U bent hier

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi (sp·a)

Minister, eind juni besliste de Vlaamse Regering over de volgende vijfjarige subsidieronde voor kunstenorganisaties, voor de ondersteunende organisaties binnen de kunsten en voor de grote Vlaamse kunstinstellingen. We hebben daarover in juli een heel uitvoerig debat gevoerd. Ik zal het nu niet herhalen, maar de conclusie is wel dat het een gekortwiekt of gedecimeerd landschap tot gevolg heeft. Dat leidde tot heel wat consternatie en bezorgdheid binnen de sector.

De organisaties die subsidies ontvangen, krijgen over het algemeen veel minder dan ze hebben gevraagd. Van de 302 aanvragen kregen er 244 een positief advies. Slechts 207 organisaties kregen ook daadwerkelijk een subsidie, waarvan er maar 13 organisaties nieuw zijn in het kunstenlandschap. Voor nieuwe organisaties leek het haast onmogelijk om een werkingssubsidie te verkrijgen.

Vandaag hebben heel wat organisaties die hun werkingssubsidie kwijtspeelden grote kopzorgen. Er is nauwelijks tijd om de organisaties te ontbinden of te vereffenen. De slachtoffers van deze maatregelen zijn voornamelijk de werknemers. Er zullen ontslagen vallen en er moet ook een uittredingsvergoeding worden betaald. Omdat deze organisaties niet onbeperkt provisies mogen aanleggen, is in het verleden in soortgelijke gevallen de Vlaamse Regering tussengekomen.

Minister, hoe zult u er in de toekomst voor zorgen dat nieuwe kunstorganisaties succesvol kunnen starten? Hebt u hiervoor een plan?

Toen we in juli het debat voerden, heb ik u gevraagd of er kan worden gedacht aan een uitdoofsubsidie, een transitiesubsidie of een uitstroomsubsidie. Wat met het sociaal passief voor de kunstenorganisaties die uit de boot vallen? Hadden ze dat moeten voorzien? Werd de organisaties steeds toegelaten een sociaal passief uit te bouwen wanneer ze dat in hun bestedingsplan aangaven? Zou er niet beter in alle gevallen sociaal passief worden aangelegd?

Ten slotte heb ik een heel belangrijke vraag. Hebt u er zicht op welke kunstenorganisaties in de problemen zullen geraken?

Het stopt op 1 januari 2017. Ik neem aan dat de organisaties vandaag een zicht hebben op wat er gaat gebeuren. Sommige gaan definitief stoppen, andere gaan proberen om met andere organisaties samen te werken en gaan projectsubsidies aanvragen. Hebt u zicht op hoe het er vandaag uitziet en welke organisaties effectief in de problemen zullen geraken? Hebt u er ook zicht op hoeveel mensen hun job zullen verliezen of ondertussen ontslagen zijn?

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Het Kunstendecreet voorziet, zoals u weet, in projectsubsidies die tot drie jaar kunnen duren. Deze meerjarige projecten zijn ook bedoeld voor de opstart van een vaste werking van een kunstenorganisatie. Het blijft echter een feit dat het kunstenveld de voorbije jaren steeds groter is geworden en dat de vraag om middelen verder is gestegen. Daardoor is – zelfs met de bijkomende middelen van voor de zomer en van nu, voor volgend jaar – de selectie strenger geworden. Hoewel het iets zal verbeteren de komende jaren, zal dat fundamenteel niet veranderen. Maar dit betekent niet dat er geen mogelijkheden zijn voor kwaliteitsvolle, en ook kwaliteitsvolle nieuwe initiatieven.

Het is belangrijk duidelijk te zijn over wat men precies bedoelt met een sociaal passief. Wanneer een organisatie moet overgaan tot het ontslag van medewerkers is ze wettelijk verplicht hiervoor een voorziening te hebben aangelegd. Dit staat los van de bepalingen uit het Kunstendecreet. Voorzieningen worden dan ook niet bij de reserves geteld die een organisatie mag aanleggen volgens het Kunstendecreet. Verder is het organisaties toegestaan om – wanneer ze een positief jaarresultaat hebben – dit te bestemmen in een fonds voor sociaal passief, dat dient voor mogelijke, niet vaststaande ontslagen in de toekomst.

Het aanleggen van reserves – en dus het opbouwen van een dergelijk bestemd fonds – is mogelijk binnen het Kunstendecreet voor zover dit gebeurt als resultaatsbestemming en de totale aangroei van deze reserve over de subsidieperiode niet hoger is dan 20 procent van de gemiddelde jaarlijkse personeels- en werkingskosten berekend over de beleidsperiode. Hierdoor konden – en kunnen – organisaties binnen de geldende reservenormen te allen tijde geleidelijk een bestemd fonds voor sociaal passief opbouwen gedurende de jaren waarin er geen onmiddellijke dreiging van vereffening van de organisatie of andere ontslagdreiging was.

De keuze om beschikbare middelen uit een positief werkingsresultaat integraal te herinvesteren in de werking, dan wel voorzichtigheidshalve ook een deel daarvan in een fonds voor sociaal passief te reserveren, is de vrije keuze en verantwoordelijkheid van de gesubsidieerde organisaties zelf. Om die reden is de Vlaamse Regering bij vorige gelijkaardige beslissingen ook niet tussengekomen in het sociaal passief.

Bovendien wil ik het volgende toevoegen. Het is een bewuste keuze geweest van de decreetgever om het beslissingsproces van het Kunstendecreet af te ronden op 30 juni. Daardoor ontvangt de organisatie nog zes maanden de nodige middelen, terwijl de betrokken personeelsleden in vooropzeg kunnen worden geplaatst.

Is het niet beter in alle gevallen een sociaal passief aan te leggen? Dit is moeilijk te stellen en afhankelijk naargelang de structuur van een organisatie. Dit is bij organisaties met weinig personeelsleden in vast dienstverband totaal anders dan bij organisaties met veel personeelsleden in vast dienstverband. Zoals al toegelicht, is het echter slechts mogelijk om fondsen aan te leggen als resultaatsbestemming en kan dit dus enkel indien er positieve resultaten zijn. Dat laatste spreekt nogal voor zich.

Heb ik zicht op de problemen in het algemeen en op het jobverlies in het bijzonder? Dit valt op dit ogenblik moeilijk in te schatten. Een aantal organisaties zullen hun werking immers met andere middelen continueren. Daarnaast zal de groei van andere organisaties ook een verhoogde tewerkstelling binnen deze organisaties met zich kunnen meebrengen en worden er ook nieuwe organisaties structureel ondersteund die personeel zullen of kunnen aanwerven. Bovendien werken de gesubsidieerde organisaties binnen een zeer breed spectrum van tewerkstellingswijzen, gaande van organisaties met relatief veel werknemers in vast dienstverband tot organisaties met zeer weinig personeel in vast dienstverband aangevuld met freelancers, waar geen specifieke ontslagkost aan verbonden is. Het is dus moeilijk om hier een eenduidig beeld aan te koppelen.

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi (sp·a)

Minister, dank u voor uw antwoord. U zegt dat de selectie strenger is en dat dit de komende jaren niet zal veranderen omdat er niet meer geld in die projectenpot gaat komen. Heb ik dat goed begrepen?

Minister Sven Gatz

Er komen meer middelen bij.

Yamila Idrissi (sp·a)

U zegt dat het moeilijk in te schatten is wat nu de situatie zal zijn. U voert een hele resem argumenten aan. U geeft zelf aan dat u heel bewust in het decreet hebt ingeschreven dat de beslissing op 30 juni moet vallen, zodat er zes maanden duidelijkheid is en dat de organisaties die in vereffening moeten gaan aan hun opzeg kunnen beginnen. Ik vind het een beetje vreemd dat u zegt dat u daar nog altijd geen zicht op hebt, wetende dat op 1 januari de subsidies zullen stoppen. Organisaties die definitief moeten stoppen, zullen dan toch in juli, augustus, september, oktober die opzeg moeten geven. Dat cijfer moet bekend zijn. Ik blijf daar echt wel een beetje op mijn honger zitten. Kan daar geen duidelijker informatie over gegeven worden?

De voorzitter

De heer Meremans heeft het woord.

Ik ga het debat over het Kunstendecreet niet opnieuw openen. Dat hebben we eind juni, begin juli gedaan.

Wat de vragen van de collega betreft, van ‘mevrouw Landuyt’: die vraag leek heel sterk op een vraag die ik al eens had zien passeren, een vraag van de heer Landuyt. Het zal puur toeval zijn. De heer Landuyt is nooit opgedaagd om die vraag te stellen. (Opmerkingen van Yamila Idrissi)

Ik zie dat die vraag wordt gerecycleerd. In het kader van de duurzaamheid is het heel interessant om vragen te recycleren.

Het is inderdaad zo dat we de beslissing hebben genomen, maar de vraag die u nu stelt werd in het verleden ook al gesteld, onder andere aan toenmalig minister van Cultuur Schauvliege over de aanleg van een fonds. U vroeg toen of de overheid daar ook voor een stuk moest in passen. Minister Schauvliege antwoordde dat het aan de organisaties was om ervoor te zorgen dat ze een sociaal passief zouden aanleggen. Dat ze daar ook verantwoordelijk voor zijn is niet meer dan een maatregel van goed bestuur, ook al heb ik begrip voor de moeilijkheden die daarbij horen. Voor nieuwe organisaties is het sowieso moeilijk om op te starten in een groot veld met veel spelers. Als je daar als nieuwe speler bijkomt, is dat niet eenvoudig.

Zoals de minister zei, maken we nu meer geld vrij voor projectsubsidies, die juist aangewend kunnen worden voor jonge kunstenaars of beginnende artiesten en organisaties. Vanaf nu zal er duidelijk een groeiproces zijn. Een startende organisatie moet eerst lokaal ondersteund worden en daarna waarschijnlijk regionaal, met het fameuze decreet dat er zit aan te komen. Dan ga je een categorie hoger en dat zijn de juiste stappen die men zal kunnen volgen. Of de overheid daartoe hoort bij te dragen, dat denk ik niet. Het is aan de organisaties zelf, die daarvoor misschien wel gecoacht kunnen worden, om te zorgen dat ze hun passief aanleggen en dat ze de mensen waarmee de relatie zou stoppen op een deftige manier kunnen uitbetalen. Dat is de verantwoordelijkheid van iedere organisatie. Misschien was daar in het verleden wat te weinig aandacht voor, maar het is voor die organisaties één van de aandachtspunten voor de toekomst.

Bart Caron (Groen)

Minister, misschien doet oKo dit ook? Ik doe in dit verband een oproep aan oKo: het zou interessant zijn, los van de politieke betekenis die de ene of de andere van ons daaraan geeft, te weten wat het lot is van het personeel van de organisaties die een meerjarige erkenning verloren hebben, al was het maar omdat we inzicht zouden krijgen in wat er precies gebeurt. Ik vind ook dat het niet verkeerd zou zijn dat onze eigen administratie, die toch een directe band heeft met die organisaties, daar puur informatief een kleine bevraging rond doet.

Ook ben ik voorstander van een sociaal fonds binnen de sector, via bijdragen uit de sector zelf en niet van de overheid. Er zijn nog wel meer maatschappelijke sectoren waar dat gebeurt. Ik nodig de sector uit om daar zelf eens over na te denken. Deze informatie kan helpen om daar inzicht in te krijgen, ook al blijft het een zeer complexe materie. Je kunt je ook afvragen, als het om personeel gaat met lange anciënniteit, of de overheid daar dan al dan niet moet voor opdraaien, dan wel of de organisaties daarvoor een buffer moeten opbouwen, of het gecollectiviseerd moet worden binnen de sector. Dat zijn moeilijke kwesties. We moeten ook zicht krijgen op wie daardoor in financiële problemen komt: zijn dat de raden van bestuur, indien ze ter verantwoording geroepen worden en daarvoor aansprakelijk worden gesteld? Het is dus wellicht zinvol om die gevolgen eerst goed in beeld te brengen, voor er maatregelen worden genomen.

De voorzitter

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Mevrouw Idrissi, ik vrees dat we hierover fundamenteel van mening verschillen – ik zeg het liever meteen zoals het is. Uw vraag gaat ervan uit dat de overheid nog een bijkomende ‘nazorg’ aan de sector verplicht is om het afvloeien van een aantal mensen uit de cultuursector zo aanvaardbaar mogelijk te maken, terwijl ik van oordeel ben dat met de opbouw, gedurende vijf jaar, van een aantal middelen rond het sociaal passief, waar men, los van het Kunstendecreet, ook wettelijk en sociaalrechtelijk toe verplicht is, daarvoor toch al in grote mate soelaas moet kunnen bieden. Dat is niet in elk geval zo en ik ben mij daarvan bewust. Een feitelijk element is dat meeste werknemers in de kunstensector binnen de loongrens zitten waardoor ze aan een vooropzeg komen van drie maanden per periode van vijf jaar. Voor het merendeel onder hen, bij tijdige vooropzeg per 1 juli 2016, zullen de problemen na 31 december van dit jaar daardoor beperkt zijn.

Voor de problemen die er dan nog zijn – en ik wil het niet anoniem bekijken, het gaat wel degelijk telkens om een individueel persoon, die na ontslag niet meteen uitzicht heeft op ander werk – denk ik wel dat de gesprekken rond een sociaal fonds vanuit de sector soelaas kunnen brengen. Voor het antwoord op een schriftelijke vraag van de heer Bajart heb ik de eigen vermogens van de culturele organisaties in het Kunstendecreet enerzijds en binnen het sociaal-cultureel werk anderzijds opgevraagd. Ik weet wel dat het eigen vermogen niet gelijk is aan het sociaal passief, maar het gaat wel degelijk over een substantieel gecumuleerd bedrag, vooral dan binnen het sociaal-cultureel werk. Daardoor is het zo dat, rekening houdend met het feit dat een aantal organisaties al een sociaal passief hebben en met het feit dat veel organisaties werknemers hebben die binnen de opzegtermijn van zes maanden vallen, voor degenen die daarna nog overblijven men ook een collectieve oplossing zou kunnen vinden.

Het is een goede suggestie, mijnheer Caron, om dan ook over de cijfers te praten, en om – waar mevrouw Idrissi in haar laatste vraag over sprak – vanuit de administratie in samenspraak met oKo daar een betere foto van te maken. U mag het me niet kwalijk nemen, we moeten nog even wachten op de beslissing over de projecten op 15 januari. De projectenpot is wel degelijk bestemd voor ‘nieuw jong talent’. Ik wil het daartoe niet verengen, maar dat was de bedoeling. Een aantal organisaties had in juni geen goede beslissing, maar op 15 januari komen ze misschien wel met goede projecten, dat valt te bekijken, ik weet dat nu nog niet. Misschien krijgen we dan een hele of gedeeltelijke oplossing voor deze vraag.

Ja, we moeten het in kaart brengen, ik ga graag op uw verzoek in. Op 15 januari verwachten we nog een laatste nieuw element. Verder blijf ik bij een aantal van mijn fundamentele overwegingen.

De voorzitter

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Yamila Idrissi (sp·a)

Mijn vraag was eigenlijk bedoeld om een zicht te krijgen op de situatie. De organisaties die al besloten hebben om in vereffening te gaan, om te stoppen, die kennen we, of we kunnen erachter komen. Ik vind het belangrijk om die informatie te krijgen. Ik ben blij dat u dat via de administratie en oKo gaat opvragen. Dat is belangrijk omdat we – los van de deadline van 15 januari voor de projectsubsidies – dan al kunnen zien of er organisaties zijn die daadwerkelijk in de problemen gaan geraken. Het zou ook kunnen dat het over een zeer klein aantal probleemgevallen gaat, dat de ruimere discussie zelfs niet nodig is. Ik vind het wel belangrijk om die informatie te krijgen. Ik had eigenlijk gehoopt dat we die vandaag al zouden kunnen krijgen voor diegenen waarvoor er al duidelijkheid bestaat; degenen die al beslist hebben dat ze gaan stoppen, of dat ze moeten stoppen. Dat mis ik wel.

Het klopt dat ik in de vorige legislatuur minister Schauvliege bevraagd heb over de oprichting van een fonds met een minimale bijdrage van de overheid en een bijdrage van de cultuursector. Ik wil niet op de discussie vooruitlopen. Als we de cijfers niet hebben, of de stand van zaken niet kennen, kunnen we niet voorop gaan lopen. Ik vind het vreemd dat de heer Meremans dat nu aanhaalt.

Nog een laatste punt, ik vind het echt flauw dat de heer Meremans zit te vitten over wie welke vraag heeft ingediend. Ik wil me daar niet mee bezighouden. Ik wil me bezig houden met de inhoud. Ik wil daarover gerust van mening verschillen, we moeten niet allemaal hetzelfde denken, maar ik wil me niet bezighouden met flauwe opmerkingen. (Opmerkingen van Marius Meremans)

Bart Caron (Groen)

Minister, ik wil nog suggereren dat u ook eens checkt hoe het zit met het sociaal passief van de organisaties. Ik ken er nogal wat, ik ben er ook bij betrokken, en ik kan u zeggen: er is meestal een zeer beperkte provisie aangelegd voor het sociaal passief, ofwel geen. Het is een beetje zuur om zoveel geld opzij te leggen in de hoop te kunnen doorwerken, maar het geld intussen niet kunnen gebruiken. Het is een morele kwestie: als ze subsidiegeld gebruiken om provisie aan te leggen, voelen ze zich daar ongemakkelijk bij.

Ik geef het u mee omdat de dekking in het veld niet erg groot is.

De voorzitter

Daarmee heb ik de regels overtreden, mevrouw Idrissi, u kunt het woord nog krijgen.

Yamila Idrissi (sp·a)

Het is belangrijk om die cijfers op te vragen, minister, maar hebt u daarvoor een deadline?

Minister Sven Gatz

Het lijkt me interessant om een bevraging te doen na de projectsubsidies in de sector en om een totaalbeeld te krijgen van het aantal ontslagen vanaf 1 juli en hoeveel mensen nog moeten worden uitbetaald na 15 januari. Ik wil natuurlijk ook graag een beeld hebben van het aantal mensen dat is aangeworven. De middelen zijn ten opzichte van 2014 weer gestegen, dat heeft misschien tot aanwervingen geleid. We moeten een totaalbeeld krijgen met inbegrip van de vragen die u hebt gesteld, mevrouw Idrissi.

Ik kan me inbeelden – ik zal eerlijk zijn – dat het toch weer februari of maart wordt eer we daarover beschikken. Het zal niet op 16 januari zijn, dat wil ik u niet voorspiegelen. Maar het is misschien niet slecht om dan voor het eerst eens zicht te hebben op de impact op sociaalrechtelijk vlak.

Yamila Idrissi (sp·a)

Ik kijk uit naar de cijfers en het debat.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.