U bent hier

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Minister, het is ons bekend dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) eindelijk werk maakt van regelgeving die inburgering in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest verplicht maakt. In het voorjaar van 2016 resulteerde dat reeds in een voorontwerp van ordonnantie. Met dat ontwerp zou de GGC de verplichte inburgering in Brussel opleggen, terwijl de Vlaamse en de Franse Gemeenschap bevoegd blijven voor inburgeringstrajecten. De Brusselse gemeenten zouden ook een belangrijke rol krijgen: ze zullen de inburgeraars immers moeten doorverwijzen naar de trajecten van de gemeenschappen.

De Vlaamse Gemeenschap werd aanvankelijk niet geraadpleegd bij de totstandkoming.

Minister, zult u ervoor zorgen dat er voldoende garanties komen dat de Brusselse gemeenten op een billijke manier personen zullen doorverwijzen naar de trajecten van de Vlaamse Gemeenschap, en dus niet alleen naar die van de Franse Gemeenschap? Zult u in de toekomst de vergaderingen van het Verenigd College van de GGC actief bijwonen, opdat de Vlaamse Gemeenschap in dit dossier alsnog de rol kan spelen die haar toekomt?

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Mijnheer Vanlouwe, als vervolg op onze gesprekken over de beleidsbrief vorige week is er nu deze detailvraag over de voortgang van het inburgeringsdossier en mijn rol en die van de Vlaamse Regering daarin. Ik wil herhalen wat ik reeds eerder heb gezegd. Zoals we weten, werd de verplichte inburgering ongeveer twee jaar geleden voor het eerst principieel afgesproken in het bestuursakkoord van de GGC. Op 14 april werd het voorontwerp van ordonnantie in eerste lezing goedgekeurd. In dit vrij complexe dossier lijkt het afgelegde traject me tot nu toe voldoende vlot te lopen. Ik zal daarop terugkomen wanneer ik zal zeggen waar we nu precies staan.

U komt bij uw vragen over verplichte inburgering terug op de vraag of ik mijn rol als Vlaams minister van Brussel in dezen voldoende heb gespeeld. Om die vraag te beantwoorden, zou ik zeker het onderscheid willen maken ­ wat ik in het verleden ook heb gedaan ­ tussen de formele rol die ik eventueel kan spelen door de mogelijkheid om aanwezig te zijn op vergaderingen van het GGC-college en de informele rol die ik kan spelen door mijn Brusselse kennis en contacten ter beschikking te stellen van zowel Brusselse als Vlaamse collega’s. Het is mijn mening dat u een formele aanwezigheid in het GGC-college niet moet overschatten. Ik stel echter voor dat we vandaag niet te veel doorgaan op dat punt. We weten dat we daarover niet helemaal op dezelfde golflengte zitten. Het GGC-college is immers, wanneer bepaalde zaken op de agenda staan, zoals de Vlaamse ministerraad maar een formeel eindpunt van besluitvormingsprocessen die natuurlijk al veel vroeger informeel zijn gestart. Het is daarbij vooral van belang om vroeg genoeg mee te kunnen deelnemen aan het besluitvormingsproces.

Ik ben van oordeel dat ik in het dossier van de verplichte inburgering wel degelijk mijn rol heb gespeeld. Ik heb daar bij vorige vragen om uitleg al een aantal antwoorden op gegeven. Mijn kabinet bracht kabinetten samen. Dat is letterlijk wat er moet gebeuren voor een aantal zaken daadwerkelijk formeel op de agenda worden gezet van het Verenigd College van de GGC. Ik had hierover contact met de Vlaamse en Franstalige collegeleden en uiteraard ook met collega Homans. Mocht ik wel aanwezig zijn geweest toen het GGC-college op 14 april het voorontwerp van ordonnantie in eerste lezing goedkeurde, dan zou dat op dat moment geen verschil meer hebben gemaakt, omdat de beslissingen vooraf waren voorbereid, en daarbij waren we aanwezig.

Op 14 april werd het voorontwerp van ordonnantie inderdaad in eerste lezing goedgekeurd door het Verenigd College van de GGC. In het voorontwerp worden een aantal belangrijke krijtlijnen verder omschreven, zoals de verplichte doelgroep, de sancties, de vrijstellingen en de rol van de Brusselse gemeenten. Gezien uw vraagstelling beperk ik me op dit ogenblik tot het laatste. Artikel 6 van het voorontwerp gaat dieper in op de rol van Brusselse gemeenten. Het is de gemeente waar de nieuwkomer voor het eerst wordt ingeschreven in het vreemdelingenregister die de nieuwkomer informeert over zijn of haar verplichtingen en eventuele sancties. Daarnaast is het ook de taak van die gemeente om de nodige informatie te verschaffen over de diverse inburgeringstrajecten en wat die precies inhouden. Het is belangrijk hierbij te vermelden dat de vrije keuze van de nieuwkomer is gegarandeerd, zoals dat trouwens ook voor andere gemeenschapsaangelegenheden – want dit is natuurlijk een gemeenschapsaangelegenheid – in de hoofdstad nog steeds van toepassing is.

Het zijn dus de Brusselse gemeenten die de informatieopdracht toegewezen krijgen. Ik ben van oordeel dat dat een logische regeling is. In Vlaanderen is dat immers niet anders. Zoals we weten, is ook bij het Vlaamse inburgeringsbeleid de informatieopdracht toegewezen aan de gemeenten. Ik ga ervan uit dat het goed is om die visie hier nu ook door te trekken.

De Brusselse context verschilt natuurlijk van de Vlaamse, in die zin dat binnen het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de beide gemeenschappen actief zijn wat inburgering betreft. Uw vraag is dus zeker ingegeven vanuit een zekere bezorgdheid, die ik voor een stuk deel, over hoe die informatieopdracht in de praktijk zal worden geregeld en ingevuld. Zoals u allicht weet, is het de bedoeling om een samenwerkingsakkoord te sluiten tussen de betrokken overheden, met het oog op verdere afstemming. Op dit ogenblik is er een eerste versie van dat samenwerkingsakkoord gemaakt. Die zal binnenkort tussen de kabinetten beginnen te circuleren. In de diverse kabinetten en administraties heeft men dus niet stilgezeten. Dat is toch wel een bijkomend element ten opzichte van ons gedeeltelijk debat van vorige week. In het kader van die gesprekken en onderhandelingen zal er meer duidelijkheid moeten komen over hoe de gemeenten hun informatieopdracht concreet zullen opnemen. Uiteraard zal ik er samen met mijn collega Homans, die de bevoegde minister is, voor pleiten dat dit op een objectieve, transparante en neutrale manier gebeurt. Het is belangrijk dat die principes het uitgangspunt zijn van de gesprekken. Een mogelijkheid in deze context zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de Vlaamse Gemeenschap en de Commission Communautaire Française (COCOF) gezamenlijk informatiemateriaal ontwikkelen in twee of meer talen met uitleg over de diverse trajecten waaruit de nieuwkomer kan kiezen.

Daarbij aansluitend wil ik vermelden dat ik niet denk dat we naar een situatie zullen evolueren waarbij het aanbod van de ene overheid die van de andere zal wegconcurreren. Maar goed, we gaan dat goed bewaken en we zullen daarover de komende maanden en jaren ook hier de gesprekken voeren. Ik ga er ook niet a priori van uit dat dat de bedoeling is van de lokale besturen. Misschien moeten sommige besturen daarover wat goede richtlijnen krijgen, maar zeker niet alle. Bovendien heeft de Vlaamse Gemeenschap al jarenlang een succesvol aanbod in Brussel. Nieuwkomers kunnen ook kiezen voor het Vlaamse traject omdat dat kwalitatief hoogstaand is. De discussie over het onderwijs loert hier toch ook een beetje om de hoek. Via de tamtam wordt ook onder nieuwkomers aangegeven hoe belangrijk het is om Nederlands te kennen, als taal voor sociale mobiliteit. Dat zal hierbij naar mijn aanvoelen toch ook wel een rol spelen. Ik ben er dus wel gerust in dat dat ook in de toekomst het aanbod van het Brusselse Onthaalbureau aantrekkelijk zal blijven maken voor de toekomstige inburgeraars.

Zoals ik in vorige debatten en in de inleiding van deze vraag aangaf, volg ik het dossier wel degelijk nauwgezet, samen met collega Homans, formeel en informeel. We plegen overleg op kabinetsniveau en grijpen in waar nodig. Ik blijf van mening dat dat de beste manier is om de zaken actief te volgen en waar nodig faciliterend op te treden. We weten allemaal dat de Vlaamse Gemeenschap bij monde van minister Homans enkele maanden geleden in dit dossier haar advies formeel heeft overgemaakt en toegelicht aan de bevoegde GGC-ministers. Dit lijkt mij een juiste manier van werken waarbij enerzijds de autonomie van de GGC wordt gerespecteerd en anderzijds de Vlaamse Gemeenschap communicatief optreedt.

Ik geef mee waar we momenteel staan. Ik heb de laatste informatie opgevraagd. Het samenwerkingsakkoord is in opmaak. Er bestaat al een tekst waarop men kan beginnen te werken. Binnen de Brusselse overheid, met name de GGC, zijn er twee debatten gaande. Ten eerste is er een debat over het budget: wat is de precieze impact van de invoering van de verplichting op de budgetten? Ten tweede is er een debat over de actoren die het inburgeringsbeleid uitvoeren. Aan Vlaamse kant stelt zich die vraag niet omdat het daar heel duidelijk is. Aan Franstalige kant moet het worden uitgeklaard.

Met deze twee debatten over het budget en de actoren die het inburgeringsbeleid uitvoeren en het feit dat een samenwerkingsakkoord in opmaak is, parallel met het goedkeuren van de definitieve ordonnantie, zou het in orde moeten komen. Het is mijn hoop en ook die van u dat men in Brussel in januari 2017 wel degelijk van start kan gaan met de verplichte inburgering.

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Minister, ik hoop inderdaad met u dat er in januari 2017 een verplichte inburgering in Brussel zal zijn. Dit heeft al een lange lijdensweg doorgemaakt. We zijn hier in Vlaanderen al twaalf jaar mee bezig. Ik betreur dat u niet naar het GGC-college gaat. We hebben daarover al vaak gediscussieerd. Ik vind dat absoluut noodzakelijk omdat u daar mee aan het roer staat van het beleid, ook het verplicht inburgeringsbeleid in Brussel. Nu moeten we post factum bijsturen. U staat niet aan de knoppen en laat het beleid volledig over aan de GGC. U bent nochtans zelf – zij het niet volwaardig – lid van dat GGC-college. U zegt altijd bruggen te willen bouwen tussen de verschillende overheden. U hebt ook een brugfunctie door aanwezig te zijn op dat GGC-college. Ik vraag me soms af of uw collega’s u daar liever niet zien komen, terwijl u zou kunnen sturen en het inburgeringsbeleid onmiddellijk mee zou kunnen uittekenen. Wij hebben expertise en ervaring desbetreffend.

We hebben daarover anderhalf jaar geleden ook gediscussieerd. U hebt toen gezegd dat u niet naar het GGC-college zou gaan en u hebt dat ook niet gedaan tijdens de voorbije veertig GGC-vergaderingen. Minister Homans heeft in de commissie Deradicalisering gezegd dat ze verwonderd was toen ze een ontwerp van ordonnantie in eerste lezing kreeg waarbij Vlaanderen niet betrokken was. U had nochtans zelf de mogelijkheid om aanwezig te zijn en te sturen.

U zegt dat de gemeenten een belangrijke rol krijgen. We kennen de politieke samenstelling van heel wat Brusselse gemeenten. Die is wat ze is en ik hoop dat die ooit verandert. Ik vraag me af of de gemeenten effectief zullen meewerken aan het begeleiden van de nieuwkomers en hen zullen leiden naar de Vlaamse inburgeringstrajecten in Brussel. In de rest van Vlaanderen gebeurt dat via de gemeenten. Ik vraag me echter af of de Vlaamse Gemeenschap hier niet rechtstreeks aanwezig moet zijn, of de VGC of de Vlaamse schepenen in die gemeenten daarin geen bepaalde rol moeten spelen. Ik vrees dat nieuwkomers zullen worden toegeleid naar de Franstalige inburgering en dat we daar misschien het slachtoffer van zouden kunnen worden.

De essentie van mijn vraag is om in de toekomst wel degelijk naar het GGC-college te gaan en om op de dossiers die op ons afkomen, zoals kinderbijslag, van bij aanvang te wegen. Op die manier moeten we niet post factum bijsturen en kunnen we meteen de visie van de Vlaamse Regering meegeven.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik troost me met de gedachte dat de doelstelling die we in deze commissie over alle partijen heen nastreven, namelijk een verplichte inburgering in Brussel en liefst zo snel mogelijk – aan het begin van deze legislatuur was dit gepland voor begin 2017 –, veel belangrijker is dan de methode, namelijk al dan niet aanwezig zijn op het GGC-college. Ik troost me met die gedachte.

De heer Vanlouwe heeft het woord.

Ik blijf dit toch betreuren. Het gaat niet over de methode, maar we hebben expertise en ervaring die ondertussen al twaalf jaar oud is. Het was nuttig geweest dat de Franse Gemeenschap daar gebruik van had gemaakt als ze er wat meer voor openstond. U moet de tools en de middelen waarin wettelijk voorzien is, gebruiken en op die manier aan het stuur gaan staan in het GGC-college. De Bijzondere Brusselwet laat dat ook toe. In het verleden waren er discussies over hoe dat zou kunnen gebeuren en werden ministers niet uitgenodigd.

Ik blijf het jammer vinden dat u daar niet naartoe gaat, en ik hoop dat u dat in de toekomst wel zult doen in plaats van aan de zijlijn toe te kijken en dus maar achteraf te kunnen bijsturen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.