U bent hier

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Voorzitter, collega’s, naar aanleiding van een artikel in het Leuvense studentenblad Veto kwam recent aan het licht dat een aantal instellingen in het hoger onderwijs zogenaamde ‘spookopleidingen’ zouden aanbieden om de huidige taalregeling in het hoger onderwijs te omzeilen. Concreet worden er Nederlandstalige equivalenten van een anderstalige master op papier aangeboden, maar in de praktijk zou die opleiding neerkomen op zelfstudie.

Decretaal is vastgelegd dat instellingen een anderstalige opleiding kunnen aanbieden indien er in het Vlaamse onderwijslandschap, dus niet verplicht in die instelling, dat wil ik toch nog eens benadrukken, een Nederlandstalige variant wordt aangeboden. Aangezien de hogeronderwijsinstellingen mij er altijd van overtuigen dat ze zeer goed samenwerken en onderling goede afspraken hebben, lijkt dat geen probleem, of zou het toch geen probleem mogen zijn.

Het is misschien een open deur intrappen, maar onze partij blijft er uiteraard voor ijveren dat het Nederlands als volwaardige onderwijstaal in het hoger onderwijs overeind blijft. Minister, ik wil daar nog aan toevoegen – want ik heb ondertussen ook een antwoord op mijn schriftelijke vraag gekregen – dat de bovengrens van de toegelaten percentages opleidingen in een andere taal nog lang niet is overschreden. Wat de masters betreft, kan men tot 35 procent in een andere taal aanbieden, terwijl op dit moment 21,6 procent in een andere taal gebeurt. Wat de bacheloropleidingen betreft, kan men tot 6 procent in een andere taal aanbieden, terwijl op dit moment slechts 1,9 procent in een andere taal wordt aangeboden. Ondanks alle onheilsberichten dat men geblokkeerd zit, dat men geen ruimte meer heeft, stel ik dus vast dat er nog 14 procent anderstalige masters en nog ongeveer 4 procent anderstalige bachelors kunnen worden georganiseerd. Die onheilsberichten begrijp ik dus niet goed.

Ik wil wel toevoegen dat we uiteraard voorvechters zijn van het beheersen van meerdere moderne vreemde talen, zonder het Nederlands te willen marginaliseren. Daarnaast is er ook een sociaal aspect. Dat wil ik toch wel eens onderstrepen. Dat was de reden voor de taalregeling en de toenmalige aanpassing van artikel 91: als we echt willen inzetten op het geven van betere kansen aan alle jongeren in het hoger onderwijs, dan moeten we ook diegenen kunnen bereiken die al moeite genoeg hebben met het beheersen en het verwerven van het Nederlands doorheen hun schoolcarrière in het leerplichtonderwijs en waarvoor een opleiding in een andere taal, als die wordt georganiseerd, nog een extra moeilijkheid is.

Minister, hoe reageert u op het inrichten van die zogenaamde spookopleidingen, waarbij er inderdaad wel een Nederlandstalig equivalent bestaat, maar niemand eigenlijk wordt aangeraden om dat te doen en het de facto zelfstudie is voor wie dat toch doet? Hebt u aan de regeringscommissarissen, die hierop toezien, de opdracht gegeven om bij de jaarlijkse controle inzake de onderwijstaal ook actief op zoek te gaan naar dergelijke omzeilingen? Als ik goed ben geïnformeerd, is die controle nu aan de gang. Staan er dus docenten op die Nederlandstalige equivalenten en gebeuren daar ook contacturen in? Hoe zult u de hogeronderwijsinstellingen duidelijk maken dat de vraag naar versoepeling haaks staat op de vaststelling dat de decretaal geformuleerde grenzen helemaal nog niet zijn bereikt? Welke maatregelen zult u nemen om zogenaamde spookopleidingen een halt toe te roepen?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Ik dank u voor de vraag, die ook een weg heeft gevonden in de media. Dat de universiteiten en hogescholen problemen hebben met de implementatie van de huidige taalregelgeving is ons al via diverse fora duidelijk gemaakt. Het artikel in Veto over de zogenaamde spookopleidingen heeft me wat verontrust. Dat wil ik toch wel onderstrepen. De taalregeling die wij kennen, is een evenwichtsoefening. Het kan niet de bedoeling zijn dat die in de praktijk wordt uitgehold. Een opleidingsonderdeel waarvan de onderwijstaal het Nederlands is, moet ook in het Nederlands worden gedoceerd. Dat wil niet zeggen dat bijvoorbeeld anderstalige mediafragmenten of vakliteratuur niet aan bod kunnen komen.

Om hoger onderwijs te geven, moet je voortgaan op internationale wetenschappelijke inzichten, en die zijn uiteraard niet allemaal Nederlandstalig. Maar studenten hebben dus wel het recht om een opleidingstraject ook in het Nederlands te volgen, en dat moet meer zijn dan een loutere zelfstudie.

Ik ben er mij van bewust dat er over die aanbiedingsvorm decretaal geen richtlijnen bestaan, maar zoiets is niet conform de geest van de taalregelgeving. Met uitzondering van de ingenieursopleidingen blijkt nog altijd dat Nederlandstalige opleidingen veel meer studenten aantrekken en dat de anderstalige equivalenten voornamelijk door buitenlandse studenten worden bevolkt. Dat zien we ook in het nieuwe taalrapport, over het academiejaar 2014-2015, dat op dit ogenblik gefinaliseerd wordt. In het artikel van Veto werden enkel faculteiten ingenieurswetenschappen bevraagd. Dat is dus toch een belangrijke nuance die we moeten maken bij de signalen die er gekomen zijn.

De taalregeling geeft studenten het recht om van een anderstalige opleiding ergens in Vlaanderen een Nederlandstalig equivalent te kunnen volgen. De garantie van dat recht wordt op twee manieren gecontroleerd: eerst en vooral door de Commissie Hoger Onderwijs en in tweede instantie door de regeringscommissarissen.

De eerste controle gebeurt door de Commissie Hoger Onderwijs bij het aanvragen van anderstalige opleidingen. Een van de criteria waarop de commissie de aanvraag moet toetsen, is het bestaan van een volledig Nederlandstalig traject. Dat is de equivalentievoorwaarde. Eventueel kan er een vrijstelling worden gevraagd voor die verplichting, bijvoorbeeld omdat een opleiding zeer specialistisch is of zeer internationaal gericht. In dat geval moet de Vlaamse Regering die vrijstelling toekennen. Maar wanneer er dus geen vrijstelling is, geldt de controle door de Commissie Hoger Onderwijs. Als er niet voldaan is aan de voorwaarde dat er een Nederlandstalig equivalent georganiseerd wordt, krijgt een dossier geen positief advies. We mogen niet uit het oog verliezen dat het gaat om aanvragen sinds de invoering van de nieuwe regelgeving via het Integratiedecreet van 2012.

De tweede controle is in handen van de regeringscommissarissen. Die moeten erop toezien dat een onderwijsinstelling ook handelt conform het decreet. Aangezien het hier gaat om een recht van studenten, zijn zij in de eerste plaats aangewezen op klachten die hen hierover bereiken. Ik heb gevraagd dat ze mij hierover informeren en desgevallend de nodige acties voorstellen om deze problematiek op te volgen.

Hoe gaan we daar nu mee om? Het klopt dat de decretale maxima voor het aandeel anderstalige opleidingen nog niet bereikt zijn. Nog lang geen 6 procent van de bacheloropleidingen of 35 procent van de masteropleidingen is momenteel anderstalig. De instellingen hebben dus nog ruimte om dat aanbod uit te breiden, binnen de voorwaarden en controles die ik al geschetst heb.

Collega’s, ik vermoed dat de instellingen niet zozeer die percentages aanvechten, maar wel de procedures en in het bijzonder de verplichting tot equivalentie. Die vereist volgens hen organisatorische inspanningen en middelen, en remt op die manier het anderstalige aanbod af. De vraag naar versoepeling staat dus niet echt haaks op de vaststelling dat de grenzen nog niet zijn bereikt: de argumentatie is precies dat die grenzen nog niet bereikt zijn omdat de voorwaarden te scherp zijn.

Conform het regeerakkoord sta ik uiteraard open voor een verdere evaluatie van de taalregeling. Ik kijk in die context ook uit naar een advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) dat momenteel wordt voorbereid, op basis van het denkwerk over een taalvisie voor het hoger onderwijs.

Ik ben zelf zeker geen vragende partij voor een verengelsing van het hoger onderwijs zoals dat in Nederland voor een stuk plaatsvindt. We houden vast aan het Nederlands als academische taal. Dat heb ik al heel vaak gezegd. Maar tegelijk willen we de internationale positie en openheid van ons hoger onderwijs garanderen. Dat is het evenwicht waarbinnen voor mij de discussie kan worden gevoerd. We stellen vast dat heel wat jongeren ervoor kiezen om bepaalde vakken in het Engels te volgen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik wil een aantal zaken aanstippen. U zegt terecht dat het een evenwichtsoefening. Ik onderschrijf het volledig wanneer u zegt: ‘Nederlands is Nederlands, maar anderstalige fragmenten en vakliteratuur kunnen.’ Uiteraard. De N-VA staat daarachter. Het klopt als een bus.

Ik wil daaraan echter een andere vraag toevoegen die ook in het regeerakkoord staat. Ik citeer: “We stellen het Vlaams Academisch bibliografisch bestand voor de sociale en de humane wetenschappen verder op punt, zodat publicaties in het Nederlands en bijdragen aan het maatschappelijk debat beter gevaloriseerd worden.” Hoever staat u daarmee? Dat gaat over de opleiding en verdere bijsturing en integratie van die publicaties in ons Vlaamse veld. Ik wil met u het veld opgaan en aan de leerkrachten vragen hoeveel mensen Teacher and Teaching Education, een tijdschrift op het vlak van pedagogiek, lezen. Ik vrees dat het antwoord zeer laag zal liggen. Mensen lezen Klasse, Forum, en in het beste geval – maar dan zijn het al heel actieve mensen – het Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid. We moeten daar dus op inzetten.

U verwijst terecht naar de kwaliteit van de opleiding. Daarom zijn die regels net ingevoerd in het voormalige artikel 91 van het decreet, momenteel hoofdstuk 8, artikel II.260 en volgende van de Codex Hoger Onderwijs. Het gaat over de kwaliteit voor de student. U haalt aan dat de regeling werd ingevoerd in 2012. We zijn nu 2016. Ik vind het opmerkelijk dat men nu plots naar voren komt met implementatieproblemen.

Minister, u zegt dat de regeringscommissarissen moeten afgaan op klachten van studenten. Dat is natuurlijk een heikel punt. Je kunt van studenten veel verwachten en je kunt denken dat er heel veel vertrouwen is in instellingen, maar als je aan een student vraagt om aan zijn eigen faculteit te melden dat hij het niet eens is met iets wat die faculteit net heeft ingericht en je bent de enige, dan is dat een brug te ver. De regeringscommissarissen hebben de duidelijke taak om na te gaan of er een equivalent bestaat, niet enkel op papier, maar of er werkelijk ook zaken plaatsvinden.

Minister, u hebt gezegd dat de spookopleidingen enkel komen uit ingenieursfaculteiten die Veto heeft onderzocht. Daarvan was ik op de hoogte, maar vraagt u actief aan de regeringscommissarissen om ineens ook andere faculteiten te bekijken? Ik wil nadenken over mogelijke implementatieproblemen, maar dan heb ik het wel moeilijk met instellingen voor hoger onderwijs die moord en brand schreeuwen over de percentages en dat niemand het vraagt. Als je studenten de mogelijkheid niet geeft en als je een spookopleiding inricht, dan daalt mijn vertrouwen een beetje, wat ik ook uit uw antwoord heb begrepen.

De voorzitter

Mevrouw Soens heeft het woord.

Tine Soens (sp·a)

Minister, in een eerder Vlor-advies stond dat die procedure wel heel complex is en dat er aanpassingen moeten aan gebeuren. Als ik me niet vergis, komt daarover in februari een nieuw Vlor-advies. Hebt u plannen om die complexe procedures aan te passen?

De Codex Hoger Onderwijs voorziet in een afwijking van de equivalentieregeling. Hebt u een zicht op hoeveel afwijkingen er zijn gevraagd en of daar ook weigeringen tussen zitten?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, ons standpunt is duidelijk: vanzelfsprekend moet het Nederlands ook in het hoger onderwijs als volwaardige onderwijstaal blijven functioneren. Tegelijk ondersteunen we uw ambitie om in dialoog met de instellingen te bekijken of het huidige taalbeleid nog aansluit bij de noden inzake internationalisering. Dat is trouwens ook een citaat uit uw beleidsbrief. Ondertussen kan dat niet als gevolg hebben dat de decretale regeling niet zou worden toegepast. Als er interesse bestaat voor een opleiding in het Nederlands, kan dat niet uitsluitend met zelfstudie.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mevrouw Soens, op uw vragen over de cijfers kan ik niet antwoorden. Dat moet ik opvragen.

Mijnheer Daniëls, geen probleem, ik bekijk dat actief met de regeringscommissarissen. Het is niet zo dat ze wachten op een klacht.

Ik had begrepen dat u zei dat er natuurlijk klachten moeten zijn van studenten.

Minister Hilde Crevits

Neen, ik heb gezegd: wat ze logisch doen, is dat ze soms wachten op een klacht, maar het is wel hun taak. Het is het recht van studenten. We hebben gevraagd om de studenten zeer actief te informeren. Het is van belang te weten wat de zaken zijn. Als we voelen dat er knelpunten zijn in de procedure, en ze zeggen dat ze dat niet willen doen omdat ze zich afvragen hoe het zal overkomen, dan moeten we dat gewoon aanpassen.

Ik heb sowieso gevraagd aan de regeringscommissarissen om dat actief op te volgen, en niet alleen voor de ingenieurs, maar als totaal thema binnen de universiteiten en hogescholen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Minister, dank u wel dat u de regeringscommissarissen actief het onderzoek laat doen. Ik zal uitkijken naar de resultaten daarvan. U bevestigt actief dat het niet kan dat een student die kiest voor een Nederlandstalig equivalent, moeilijk doet en scheef wordt bekeken. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Mevrouw Soens, u verbaast me een beetje. Als hoofdstuk 8 van de Codex Hoger Onderwijs onder titel 4 complex zou zijn, dan zult u allicht aangeven dat de financiering zeker complex is. De waarborgen in artikel II.260 en volgende zijn ingeschreven in de vorige legislatuur in 2012. Uw partij heeft aangedrongen om bepaalde zaken op die manier te formuleren, net om achterpoorten te sluiten.

Ik zie dat u ja knikt, dus ik meen te mogen begrijpen dat u niet hebt gezegd dat het complex is – wat het volgens mij niet is – en dat we het dus minder complex moeten maken om dan weer achterpoorten open te zetten. U verwijst naar de Vlor, dus is dat wellicht niet uw standpunt. Dan zijn we het daarover eens. Waarvoor dank.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.