U bent hier

De heer Parys heeft het woord.

Voorzitter, minister, deze vraag gaat over ouderschap en het feit dat er een studie is verschenen van de Université catholique de Louvain (UCL) waarin er een aantal dingen worden benoemd die we misschien wel aanvoelen, maar die toch confronterend zijn als je ze in cijfers en feiten gegoten ziet. Iedereen, ook ik, weet dat ouderschap af en toe vermoeiend kan zijn. Bij sommige mensen gaat dat echter nog een stap verder. Dan is er sprake van emotionele uitputting, of hebben mensen vaak het gevoel te falen, of verdwijnt de empathie voor het eigen kind, wat heel erg is. Dat doet de studie in kwestie toch geloven. Daar is nu een wetenschappelijke term voor gevonden, namelijk ‘parentale burn-out’. Tot 12 procent van de Belgische ouders zou daarmee kampen. De reden die de onderzoekers geven voor het verschijnsel, is de druk om de allerbeste ouder te zijn. Ouders voelen zich ook heel snel mislukt. De gevolgen zijn natuurlijk ook wel navenant: depressie, het verwaarlozen van de eigen kinderen. Blijkbaar zouden voornamelijk hoogopgeleide vrouwen en deeltijds werkende vrouwen vatbaarder zijn voor dit fenomeen, afgaand op wat ik daarover van een aantal professoren heb gelezen.

Een grote mate van perfectionisme en vinden dat men op alle vlakken de beste wil of moet zijn, weegt door in de opvoeding van een kind. Er zijn oplossingen: gerichte therapeutische behandelingen kunnen veel verschil maken. Aan ouders wordt het advies gegeven om zich op tijd te laten helpen wanneer ze voelen dat die stress toeneemt.

Minister, dat lijkt me dus een belangrijk signaal dat we opvangen. Hebt u een zicht op de verspreiding van dit fenomeen in Vlaanderen? Wat weten we daarover? Is er een prevalentieverschil qua parentale burn-out tussen werkende ouders en thuisblijvende ouders? Hoe zal uw beleid hierop inspelen om ouders bewust te maken van die problematiek en wat eraan kan worden gedaan? Wat onderneemt u?

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Voorzitter, ik heb inderdaad ook een vraag ingediend naar aanleiding van de bekendmaking van dezelfde UCL-studie. Uit de studie blijkt inderdaad dat 3 tot 12 procent van de ouders te maken krijgt met die zogeheten parentale burn-out. Die wordt gekenmerkt door emotionele uitputting, geen empathie meer kunnen opbrengen voor je kind en het idee dat je als ouder compleet hebt gefaald. Oorzaken worden gezocht in de druk die ouders ervaren om het goed te doen en om de beste ouder te zijn. We hoorden het daarnet ook al. Ik zal de rest van mijn inleiding niet herhalen, want die komt overeen met wat collega Parys al heeft gezegd. Wel wil ik nog verwijzen naar een vraag die collega Anseeuw vorig jaar in november stelde over de aanpak van burn-out. Minister, met betrekking tot de strijd tegen burn-out verwees u in de eerste plaats naar initiatieven in de zorg- en hulpverleningssector. Ook vernoemde u het Vlaams actieplan suïcidepreventie en de aandacht die in dat kader gaat naar veerkracht en het bevorderen van geestelijke gezondheid. Daarnaast is er ook het werk van het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie en Ziektepreventie (VIGeZ), dat meer toepasbaar is op de werkvloer in het algemeen en niet enkel in de zorgsector.

Wanneer men spreekt over parentale burn-out, denken we uiteraard automatisch aan de kinderen en hoe die diagnose bij ouders hen ook kan beïnvloeden. Het advies dat de KU Leuven formuleert in reactie op de bevindingen van het onderzoek van de UCL, is dat men zich op tijd zou laten helpen wanneer men gewaarwordt dat de stress te veel wordt. De eigen grenzen kennen, en die respecteren, is immers heel belangrijk bij het voorkomen van een burn-out.

Minister, in hoeverre is parentale burn-out los te koppelen van een ‘gewone’ burn-out? Bestaan er ook wetenschappelijke bevindingen over de invloed van een al dan niet parentale burn-out van ouders op hun kinderen? Is dat al onderzocht? Wat is uw reactie op de bevindingen van de UCL aangaande het aantal ouders die te maken krijgen met een parentale burn-out? Welke sensibiliserende en andere maatregelen neemt u om de druk bij ouders om de beste ouder te willen zijn, te verlagen of weg te nemen? Welke rol kan het Familieplatform Geestelijke Gezondheid (FGG) of kan Kinderen van Ouders met Psychische Problemen (KOPP) spelen met betrekking tot de betrokken kinderen?

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Voorzitter, ik heb een andere invalshoek. Het zijn vooral jonge mensen die het slachtoffer zijn van een burn-out, in het bijzonder de leeftijdscategorie tussen 25 en 35 jaar. Waar een burn-out aanvankelijk werd vastgesteld bij mensen tussen 45 en 50 jaar, is de meest getroffen groep nu 20 tot 10 jaar jonger. Een van de redenen is dat mensen altijd verbonden zijn met het internet en met hun telefoon. Dat verbonden zijn veroorzaakt stress. Mensen raken voortdurend in een alarmfase, waardoor ze beginnen te multitasken, zodat ze meer tijd nodig hebben om slecht werk af te leveren en meer stress ervaren. 20 procent van de mensen tussen 25 en 35 jaar staat moe op. We moeten leren om de nieuwe media beter te gebruiken. Dat kan door de dag in blokken in te delen, waarbij we bewust blokken inbouwen waarin we niet verbonden zijn met de nieuwe media. Ook multitasken moeten we afleren. Het is niet alleen slecht voor de kwaliteit van het geleverde werk, maar ook voor het brein van de mens. Dit is in het voordeel van werkgevers, omdat we de productiviteit van mensen verhogen. Het heeft ook voordelen voor het individu, omdat dat individu beter beschermd is tegen burn-out en tegen vermoeidheid.

Minister, hoe wilt u mensen bewust maken van de impact van nieuwe media op hun geestelijke gezondheid en hen sensibiliseren om daar verstandiger gebruik van te maken? Zult u overleg plegen met uw collega bevoegd voor werk en voor de economie om samen werkgevers te informeren en te sensibiliseren? Wordt dit ook meegenomen in de gezondheidsconferentie inzake preventie die in december zal worden georganiseerd?

De vraag van mevrouw Saeys is ingediend voor het interview van mevrouw Rutten over grote vrijheid en zo.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Geachte leden, de term ‘parentale burn-out’ was ons tot voor kort niet echt bekend. We heb dan ook geen concreet zicht op de verspreiding van dit fenomeen in Vlaanderen. Ik zie een aantal dames in de tribune: misschien moet ik hun vragen of ze parentale burn-out kenden in hun moederschapsjaren.

Parentale burn-out is natuurlijk niet strikt los te koppelen van een ‘gewone’ burn-out. Dat lijkt ons ook niet zo wenselijk. Bij burn-out is in elk geval overbelasting aan de orde, in combinatie met persoonsgebonden factoren, zoals een streven naar perfectie, stress en hoge verwachtingen, en met omgevingsfactoren, zoals het sociaal netwerk, situationele factoren en maatschappelijke normen en trends. We zien de jongste jaren duidelijk een stijging van het voorkomen van burn-out. Ons lijkt het logisch dat problematieken van burn-out ook een effect hebben op het gezinsleven en op de beleving van het ouderschap. Het lijkt ons echter weinig zinvol om parentale burn-out als een apart gegeven, een aparte categorie hierbinnen te bekijken. We hanteren die term alvast niet als dusdanig binnen onze beleidslijnen en -acties. Er bestaan volgens onze administratie ook geen cijfers over het verschil in prevalentie van parentale burn-out tussen werkende ouders en thuisblijfouders. Wel kunnen we verwijzen naar het rapport dat het Steunpunt Welzijn, Volksgezondheid en Gezin publiceerde in het kader van het longitudinale JOnG!-onderzoek met betrekking tot kencijfers inzake opvoeding en gezin bij kinderen van 30 en 36 maanden. Het gaat hier wel over de beleving van ouders met jonge kinderen, maar de bevindingen en aanbevelingen zijn hier misschien ook ter zake. We bespraken dat rapport hier in de commissie ook kort voor de zomer, naar aanleiding van een vraag. We onthouden zeker uit het rapport dat de meeste ouders ervaren dat het opvoeden van hun kinderen een zeer positieve en verrijkende ontwikkeling in hun leven is, maar dat er tegelijkertijd momenten zijn waarop ouders stress, onzekerheden of vragen hebben bij hun eigen aanpak. Daarbij gaat men op zoek naar laagdrempelige plaatsen om met die vragen terecht te kunnen. Ik zal daar verder ook nog uitgebreid op terugkomen.

Tekenend voor die ‘nieuwe’ omschrijving is de informatie die het Expertisecentrum Opvoedingsondersteuning (EXPOO) hierover postte. Naar aanleiding van het verschijnen van een aantal artikels in de media postte EXPOO op 18 november jongstleden het volgende Facebookbericht: “Een nieuw begrip in de media: de parentale burn-out. Ontstaan vanuit de druk om de perfecte ouder te willen zijn, terwijl perfect ouderschap een mythe is. Opvoeden is altijd een proces van vallen en opstaan, van zoeken naar de best werkende aanpak voor jouw kind en voor jouw gezin. Het geeft rust om te weten dat je best doen genoeg is. Een goed-genoeg-ouder haalt af en toe eens heel diep adem en tracht niet vanuit verwachtingen maar vanuit de eigenheid van het kind en jezelf op te voeden. Meer lezen? Een dossier over goed-genoeg-ouderschap vind je op http://www.groeimee.be/goed-genoeg-ouderschap en ook Kind&Gezin biedt een ruim aanbod aan opvoedingsondersteuning op http://www.kindengezin.be/opvoeding.”

De verspreiding van dergelijke boodschappen speelt in op de actuele berichtgeving, waardoor men ouders kan bereiken en wijzen op het bestaand materiaal. Dat komt de ondersteuning van ouders ten goede. Verder sensibiliseren we vanuit Kind en Gezin op verschillende manieren. Via onze dienstverleners en onze communicatiedragers en -kanalen proberen we eerst en vooral toekomstige ouders en ouders zo goed mogelijk voor te bereiden op het ouderschap en proberen we ideaalbeelden realistischer te maken. We ondersteunen ouders bij de diverse transities die ze kunnen en zullen meemaken en die ouders mogelijk stress geven: van niet-ouder naar ouder, van borstvoeding naar flesvoeding, van thuis naar kinderopvang, van thuis/kinderopvang naar school, van brave peuter tot driftige peuter, van zwangerschapsverlof terug aan het werk enzovoort. In het kader van een vernieuwde preventieve dienstverlening van Kind en Gezin wordt geëxperimenteerd met onder meer Facebook als communicatiekanaal, waardoor ouders ook met elkaar in contact kunnen komen en elkaar kunnen ondersteunen. We onderzoeken ook mee met ouders hoe en in welke mate ze een beroep kunnen doen op hun informele netwerken en leiden hen naar activiteiten, onder andere in de Huizen van het Kind, die informele ontmoetingen tussen ouders bevorderen. We stellen goed-genoegouderschap voorop, geen streven naar perfectie. We proberen bij elke ouder aan te sluiten en te zoeken hoe we hem of haar op maat kunnen ondersteunen, niet vanuit ‘moeten’, maar vanuit ‘kunnen’. We ondersteunen ouders om de principes van positief ouderschap toe te passen bij zichzelf en hun gezin. Die principes vertrekken van realistische verwachtingen en benadrukken het belang van zorgen voor jezelf als persoon, als ouder én als partner. We pikken signalen op wanneer ouders zich niet goed in hun vel voelen, bespreken die en verwijzen door naar een professioneel netwerk en de huisarts. Het voorbije najaar lanceerde het Agentschap Zorg en Gezondheid, in samenwerking met onder meer Kind en Gezin, de moeder-babyeenheden en de Associatie Beeldvorming Geestelijke Gezondheid een sensibiliseringscampagne over post-partumdepressie, gericht op zowel de jonge mama als haar omgeving en de zorgverstrekkers. Met die campagne willen we tot meer begrip in de samenleving komen voor gezinnen die worden geconfronteerd met postnatale depressie. De campagne besteedt veel aandacht aan het belang van een ondersteunend netwerk rond de ouders ter preventie van post-partumdepressie, zodat ouders de gelegenheid vinden om voldoende tijd en rust te nemen, met of zonder hun kindje.

In het onderzoek van het kenniscentrum van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen naar het relatieondersteunend aanbod in Vlaanderen zijn een aantal beleidsaanbevelingen naar voren geschoven om verder vorm te geven aan dat relatieondersteunend aanbod. In die aanbevelingen wordt onder meer gewezen op de noodzaak om een algemene campagne te voeren die het maatschappelijke belang van relaties duidelijk maakt en het taboe van het bespreken van relatieproblemen helpt te doorbreken. We beslisten om op basis van dat onderzoek en de aanbevelingen een sensibiliseringscampagne op te zetten die relaties en relatieproblemen bespreekbaar wil maken en erop wijst dat investeren in relaties de moeite waard is. Daarmee wordt ingespeeld op de bevindingen dat mannen en vrouwen gelukkiger zijn in een goede partnerrelatie en dat kinderen in een positief gezinsklimaat een sterke basis vinden voor hun welbevinden en ontwikkeling. Het is belangrijk dat mensen beseffen dat ze tijd moeten vrijmaken voor elkaar en dat ze met hun vrienden en familie, of indien nodig met professionals, moeten durven te spreken over eventuele relatieproblemen. De campagne werd gelanceerd op 20 oktober jongstleden. Ouders worden ten slotte preventief ondersteund in hun ouderrol dankzij een uitgebreid aanbod van informatie in uiteenlopende communicatiedragers van Kind en Gezin. Reeds vanaf de zwangerschap draagt dat ertoe bij dat ouders realistische verwachtingen koesteren ten aanzien van het ouderschap.

Vanuit VIGeZ, onze partnerorganisatie inzake gezondheidsbevordering, zetten we ook in op universele preventie van geestelijke gezondheidsproblemen. Met onze campagne ‘Fit in je Hoofd, Goed in je Vel!’ en de bijhorende tools, zetten we natuurlijk ook in op jonge ouders met kinderen. Het is inderdaad belangrijk dat ouders zich goed voelen. Elk kind, elke volwassene maakt moeilijkere periodes door, en vaak volstaan veerkracht en het eigen netwerk om een periode door te komen zonder schade.

Uit onderzoek weten we dat ervaren stress een impact heeft op het sensitief en responsief inspelen op kinderen. Sensitief-responsief reageren op kinderen bevordert het tot stand komen van veilige gehechtheid tussen ouders en kinderen. Als stress tijdelijk, niet-chronisch en binnen de perken blijft, dan hoort die gewoon bij het groot worden en moeten we daar geen probleem van maken. Een ondersteunend netwerk, informeel maar ook formeel, de partner enzovoort, kunnen dan tijdelijk meer bijspringen en opvangen. Chronische stress zorgt er echter voor dat het reflectief vermogen sterk vermindert en net dat reflectief vermogen is een belangrijke buffer in het ouderschap om de dagdagelijkse opvoeding en zorg aan te kunnen.

Er wordt ook gevraagd naar welke rol het Familieplatform Geestelijke Gezondheid (FGG) en KOPP spelen met betrekking tot de betrokken kinderen. Een van de opdrachten van het Familieplatform is het ondersteunen van professionele organisaties en netwerken in het realiseren en uitdragen van een familievriendelijke zorg, onder andere door het uitwerken van een portfolio van methodieken en materialen die de organisaties of netwerken ondersteunen in het uitwerken van een familiebeleid, door het afsluiten van samenwerkingsovereenkomsten met organisaties rond familiebeleid en door het organiseren van vormingen rond KOPP en KOAP (kinderen van ouders met alcoholproblemen).

Een andere opdracht is het versterken van de lidorganisaties, waaronder bijvoorbeeld ZitStil, hun leden en het familieperspectief. Hiervoor zet het Familieplatform zich onder meer in voor de opleiding van familiedeskundigen tot vertegenwoordigers van het familieperspectief en ondersteunt het hen in deze rol. Extra aandacht zal hierbij gaan naar het inzetten van familiedeskundigen in de netwerken geestelijke gezondheid kinderen en jongeren. Hierin zit ook het structureel opvolgen van alle kennis, activiteiten en overleg rond KOPP vervat. Het Familieplatform wil hulpverleners en intermediairen ondersteunen en hun aan de hand van hun werkmodel de mogelijkheid bieden om tijdens de behandeling van de patiënt, de ouder dus, bijzondere aandacht te hebben voor de positie en de beleving van het kind. Via vorming en opleiding van hulpverleners en studenten streeft men naar deskundigheidsbevordering en systematische aandacht voor het perspectief van het kind.

Met de uitbreiding van KOPP-trainers kan er worden ingespeeld op de grote nood aan vorming binnen het zorg- en onderwijslandschap in Vlaanderen. Op regelmatige basis krijgt het Familieplatform vragen naar vorming op maat rond het ‘kind van’-thema vanuit zowel vanuit organisaties als vanuit regionale netwerken. Daarnaast organiseert het Familieplatform basisvormingen voor het breed publiek, workshops op congressen en studiedagen en gastcolleges binnen hogescholen.

In het kader van gezond opvoeden en geestelijke gezondheidsbevordering wordt van jongs af aangeleerd om verstandig om te gaan met de verschillende risico’s, ook met die aspecten die maatschappelijk sterk aanvaard zijn, zoals alcohol, gokken en mogelijk ook heel het e-gebeuren. Het is vaak zoeken naar een evenwicht. Enerzijds willen we niet dat mensen achterop geraken en niet kunnen volgen in de digitale wereld. Anderzijds lijken sommigen hierin moeilijk maat te kunnen houden. In de gezondheidsconferentie van 16 en 17 december is een van de belangrijke vernieuwingen dat we meer settinggericht gaan werken en dus naar een meer geïntegreerd preventief gezondheidsbeleid gaan, ook in de setting werk. Uiteraard zal dit gebeuren in overleg met de sector.

De zogenaamde problematiek van parentale burn-out komt als dusdanig niet aan bod in de genoemde gezondheidsconferentie. We hebben de thema’s van de conferentie trouwens uitvoerig toegelicht in de commissie van 23 november laatstleden.

Federaal minister van Volksgezondheid De Block besliste recent om burn-out als beroepsziekte te laten erkennen. Dat biedt opportuniteiten om deze problematiek binnen dit kader in de toekomst beter aan te pakken. Op die manier kan het federale beleid ook preventiecampagnes opzetten en in begeleiding voorzien om mensen sneller weer aan het werk te krijgen.

Ook het inzetten op werkbaar werk is ontzettend belangrijk. We bundelen onze krachten over de bevoegdheidsniveaus heen om maximaal effect te krijgen.

Indien er een burn-out wordt vastgesteld, zijn behandeling en zorg nodig. Maar het is ook belangrijk om niet alles te ‘verpsychiateriseren’. Een aantal risicofactoren bij jonge ouders hangen samen met geestelijke gezondheid, zoals slaap, eten, geen vrije tijd enzovoort. We focussen dus vooral op het belang van sensibilisering, opvoedingsondersteuning en geestelijke gezondheidsbevordering, zoals ‘Fit in je Hoofd, Goed in je Vel!’ en dergelijke. Als er milde klachten en signalen opduiken, is er een rol weggelegd voor de huisarts als spilfiguur en vertrouwenspersoon binnen vele gezinnen, en eerstelijnspsychologen. Indien dat niet voldoende is, kan men ook een beroep doen op gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg, zowel ambulant als intramuraal.

We willen ten slotte ook graag even stilstaan bij de vele jonge ouders die als hulpverlener tewerkgesteld zijn in een gezondheids- of welzijnsorganisatie. Ook zij, net als iedere hulpverlener, moeten aandachtig zijn voor hun psychische gezondheid en veerkracht. Om goede zorg te leveren, hebben we gezonde en veerkrachtige hulpverleners nodig. Daarom hebben we vanuit het beleid ook aandacht voor deze specifieke doelgroep. Het is ook de taak van de geestelijke gezondheidszorg (ggz) om het goede voorbeeld te geven en geestelijke gezondheid te promoten bij de eigen medewerkers.

Daarom hebben we het afgelopen jaar een subsidie van 20.000 euro gegeven aan het Openbaar Psychiatrisch Ziekenhuis (OPZ) Geel om via een aangepast vormingstraject te investeren in het versterken van het psychisch welzijn en de veerkracht van hulpverleners in ggz- en welzijnsorganisaties. De doelgroep bestond uit hulpverleners van het OPZ Geel, het OPZ Rekem en het centrum voor geestelijke gezondheidszorg (cgg) Limburgs Initiatief voor Therapie en integrale Personenzorg (LITP) die op vrijwillige basis wensten deel te nemen. Zij werden ad random verdeeld in twee groepen van telkens maximum twintig personen. De eerste groep kreeg de training en de tweede groep vormde de controlegroep voor het onderzoek. Na afloop van de eerste training kreeg ook de tweede groep de training aangeboden. De format van de vorming werd gebaseerd op de bestaande en uitgeteste format van de onderzoeksgroep van Flaxman & Bond in London.

Het project is ondertussen afgerond. De voorlopige analyse en de ervaringen van de trainers geven aan dat de vorming zinvol en bruikbaar is en eventueel in de toekomst een vaste plaats kan krijgen in het vormingsaanbod voor alle medewerkers van welzijns- en ggz-organisaties. Voor alle duidelijkheid: het onderzoek heeft zich niet enkel toegespitst op jonge ouders, maar dit neemt niet weg dat we kunnen vermoeden dat de conclusies ook voor deze specifieke groep van toepassing zal zijn.

De heer Parys heeft het woord.

Minister, dank u wel. Ik heb drie bedenkingen bij uw antwoord. Ik weet van mezelf dat ik geen perfecte ouder ben, maar ik verwacht dat ook niet. Ik vraag me af waar het beeld dat we aan ouders opdringen dat ze een perfecte ouder moeten zijn, vandaan komt. We zijn nu allemaal campagnes aan het maken om daartegen in te gaan, maar ik vraag me af wie, hoe en waar dat beeld wordt opgedrongen. Ik weet het eerlijk gezegd niet. Je kunt toch moeilijk zeggen dat dit beeld gewoon uit de reclame op ons afkomt. Ik zou graag uw insteek hierop hebben zodat we dan naar die bron kunnen gaan kijken en daar iets aan doen.

U hebt een uitgebreid antwoord gegeven, waarvoor dank. Ik vond dat er heel veel aandacht ging naar ouders van jonge kinderen. U hebt wel een aantal initiatieven opgesomd die generieker zijn. Ik vraag me af of er geen blinde vlek zit in de periode nadat de Kind en Gezinfase voorbij is bij ouders. In de fase waarin Kind en Gezin de jonge kinderen opvolgt, is er een goed contact met de ouders. Dat is ook een relatie die ouders kennen en ze weten wat ze ervan mogen verwachten in termen van ondersteuning en informatie.

Ik vond bijvoorbeeld het initiatief van Kind en Gezin om iets te doen rond Facebook en ouders elkaar te laten ondersteunen, een heel goed initiatief. Ik vraag me wel af of we niet verder moeten kijken dan die Kind en Gezinfase en die campagne voor de post-partumdepressie en we niet in het generieke aanbod moeten gaan differentiëren en zeggen dat ook als uw kind 8, 12 of 14 jaar is, dit gegeven, dat een belangrijk gegeven is, nog kan voorvallen. Ouders hebben dan veel minder houvast over waar ze terecht kunnen.

Dan kom ik tot mijn derde en belangrijkste opmerking: ziet u een verband tussen wat hier wordt benoemd, parentale burn-out, en het feit dat er zoveel meer kinderen in een relatief beperkte periode in integrale jeugdhulp terechtkomen? Hoe ziet u die link? Vorige legislatuur was er een commissie onder leiding van Else De Wachter, die zich heeft beziggehouden met het zoeken naar de oorzaken van die geweldig grote toename over een goed decennium van het aantal kinderen in de integrale jeugdhulp. Als ik het fenomeen zie van ouders die het gewoon niet meer zien zitten om ouders te zijn omdat ze niet meer weten hoe ze eraan moeten beginnen en zich helemaal burned-out voelen, wat is dan de link daartussen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat als we het ene fenomeen aanpakken, dat ook een positief effect kan hebben op de instroom van het aantal kinderen dat zorg nodig heeft in integrale jeugdhulp?

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Minister, ondanks het feit dat het gegeven van de parentale burn-out ook voor u nieuw blijkt te zijn, stel ik toch vast dat u er toch al een heel uitvoerig actieplan voor hebt. U hebt heel veel initiatieven en maatregelen genoemd die meer van toepassing kunnen zijn op het sensibiliseren rond de thematiek, het preventief werken rond het thema en de zorg. Ook de Huizen van het Kind hebt u uitdrukkelijk genoemd. Ik onderschrijf wat collega Parys zegt. We hebben er al meermaals de aandacht voor gevraagd dat die meer toegankelijk zouden zijn voor ouders met grotere kinderen en niet alleen met hele kleintjes. Evaluaties zullen dat moeten uitwijzen. We hebben natuurlijk gefocust op die eerste fase om mensen gemakkelijk toe te leiden, nog voor de geboorte, maar ook later is dat natuurlijk belangrijk.

De initiatieven via de sociale media vind ik ook heel belangrijk. De druk op mensen om een goede ouder te zijn, ontstaat in de interactie met andere ouders, en door onder meer op sociale media en via het internet continu te zien wat andere ouders doen en wat men dan denkt ook te moeten doen. Als daar een tegenreactie op gegeven wordt, kan ik dat alleen maar onderschrijven.

Tot slot kent u mijn bekommernis voor kinderen en jongeren van ouders met psychiatrische problemen of afhankelijkheidsproblemen. Ik onderschrijf dan ook dat het Familieplatform maar ook anderen daar een rol in hebben. We weten dat heel de hervorming van de leerlingenbegeleiding hier ook in dit parlement nog verder moet worden uitgewerkt, voornamelijk vanuit de commissies Onderwijs en Welzijn. Ik heb in het verleden al meermaals gepleit voor het aanduiden van een aanspreekpunt in scholen, vertrouwenspersonen. Ook in dezen kan daar nog een opdracht liggen zodat jongeren weten met wie ze daarover van gedachten kunnen wisselen en ze weten waar ze terecht kunnen. Ik denk bijvoorbeeld aan onze resolutie over jonge mantelzorgers. Jongeren die in hun thuissituatie geconfronteerd worden met die problematiek, lopen toch wel extra risico's.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

We vragen heel veel van onszelf, en van onze kinderen. We willen een goede partner zijn, een goede werknemer, een goede echtgenoot of echtgenote. Dat kan tot enorm veel stress leiden. Vaak zijn we zeer perfectionistisch, zeer gedreven. We kunnen dat niet alleen hier, in de commissie Welzijn, oplossen. Dat gaat zeer breed.

Jonge mensen hebben vaak ook hoge betalingen, ze ondervinden zware werkdruk, ze hebben kinderen en dat komt allemaal samen. We vergeten die groep soms. We richten ons vaak – ook in de zorgsector – tot de ‘oudere’ generatie, ik bedoel 45+. (Gelach. Opmerkingen)

Daarom wil ik hier nog eens enorm veel aandacht vragen voor die categorie.

Ik had het niet over parentale burn-out, bij mij ging het over de jonge mensen in het algemeen. Minister, kunt u antwoorden op mijn vraag?

Mevrouw Van den Brandt heeft het woord.

We hebben het hier nu gezellig en het is ludiek, maar dit is een alarmsignaal dat we ernstig moeten nemen. Jonge of niet zo jonge ouders krijgen heel wat opvoedingsadvies. Dat komt vanuit de media en sociale media en ook vanuit de overheid.

Er is de goed-genoeg-ouder, maar een ouder ontvangt ook boekjes over vers eten dat men moet geven aan zijn peuter, er is de engagementsverklaring op school, men krijgt de boodschap dat kinderen moeten sporten en cultuur moeten krijgen. Ze moeten een divers aanbod krijgen. Het signaal vanuit de regering is niet altijd zo onschuldig als de campagnes bedoeld zijn. De campagnes streven wel degelijk belangrijke doelen na en hebben hun waarde, maar zitten in het pakket van boodschappen en adviezen die op de mensen afkomen.

Ik wil de link leggen met borstvoeding. Ik veronderstel dat iedereen hier achter het geven van borstvoeding staat, maar jonge moeders en vaders in de zaal weten wel dat de druk om borstvoeding te geven op een gegeven moment zo hoog kan worden dat het een averechts effect krijgt. We moeten nagaan hoe groot de druk op ouders is om aan een bepaald model te voldoen. Dat moet een maatschappelijk debat zijn. Dat moet in de media worden besproken. Het beleid moet daarover waken.

Ik zou u willen vragen om dit als apart thema in uw beleid te houden, niet zozeer omdat er aparte maatregelen moeten komen, wel om dit dieper te gaan analyseren en onderzoeken en het op die manier te gaan benaderen. Als federaal minister van Volksgezondheid De Block terecht de arbeidsgerelateerde burn-outs als arbeidsongeval ziet, is dat omdat ze wil kijken wat de impact van de werkcultuur is op de psychische gezondheid van mensen.

Dus moeten we dezelfde link leggen. Als er zoiets bestaat als parentale burn-out – en het is voor velen van ons iets nieuws – dan moeten we dat wel erkennen en zoeken hoe we die moeder of vader kunnen helpen, hoe we die druk kunnen doen afnemen. Dat is misschien net niet door heel veel andere opvoedingsinstrumenten die we nu hanteren, gewoon te laten doorlopen. Zoals mevrouw Schryvers zegt, u kende het woord niet, maar u hebt een actieplan klaar. Dat is natuurlijk geen nieuw actieplan, het is recyclage van het reeds bestaande beleid rond opvoedingsondersteuning, dat zijn waarde heeft. Ik zou toch een paar onderzoekers of slimme mensen hier verder op willen laten doorgaan en onze of uw eigen rol als overheid stevig onder de loep laten nemen.

Tegelijk moeten we zien welke media-impulsen en sociale media-impulsen er zijn. Het moet niet alleen vanuit de overheid komen. Het is een maatschappelijk probleem en het vraagt een maatschappelijk debat over onze taken en rollen, als ouder, als werknemer, als collega, als vriend, als cultuurminner enzovoort. Kunt u dat gedeelte van uw antwoord herzien?

Mevrouw Van den Bossche heeft het woord.

Nog een aspect dat we niet uit het oog mogen verliezen, en dat is zeker zo bij het opgroeien, is de mate waarin het grootbrengen van een kind – door ouder en kind – grotendeels afhangt van de match tussen ouder en kind. Die match is niet met ieder kind even gemakkelijk te maken. Dat is afhankelijk van de eigenschappen van de ouder, zijn voorgeschiedenis en de eigenschappen van het kind. Dat ouderschap komt niet altijd vanzelf. Los van de brede maatschappelijke bekommernis over die druk – we moeten niet allemaal perfect zijn en goed genoeg is oké – moeten we onderkennen dat de match tussen kind en ouder in heel wat gezinnen, om welke reden dan ook, moeilijker loopt.

Ouders moeten met hun vragen hierover ergens terechtkunnen. Wat kan ik anders doen om de match met mijn kind te verbeteren? Soms lukt het gewoon niet zo goed. Soms krijgen ouders daardoor moeilijkheden, ze voelen zich onmachtig, voelen zich een slechte ouder, stralen dat uit naar de andere kinderen en verzeilen zo in een depressie of burn-out. Waar kunnen zij terecht voor advies of een babbel?

Ik heb het over het stadium vóór de grote psychische klachten zowel bij ouder als kind, gewoon wanneer het niet goed loopt.

De heer Anseeuw heeft het woord.

Wie last heeft van een burn-out, functioneert moeilijk in een of meerdere levensdomeinen, soms wordt dat zelfs onmogelijk. Zoals hier eerder al aangehaald: we hebben allemaal meer dan één rol te vervullen. In dat opzicht volg ik u, minister, dat het onderscheid tussen parentale burn-out en andere vormen eigenlijk niet zinvol of nuttig is. Als we dat zouden doortrekken kunnen we misschien ook nog een onderscheid maken tussen paternale en maternale burn-out. Het klinkt een beetje belachelijk, maar ik wil aangeven dat we op die manier niet echt stappen vooruit kunnen zetten. Het illustreert dat de afbakening van het probleem voor iedereen nog niet erg duidelijk is.

Ik refereer nog eens aan mijn vraag aan u over hetzelfde onderwerp in november 2015. Ik vroeg toen naar wetenschappelijke inzichten. U hebt toen beloofd daar een lijst van op te maken. Het zou goed zijn, mocht er daarover een eensluidende stem klinken. We zouden ons niet moeten verliezen in vragen over parentale burn-out deze week en weer wat anders volgende week. Dan zouden we allemaal over hetzelfde spreken. U hebt onder andere verwezen vorig jaar naar de Arbeids-, Organisatie en Personeelspsychologie van de KU Leuven en naar andere wetenschappers die bezig waren met onderzoek ter zake.

Is die lijst al opgemaakt? Die zou me mateloos interesseren. Kunt u die met ons delen?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Dat is gevraagd aan het steunpunt. We zullen bekijken of hij nog actueel genoeg is en hem dan overmaken.

Dat zijn heel veel vragen, collega’s, fundamentele en brede vragen. Creëren we met onze overheidscommunicatie niet allerlei verwachtingen? Zadelen we de mensen niet op met allerlei verwachtingen? Dat is niet zo verstandig.

Kind en Gezin wil – niet alleen voor jonge kinderen, maar ook voor jongeren die in de actieradius van de Huizen voor het Kind zitten – heel voorzichtig zijn. Ze willen in hun communicatie en aanpak helemaal niet aangeven wat mensen allemaal verkeerd doen of hoe de ideale ouder zich gedraagt. Ze vertrekken van een sterke visie, waardering en ondersteunende communicatie. Ze willen absoluut niet moraliseren, wat misschien af en toe wel eens zou kunnen dreigen. Dat is wetenschappelijk onderbouwd. De adviezen zeggen natuurlijk dat we een soort positief waarderende communicatiestijl gebruiken. We mogen niet beginnen met ‘dat mag niet’ en ‘dat kan niet’ en ‘dit is slecht’. Dat werkt niet. Dat zal zeker een van de aanbevelingen zijn op die conferentie.

Ik deel – maar dat is mijn persoonlijke mening, helemaal niet academisch onderbouwd – de mening van een aantal leden dat we niet mogen onderschatten in welke wereld van verwachtingen we leven. Mijnheer Parys, u vroeg waar dat vandaan komt. Ik denk dat dat vanuit heel wat hoeken komt. Overal wordt er impliciet of expliciet een rolmodel gepresenteerd dat zeer sterk op een ideaaltype lijkt: de hardwerkende ouder. De waarheid is dat dit niet de reële wereld is waarin wij leven.

Mevrouw Rutten zegt dat we geen pastoor moeten zijn. Af en toe moet ik gaan spreken over de vermaatschappelijking van de zorg. Ik moet dan aan de mensen zeggen dat we dat niet allemaal kunnen oplossen met een batterij hulpverleners. De maatschappij moet sensibel zijn, tijd maken voor kwetsbaarheden en zo. Anders verkrampen mensen die dat niet aankunnen of niet meekunnen. Wie niet aan de verwachtingen kan voldoen, zal daarop reageren, en dat gaat in diverse richtingen zoals verslavingen en depressies. Het is geen toeval dat de nood aan geestelijke gezondheidszorg zo groot is. De signalen zijn er. Dat heeft te maken met de hectiek in de samenleving, met de onzekerheden. Er zijn niet alleen de dagelijkse besognes, er is nog veel meer. Zet ’s avonds de tv maar eens aan: het klimaat verandert, terrorisme kan overal opduiken, werk is niet meer zeker. We leven in een scharniermoment in de tijd, waardoor mensen die zich ook nog zorgen maken om hun kinderen en het beste willen voor hun kinderen, onder nog grotere druk staan.

Van jeugdrechters horen we u bevraagt hen wellicht ook af en toe eens dat de jongeren die zij zien, vaak in een moeilijke gezinssituatie zitten: relaties die niet goed lopen, een echtscheiding die moeilijk loopt. Het zijn allemaal contextuele elementen die gedeeltelijk verklaren waarom zoveel zaken terechtkomen bij hulpverleners en professionals.

We focussen met Kind en Gezin niet op jonge ouders, ofschoon de verleiding groot is om de Huizen van het Kind te associëren met de eerste levensjaren. Dat is een werkpunt voor de Huizen van het Kind. We moeten het hebben over ouders, ook als we het hebben over oudere kinderen, pubers en adolescenten. De Huizen van het Kind moeten op dat punt een beetje opletten. Ze mogen zich, alleen al door hun naam, niet in een vakje laten duwen.

Op de gezondheidsconferentie mevrouw Saeys, dat is toch wel een antwoord op uw vraag gaan we werken met settings. Ik ben het eens met u, mevrouw Van den Brandt, ik heb eens de boodschappen geïnventariseerd die we aan zwangere vrouwen geven. Dat is een behoorlijk lijstje. Ze moeten letten op diabetesrisico’s, ze moeten foliumzuur nemen, ze mogen niet roken en niet drinken. Waar zijn we mee bezig? Vanuit allerlei gezondheidsdoelstellingen richten we ons op één groep. Terwijl de kern van de boodschap vaak gelijklopend is. Het is allemaal niet zo verschillend qua tonaliteit, maar het komt allemaal vanuit een verschillende hoek.

En dat is een van de redenen waarom we op die conferentie de bocht zullen maken. Dat is hier trouwens voorgesteld in de commissie. We zullen niet meer het accent leggen op thematische risico’s en aanbevelingen, maar we zullen dat meer settingsgewijs doen. We zullen die thema’s niet verlaten, maar we zullen meer kijken naar een geïntegreerd verhaal. Aan diegenen die expert zijn voor tabaksverslaving, voor alcohol, voor goede voeding en bewegen, zullen we toch zeggen: ‘U hebt expertise en dat is prima. Maar we moeten ook bekijken wat dat betekent voor de ondersteuning van gezinnen, de lokale gemeenschap enzovoort.’ Werk is daarvan een heel belangrijk onderdeel. De bevoegdheden zitten op dat vlak nogal verspreid, maar werk als levensdomein is een ontzettend belangrijk en relevant gegeven.

Wat minister De Block doet, is heel belangrijk. We moeten bekijken hoe we de aandacht vanuit het meer preventieve standpunt rond mentale weerbaarheid kunnen vergroten. De acties die op federaal niveau in werkbaar werk zitten, zullen daartoe moeten bijdragen.

Mevrouw Van den Bossche, ik kan uw opmerking alleen maar bevestigen. Ik moet vaak horen van ouders dat ze mateloze schuldgevoelens hebben over iets dat niet goed gaat. Ze gaan altijd op zoek naar het antwoord op de vraag wat ze dan verkeerd hebben gedaan. Vaak is dat natuurlijk niet de schuld van de ouders. Het kan niet zomaar worden omgezet in een culpabiliserende houding. Ik denk dat dat achterliggende gevoel dat er bij vele ouders is misschien wel de parentale burn-out kan veroorzaken. Het is het gevoel dat ze iets fout doen als het met hun kind niet gaat zoals de ideale weg er zou moeten uitzien.

Persoonlijk denk ik dat de toon en boodschap die Kind en Gezin daarin geeft, juist is, zowel qua tonaliteit als qua inhoud. Ik weet wel dat het soms grappig is, tot hilarisch toe, zoals bijvoorbeeld de date-dag. (Gelach. Opmerkingen)

Iedereen vraagt mij om meer aandacht te schenken aan preventie, gezondheidspromotie en ziektepreventie. Daarom is het goed dat er ook eens wordt benoemd dat het investeren in relaties belangrijk is in de samenleving. We moeten daar natuurlijk niet paternalistisch of betuttelend over doen. Ik heb heel veel reacties gekregen van experts op het terrein. Zij zeggen dat we erover kunnen discussiëren of het met die campagne moet zijn of op een andere dag. Het begon trouwens al bij mij thuis, want mijn vrouw zei: ‘Als er één avond is waarop je niet thuis bent, dan is het wel donderdag.’ (Gelach. Opmerkingen)

Maar ik blijf erbij: als je een welzijnsbeleid wilt voeren en meer wilt inzetten op het preventieve aspect, dan zijn relaties, duurzame relaties en investeren in kwaliteitsvolle relaties een issue. Het is niet de bedoeling om elke maand zo’n campagne te voeren. Maar ik denk wel dat het voor een stuk daar begint. Hoe kun je mensen kaders aanreiken en empoweren om de druk van omstandigheden te keren in de richting van waar de dingen zijn die echt belangrijk zijn?

De heer Parys heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Misschien moeten we allemaal gewoon wat eerlijker zijn over hoe het er bij ons thuis aan toe gaat? Ik heb het boek ‘Oei, ik groei’ vanaf maand één in de vuilbak gesmeten omdat ik zag dat dat toch niet van toepassing was.

Als we mensen ertoe zouden kunnen aanzetten om, zoals dat op Facebook wordt gedaan, hun eerlijke ervaringen met elkaar te delen, denk ik dat er al heel wat stress zou wegvallen. Als ik mensen die net mama en papa zijn geworden alleen maar ‘rozewolkverhalen’ hoor vertellen, dan gaat er bij mij toch een achterdochtlichtje branden, want dat heeft toch weinig te maken met de realiteit.

Ik vind het dus belangrijk om eerlijk zijn en daar zelf mee te beginnen. 

Mevrouw Van den Brandt, ik wil u geruststellen: zelf hebben wij nooit de druk gevoeld om borstvoeding te geven. (Opmerkingen van Elke Van den Brandt)

Bij ons thuis was dat absoluut niet van toepassing. En toch vinden we van onszelf dat we niet de slechtste ouders zijn.

We moeten een evenwicht vinden tussen niet te betuttelend zijn, omdat dat stress creëert, en te laten weten dat, als je advies of een luisterend oor nodig hebt, je ergens terechtkunt. Dat evenwicht moeten we nastreven.

Mevrouw Schryvers heeft het woord.

Inzetten op positief ouderschap en campagnes als ‘goed genoeg’ kan bij mensen de druk wegnemen om de perfecte ouder te zijn. Dat is al een heel goed begin.

Misschien moeten we inderdaad allemaal eens bij onszelf gaan kijken. Mijnheer Parys, u hebt opgeroepen om bekentenissen te doen. Ik kan u garanderen dat het bij ons thuis soms ook heel hectisch is. (Opmerkingen)

Ik zal nu geen voorbeelden geven. In mijn geval gaat het over grotere kinderen. Aan diegenen met kleine kinderen die denken dat het beter wordt als ze groter zijn: dat is helaas niet zo. Het is overal met vallen en opstaan.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Ik kan er niet meer zoveel aan toevoegen.

De heer Parys zei dat hij onmiddellijk zijn boekje ‘Oei, ik groei’ in de vuilbak heeft gegooid. Dat illustreert nog maar eens hoe vaak pas bevallen vrouwen boekjes in hun handen geduwd krijgen, met de boodschap: ‘De baby moet gemiddeld zoveel drinken. Je moet in een boekje bijhouden hoeveel hij drinkt, wanneer en hoeveel volle pampers hij heeft, hoe vaak hij plast enzovoort.’ Vrouwen houden zo’n boekje dan dwangmatig bij, maar zien dat dat niet juist is. Het zorgt voor heel veel druk en stress. Het zijn net zulke zaken die we moeten vermijden. Daarom is die thematische omslag echt essentieel. We moeten dat beginnen door te trekken in alles.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Ik wilde nog vermelden dat een organisatie als de Gezinsbond heel wat goed werk verricht. Ze hebben tijdschriften voor alle leeftijdsgroepen van kinderen. Er zijn ook andere organisaties die ons daarin heel erg ondersteunen.

En die organisaties hebben zich die meer thematische benadering wel al grotendeels eigen gemaakt.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.