U bent hier

Commissievergadering

donderdag 27 oktober 2016, 9.30u

Voorzitter
van Bart Caron aan minister Philippe Muyters
186 (2016-2017)
De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Minister, ik breng verdieping na verdieping aan in een bouwwerk van een mogelijk vieze ontwikkeling in de dopingcontrole in Vlaanderen. Dat weet u, dat is mijn achtergrond. Ik doe het met de beste bedoelingen om dopingcontrole bij ons professioneler en hoogwaardiger te maken.

In het verleden heb ik heel hard gepleit om die misbruiken in bodybuilding en fitness, en afgeleide – vaak lichaamsculturele – sporten, hard te bestrijden door middel van dopingcontroles en bestraffing. Tot mijn verbazing las ik onlangs in de kranten over een andere manier van benadering. Dit intrigeerde me wel, en ik ben wat gaan snuffelen naar materiaal daarover.

Er is buitenlands onderzoek gebeurd over de problematiek van bodybuilding en fitness en de relatie met doping. Er is een belangrijke studie genaamd ‘Social suppliers: Exploring the cultural contours of the performance and image enhancing drug (PIED) market among bodybuilders in the Netherlands and Belgium’. Vreemd genoeg is dat een studie over de Lage Landen van een Britse universiteit. Eerlijk gezegd heb ik ondertussen via e-mail contact gehad met de professor in kwestie om hierover te corresponderen.

In de studie van professor Van de Ven worden die prestatie- en imagobevorderende drugs, waarvan anabole steroïden de meest gebruikte zijn, verder geanalyseerd. De auteur komt op basis van de analyse van de beschikbare data – onze dopingcontrolestatistieken, maar ook interviews en strafzaken – tot de volgende bevindingen. Ten eerste: veelvuldige controles en de mogelijkheid van criminele of disciplinaire straffen hebben weinig tot geen afschrikwekkend effect gehad op het steroïdengebruik. En ten tweede: de Vlaamse focus op controles en straffen blijkt niet alleen weinig effectief, maar doet zelfs meer kwaad dan goed, aangezien op die manier de kleine dealers uit de markt zouden kunnen verdwijnen, wat de deur openzet voor enerzijds gevaarlijker individueel geëxperimenteer, zoals het aankopen op de zwarte markt via het internet van ongecontroleerde vormen van doping, en anderzijds de groei van een meer professionele, criminele markt, vergelijkbaar met de niet-aflatende groei van drugsgebruik en het professionaliseren van de internationale drugshandel als gevolg van de ‘war on drugs’. Er is dus sprake van een averechts effect van het bestrijden van de min of meer bekende markt, die zich omzet in een soort zwarte, illegale markt.

De auteur pleit ervoor om de beschikbare middelen voor dopingbestrijding niet zozeer in te zetten voor het bestraffen van de symptomen van dopinggebruik in recreatieve sport, maar vooral te focussen op de oorzaken ervan, door preventie, educatie en een betere samenwerking met de zorgsector. Ik heb dat aspect van de preventie hier al meermaals ter sprake gebracht.

De studie bevestigt daarmee een aantal andere studies van dezelfde auteurs. Een van die studies is trouwens samen met de KU Leuven uitgevoerd.

Ten slotte wil ik ook verwijzen naar ‘Testing in gyms – can it be justified?’, een studie van een Deense onderzoeker aan de Aarhus Universitet. De besluiten van die studie stellen dat de mogelijke gevolgen van positieve testen de volgende zijn. Eén: ‘join another gym’, ga naar een andere gym. Twee: ‘train in basements and private clubs’, dus in bijna zwarte locaties, die niet gekend zijn als officiële fitnesscentra en aanverwante plekken. En drie: ‘stop training and be a couch potato’.

Minister, gelet op het door u in de plenaire vergadering van 6 juli bevestigde geloof in het huidige dopingcontrolebeleid in de recreatieve sport, wil ik u enkele vragen stellen. Ik probeer mijn vraagstelling niet te kleuren. Ik haal een dimensie aan waar ik ook vreemd tegen aankijk en die een beetje confronterend is voor mijn eigen mening ter zake.

Bent u op de hoogte van de inhoud van de studies? Heeft de Nationale Antidopingorganisatie (NADO) Vlaanderen zelf al ooit onderzoek gedaan naar het preventieve effect van haar dopingcontroles in de recreatieve sport, op het dopinggebruik in de Vlaamse recreatieve sport, in het bijzonder bodybuilding en fitness? Zo ja, wat waren de conclusies?

Is er zicht op het aantal mensen dat prestatie- en uiterlijkbevorderende middelen gebruikt voor recreatieve doeleinden in Vlaanderen? Hoeveel mensen en middelen heeft NADO Vlaanderen de afgelopen vijf jaar ingezet voor enerzijds preventie, en anderzijds dopingcontroles, analyses en disciplinaire procedures in de recreatieve sport, en in het bijzonder bodybuilding en fitness?

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Caron, u hebt een beetje het gras voor mijn voeten weggemaaid. Ik was zo blij dat ik kon zeggen dat u zelf, in uw vraag om uitleg nummer 372 uit 2010-2011, de constatering had gedaan dat na controle het aantal dopinggevallen verminderde in de sector. Dat blijkt ook uit de statistieken: als er gerichte controles zijn geweest, vermindert het dopinggebruik even daarna.

Preventie gebeurt uiteraard niet alleen door controles te doen en ook niet alleen door NADO, maar zeker ook door alles wat we doen rond ethisch en gezond sporten bij Sport Vlaanderen en overal daarbuiten. Het gaat hier over een risicosector. Heel veel controles gebeuren op aanzet van indicaties, en ook samen met politie en dergelijke meer. Het zou niet goed zijn, collega Caron, als de politie onze NADO verwittigt waar ze zal binnenvallen, omdat er indicaties zijn dat in een bepaald fitnesscentrum doping wordt gebruikt, dat NADO dan stelt dat het beter is om iets anders te doen. Dat zou niet goed zijn.

Ik kom tot de studie van professor Van de Ven. NADO Vlaanderen en NADO Nederland hebben daaraan meegewerkt. Mijn diensten hebben de studie uiteraard gelezen, en ik heb begrepen dat het oordeel van professor Van de Ven over het Vlaamse en het Nederlandse beleid kritisch is, maar om verschillende redenen. Ze zegt dat het Nederlandse beleid faalt omdat er geen enkele prioriteit aan de opsporing van de handel wordt gegeven, en het Vlaamse omdat het te weinig op de echt grote spelers gericht is. Met de echt grote spelers worden dan wellicht de dealers bedoeld. Ik denk niet dat het NADO Vlaanderen is dat de dealers moet gaan opsporen. Maar we werken dus wel samen met parket en anderen.

Zelf hebben we geen onderzoek. Ik ben blij dat u in uw vraagstelling zelf al zei dat dat ook niet zo eenvoudig is. Zelfs op wereldvlak is er heel weinig onderzoek naar het effect van dopingcontroles in de recreatieve sport.

Wat betreft uw derde vraag, is het moeilijk om een concreet zicht te krijgen op het aantal personen dat prestatiebevorderende middelen neemt voor recreatieve doeleinden. Het gaat ook soms over ‘uiterlijkbevorderende’ middelen. Het is een circuit waar niet veel over geweten is. De statistieken die de Vlaamse Dopinglijst publiceert, zijn louter indicatief. Zoals u weet, gaat het in de fitness vaak om gerichte controles. Dat kan niet geëxtrapoleerd worden. Het is niet omdat er bij controles 30 procent dopinggebruik is dat dit geëxtrapoleerd kan worden, want het gaat om gerichte controles.

Wat betreft uw vraag over de inzet van mensen en middelen gedurende de voorbije 5 jaar voor enerzijds preventie en anderzijds controles, kan ik u meegeven dat het NADO-personeelsbestand bestaat uit een team van 7,8 voltijdsequivalent (vte). Daar komen nog 25 artsen bij en 60 chaperons. Risicocontroles, bijvoorbeeld in fitnesscentra, worden ondersteund door de federale politie. Het totale budget van de NADO bedraagt 1 miljoen euro. Er is geen strikte tijdsindeling van hoeveel middelen waar worden ingezet.

Een goede indicatie kan het aantal controles binnen wedstrijd zijn. Laat me 2015 als voorbeeld nemen. Dat is het laatste jaar waarvan we de cijfers hebben. Er waren binnen wedstrijd 1440 controles en 42 gebeurden bij bodybuilding. Buiten wedstrijd waren er 531 controles en daarbovenop 136 in de fitness. Dat is redelijk veel, maar dat heeft te maken met de gerichte controles.

Controles zijn een deel van mijn beleid, maar ik wil vooral zeggen dat de dopingbestrijding, zeker in de fitnesssector, veel ruimer gebeurt. We voeren geen dopingbeleid in de fitnesssector, maar wel via en met de sector. We hebben op dat vlak enorme stappen vooruit gezet. Preventie is belangrijk. Met De FitnessOrganisatie (DFO) hebben we een antidopingcharter 2015-2016 opgesteld. Momenteel hebben 266 clubs dit onderschreven. We zullen dit charter met DFO en NADO Vlaanderen in 2017 evalueren om eventueel criteria en procedures aan te passen bij een nieuwe versie. Het is belangrijk dat al aan 266 clubs uithangt dat ze niet aan doping doen, dat je daarvoor daar niet terechtkunt en dat ze ertegen zijn.

Doorgedreven informatie en sensibilisering over de gevaren van verboden middelen en sommige voedingssupplementen werpt alleen vruchten af indien dit deel uitmaakt van een continu proces. Dit zijn geen losstaande initiatieven. Ik verwijs naar het decreet Gezond en Ethisch Sporten, waarbij de mogelijkheid is gecreëerd om een organisatie ter ondersteuning van de fitnesssector te erkennen en te subsidiëren. We zijn momenteel bezig met de opstart van de eerste beleidscyclus. We willen daar samen met de sector op inzetten.

Op het vlak van preventie nam NADO Vlaanderen een aantal initiatieven naar de brede sportsector, met onder meer een studiedag en divers informatiemateriaal. We kunnen veel verder gaan. Denk maar aan alles wat gebeurt met betrekking tot gezond sporten, ‘je lichaam is je beste materiaal’. Dat zijn allemaal initiatieven waarbij preventie op kop staat. Vanwege de brede maatschappelijke context werd een werkgroep antidopingbestrijding binnen de Algemene Cel Drugsbeleid opgestart. Dat is niet mijn initiatief, maar we zullen eraan meewerken.

Ik heb met dit antwoord aangetoond dat we vooral inzetten op preventiebeleid. Controle is een onderdeel van een totaalbeleid. Als de politie zegt dat er indicaties zijn, kunnen we moeilijk zeggen dat we niet meegaan. Dat zou een totaal verkeerd signaal zijn.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Minister, mijn grasmaaier werkt nog altijd goed. Ik maai dan ook het liefst het gras voor mijn eigen voeten weg. (Gelach)

Het zijn alleen ezels die niet openstaan voor andere gedachten.

Ik kan grotendeels leven met uw antwoord, maar ik wil nog enkele zijdelingse opmerkingen maken. Ik pleit er niet voor om niet meer te controleren, laat dat duidelijk zijn. Ik weet ook dat als je samenwerkt met politie en parket, je niet anders kan. Dat is ook logisch. Het gaat in eerste instantie niet om sporters, maar om dealers en het circuit die worden bestreden. Ik doe daar niets van af. Alleen denk ik dat we op deze manier dreigen een stukje van het circuit niet meer te zien omdat het zich in het duister bevindt. Ik weet dat dit niet uw verantwoordelijkheid is, maar vooral ook die van de politiediensten. Ik vind het charter een zeer waardevolle aanvulling en actie.

Wat u doet, vind ik prima. Alleen kan het misschien iets nadrukkelijker worden neergeschreven in een geïntegreerde beleidsnota over dopingcontrole en hoe we dat in Vlaanderen allemaal aanpakken. Ik mis nog een beetje de samenhang in het beleid. Ik pleit voor een betere sturing rond inhoudelijke prioriteiten in de toekomst, uiteraard met respect voor de nodige autonomie. De politiek moet dat niet doen, dat is de taak van vakmensen, experts, een stuurgroep, zoals in de WADA-code vermeld staat. De acties moeten geïntegreerd zijn. Daarmee bedoel ik dat pure controle en bestraffing moeten samengaan met preventieve acties. Ze moeten ook als verschillende instrumenten voor het bereiken van bepaalde doelen worden geformuleerd, met de indicatoren erbij. Als iemand zegt dat wat gebeurt, verdienstelijk is – om het een beetje oneerbiedig uit te drukken – dan begrijpt u wat er bedoeld wordt, namelijk dat het nog een stuk beter kan. Daar stuur ik op aan. Ik zeg niet dat de middelen daarvoor volstaan. Ik spreek daar geen oordeel over uit. Wel wil ik dat we in Vlaanderen niet alleen in topsportprestaties, maar ook in dopingbeleid top of the world zijn.

De voorzitter

De heer Bajart heeft het woord.

Lionel Bajart (Open Vld)

Ik wil beiden danken, allereerst collega Caron voor zijn vraag, maar vooral ook de minister voor zijn antwoord. Ik herinner me dat we op 6 juli met een aantal collega’s waren en dat was een beetje een moeilijke setting om die vraag te stellen. Ik was toen tevreden met de antwoorden van de minister, omdat hij enerzijds sprak over controle, en die moet er zijn, en anderzijds over preventie bij NADO, maar ook in de Vlaamse Trainersschool. Het antidopingbeleid moet effectief doorheen het hele sportbeleid worden gevoerd, van boven naar beneden en omgekeerd.

Ik was tevreden met het antwoord, vooral omdat u toen aankondigde, minister, dat u NADO gevraagd had een visie op dopingpreventie op papier te zetten. Hebt u die visie intussen al ontvangen? Ik stel die vraag niet om een document te kunnen lezen, maar om u te kunnen vragen wat u van die visie vindt en vooral welke noodzakelijke verbeteringen er vandaag al kunnen worden gedetecteerd.

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Caron, ik heb uw boodschap begrepen en zal ze meenemen.

Mijnheer Bajart, waarschijnlijk weet iedereen nog dat ik drie richtlijnen had gegeven, een spreidingsplan, een procesanalyse en conflictbeheersing. Ik heb voor bepaalde onderdelen al een stand van zaken gekregen, maar een van de komende weken of maanden – ik heb nogal een drukke agenda – zal ik nog eens samenzitten met NADO en Philippe Paquay om daarvan een geheel te maken. Ik stel voor dat we de grote lijnen daarvan dan ook in de commissie presenteren. Ik moet nog geen spreidingsplan krijgen en vind dan ook dat het niet bij de commissie thuishoort, maar we kunnen wel uiteenzetten hoe het wordt opgesteld, wie eraan meewerkt enzovoort. We zullen daarrond een document maken en in de commissie presenteren en bespreken.

De voorzitter

De heer Caron heeft het woord.

Bart Caron (Groen)

Ik heb nog een kleine vraag, minister, maar ik weet niet of het uw bevoegdheid is. Er is een vacature voor directeur van NADO. Ik ben geen kandidaat, al lijkt het me een interessante uitdaging. Ik vermoed dat de post via interne vacatures van de Vlaamse overheid zal worden ingevuld. Waarom wordt het niet voor iedereen opengesteld? Of behoort het tot de normale procedures bij de Vlaamse overheid dat eerst intern wordt gezocht en pas daarna extern? U moet daar geen verdachtmaking achter zoeken, het is een louter informatieve vraag. 

De voorzitter

Minister Muyters heeft het woord.

Ik vind het leuk dat u die vraag stelt, mijnheer Caron. Als minister van Werk vind ik dat we mensen ook intern kansen moeten geven. Als er op een vacature interne kandidaten afkomen, die voor examens zijn geslaagd, dan moeten we die ook kansen kunnen geven. Dat blijft voor mij belangrijk. Die doorstroming uitsluiten en altijd mensen van buitenaf aantrekken is geen goede zaak. Wie zich kandidaat stelt, moet natuurlijk wel nog altijd de job aankunnen en slagen. Ik ben geen specialist ambtenarenzaken, maar ik denk dat de eerste openstelling heel vaak een interne openstelling is.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is toegankelijk.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.