U bent hier

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Collega’s, ik wil niet onmiddellijk na de zomer al meteen ambetant doen, maar op lokaal niveau wekt dit dossier wel wat ambetantigheid op omdat iedereen met de vraag blijft zitten: ‘Quo vadis? Waar gaan we heen met het OCMW?’

Enerzijds moeten we daar geduldig bij zijn. Het kan allemaal niet in een-twee-drie gebeuren. Maar anderzijds begint de tijd toch te dringen. Soms vechten geduld en tijd met elkaar. In dit dossier dreigt dat te zullen gebeuren. Minister, het is positief dat u er alles aan hebt gedaan om creatief-legaal een oplossing te bieden voor dit dossier. Maar ook nu weer wordt van onderuit gevreesd dat deze constructie niet kan worden aangehouden. Daarom vraag ik vandaag wat de stand van zaken is.

Er is ook het document van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). De heer De Loor zal het straks waarschijnlijk benutten. Hij zal er geen misbruik van maken. Zo is hij niet. (Opmerkingen)

Dat is constructief bedoeld. In dat document wordt ook gezegd dat er vragen zijn bij de zelfstandigheid van het OCMW wanneer de gemeenteraad en de OCMW-raad zullen samensmelten. Wat gaat de Raad van State daarvan zeggen? Als er dringende steun moet worden verleend, zal het dan de voorzitter van de OCMW-raad zijn, of van het vast bureau? Er blijven dus wel wat vragen. En de VVSG had zich in maart 2015 al akkoord verklaard met een aantal voorwaarden: het moet een sterker sociaal beleid mogelijk maken. Er mogen geen onnodige effecten zijn, die eventueel tot zwaar verlies voor die OCMW’s zouden leiden. En ook wettelijk en decretaal moet dat kader juridisch juist zijn. Minister, hoe verlossend kunt u vandaag tot ons spreken?

De heer De Loor heeft het woord.

Ik wil in de eerste plaats de heer Doomst bedanken omdat ook hij dit toch wel heel belangrijke thema telkens onder de aandacht brengt en de discussie over deze problematiek helpt warm te houden. De heer Doomst doet dat op gezette tijdstippen. Hij vroeg daarnet naar de toekomst van de OCMW’s. Het is veel belangrijker om de vraag te stellen naar de toekomst van het lokaal sociaal beleid. Dat is voor sp.a hét uitgangspunt. Sp.a wil het lokaal sociaal beleid versterken. Welke ingrepen en veranderingen zijn daar nodig? Minister, zeker naar het aanleiding van het standpunt van de VVSG, dat we daarover tijdens de afgelopen mooie zomer mochten ontvangen, heb ik het aangedurfd om daarover een interpellatie in te dienen.

Minister, in navolging van het regeerakkoord, uw beleidsnota en een motie diende u in januari 2015 een conceptnota in over de integratie van OCMW’s in de gemeenten. Het debat over deze integratie werd van in het begin overschaduwd door een legistieke discussie over het al dan niet moeten wijzigen van onder andere bijzondere wetten, bijzondere meerderheden, en noem maar op.

Naar aanleiding van een eerste discussie over dit heikel thema, in maart 2015, zei u hierover het volgende aan mevrouw Pira: “Mevrouw Pira, ik heb, in tegenstelling tot u, geen enkele aanwijzing dat voor de wijziging van de OCMW-wet een bijzondere meerderheid nodig is. Ik maak me daar dan ook geen zorgen over. Mocht het dus toch zo zijn dat we een bijzondere meerderheid nodig hebben – maar ik heb allerlei indicaties dat dat niet zo is – dan denk ik dat we onze Waalse broeders aan onze kant hebben, want zij willen net dezelfde oefening doen.”

Tijdens de plenaire vergadering van 30 juni 2015 verwoordde u het als volgt: “Ondanks de geruchten die dwalen in de wandelgangen – u weet ook hoe dat gaat – zijn we – minister Borsus en ikzelf – er allebei van overtuigd dat voor deze wetswijziging enkel een gewone meerderheid nodig is.”

Op 2 februari 2016 liet deze commissie opnieuw haar licht schijnen op deze problematiek. Ook toen klonk u zelfzeker: “Vlaanderen vraagt geen aanpassing van de bijzondere wet en geen bevoegdheidsoverdracht. Die hebben we ook niet nodig, omdat we de faciliteitengemeenten uit de regeling hebben gehouden. Dit moet dus niet met een tweederdemeerderheid, maar bij gewone meerderheid.” Precies twee weken later, op 16 februari, stond het onderwerp opnieuw op de agenda. U bleef hetzelfde verklaren.

Op 10 mei 2016 kwam dit opnieuw ter sprake. Voor de eerste keer was u toen wat voorzichtiger: “Afhankelijk van het advies van de Raad van State – we zijn afhankelijk van de federale wetswijziging – zullen we moeten nagaan in welk kader of in welke vorm die integratie van gemeente en OCMW zal kunnen worden geregeld.”

Minister, ik stel bij u toch wel een zeer grote bestuurlijke hardnekkigheid vast telkens wanneer we debatteerden over de afschaffing van de OCMW’s of over de integratie van de OCMW’s in de gemeenten. Niet enkel ikzelf maar ook vele collega’s hebben u herhaaldelijk gewezen op de juridische problemen die konden worden verwacht. U hebt die opmerkingen telkens weggewuifd, als waren het opmerkingen die er enkel op uit zijn om met weinig kennis van zaken onrust te zaaien vanuit de oppositie.

De Raad van State heeft zijn advies over het voorontwerp van wet tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de OCMW’s afgeleverd. En jawel, het staat haaks op wat u al die tijd met een grote halsstarrigheid hebt verkondigd. De door u zo gewenste aanpassing aan artikel 1 kan helemaal niet gebeuren bij gewone wet, maar moet integendeel aangepast worden met een wet met bijzondere meerderheid.

Dus lag het pronkstuk van uw bestuurlijke hervorming, de afschaffing van het OCMW, in de prullenmand. Twee jaar van onzekerheid, rondes van Vlaanderen, heel wat interne debatten en discussies: allemaal een maat voor niets, terwijl u al die tijd had kunnen inzetten op het versterken van het lokaal sociaal beleid binnen het huidige decretale kader. Iedereen weet immers dat zowat alle ingrepen die nodig zijn om te komen tot een lokaal meer gedragen, efficiënt en effectief lokaal sociaal beleid mogelijk zijn binnen de bestaande decretale kaders.

Toch blijft u doorgaan. U diende halsoverkop een nieuwe conceptnota in op 13 mei 2016, die opnieuw leidt tot juridische discussie en onzekerheid. Tijdens het actualiteitsdebat van 18 mei laatstleden bleef u hardnekkig vasthouden aan uw grote gelijk.

Deze zomer kregen ook uw nieuwe plannen een kapitale waarschuwing. In naam van de voorzitter van VVSG en de voorzitter van de raad van bestuur, ontvingen we het standpunt dat het VVSG-directiecomité heeft ingenomen ten aanzien van het project tot integratie van gemeenten en OCMW. Een standpunt dat niks aan onduidelijkheid over laat en toch alarmbellen moet doen afgaan bij u. Ik citeer: “VVSG wil de integratie steunen op voorwaarde dat dit tot een versterking van het lokale sociale beleid leidt en dat er geen financiële nadelen ontstaan met betrekking tot de federale geldstromen naar lokale besturen en dat er een juridisch sluitend kader is zodat er geen betwistingen ontstaan met bestuurlijke chaos als gevolg.” Dat is een terminologie die kan tellen.

Ik ga verder: “VVSG uit ook een zeer grote bezorgdheid of de juridische vertaling van de hernieuwde conceptnota na een nieuw advies van de Raad van State overeind blijft en geen aanleiding zal geven tot rechtsprocedures bij de Raad van State en/of het Grondwettelijk Hof. VVSG stelt dat geen enkel risico mag genomen worden dat er in 2019 bestuurlijke onzekerheid zou ontstaan. Er wordt ook gevraagd om een aantal lokale besturen meer tijd te geven (met fases, met overgangsmaatregelen) dan tot 1 januari 2019 om dergelijke grote ingrijpende veranderingsprocessen op een ordentelijke en professionele manier door te voeren op lokaal niveau.”

Minister, uw verantwoordelijkheid in dezen is verpletterend. Het was uw keuze om bestuurlijke hervormingen in gang te zetten die niet enkel ontdaan waren van elk bestuurlijk inzicht, maar die bovendien gebouwd zijn op juridisch drijfzand. Het is uw volle verantwoordelijkheid om, op amper twee jaar van de lokale verkiezingen en de inwerkingtreding van uw zogenaamde bestuurlijke hervormingen, alle alarmsignalen te negeren en koppig door te zetten.

Onze grootste bekommernis, en ook die van de VVSG, is dat de hervorming leidt tot een versterking van het lokaal sociaal beleid. Tot op heden hebt u hiervoor geen enkel bewijs geleverd, in de vorm van empirische vaststellingen, onderzoeken, studies enzovoort.

Het is ook overduidelijk dat u voor deze cruciale hervorming geen of onvoldoende beroep hebt gedaan op degelijk en onderbouwd juridisch advies, ook niet voor uw laatste conceptnota. Kunt u hierover meer uitleg geven en de juridische onderbouw toelichten en ter beschikking stellen? Welke garanties kunt u geven dat er niet opnieuw maanden tijd verloren gaan en de situatie van onduidelijkheid en onzekerheid aanhoudt? Kunt u garanderen dat er geen financiële nadelen ontstaan met betrekking tot de middelen die naar de lokale besturen gaan? Zo ja, waarop zijn deze garanties gebaseerd?

U verklaarde in deze commissie, in de plenaire vergadering en in de media dat er sowieso een integratie komt tegen 1 januari 2019, de start van de nieuwe gemeentelijke legislatuur. Wat doet u met de vraag van de VVSG om de lokale besturen meer tijd te geven om het integratieproces op een ordentelijke en professionele manier door te voeren zodat er geen bestuurlijke chaos ontstaat in Vlaanderen? Dat is toch wel een heel belangrijk argument, waarvoor u als voogdijminister verantwoordelijk bent.

Minister Homans heeft het woord.

Dames en heren, als ik pijnlijke grimassen trek, ligt dat niet aan u – misschien af en toe aan de heer De Loor –, maar aan ernstige rugklachten. Neemt u dat dus niet persoonlijk.

Voorzitter, ik zal niet de hele historiek herhalen, die is al geschetst door de heer De Loor, al dan niet op objectieve wijze. Er is hierover al heel veel gezegd. Ik zal me beperken tot wat er nu staat te gebeuren en de timing. Ik zal ook niet ingaan op alle vragen van de heer De Loor zoals over wat ik vind van het advies van de VVSG. Ik kan u wel zeggen dat ze betrokken zijn, maar daar kom ik later op terug.

De integratie van OCMW’s in gemeenten of steden maakt deel uit van het nieuwe decreet Lokaal Bestuur. Wat is de stand van zaken? Beide leden hebben verwezen naar 10 mei 2016 en het vereiste federale wetsinitiatief om een volledige integratie van de OCMW’s in de gemeenten te kunnen realiseren, dat zou uitblijven. Er is in dit parlement al heel vaak gesproken over de aanpassing van artikel 1. Mijnheer De Loor, het negatieve advies van de Raad van State was niet op een ontwerp van mij, maar wel op een federaal wetsinitiatief. Dat had niets te maken met iets dat door de Vlaamse Regering was beslist. Het was natuurlijk wel leuk geweest als we op dat spoor hadden kunnen voortgaan.

Dat is niet gebeurd. U zegt dat we op 13 mei ‘halsoverkop’, nadat we op 10 mei weet hadden van het advies van de Raad van State op het federale wetsontwerp, in de Vlaamse Regering een conceptnota hebben aangenomen. Al heb ik fantastische medewerkers en een fantastische administratie, dat krijgen we niet geklaard in twee dagen. Dat bewijst dus dat we wel degelijk hebben geanticipeerd op een mogelijk njet van de overkant. Het is niet zo dat we dat halsoverkop hebben gedaan. We hebben dus een aangepaste conceptnota goedgekeurd in de Vlaamse Regering en daarover volgde ook onmiddellijk een actualiteitsdebat in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement.

Hoe dat dan in zijn werk zal gaan en wie zal beslissen over individuele steundossiers, heb ik al tot vervelens toe uitgelegd. Het is heel duidelijk hoe we de structuur van het nieuwe orgaan in de gemeentelijke context zien.

Onmiddellijk na de goedkeuring op 13 mei van die conceptnota in de Vlaamse Regering is het Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB) gestart met de voorbereiding van de regelgevende teksten. In het licht daarvan heeft ABB voor het zomerreces en na het actualiteitsdebat drie vergaderingen georganiseerd met de VVSG, waarop uitvoerig overlegd is over de conceptnota en de wijze waarop die verder uitwerking zou krijgen.

Ik wil u erop wijzen dat er een verschil is tussen overleg plegen en met alle opmerkingen rekening houden. Er is overleg geweest en we hebben wel degelijk rekening gehouden met bepaalde opmerkingen van de VVSG. Op 14 september hebben we tijdens een opvolgingsvergadering van de paritaire commissie decentralisatie nog eens de gelegenheid te baat genomen om daar ook nog eens te praten over de aanpak en het verder verloop van het decreet Lokaal Bestuur, hoewel dat niet op de agenda stond. Hierbij hebben we opnieuw de bezorgdheden van de VVSG beluisterd en besproken.

ABB heeft intussen de nodige ontwerpen van decreet en de toelichting voorbereid en laat zich ondersteunen. Wellicht kan midden oktober, over een week dus, gestart worden met de verspreiding van de tekst en het overleg daarover. De bedoeling is om tegen het einde van dit jaar een principiële goedkeuring te krijgen in de Vlaamse Regering.

We zullen onze timing dus halen. Is het absoluut noodzakelijk dat dit ingang vindt per 1 januari 2019, bij de aanvang van de nieuwe lokale legislatuur? Het antwoord daarop is ‘ja’. Ik heb alle vertrouwen, niet alleen in mijn kabinet, maar ook in de administratie en in alle andere organisaties die meewerken aan het tot stand komen van dit decreet, en kan u verzekeren dat ze dit tot een goed einde zullen brengen.

Wat betreft uw concrete vraag over een verzoek van de VVSG met betrekking tot de mogelijkheid om de lokale besturen die zeggen nog niet klaar te zijn, uitstel te geven, is het zo dat we het hier niet hebben over iets wat pas een jaar of een half jaar geleden duidelijk is geworden. Het stond al in het regeerakkoord en we zijn er al meer dan twee jaar over aan het debatteren. Zo’n debat is altijd goed, maar van bij het begin van de legislatuur was de bedoeling wel al duidelijk. Als ik anno 2016 vaststel dat er gemeentebesturen zijn die het Gemeentedecreet nog altijd niet naar behoren toepassen, is een uitstel absoluut niet goed. Dat past niet in onze visie en het wijkt af van het regeerakkoord.

Het zou bijzonder vreemd zijn dat integratie niet tot meer efficiëntie zou leiden of tot meer uitgaven. Daar geloof ik niet in, want dat staat haaks op elkaar. Dat zal ook zo worden opgenomen in alle decreetgevende teksten die we aan het voorbereiden zijn. Ik geef maar een paar voorbeelden: er zijn maar twee decretale graden in plaats van vier en er zijn geen overlappende diensten meer.

U vraagt of ik ervoor kan zorgen dat er geen impact is van federale wetgeving op de financiële situatie. Ik geef één concreet voorbeeld. Aangezien een regeling op het federale niveau niet is gelukt, zullen we zelf met een decreet op de proppen komen. Er zullen nog altijd twee rechtspersonen zijn, omdat er zoiets bestaat als de Sociale Maribel. Dat is een federale tegemoetkoming, die enkel gegeven kan worden aan personeelsleden die op de loonlijst van een OCMW staan. Door het feit dat er nu twee rechtspersonen blijven bestaan, blijft de mogelijkheid voor een lokaal bestuur ook bestaan om die mensen, die kunnen genieten van een Sociale Maribel, op de loonlijst van die rechtspersoon te laten staan.

Mijnheer De Loor, ik wil een beroep doen op de verantwoordelijkheidszin van die lokale bestuurders. Als u in Zottegem zou beslissen om al het personeel van het OCMW bij de rechtspersoon van het OCMW onder te brengen en nadien zou komen klagen dat u niet langer de rechten en voordelen hebt van de Sociale Maribel, houdt dat geen steek. Ik vraag dus om in dit verband enige verantwoordelijkheidszin aan de dag te leggen. Ik heb evenwel nog geen enkele aanwijzing gekregen dat dit een van de bekommernissen zou zijn. Ik denk dat elk lokaal bestuur daar terdege van op de hoogte is.

Eind dit jaar zal ik een eerste principiële goedkeuring aan de Vlaamse Regering voorleggen.

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Minister, dank u voor het kalmerende perspectief. Dat is belangrijk voor de lokale besturen. We beseffen natuurlijk dat in zo’n moeilijke materie de mirakels tot Rome beperkt blijven. De heer De Loor zal daar zeker niet in geloven. Ik denk dat we die beperktheid moeten inschatten.

Ik maak mij ook minder zorgen over de beweging op het terrein. Men zit op het terrein niet stil. Men weet ook in welk perspectief we daar werken. De Chinezen maken ons daarin niet zenuwachtig, dus dat lukt wel redelijk.

Er zijn drie categorieën. De planhebbers weten heel duidelijk waarnaartoe. Zij werken nu met een zeer duidelijke bedoeling. Op veel plaatsen is er al een zeer goede samenwerking. De plantrekkers zeggen dat ze met de riemen zullen roeien die ze hebben en dat ze wel zullen zien waar ze geraken. Maar dan zijn er ook nog de planzoekers. Er zijn er die de kat uit de boom kijken en die zeggen dat zolang de kat niet springt, zij ook niet zullen bewegen. Vooral die mensen moeten een duwtje krijgen, om hun te zeggen dat ze in de goede richting zitten en dat we dat wel zullen fiksen. Ik hoop echt van harte dat we ons daar aan de timing houden, dat we in het vooruitzicht van Kerstmis kunnen uitkijken wat het cadeautje zou kunnen zijn.

De heer De Loor heeft het woord.

Mijnheer Doomst, weet u nog dat we vorig jaar ook eerst een kerstcadeau verwachtten, dan was het een valentijnsgeschenk, dan bleek het een paaskuiken te zijn, maar uiteindelijk werd het niets. We moeten ervoor opletten dat we niet in hetzelfde bedje ziek zijn.

Minister, enerzijds ben ik verwonderd, maar anderzijds ligt het in de lijn van de verwachtingen dat u opnieuw de kritiek en de opmerkingen wegwuift over het werk dat u nu aan het doen bent voor de integratie van de OCMW’s in de gemeenten. U hebt het in het verleden altijd weggezet als oppositiepraat. Als het dan van een belangrijke organisatie als de VVSG komt, schakelt u over naar het overleg dat werd gepleegd. Er is inderdaad overleg gepleegd. Dat staat trouwens ook in de bijlage van het standpunt van de VVSG. Maar dat was in de eerste plaats een overleg zonder teksten, heb ik kunnen lezen. Het overleg dat er was tussen het Agentschap Binnenlands Bestuur en de VVSG werd afgerond begin juni. Maar het standpunt van de VVSG kwam tot stand op 13 juli 2016. Het werd ons bezorgd in augustus. Dat standpunt kwam er dus na het overleg. Dat standpunt zomaar wegwuiven, vind ik toch al te gemakkelijk.

Het standpunt van de VVSG leest als een thriller, voor u, maar in de eerste plaats voor de gemeenten en OCMW’s, maar ook voor hun klanten en cliënten. Minister, ik vraag mij af hoeveel alarmbellen er nog moeten afgaan vooraleer u hier lessen uit trekt. Ik ga niet zeggen dat de VVSG niet meer in uw aanpak gelooft, maar ze heeft er grote twijfels bij. De VVSG, toch niet de eerste de beste, maakt voorbehoud bij uw aanpak. Zijn standpunt bevat echt wel klare taal. De VVSG waarschuwt zelfs voor bestuurlijke chaos. Dat hebben we in deze commissie maar ook in de plenaire vergadering al tot vervelens toe gezegd. De VVSG neemt ook die woorden in de mond maar ook ‘ter penne’: ze waarschuwt voor bestuurlijke chaos, zowel op organisatorisch vlak als op financieel vlak. Dat staat haaks op het versterken van het lokaal sociaal beleid.

Minister, in de lagere school leren we het spreekwoord ‘een verwittigd man is er twee waard’. Maar ik denk dat u in de lagere school niet goed hebt opgelet. Dat spreekwoord geldt ook voor vrouwen. (Opmerkingen van Michel Doomst)

Ja, dubbel, mijnheer Doomst. Minister, u speelt hier echt met vuur. Een verwittigde vrouw is er ook twee waard.

Minister, als er één constante is in de aanpak van dit dossier, dan wel dat u blijft vasthouden aan uw eigen grote gelijk. Maar dan wel ten koste van het lokale sociaal beleid.

Minister, in de voorbeelden die u net gaf – de Sociale Maribel en het inzetten of doorschuiven van personeel – draagt u ook een verpletterende verantwoordelijkheid. U zegt: “Wij gaan dit doen en de lokale besturen moeten maar zien dat het in orde is en dat ze geen dommigheden begaan waardoor ze financiële middelen missen.” Als dat uw invulling is van meer lokale autonomie, dan heb ik daar eerlijk gezegd een andere visie op. Door die lokale besturen te blijven aanporren om snel over te gaan tot personeelsverschuivingen en organisatorische ingrepen, dreigen ze die belangrijke financiële middelen te verliezen.

Minister, u hebt natuurlijk de vragen en opmerkingen over de juridische onderbouw van uw tweede conceptnota omzeild. Ik had die graag gekend. Kunnen ze ter beschikking worden gesteld? Welke garanties kunnen er worden gegeven opdat er niet opnieuw maanden verloren gaan? U neemt hier opnieuw een bijzonder groot risico. Voor een voogdijminister, verantwoordelijk voor de lokale besturen, gemeenten en OCMW’s, maar ook voor hun cliënten, is dat echt onverantwoord gedrag.

De heer De Meulemeester heeft het woord.

Marnic De Meulemeester (Open Vld)

Naar aanleiding van de strijdvaardige taal van de heer De Loor voel ik mij toch geroepen om eventjes tussen te komen. Hij heeft het over de standpunten van het directiecomité van de VVSG. Ik ben daar zelf bij en, mijnheer De Loor, ik kan u geruststellen: het directiecomité van de VVSG heeft die standpunten in alle rust en sereniteit genomen. Maar er is niets nieuws onder de zon. De drie punten die de VVSG nu naar voren brengt, zijn in het verleden ook al aan bod gekomen. Geen bijkomende financiële lasten ten overstaan van de lokale besturen: dat heeft de VVSG altijd gesteld. Een sluitend juridisch kader: dat is ook niets nieuws. Het lijkt mij ook nogal logisch dat ze dat stellen. En ten slotte de integratie van het OCMW in de gemeente, om nog een beter sociaal beleid te bewerkstelligen. Die drie punten zijn hier al uitvoerig, in vele vergaderingen, aan bod gekomen. Iedereen is het erover eens. Ik zie dus niet goed in wat eigenlijk aan het standpunt, dat door de VVSG nogmaals werd herhaald, verkeerd zou zijn. Het is niet slecht dat ze dat herhalen, dat bewijst dat ze de zaken opvolgen. Die zaken zijn hier allemaal al besproken. Ik zie dus geen enkel probleem in het standpunt van het directiecomité, die de standpunten die het in het verleden al heeft ingenomen, nog eens benadrukt.

De heer Durnez heeft het woord.

Jan Durnez (CD&V)

Ik heb een praktische vraag. Minister, ik hoor u zeggen dat u om pragmatische redenen voortdoet met twee organogrammen en twee rechtspersonen, omwille van een soort rechtbank die nodig zal zijn voor het personeel dat om federale redenen een apart statuut moet behouden. Wordt eraan gedacht om de aansturing van dat personeel in het rechtsbestuur – als ik het een beetje oneerbiedig zo mag noemen – ook te laten gebeuren door het personeel uit het feitelijke bestuur, dat gemaakt wordt als eenheid? Moeten we een deel opzij houden om federale redenen? Maar een aansturing van de leidinggevenden en de evaluatie is toch nodig. Kan daarin worden voorzien?

De heer Van Eyken heeft het woord.

Christian Van Eyken (UF)

Minister, ik heb goed geluisterd naar uw antwoord. Het plan van de integratie van het OCMW in de gemeente sleept al twee jaar aan. We bevinden ons vandaag op ongeveer twee jaar van de volgende gemeenteraadsverkiezingen en een nieuwe gemeentelijke legislatuur. In verband met belangrijke veranderingen in het gemeentelijke bestuur zou toch één jaar voor de verkiezingen alles duidelijk moeten zijn en afgerond moeten zijn.

U zegt dat u eind dit jaar met een eerste voorstel naar de Vlaamse Regering zult komen. Hopelijk zal die tekst de toetsing van de Raad van State hebben doorstaan. Zou u ons kunnen verzekeren dat heel die heisa rond de integratie afgerond kan zijn tegen volgend jaar, bijvoorbeeld eind oktober 2017? Zo kan er met rust naar de volgende gemeentelijke legislatuur worden toegewerkt.

Uit alle berichtgeving die we hoorden en lazen, bleek toch duidelijk dat de faciliteitengemeenten uit de integratie van de OCMW’s in de gemeenten worden gehaald en dus buiten die nieuwe regeling staan?

De heer Maertens heeft het woord.

Voorzitter, ik voel mij genoodzaakt om het te hebben over de thrillers die de heer De Loor blijkbaar leest tijdens de zomervakantie. Ik heb voor mijn dochter van 5 jaar zeer veel voorgelezen uit Jip en Janneke en uit Mega Mindy. Ik denk dat die een groter thrillergehalte bevatten dan de nota van de VVSG.

Mijnheer De Loor, als uw vraag één verdienste heeft, dan is het dat de minister hierdoor de kans kreeg – en genomen heeft – om aan te duiden dat de administratie op het terrein volop doorwerkt aan de integratie, aan de inkanteling van de OCMW’s in de gemeenten, aan de voorbereiding van het decreet Lokaal Bestuur. Dat is op zich een goede zaak.

Mijnheer De Loor, u zegt dat sp.a staat voor een beter lokaal sociaal beleid. Dat is uiteraard zo. Dat kan ik goed geloven. Maar ik denk dat dat voor elke partij hier aanwezig geldt. U weet ook dat dat het grote uitgangspunt is van deze hervorming. Ik heb een klein beetje de indruk dat u door de toon die u aanslaat, een beetje paniek zaait, dat u misschien zelfs obstructie en vertraging wenselijk begint te vinden. Tot mijn grote spijt zie ik dat op het terrein. In mijn regio, waar het iets minder vlot gaat, ligt dat niet zelden aan de stugge houding van leden uw partij.

Als we niet naar de positieve omwenteling gaan die we voor ogen hebben, zullen we behouden wat er is. Dan kijken we aan tegen een stilstand en hebben we geen beter lokaal sociaal beleid. In de eerste plaats de hulpbehoevenden zelf hebben daar geen boodschap aan. Daarom wil ik u en uw partij en alle lokale mandatarissen in Vlaanderen oproepen om voort te werken, om niet te wachten op de finale tekst van het decreet Lokaal Bestuur. Die tekst is niet nodig om vandaag de integratie al vorm te beginnen geven. Kan je het voleindigen? Neen. Maar we moeten daar werk van maken. Als we zouden ingaan op de suggestie van de VVSG om uitstel te verlenen aan bepaalde gemeenten, dan vrees ik dat daar afstel van komt. Dat is voor de mensen absoluut geen goede zaak.

Te meer, ik lees in de nota van de VVSG dat meer dan 60 procent van de gemeenten al heel grote vooruitgang hebben geboekt op het vlak van de integratie. Laat ons samen die andere kleine 40 procent meetrekken in het verhaal. Ik hoor dat er regelmatig overleg is tussen de minister, het kabinet, de administratie en de VVSG, en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Het is zeer positief dat de VVSG zelf heeft gezegd dat hij ook inspanningen zal leveren om de lokale besturen en de mandatarissen verder te ondersteunen en te begeleiden bij de integratie van het OCMW in de gemeente.

Mijn slotboodschap is: laat ons er gewoon voor gaan. We hebben nog twee jaar om dat goed vorm te geven. Ik ben ervan overtuigd dat het mogelijk is, maar het hangt af van de goede wil van elkeen.

Mevrouw Pira heeft het woord.

Ingrid Pira (Groen)

Minister, ik stel vast dat de leden van de meerderheid wat lacherig doen over die hele kwestie. Jip en Janneke worden erbij gehaald, en thrillers. (Opmerkingen van Bert Maertens)

U zegt dat Jip en Janneke een hoger thrillergehalte bevatten. Mijnheer Maertens, ik vind dat u lacherig op deze ernstige kwestie reageert. Voor een lid van de meerderheid is dat niet ernstig. Het gaat helemaal niet over paniek zaaien. Het gaat ook niet over een stugge houding. Iedereen hier weet dat de integratie van de OCMW’s in de gemeentebesturen, of de samenwerking tussen beide, al jaren bezig is. Iedereen op het terrein doet voort. Er zijn helemaal geen mensen van slechte wil. Dat zijn toch niet de signalen die mij bereiken. Het gaat hier niet over de hervorming. Iedereen weet dat die twee besturen al twintig jaar meer en meer bij elkaar komen. Het gaat over de manier waarop er hervormd wordt. Het gaat over de manier waarop er in het begin van de legislatuur wordt gezegd dat dat op het einde één bestuur moet zijn, één rechtspersoon. (Opmerkingen)

Het ging toch één rechtspersoon worden? Minister, ik heb u altijd gezegd dat u iets decreteert zonder te weten of het mogelijk is. Iedereen gaat aan het werk in het licht van één rechtspersoon, en opeens blijkt dat dat niet mogelijk is. We zijn september 2016, en eigenlijk staan we nergens. Ik vind dat echt niet om mee te lachen.

Er is een verschil tussen stil voortdoen, wat de meesten doen, en naar een concreet einddoel werken. Dat is op een of andere manier een integratie van die twee besturen. Het laatste idee, na het advies van de Raad van State, is een constructie met twee raden, die dan dezelfde personen vatten, enzovoort. Minister, ik heb u horen zeggen dat er opmerkingen waren van de VVSG, en dat niet met alle opmerkingen rekening werd gehouden. Ik kan daar gerust in komen.

Is juridisch alles in orde? Dat was ook de kern van mijn betoog tijdens de vorige plenaire vergadering toen uw conceptnota ter sprake kwam. Dat is iets wat de lokale besturen, die met alles in orde moeten zijn, zich afvragen: of alles juridisch in orde is. Dan ben ik het ook eens met het feit dat men één jaar voor de gemeenteraadsverkiezingen met alles klaar moet zijn. Minister, ik heb regelmatig verwittigd voor bepaalde zaken. Die zijn tot nu toe altijd uitgekomen. Ik wil u toch nog verwittigen dat u voorbereid moet zijn op het moment dat u werkelijk zult moeten beslissen of u gemeenten die niet klaar zijn, uitstel geeft of niet. Doe dat alstublieft op voorhand. 

Minister Homans heeft het woord.

Ik dank de heren De Meulemeester en Maertens, die het mij besparen om alle zaken te herhalen die we kunnen lezen in het verslag van het directiecomité van de VVSG. Daar staan inderdaad geen nieuwe zaken in. Daar staan evidente zaken in. Bijvoorbeeld dat er juridische zekerheid moet zijn. Mevrouw Pira, daarover zijn we het allemaal eens. Ik kan u de garantie geven dat we juridische zekerheid hebben. Maar er staan ook wel zaken in waarmee we het gewoon niet eens zijn. Dat heb ik ook in mijn initiële antwoord aan de heer De Loor gezegd. We zullen geen uitstel verlenen aan bepaalde lokale besturen. Het is het volste recht van een regering om die beslissing te nemen.

Mijnheer De Loor, u mag met mij van mening verschillen – en iets in mij zegt dat u dat ook zult doen – over het feit dat een integratie sowieso in het voordeel is van een lokaal sociaal beleid. U zei, toen ik het voorbeeld gaf van de Sociale Maribel, dat ik de verantwoordelijkheid afschuif op de lokale besturen. Neen. Ik zeg u alleen dat we momenteel weten dat de twee rechtspersonen moeten blijven bestaan. Als die twee rechtspersonen blijven bestaan, en het gemeentebestuur of het lokale bestuur beslist om bepaalde personeelsleden die op de OCMW-rechtspersoon staan en kunnen genieten van het overzetten van het federale voordeel van de Sociale Maribel, over te zetten op de rechtspersoon van de gemeente, dan is het de verantwoordelijkheid van het lokale bestuur om dat te doen. Natuurlijk zullen wij in allerlei handleidingen voor de lokale besturen meegeven dat dit niet wenselijk zou zijn. Dat zou inderdaad financieel nadelig kunnen zijn. Maar als u mij nu zegt dat ik de verantwoordelijkheid afschuif op de lokale besturen, dan zegt u eigenlijk dat ik van de 308 min – mijnheer Van Eyken – de 6 faciliteitengemeenten alle beslissingen inzake personeel in handen moet nemen. Dat staat volgens mij haaks op de definitie van lokale autonomie. Dat zal ik niet doen.

Mijnheer Durnez, u vraagt naar die twee rechtspersonen. De hele integratie is gebaseerd op de ambtelijke integratie, met één secretaris en één financieel beheerder. Als het uw concrete vraag is of er overkoepelend aan personeelsbeleid kan worden gedaan, dan zeg ik: ja, absoluut, want men heeft één secretaris, of noem het een algemeen directeur, en één financieel beheerder. Die algemeen directeur zal de personeelschef zijn van alle personeelsleden, ongeacht op welke rechtspersoon die staan ingeschreven. Of dat nu op de rechtspersoon is van het OCMW of op de rechtspersoon van de gemeente, dat doet er niet toe. De financieel beheerder zal net hetzelfde doen voor de middelen die binnenkomen op de rechtspersoon van het OCMW als voor de middelen die binnenkomen op de rechtspersoon van de gemeente.

We zullen ook werken met één beleids- en beheerscyclus (BBC). Ik heb in het verleden al uitgelegd dat dat goed is voor de lokale besturen.

Ik heb horen zeggen dat we nergens staan. Ik heb proberen duidelijk te maken dat we echt niet hebben zitten wachten op het federale wetsinitiatief waarvan we voelden dat het niet in orde zou komen. We hebben drie dagen nadien een conceptnota laten goedkeuren. In de zomer is er ijverig doorgewerkt, niet alleen door mijn medewerkers maar ook door de administratie en externe adviseurs, om tot gedragen teksten te komen die juridisch onderbouwd zijn. Die teksten zullen midden oktober worden verspreid voor verdere bespreking. Eind dit jaar ga ik voor een eerste principiële goedkeuring naar de Vlaamse Regering. Ik moet dan natuurlijk het hele traject doorlopen. Eind 2017 willen we absoluut een definitieve goedkeuring door het parlement opdat alles een jaar voor de lokale verkiezing duidelijk is. Dat wil niet zeggen dat we bij een eerste principiële goedkeuring bij de pakken zullen blijven zitten. We zullen de lokale besturen de nodige informatie geven, voor zover ze die al niet hebben gekregen. We zullen dat blijven doen vanuit het kabinet en de administratie. Ik heb er alle vertrouwen in dat de lokale besturen op een zeer terdege manier zullen worden geïnformeerd.

De heer Doomst heeft het woord.

Michel Doomst (CD&V)

Minister, ik dank u voor het perspectief dat u biedt. Op vele plaatsen zijn de duiven al gelost. Op een aantal plaatsen echter zal men de duiven niet lossen zonder de windrichting te kennen. Ik blijf erop aandringen dat we die midden 2017 zouden kennen. Veel later kan niet, want anders zullen we de handdoek moeten gooien. Ik blijf er rotsvast in geloven dat we tot een plausibele oplossing tegen medio 2017 kunnen komen.

De heer De Loor heeft het woord.

Mijnheer De Meulemeester, natuurlijk zijn de standpunten ongewijzigd, maar ‘time is ticking away’. We zijn begin oktober 2016, twee jaar verwijderd van de lokale verkiezingen, en de tijd tikt weg. De garanties die gevraagd worden door de VVSG, zijn nog altijd niet gegeven. U zegt dat u achter de standpunten staat. Wat doet u dan met het standpunt om uitstel te verlenen aan lokale besturen die er niet tijdig klaar mee zullen zijn. Staat u daarachter?

Minister, ik stel vast dat u hardnekkig blijft vasthouden aan uw eigen overtuiging. U blijft dit dossier behandelen vanuit bestuurlijk oogpunt. U blijft focussen op structuren. U bent echter ook bevoegd voor armoedebestrijding. We hebben deze middag nog in het nieuws kunnen horen dat er ontstellende armoedecijfers zijn. Ik citeer: “De Armoedebarometer slaat rood door. De Vlaamse en de Federale Regering moeten hun doelstellingen en hun beloftes waarmaken.”

In de praktijk worden de maatschappelijk werkers in de sociale diensten en de sociale huizen overspoeld. Daar blijft u blind voor. Het aantal leefloners is in 2015 exponentieel gestegen en ook in de eerste periode van 2016. De POD Maatschappelijke Integratie zegt dat er een tandje bij mag worden gestoken in de bestrijding van armoede. Als minister van Armoedebestrijding pleegt u schuldig verzuim. We vragen dan ook om in te zetten op de versterking van het lokale sociale beleid. Gewezen lid mevrouw Lieten en ikzelf hebben daartoe een conceptnota ingediend waarbij er denksporen kunnen worden onderzocht die u altijd weigert te onderzoeken. Ik zal dat straks aankaarten tijdens de regeling van de werkzaamheden.

Ik blijf uitkijken naar de garanties dat dit juridisch in orde is. Ik stel vast dat u die niet kunt geven. (Opmerkingen van minister Liesbeth Homans)

De interpellatie en de vraag om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.