U bent hier

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Voorzitter, het is voor mij ook niet altijd duidelijk wie tot de oppositie behoort en wie tot de meerderheid. Ik zal nog een beetje moeten wennen.

Minister, de cijfers van de VDAB liegen er niet om: het voorbije jaar is het aantal werkzoekenden met een arbeidshandicap met maar liefst 3,2 procent gestegen tot een totaal van meer dan 33.000. In het kader van het doelgroepenbeleid besteedt de Vlaamse Regering terecht meer aandacht aan de tewerkstelling van die personen. Ook de lokale besturen wordt gevraagd hierop volop in te zetten. Er werd dan ook een streefcijfer opgelegd van 2 procent van het totale aantal personeelsleden, uitgedrukt in voltijdse equivalenten. Hoe ze dit concreet invulling geven, behoort uiteraard tot de autonomie van de gemeenten.

Ik heb u hierover een schriftelijke vraag gesteld. U hebt een bevraging georganiseerd bij de Vlaamse gemeenten en OCMW-besturen. Dat was een goede zaak, want meten is ook op dit vlak weten. U hebt mij de cijfers doorgestuurd. De reden waarom ik als aanvulling op die schriftelijke vraag hier een vraag om uitleg stel, is dat die cijfers zeer slecht zijn en ons toch tot nadenken moeten stemmen. Ik haal er enkele cijfers uit.

26 gemeenten hebben niet geantwoord. In 2012, bij de vorige algemene bevraging, waren dat er 9. Vooral Vlaams-Brabant scoorde slecht: daar antwoordde 32 procent van de gemeenten niet. In 2012 haalden 148 gemeenten de norm. Nu zijn het er 140. Vier jaar later is er dus een verslechtering. Bij de OCMW’s is er wel een verbetering, maar daar was de toestand in 2012 dramatisch. En hij is nog altijd dramatisch.

De gemeenten in Oost- en West-Vlaanderen scoren het slechtst met 26 procent van de gemeenten die voldoen aan de norm. Limburg scoort het best – als we deze term mogen gebruiken – met 38 procent. Als we bekijken hoeveel gemeenten en OCMW’s zelfs geen enkele persoon met een arbeidshandicap tewerkstellen, dan zien we dat dit voor de gemeenten gegroepeerd per provincie, om het gemakkelijk te maken, varieert tussen 10 procent voor Antwerpen tot 25 procent voor Oost-Vlaanderen. Dit is toch wel onaanvaardbaar. Voor de OCMW’s is de toestand nog slechter: daar variëren deze percentages tussen 39 en 43 procent.

Het sensibiliseren van de Vlaamse gemeenten en OCMW’s is blijkbaar niet voldoende. Voor mijn partij is het activeren van personen met een handicap prioritair. Het bevordert uiteraard de integratie van deze mensen in de maatschappij. Het draagt bij tot het opkrikken van hun eigenwaarde, en het haalt hen dikwijls uit het sociale isolement.

Minister, bent u van oordeel dat de lokale besturen te weinig inspanningen leveren om mensen met een arbeidshandicap in dienst te nemen?

Op welke manier denkt u de steden en gemeenten te stimuleren om alsnog het streefcijfer van 2 procent te behalen?

Wordt het geen tijd om het over een andere boeg te gooien en te opteren voor een sanctiemechanisme, waarbij de gemeenten die echt niet mee willen financieel gestraft worden voor het niet behalen van het streefcijfer?

De heer Maertens heeft het woord.

Voorzitter, ik zal het bijzonder kort houden omdat de heer D’haeseleer de context meer dan goed en duidelijk heeft geschetst. De cijfers zijn bekendgeraakt na zijn schriftelijke vraag. Het opkloppen en zeggen dat ze ongelooflijk verontrustend zijn, zou ik nu ook niet doen, maar in bepaalde gevallen moeten ze toch onze aandacht trekken. Zeker als we zien dat 53 gemeenten geen enkele medewerker met een arbeidshandicap in dienst hebben.

Minister, ik geloof en ik weet dat u als minister er ook hard in gelooft dat wij de lokale besturen voor hun verantwoordelijkheid moeten stellen, zonder daarom al te veel regeltjes op te leggen. Het is dan ook een streefcijfer. Wat is de evolutie van het al dan niet behalen van het streefcijfer in Vlaanderen?

Ik had het over die verantwoordelijke gemeenten. Dat is een goed uitgangspunt. U antwoordde eerder al dat u het niet zinvol en niet haalbaar acht om de steden en gemeenten die het streefcijfer niet behalen financieel te straffen. Ik sta daar volledig achter. Mijn vraag loopt wel – hoewel het niet afgesproken is – volledig gelijk met die van de heer D’haeseleer: hoe zult u de lokale besturen in de toekomst verder stimuleren om het streefcijfer effectief te behalen, en ervoor zorgen dat er niet meer zulke grote verschillen zijn tussen de gemeenten?

Minister Homans heeft het woord.

Net als de vraagstellers vind ik het belangrijk dat ook de lokale besturen hun verantwoordelijkheid opnemen inzake het tewerkstellen van mensen met een beperking. U weet dat ik altijd heb gezegd dat wij vanuit de Vlaamse overheid een voorbeeldfunctie hebben. Wij hebben dit debat al meerdere keren in deze commissie gevoerd.

Mijnheer Maertens, u zegt dat het een streefcijfer is. Het is inderdaad geen quotum. Dat is een belangrijk verschil. Ook de Vlaamse overheid heeft daar nog een tandje bij te steken.

Het streefcijfer is in 2007 ingevoerd en is eigenlijk al heel verregaand. Ik vind het een goede zaak dat de Vlaamse overheid optreedt ten aanzien van de lokale besturen. Vooral omdat het een streefcijfer is en, zoals gezegd, geen quotum.

Mijnheer Maertens, wat betreft de evolutie van het tewerkstellingscijfer wil ik verwijzen naar de schriftelijke vraag nummer 517 van de heer D’haeseleer, van 28 april 2016. Daar heb ik alle gegevens meegedeeld. Het zou mij te ver leiden en ook zou het mijn stem te veel verzwakken om dat hier letterlijk voor te lezen.

Ik vind wel niet dat we zomaar mogen zeggen dat de lokale besturen niet voldoende inspanningen leveren om het streefcijfer van 2 procent te halen. Geen van beide vraagstellers doet dat overigens. Maar is er nog groeimarge? Absoluut. Ik heb in mijn antwoord op de vraag van de heer D’haeseleer gezegd dat er eerder sprake is van een status quo. Dat impliceert indirect dat er nog groeimarge is.

Anderzijds is er het gegeven dat veel van het uitvoerende werk bij de lokale besturen wordt uitbesteed. Dat is lokale autonomie. Dat is een beslissing van de gemeenteraad. Dat is geen verplichting die wij opleggen. Maar het is natuurlijk wel een van de hinderpalen voor mensen met een beperking om aangeworven te worden. Het zijn nu net die mensen met dat profiel die in die jobs die worden uitbesteed door de lokale besturen, een kans zouden kunnen krijgen.

Door die tendens is de kans om als persoon met een beperking tewerkgesteld te worden bij een lokaal bestuur net iets kleiner geworden. Dat wil niet zeggen dat we er niet op moeten blijven inzetten. Ik ben ervan overtuigd dat de meeste lokale besturen de meerwaarde van diversiteit in al haar aspecten inzien. Ze beslissen natuurlijk autonoom hoe ze die 2 procent willen inhalen of bepalen.

Vlaanderen stelt een aantal faciliterende tools ter beschikking. Ik overweeg geen nieuwe maatregelen binnen mijn bevoegdheidsdomein. We hebben al heel veel. Ik zal enkele voorbeelden geven. Deze lijst is niet limitatief. In de rechtspositiebesluiten is geregeld dat de besturen functies kunnen reserveren voor personen met een arbeidshandicap. Dat is een goede zaak, maar toch wel verregaand. In de rechtspositiebesluiten is ook geregeld dat ze voor het invullen van die functies kunnen werken met aangepaste functiegerichte selectieprocedures. Dat komt toch ook wel tegemoet aan de noden van mensen met een beperking. Er is ook de Vlaamse ondersteuningspremie (VOP) die lokale besturen kunnen aanvragen als ze een persoon tewerkstellen met een arbeidsbeperking. Sinds oktober 2008 is dat in beheer van VDAB. Er is ook de sectorconvenant 2016-2017 die Vlaanderen vanuit de bevoegdheden Werk en Onderwijs afsluit met de sector. Dat is een belangrijk instrument om in samenwerking met de lokale besturen een personeelsbeleid te voeren dat ook gericht is op mensen met een beperking, al dan niet een arbeidsbeperking. We hebben ook een aanbod van gerichte informatie over tewerkstelling van personen met een arbeidsbeperking. Bijvoorbeeld in juni 2014 werd in het tijdschrift BinnenBand van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur een themadossier gewijd aan tewerkstelling van personen met een arbeidshandicap of arbeidsbeperking. Op 18 oktober 2016 is er een studiedag van Personeel en Organisatie met als titel ‘Al gedacht aan veerkracht?’. We hebben ook al aandacht gegeven aan de aanwerving van mensen met een arbeidsbeperking via twee workshops: ‘Competent aan de slag met een arbeidshandicap’, met Brugge als case, en ‘Een sterk vereenvoudigd doelgroepenbeleid is van kracht. Wat zijn de concrete maatregelen?’.

Het is goed dat er een streefcijfer bestaat en het is belangrijk dat de Vlaamse overheid de voorbeeldfunctie nauw ter harte neemt. Ik hoop dat u anderen inlicht over het bestaan van de VOP. Dat kan helpen om meer mensen met een beperking aan te nemen. Dit behoort tot de lokale autonomie, maar het is goed dat er zoveel mogelijk wordt gestreefd naar 2 procent in het totale personeelsbestand van een lokaal bestuur.

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Ik ben blij dat ook de heer Maertens het belang hiervan inziet en de meerwaarde van het tewerkstellen van mensen met een handicap. In het OCMW van Izegem haalt men echter niet de helft van het streefcijfer. We hebben vanuit Izegem zelfs geen cijfers gekregen over de stand van zaken. Misschien moet de burgemeester dat ter sprake brengen op het schepencollege.

Minister, u hebt daarnet een aantal maatregelen opgesomd waarmee de Vlaamse Regering de gemeenten en OCMW’s probeert te faciliteren. U zegt dat u ervan overtuigd bent dat de gemeenten en OCMW’s inspanningen doen en het nut ervan inzien, maar de cijfers zijn wat ze zijn. Er is een achteruitgang. Na een aantal jaren van sensibilisering moeten we concluderen dat het niet helpt. We wijzen dikwijls naar de privésector als het gaat over de tewerkstelling van bepaalde doelgroepen, maar in dezen geven de lokale besturen absoluut niet het goede voorbeeld. 53 gemeenten en 40 procent van de OCMW’s stellen zo niemand tewerk. Dat heeft niets meer te maken met het leveren van inspanningen. Dat is manifeste onwil.

Ik betreur dan ook dat u de weg van een financiële sanctie niet wilt bewandelen. Lokale besturen hebben een heel belangrijke rol te spelen om mensen met een arbeidshandicap die een zwakke positie bekleden op de arbeidsmarkt, te integreren op die arbeidsmarkt. Als we geen bijkomende maatregelen nemen, zullen we kunnen vaststellen dat alle goede voornemens in beleidsbrieven en regeerakkoorden dode letter zullen blijven. Over vier jaar zullen we moeten constateren dat de cijfers er opnieuw niet op vooruitgegaan zijn.

De heer Maertens heeft het woord.

Minister, de sociale economie en de maatwerkbedrijven waar gemeenten – gelukkig maar – steeds meer een beroep op doen voor groenonderhoud en dergelijke, hebben een effect op het al dan niet aanwerven van personen met een handicap. Dat is een terechte bedenking.

Bij heel veel gemeenten is er nog te weinig kennis over en ervaring met het aanpakken van deze problematiek. Daarom is het goed dat de goede praktijken vanuit de Vlaamse overheidsdienst Diversiteit en de VVSG verder worden aangewend en gesignaleerd aan de lokale besturen. Ik hoop dat daartoe inspanningen geleverd blijven.

De heer D’haeseleer betreurt dat u niet financieel wilt ingrijpen. Ik vind dat net zeer goed. We hebben die verantwoordelijkheid bij de steden en gemeenten gelegd. We moeten stimuleren in plaats van te reguleren en te penaliseren. Ik hoop dat we bij een volgende bevraging toch een meer positieve evolutie zien. Ik zal ervoor zorgen dat de cijfers van Izegem er allemaal in zitten. Dat zal sowieso zorgen voor een lichte stijging, want er zijn er wel degelijk tewerkgesteld.

De heer Durnez heeft het woord.

Jan Durnez (CD&V)

Minister, ik kan me vinden in uw antwoord en de opmerking over de uitbesteding. Die verschuiving van de voorbije jaren is enigszins indicatief.

Hoe zijn de gegevens verzameld en gevalideerd? Ik behoor ook tot een gemeente die in de tabel op nul staat, maar in de realiteit wel acht mensen in dienst heeft. Hoe kan dat?

De heer Van den Heuvel heeft het woord.

Ik sluit daarbij aan. Het is belangrijk om de streefcijfers te halen. De overheid heeft ook een voorbeeldfunctie naar de privésector. De geloofwaardigheid van de overheid hangt daar een beetje van af als we de privésector oproepen om mensen met een arbeidshandicap aan te werven maar het zelf niet doen.

Het is anderzijds voor de objectiviteit en de hygiëne van het debat belangrijk dat we er rekening mee houden dat lokale besturen veel meer dan vroeger een beroep doen op de sociale werkplaatsen en de sociale economie. Daar zou ook rekening mee moeten worden gehouden in deze studie. De 2 procent zou naar werkvolume dat door de gemeenten wordt gebruikt, dan wel worden gehaald. Het is een andere vorm van werkgelegenheid, maar er moet rekening mee worden gehouden voor de correctheid van het debat. Ik zeg dat niet om de uitdaging van de 2 procent te ondermijnen, maar het moet wel in beeld worden gebracht.

Minister Homans heeft het woord.

Mijnheer Durnez, de bevraging is gebeurd door het Agentschap Binnenlands Bestuur. De administratie is natuurlijk afhankelijk van de gegevens die ze krijgt van de desbetreffende secretarissen. We denken ook wel dat er enige selectiviteit is en dat er misschien een onderschatting kan zijn.

Ik wil nog enkele cijfers meegeven over de gemeentebesturen. In de provincie Antwerpen hebben 69 van de 71 gemeentebesturen geantwoord, ofwel 97 procent. In Limburg was dat 100 procent. In Oost-Vlaanderen hebben er 64 van de 65 geantwoord. In Vlaams-Brabant waren dat 45 van de 65 gemeentebesturen. Deze provincie scoort het slechtst. In West-Vlaanderen hebben 63 van de 64 gemeentebesturen geantwoord. 49 procent van diegene die hebben geantwoord, voldoen aan de 2 procentnorm. Zoals gezegd, vrees ik dat er een onderschatting in zit en dat niet alle gegevens accuraat zijn doorgegeven.

De heer D’haeseleer heeft het woord.

Ik kan ermee akkoord gaan dat er wat cijfertoilettage aan te pas kan komen. De gemeente Willebroek bijvoorbeeld meldt dat 65 procent van hun personeelsbestand bestaat uit mensen met een arbeidshandicap. Maar goed, dit soort zaken verstopt echter het grote probleem niet. Er zijn ongeveer 34.000 personen met een arbeidshandicap geregistreerd bij VDAB. Als we geen maatregelen nemen, dan zal die groep alleen maar groter worden. Dat zijn mensen die uitgesloten worden van de arbeidsmarkt en ik betreur dat ten zeerste.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

zullen de commissiewerkzaamheden voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. De publiekstribune is gesloten.

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.