijken die voornamelijk te gaan over de procedure van registratie van een onderneming als dienstverlener en de aanvraagtermijn waarbinnen de steunvraag moet worden ingediend. Maar, mijnheer Schiltz, het gaat dan maar over 22 klachten op 15.000.

Een beleidsevaluatie lijkt mij nu nog te vroeg. Het effect van de bijsturingen zullen we pas begin 2018 echt kunnen evalueren. Dan hebben we een volledig jaar gewerkt, van april tot april, en zijn we aan de evaluatie beginnen. Ik denk dat we binnen anderhalf jaar met een goede evaluatie naar voren kunnen komen.

We moeten een interne kwantitatieve evaluatie doen, waarbij de evolutie van de projectaanvragen wordt bekeken in aantallen, topics, onderverdelingen, advies, opleiding, kleine en middelgrote ondernemingen.

Vandaag zal ik dus geen bijsturingen plannen. Zoals ik heb gezegd in het eerdere antwoord over het aantal klachten, hebben wij met de stroomlijning van de procedure het belangrijkste knelpunt opgelost. In plaats van de termijn te verlengen, hebben we de procedure verkort. Ik denk dat we op die manier een eerste antwoord hebben gegeven.

De voorzitter

Minister, ik dank u voor dit uitgebreid antwoord.

De heer Schiltz heeft het woord.

Minister, uw antwoord is zeer uitvoerig. Met mijn vraag wilde ik zeker niet ontkennen dat de hervormingen goed zijn. In mijn introductie heb ik aangehaald dat het een belangrijke stap voorwaarts is. Ik heb alleen de opmerking gemaakt om het zeker te blijven monitoren.

Wat die termijn betreft, is er inderdaad al een belangrijk aspect opgelost. Mocht nu blijken dat er toch een specifiek aantal bedrijven of specifieke sectoren daarmee moeilijkheden hebben, kunnen we dat in een verder gevolg misschien opnieuw ter discussie stellen.

Ik dank u voor uw antwoord.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Minister, op mijn beurt dank ik u voor uw uitgebreid antwoord. In mijn vraagstelling heb ik al gezegd dat de hervorming van de kmo-portefeuille zeker een succes is en dat er meer bedrijven worden bereikt.

Wat het aandachtspunt rond vorming en opleiding betreft, denk ik dat er een verschil is tussen het instrument kmo-portefeuille, dat de bedoeling heeft om medewerkers van kmo’s en de vorming en opleiding van die kmo’s te gaan ondersteunen en het instrument dat ook wordt gebruikt om zelfstandigen, mensen met een zelfstandig statuut, in hun vorming en opleiding te ondersteunen. Zoals u zei, richt het vormings- en opleidingspact zich op werkenden en werkzoekenden. Nu, zelfstandigen zijn uiteraard ook werkenden en kunnen daar misschien ook mee worden gevat. We moeten minstens eens bekijken of we hen op een gelijkaardige manier kunnen behandelen. Er zijn steeds meer gemengde loopbanen. Het is logisch om mensen in hun loopbaan op een gelijkaardige manier te ondersteunen, los van het statuut waarin ze werken. Er is geen reden om zelfstandigen minder steun te geven dan ambtenaren en werknemers. Het gaat om dezelfde beleidsdoelstelling. Dat neemt niet weg dat het heel positief is dat we meer kmo’s bereiken, die hun werknemers en hun opleiding willen stimuleren.

Dat u een verschil hebt gemaakt in steunpercentages, lijkt mij ook wel een belangrijke reden waarom we die kleine ondernemingen ook bereiken. Het feit dat zij 40 procent ondersteuning krijgen en de middelgrote ondernemingen 30 procent, is daarin een bijzonder relevant gegeven. We zijn u er dankbaar voor dat u dat hebt aangepast.

Wat de kwaliteit betreft, zegt u dat er een ratingsysteem is. Ik heb zelf geen zicht op de resultaten van die rating. Maar wat gebeurt er met bedrijven die in die rating gebuisd worden of een negatieve beoordeling krijgen? Worden die op een of andere manier gecontacteerd? Of gaat u ervan uit dat dat door de markt zelf wordt gecorrigeerd?

Een ander element is de diversiteit in de hr-projecten die worden ondersteund met de kmo-portefeuille. Ik begrijp dat het moeilijk is om dat te vatten. Anderzijds is het misschien wel een idee om de hr-dienstverleners die erkend zijn in het kader van de kmo-portefeuille – en zo veel bedrijven die zich echt op hr richten en via de kmo-portefeuille erkend zijn, zijn er nu ook weer niet – te vragen om dat diversiteitsgegeven effectief mee te geven in het aanbod dat ze via de kmo-portefeuille tot bij de kmo’s brengen.

Misschien kan een extra initiatief, zonder veel administratie of poespas, toch het verschil maken op het terrein.

Tot slot zijn we blij dat u een evaluatie zult doen. Begin 2018 mogen we daarvan de resultaten verwachten. Ik hoop dat u de elementen die we vandaag hebben besproken daarin meeneemt.

De voorzitter

Mevrouw Turan heeft het woord.

Güler Turan (sp·a)

Ik dank de twee vraagstellers voor hun vraag en de minister voor zijn antwoord. Het geeft ons de gelegenheid om een soort van tussentijdse evaluatie te maken, de dossieraanvragen en de gegevens van de monitoring te bekijken en te zien wat er allemaal goed loopt.

Vanuit sp.a, vanuit de oppositie, zien we een meerwaarde in de vereenvoudiging. We hebben nu de kans gegeven om die vereenvoudiging door te voeren.

De cijfers die u ons vandaag geeft, zijn eigenlijk een teken dat het op de goede weg zit. Dat moeten we toegeven.

Minister, ik vind het ook positief dat u specifiek monitort naar kleine bedrijven, van nul tot vijf medewerkers. In Vlaanderen spreken we daar niet zoveel over, maar de zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) vormen de grote meerderheid van de ondernemingen die vandaag starten. We vragen jonge mensen om ondernemend en innovatief te zijn. We mogen dan ook niet vergeten dat ze eigenlijk in een vrij precaire situatie starten. Hopelijk groeien ze straks door. Ik vind het dus heel goed dat u daar heel specifiek naar monitort.

Nogmaals, ik wens de collega’s te danken voor hun vragen. Vooral de opmerking die de heer Bothuyne op het einde heeft gemaakt, namelijk dat er middelen zijn verschoven van het diversiteitsbeleid naar de kmo-portefeuille, is belangrijk. U hebt net aangegeven dat er geen subcategorie is om die evenredige arbeidsdeelname en diversiteit (EAD) te benaderen. U zegt: ‘Op dit ogenblik werkt de formule goed, ik zal even wachten.’ Misschien is het geen slecht idee, los van het voorstel van de heer Bothuyne om de dienstverleners erop te wijzen dat mee op te nemen, om de andere weg op te gaan. Ik vind niet dat we de dienstverleners de opdracht moeten geven om tot een bepaald aanbod over te gaan. Ik denk dat je de gebruiker van de kmo-portefeuille, de kmo’s, moet stimuleren om ook die mogelijkheid aan te vragen. Want als die subcategorie zelfs niet bestaat, kun je dat ook niet aangeven of daarnaar op zoek gaan.

Minister, ik heb vandaag heel wat vragen en antwoorden gehoord. Ik begrijp dat u het een kans wilt geven vooraleer u grote wijzigingen wilt doorvoeren. Ik vind echter niet dat u langer moet wachten om die mogelijkheid om EAD te monitoren, op te nemen.

Vervolgens heb ik een vraag over de cijfers die u hebt gegeven. Er zijn veel meer aanvragen, ook voor opleidingen. Dat is heel positief. Ik ben het eens met de heer Bothuyne die zegt: ‘Het maakt ons niet uit welk statuut je hebt, opleiding is een recht voor iedereen. Ook de zelfstandige moet daarvan op dezelfde manier kunnen gebruikmaken.’ Er zijn zo’n 18.974 aanvragen meer. Maar gaat het om dezelfde kmo’s of zijn het er andere? Is het een meermalig gebruik vanuit dezelfde kmo? Vragen de kmo’s die zich eens hebben aangemeld en zien dat het goed en vlot werkt, meerdere opleidingen aan? Of hebben we in absolute getallen – zoals u dat zegt – meer kmo’s bereikt? Ik stel deze vraag vooral omdat ik weet dat kmo’s van nul tot vijf werknemers meestal – meestal – kunnen worden herleid tot de zzp’ers. Ik vind het echt positief dat die mensen de weg hebben gevonden naar de verschillende opleidingen en langs die weg de steun van de Vlaamse overheid kunnen genieten.

We kijken uit naar de monitoring die nu wordt uitgewerkt wat betreft fraudebestrijding en misbruiken. In ieder geval denk ik dat dit in grote lijnen op de goede weg zit. Ik zou u willen vragen om niet te wachten met bepaalde kleine aansturingen die moeten gebeuren. Ik dank u.

De voorzitter

Mevrouw Remen heeft het woord.

Grete Remen (N-VA)

Minister, ik heb nog een kleine vraag.

Het is een heel positieve evaluatie. Het is een heel positief gegeven, zeker voor de kleine ondernemers, zoals mevrouw Turan aangaf.

De opleiding en begeleiding van werknemers is heel belangrijk. Ik heb gisteren nog een gesprek gevoerd met Fons Leroy. We moeten allemaal langer werken. De opleiding van werknemers speelt daarin een zeer belangrijke rol. De instroom is kleiner dan de uitstroom. De bedrijven gaan dus heel veel uitdagingen tegemoet.

Er zijn positieve cijfers in aantal voor de kmo-portefeuille. Zijn er ook cijfers beschikbaar per provincie? Of kan ik daarover beter een schriftelijke vraag stellen?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mevrouw Remen, ik heb die uiteraard niet bij. Ik weet ook niet of ze bestaan. U stelt daarover inderdaad het best een schriftelijke vraag.

Mijnheer Bothuyne, 63 procent van het aantal goedgekeurde steunaanvragen, opleidingen, gaat naar bedrijven van nul tot vijf werknemers. En mevrouw Turan, één kmo kan verschillende steunaanvragen doen. Er is dus een grote stijging. Van de 84.000 zijn er 53.000 kmo’s met nul tot vijf werknemers. Nul is dus die zelfstandige. Als men als zelfstandige gebruikmaakt van deze steunmaatregel en als je deze stijging ziet, dan is mijn gevoel: oké, dit zit goed, ook wat steun betreft. Maar uiteraard zullen we dat allemaal bekijken.

Mijnheer Bothuyne, in verband met het ratingssysteem vind ik dat het voor een stuk om marktwerking gaat. Als een aanbieder ziet dat hij slecht scoort, is het aan hem om eens met zijn klanten te gaan spreken en te bekijken wat hij moet veranderen om goede ratings te hebben, omdat anders de kans groot is dat hij uit de markt wordt gezet. Je kunt het vergelijken met een vakantiehuis. Als er bij de ratings naast een vakantiehuis staat ‘het trok op niet veel’, is de neiging niet erg groot om dat huis te gaan huren.

Mijnheer Bothuyne, mevrouw Turan, u had het beide over diversiteit. Ik herhaal wat ik heb gezegd: ik zal het niet aanpassen aan het systeem. Ik heb niet gezegd dat ik het niet aanpas aan de monitoring. Ik heb zelfs gezegd: “We gaan de vakgebieden herbekijken in het kader van de vernieuwing van de zoekmodules voor de dienstverleners. Zo bekijken we of we meer inzicht kunnen krijgen in de deelthema’s die aan bod komen in de HR-projecten.” Aangezien we de zoekmodule zullen wijzigen – dat is geen wijziging van de wetgeving, geen wijziging van wat er verandert voor de bedrijven, maar het is een wijziging van de zoekmodule –, zullen we kijken of we effectief die diversiteit meer aan bod kunnen laten komen. Mijnheer Bothuyne, ik neem de suggestie die u daarover hebt gemaakt, zeker mee.

Ik denk dat ik alle bijkomende vragen heb beantwoord.

De voorzitter

De heer Bothuyne heeft het woord.

Ik denk dat we iets dieper moeten ingaan op de ondersteuning van zelfstandigen en kmo’s voor opleiding en vorming. Het cijfer dat u noemt voor de categorie tussen de nul en de vijf is groot, maar als u het relatief maakt ten aanzien van de groep ondernemingen en ondernemers, is het eigenlijk een ondervertegenwoordiging. Ik weet dat we daarover lang kunnen discussiëren. Het is nuttig om specifiek voor zelfstandigen, mensen met een zelfstandig statuut, goed te kijken naar de ondersteuning van opleiding en vorming die zij genieten en te bekijken hoe we de participatie daar kunnen verhogen. Een zelfstandige is per definitie gefocust op zijn of haar werk. Opleiding en vorming komen daarbij soms misschien niet altijd voldoende aan bod.  Met de opmaak van het vormings- en opleidingspact kan daar een nuttig extra hoofdstukje aan worden gewijd. Het wordt zeker vervolgd.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.