U bent hier

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Minister, al vijftien jaar wordt de problematiek van de controle op buitenlandse eigendommen van sociale huurders aangekaart in het Vlaams Parlement. Voor onroerende goederen in het buitenland bepaalt het kaderbesluit Sociale Huur in artikel 3, paragraaf 1, laatste lid, dat een persoon die zich wil inschrijven voor een sociale woning, kan voldoen aan de eigendomsvoorwaarde via een verklaring op eer over zijn of haar onroerende goederen in het buitenland.

Tot op heden is het voor de meeste landen echter onmogelijk om te controleren of deze verklaring op eer overeenstemt met de realiteit. Sociale huurders, overwegend van allochtone origine, kunnen dus zonder noemenswaardig risico in Vlaanderen een sociale woning huren én in het thuisland een woning in eigendom hebben. De facto is dit discriminerend ten aanzien van de Vlamingen die terecht gesanctioneerd worden wanneer ze in eigen land een onroerende eigendom hebben. Het feit dat in Vlaanderen vele tienduizenden behoeftigen op de wachtlijst staan voor een sociale woning, maakt de problematiek des te schrijnender.

Het doet de wenkbrauwen fronsen dat de Vlaamse Regering nu al vijftien jaar op de hoogte is van de problematiek, maar er nog steeds niet in geslaagd is om maatregelen te nemen om aan deze ernstige vorm van sociale fraude een einde te maken door het mogelijk maken van effectieve controles. Ook de huidige Vlaamse Regering heeft nog geen initiatieven ter zake genomen, alhoewel we inmiddels al in de helft van de legislatuur zitten. Inmiddels werden al tal van schriftelijke vragen over de problematiek tot de minister gericht, waarop meestal zeer korte en nietszeggende antwoorden volgden.

Op een schriftelijke vraag van de heer Janssens van maart 2016 antwoordde u: “De problematiek van controle op buitenlandse eigendommen is, zoals ook blijkt uit de vraagstelling niet nieuw en complex. Ik wil wel inzetten om ook deze eigendomsfraude op te sporen of trachten te vermijden. Mijn administratie onderzoekt momenteel op welke manier informatie-uitwisseling over en controle op buitenlandse eigendommen kan uitgebouwd worden in kader van sociale huisvesting. Hiervoor zal het nodige overleg met andere Vlaamse of federale instanties die ook met deze problematiek geconfronteerd worden, georganiseerd worden.”

In april 2016 kondigde u aan in een antwoord op een schriftelijke vraag van eveneens de heer Janssens: “Ik heb mijn administratie in april de opdracht gegeven om deze problematiek in een bredere context te bekijken. De op te leveren nota wordt verwacht in het najaar 2016.”

Ik heb daarover al een aantal schriftelijke opvolgingsvragen gesteld, maar daarop kwamen steeds korte antwoorden. Ook over de nota heb ik niets meer vernomen. Ook tijdens de begrotingsbesprekingen werd met geen woord gerept over eigendomsfraude van buitenlandse sociale huurders.

Waarom hebt u nog steeds geen resultaat geboekt om te voorkomen dat eigendomsfraude verder ingang heeft binnen de sociale woningmarkt? Kunt u mij een overzicht geven van de controle die momenteel wettelijk kan worden uitgeoefend en effectief wordt uitgeoefend met betrekking tot eventuele buitenlandse eigendommen van kandidaat-socialehuurders en de juistheid van de verklaringen op basis van eer? Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangekondigde nota die zou worden opgeleverd in het najaar van 2016? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg met andere Vlaamse of federale instanties? Welke concrete maatregelen zult u op basis van het gepleegde overleg en onderzoek nemen om eindelijk een oplossing te bieden voor deze problematiek? Garandeert u dat er deze legislatuur nog concrete controles zullen kunnen worden uitgeoefend met betrekking tot buitenlandse eigendommen van sociale huurders?

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx (N-VA)

Voorzitter, mijn vraag gaat over dezelfde problematiek, maar is inhoudelijk anders. Ik kan de heer D’haeseleer zeker niet bijtreden dat er nietszeggende antwoorden komen en dat er wordt stilgezeten. Minister, ik weet dat u daar enorm op inzet. Ik weet ook dat u dit in uw parlementair verleden hebt gevolgd.

Wat is de stand van zaken met betrekking tot uw voornemen om via de evaluatie van het kaderbesluit Sociale Huur de actieve medewerking van huurders te eisen bij onderzoek naar bezit in het buitenland? Hoe gaat een kandidaat-huurder zijn medewerking moeten tonen? Welke stappen zal deze bijvoorbeeld moeten ondernemen om aan te tonen dat hij geen eigendom heeft in het buitenland en dit zonder het gelijkheidsbeginsel in gevaar te brengen?

Minister Homans heeft het woord.

Dames en heren, het kaderbesluit Sociale Huur is zeer duidelijk over het al dan niet recht hebben op een sociale woning. Een daarvan is de eigendomsvoorwaarde. We hebben recent het kaderbesluit Sociale Huur nog aangepast op vlak van die eigendomsvoorwaarde, namelijk het gaat niet langer om volle eigendom maar om een eigendom tout court.

De problematiek van de buitenlandse eigendommen is reeds bekend. Ik heb inderdaad antwoorden gegeven op vragen van parlementsleden. Ik ben in het verleden inderdaad in deze commissie actief bezig geweest met betrekking tot deze problematiek. Er is tijdens deze legislatuur al heel veel gebeurd. We doen er alles aan om aan deze problematiek tegemoet te komen. Voor alle duidelijkheid, ik ontken niet dat die bestaat. Als je heel specifiek en juist wilt zijn, dan moet je een onderscheid maken bij buitenlandse eigendommen tussen eigendommen van iemand van autochtone origine die ook moet aangeven dat die een eigendom in het buitenland heeft en eigenaars van allochtone origine. Dat is een onderscheiden problematiek.

Voor de controle op de eigendomsvoorwaarde is de sociale verhuurder, dus de SHM in kwestie, afhankelijk van de informatie die bevoegde overheden of instellingen of andere sociale verhuurders hem elektronisch kunnen bezorgen. Via de VMSW wordt op heden heel veel informatie ter beschikking gesteld aan de verhuurders.

Ik geef toe dat de huidige informatiestroom niet volstaat. Daarom werken we er continu aan. Op mijn vraag heeft het agentschap Wonen-Vlaanderen op 31 oktober 2016 een werknota opgeleverd. Deze is begin november op mijn kabinet besproken. De algemene teneur is dat we als beleidsveld Wonen vooral moeten samenwerken met andere overheidsdiensten teneinde maximale informatiedeling te bekomen. We leven nu eenmaal in een complex land. Het is niet evident om als Vlaamse overheid informatie te krijgen van de FOD Financiën. Het is ook niet evident om kadastrale gegevens te verkrijgen, als overheid of als SHM, omdat in de landen van herkomst zoals Marokko – ik noem nu een land zonder het land in kwestie te willen viseren, maar het is wel een goed voorbeeld – er nauwelijks een kadaster bestaat. Dan is het natuurlijk heel moeilijk om via welke overheid dan ook in onze complexe staatsstructuur de juiste informatie te krijgen.

Op 5 oktober 2016 werd in de plenaire vergadering het wijzigingsdecreet Wonen goedgekeurd. Mijnheer D’haeseleer, uw fractie heeft tegengestemd. Een van de bepalingen in dat decreet is dat er een bijkomend instrumentarium ter beschikking wordt gesteld aan de SHM’s om meer informatie over onder andere deze problematiek te verkrijgen. U stemde tegen. Dat u niet voor stemt en dat u niet enthousiast bent, is uw rol als oppositie. Ik kan daarin komen. Als u mij nu zegt dat er niets gebeurt en dat ik niets doe, dan vind ik het echter vreemd dat u tegen dit concrete decreet hebt gestemd. Bon, dat is een detail.

Ik heb al gewezen op de ingewikkelde staatsstructuur en de verschillende bevoegdheden van de verschillende overheden en regeringen. We hebben al verschillende malen overleg gehad met het kabinet van staatssecretaris De Backer. Voorheen was er al overleg met staatssecretaris Tommelein. In de werknota van het agentschap Wonen is er voorgesteld om met andere overheidsdiensten, zowel federaal als Vlaams, deze problematiek te bespreken via rondetafels. Staatssecretaris De Backer heeft in zijn beleidsbrief voor 2016-2017 aangekondigd met de OCMW’s en lokale besturen samen te zitten om domiciliefraude aan te pakken. Dit bewijst dat er ook aan de overkant een draagvlak is voor de problematiek. Het moet dan ook mogelijk zijn om onze bezorgdheden inzake onroerende goederen in het buitenland te bespreken op die rondetafelgesprekken.

Er zijn drie pistes. Een eerste piste betreft de fiscale gegevens. Ik heb er daarnet al kort naar verwezen. In de eerste plaats moeten we vanuit fiscaal oogpunt achterhalen of er gegevens zijn over onroerende eigendommen in het buitenland en of die gekend zijn. Dat is niet evident. U kunt misschien zeggen dat de minister van Financiën iemand van mijn eigen partij is, maar zo werkt het niet. Ik kan moeilijk de telefoon nemen en Johan bellen en zeggen dat ik toch wel eens graag die informatie zou willen krijgen. Dat gaat niet. Dat mag niet. Dat is wettelijk niet toegelaten. Dat moet allemaal in de juiste wetgeving worden gegoten zodat we ook het fiat en de toestemming hebben.

Het gaat concreet over gegevens die door de FOD Financiën verkregen worden in het kader van internationale samenwerkingsverbanden. Dat maakt het nog meer complex. Het gaat om samenwerkingsverbanden die zijn afgesloten tussen de federale overheid en een ander concreet land, maar dus niet met Vlaanderen als overheid.

Steeds meer worden er ook op de automatische wijze gegevens uitgewisseld waardoor bijvoorbeeld een niet-gekend eigendom in een EU-lidstaat ernstig wordt bemoeilijkt, en wie weet, op termijn misschien wel onbestaande wordt. Ik zou dit in elk geval een goede zaak vinden.

Deze piste komt overeen met het huidige instrument waarover de verhuurders beschikken, en kan versterkt worden door eveneens een meldpunt te hebben bij de FOD Financiën, waar onder andere sociale verhuurders terechtkunnen met een specifiek dossier. Dat is een van de topics die we bespreken met onze federale vrienden. We dringen aan om daar zo snel mogelijk werk van te maken.

De tweede piste gaat over sociale fraude in breder perspectief. We willen het pad bewandelen van sociale fraude in totaliteit. U haalt terecht een problematiek aan, maar er zijn nog andere vormen van sociale fraude. Naar Nederlands voorbeeld kan overwogen worden om in het kader van de bestrijding van sociale fraude een centraal aanspreekpunt op te richten om vermoedens van grensoverschrijdende sociale fraude effectief in het betrokken land te gaan onderzoeken. In Nederland heeft men een team opgericht dat in de landen van herkomst gaat kijken of er sprake is van het hebben van een eigendom daar. Binnenkort hebben we een afspraak met die mensen. In Nederland zijn ze hier ondertussen van afgestapt en ik wil wel eens weten waarom.

Ik zou niet zo graag hebben dat we evolueren naar een klikmaatschappij waarbij de buren zeggen dat ze vermoeden dat de Marokkaanse buur een eigendom in Marokko heeft omdat hij de hele vakantie weg is. Dergelijke verhalen horen we constant, krijgen we via mail of zie ik passeren via Twitter. Ik vind dat dit aangekaart mag worden, maar het moet gebeuren op een officiële manier en niet via een kliksysteem.

We blijven niet bij de pakken zitten. Als we een dossier hebben dat zwaarwichtig is, dan maken we het over aan de speciale attachés bij de diplomatieke posten die ter plaatse de nodige verificaties kunnen doen. Nogmaals, we zijn afhankelijk van de medewerking van de federale overheid. Het is natuurlijk niet evident om internationale verdragen af te sluiten vanuit dit oogpunt, en zeker niet vanuit Vlaams oogpunt. Meestal wordt dit afgesloten met het Koninkrijk België en niet zozeer met de deelstaat Vlaanderen. Het is belangrijk om draagvlak en synergieën te creëren. Daarom is de huidige manier van werken goed – maar die kan nog beter – waarbij er een brede en goede samenwerking is tussen de verschillende overheidsdiensten, zowel op Vlaams niveau als met de federale overheid.

Een derde piste is de omgekeerde bewijslast. Men moet de verklaring op eer afleveren of men kan eenvoudig via het aanslagbiljet nagaan of men een onroerend bezit heeft of niet. Als het in een ander land dan België ligt, is het niet evident om dat na te gaan. Ik heb in het verleden ook al gepleit voor de omgekeerde bewijslast en hierover vragen gesteld aan de vorige minister van Wonen. Toen is mij duidelijk gemaakt dat het eigenlijk wettelijk onmogelijk is om de bewijslast bij de betrokken huurder te leggen, wat natuurlijk niet wegneemt dat we alles in het werk stellen om aan deze toch wel onrechtmatige situatie, iets te doen. Het is geen faire situatie. Ik denk dat heel veel sociale huurders dit ook zo aanvoeren en dat er eigenlijk met twee maten en twee gewichten wordt gewerkt, wat in de praktijk zo is, maar in de theorie niet.

Ben ik mij bewust van de problematiek? Ja. Ben ik daar bijzonder ernstig mee bezig? Ja. Gaan we nog verder werken om deze situatie zo veel mogelijk te vermijden? Absoluut ook ja.

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Minister, u hebt een aantal pijnpunten aangehaald die natuurlijk niet nieuw zijn. U hebt misschien wel inspanningen geleverd, net zoals de vorige ministers, maar het feit blijft dat er geen resultaten worden geboekt. En daar gaat het toch over. Op deze manier zal er ook geen resultaat worden geboekt.

U kunt toch moeilijk uitleggen aan de meer dan 100.000 mensen op de wachtlijst dat er een verstrenging is op het vlak van eigendomsrecht – het gaat niet meer over volle eigendom maar ook over alle andere vormen van eigendom –, maar dat men, als het gaat over buitenlandse eigendommen, stil blijft staan. Het feit blijft dat die brave Vlaming wordt gediscrimineerd. Ik neem aan dat u als minister van Gelijke Kansen daar moeilijk akkoord mee kunt gaan.

De problematiek van de uitwisseling van fiscale gegevens is ook niet nieuw. We kennen de problemen. Het is inderdaad zo dat u niet de telefoon kunt nemen en kunt bellen naar uw collega Johan, maar na vijftien jaar zou er toch een akkoord mogen zijn tussen de verschillende instanties in dit ingewikkelde land. Ook de consultaties van attachés in consulaten en ambassades is vroeger al aangeraden aan de SHM’s, maar het is gebleken dat zij hiervoor geen enkele medewerking krijgen. Het is natuurlijk zo dat landen als Marokko, maar ook Turkije en andere landen, er geen belang bij hebben om deze samenwerkingsakkoorden met ons land af te sluiten of de gegevens die zij nu al ter beschikking stellen via de dubbele belastingverdragen, open te stellen om de domiciliefraude tegen te gaan.

U zegt geen kliklijnen te willen waar mensen kunnen zeggen dat hun Marokkaanse buur drie maanden naar Marokko is, naar wat wellicht zijn eigen woning is. Minister, de cijfers zijn wel wat ze zijn. De studies van de Koning Boudewijnstichting zijn toch duidelijk. 66 procent van de in België levende Marokkanen hebben een eigendom in het buitenland. Dat is veel meer dan dat er een eigendom in België hebben. Een andere studie heeft het over 66 procent van de personen die een onroerend goed in Marokko bezitten, die in België huren.

De fraude moet dus immens zijn en onaanvaardbaar. Ik heb gesproken met een aantal Marokkanen en Turken en vele andere buitenlanders. Zij lachen op dat vlak met ons sociaal systeem en vooral met de manier waarop het is georganiseerd en kan worden misbruikt. Het gaat trouwens niet enkel over de sociale woningmarkt.

Minister, de enige mogelijkheid die rest, is dus de verantwoordelijkheid bij de kandidaat-bewoners zelf leggen. Zij moeten hun landen van herkomst onder druk zetten om met een sluitende oplossing te komen. Ik kan het niet uitleggen aan die meer dan 100.000 wachtenden voor een sociale woning dat buitenlanders ervanaf komen met een verklaring op eer, terwijl – terecht – de dossiers van de modale Vlaming ondersteboven worden gekeerd vooraleer hij een sociale woning kan betrekken. Dat is discriminatie van de bovenste plank.

Minister, ik vraag dan ook om het geweer van schouder te veranderen en voor een kordate aanpak te kiezen. Mijn partij pleit ervoor om, tot zolang die landen niet in staat zijn om een sluitende aanpak te garanderen, te stoppen met het opnemen van die onderdanen uit die landen. Dat is het enige drukkingsmiddel op de regeringen in die landen om met een sluitende oplossing te komen.

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx (N-VA)

Minister, ik vind het goed dat u hebt verwezen naar het poortje dat werd gesloten van de procentuele opsplitsing van eigendom. Dat middel werd vaak gebruikt om onder de radar te blijven, en door dat te sluiten, hebt u toch al een deel van de problematiek aangepakt.

U verwijst naar de werknota van het agentschap Wonen. Ik ken die niet. Is het mogelijk om die aan ons te bezorgen? Als u ze niet aan ons geeft, kan de commissie ze natuurlijk aan het agentschap vragen. Ik denk dat er een aantal pistes in staan, die het verder implementeren en uitwerken van de zoektocht naar een oplossing kunnen vergemakkelijken.

Mijnheer D’haeseleer, u vraagt om het geweer van schouder te veranderen door die burgers die hier zijn komen wonen, de expats van die landen, de vraag te doen stellen aan hun herkomstland om het systeem te veranderen. Als die landen nu al geen belang zien in het ingaan op onze vraag, welk belang zouden zij dan hebben om in te gaan op de vraag van mensen die daar zijn gaan lopen, om welke reden dan ook? Ik zie dat totaal niet zitten. Maar goed, het is een piste die de uwe is.

Als de minister straks toezegt dat zij de nota zal overmaken, zullen wij die in het toezeggingsregister opnemen en ze bezorgen aan alle leden van de commissie.

Minister Homans heeft het woord.

Voorzitter, ik heb nog een toevoeging op de concrete vraag die u al hebt toegezegd. Het is een werknota, maar we zullen die overmaken aan de commissaris.

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Mijnheer Hendrickx, u vraagt zich af waarom die landen dan opeens wel zouden meewerken. De Vlaamse overheid zou hun kunnen zeggen dat, zolang er geen sluitende controle mogelijk is, er geen landgenoten meer worden opgenomen in een sociale woning. Tot nu toe weigeren ze hun medewerking, maar het heeft geen enkele consequentie. Integendeel, het zorgt ervoor dat er mensen in een sociale woning terechtkomen die een eigendom hebben in het land van herkomst. Als ze beseffen dat door een gebrek aan medewerking hun onderdanen – en die zijn daar allemaal niet gaan lopen, maar om verschillende redenen naar hier gekomen, zoals misschien voor ons socialezekerheidssysteem – worden gestraft of niet langer toegang krijgen tot een sociale woning, zullen ze vlugger geneigd zijn om met een sluitende oplossing te komen.

Wij zullen een voorstel van decreet indienen en we zullen daarover hopelijk binnenkort in deze commissie kunnen debatteren.

De heer Hendrickx heeft het woord.

Marc Hendrickx (N-VA)

Mijnheer D’haeseleer, we delen uiteraard dezelfde bekommernis en we zijn op zoek naar een oplossing. De oplossing die u voorstelt, slaat juridisch nergens op. Ik wens u veel succes, maar het is onbegonnen werk. Het is juridisch totale nonsens.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

De plenaire vergadering en de commissievergaderingen zijn in principe openbaar, tenzij anders vermeld. 

U wil een vergadering bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.