U bent hier

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Ik wil eerst nog eens benadrukken dat ik liever had gewild dat de vragen per twee gekoppeld waren. De vragen van de heren De Meyer en Vandenberghe gaan meer over schoolmateriaal en de onkosten die leerkrachten uit eigen zak betalen. De vraag van mevrouw Gennez gaat wat meer over de studiekostenmonitor. Het wordt wellicht één groot antwoord, waardoor de details uit de boot kunnen vallen. Maar goed.

Op 1 oktober 2014 is een onderzoek naar de ontwikkeling van een studiekostenmonitor begonnen onder het promotorschap van professor Ides Nicaise van het Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving (HIVA). Het onderzoek werd op 29 februari 2016 beëindigd.

De studiekostenmonitor is een wetenschappelijk instrument dat voor het eerst is uitgewerkt. Het onderzoek naar de ontwikkeling van een studiekostenmonitor reikt een instrumentarium en een methode aan die toelaat om de studiekosten voor de diverse onderwijsniveaus in Vlaanderen in kaart te brengen en te monitoren. Het bevat geen informatie over alle studiekosten zelf, maar kijkt welke parameters moeten worden gebruikt om de studiekost te meten.

Tijdens de plenaire vergadering van 29 juni zei u dat de studiekostenmonitor ongeveer klaar zou zijn. U wou dat de studiekostenmonitor beschikbaar is tegen de start van het schooljaar om meteen van start te kunnen gaan met het meten.

Minister, kunt u een stand van zaken geven inzake het onderzoek met betrekking tot de studiekostenmonitor? Wat zijn de resultaten en welke conclusies kunt u trekken?

Is de studiekostenmonitor beschikbaar vanaf dit schooljaar?Zijn er nog elementen die toegevoegd moeten worden aan de studiekostenmonitor? Zo ja, welke? Zijn er elementen opgedoken waardoor onbetaalde schoolfacturen kunnen worden teruggedrongen?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, minister, dames en heren, op dit ogenblik bestaat in het Vlaamse basisonderwijs een maximumfactuur. Op die manier probeert de overheid de onderwijskosten binnen de perken te houden. Volledig gratis is het onderwijs immers niet, en dat is op dit ogenblik ook niet realistisch, stelde de minister van Onderwijs in de media in antwoord op de petitie van Test-Aankoop en de Gezinsbond.

De secundaire scholen zijn op dit ogenblik wel al verplicht om reeds bij de inschrijving aan de ouders samen met het schoolreglement een raming van de onkosten voor te leggen.

Om de onkosten voor de lerenden van verschillende onderwijsniveaus in kaart te brengen, kondigt u een studiemonitor aan.

Niet enkel namens de ouders worden opmerkingen gemaakt over onderwijskosten. Het Christelijk Onderwijzersverbond (COV) stipt aan dat sommige leerkrachten van het basisonderwijs op eigen kosten materiaal voor de school aanschaffen. We kunnen daar op verschillende manieren op reageren, dat zal straks wel blijken. Ook in andere onderwijsniveaus maken personeelsleden onkosten die eigenlijk werkgerelateerd zijn: men veronderstelt dat elke leerkracht een pc heeft, maar de personeelsleden schaffen die meestal wel zelf aan. Vervoersonkosten en telefoonkosten van gon-begeleiders die werken op verschillende scholen, worden – ik zeg het zo correct mogelijk – soms niet vergoed.

Dat de scholen kosten aanrekenen aan ouders of dat ze aanvaarden dat de personeelsleden zelf kosten maken, is volgens de onderwijskoepels te verklaren door de krappe werkingstoelagen, waarmee niet alleen studiemateriaal, maar ook schoolmeubilair, huur of aflossing van leningen, onderhoud en verwarming van de gebouwen moeten worden betaald. Op die werkingsmiddelen is al twee jaar op rij bespaard – uiteraard het minst in het basisonderwijs – en dus wordt in de scholen de budgettaire ruimte krapper. En we hebben vernomen dat dit met een jaartje verlengd wordt.

Minister, wordt er ook gedacht aan een kostenmonitor die de effectieve werkingskosten van de verschillende types scholen – kleuteronderwijs, lager onderwijs, secundair aso, tso, bso, kso en buso – zou onderzoeken, wetende dat het voor sommige richtingen binnen het technisch onderwijs sterk kan verschillen?

Welke schalen worden gehanteerd om de werkingsmiddelen te berekenen? Hoe worden de aangeboden studierichtingen gebruikt om de schalen van de werkingsmiddelen te berekenen? Zijn de bestaande schalen voor de berekening van de werkingsmiddelen – die uiteraard van richting tot richting sterk verschillen – nog voldoende up-to-date en relevant? Verscheidene tso- en bso-richtingen zijn veel duurder om te organiseren dan andere. Ik noem er maar enkele: hotel, nijverheidstechnisch, biotechnisch en agrarisch onderwijs. Weliswaar wetende dat er op dit moment reeds een verschillende betoelaging is – laat dat duidelijk zijn –, is de vraag toch: is dit nog up-to-date? Bovendien is de reële kostprijs van de organisatie gezien de technologische evolutie zeer sterk toegenomen tegenover de kost op het moment dat de schalen destijds bepaald werden. 

Hoe wordt de specifieke kost van de uitrustingen verrekend in de werkingstoelagen?  Moeten we niet opnieuw nadenken over de toekenning van specifieke uitrustingstoelagen, wat overigens decretaal al mogelijk is in een van de genummerde decreten die we in de vorige legislatuur hebben goedgekeurd?

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Voorzitter, mijn vraag sluit inderdaad het dichtst aan bij de vraagstelling van de heer De Meyer. Zoals de heer De Meyer al heeft aangekondigd: op 19 augustus verscheen een artikel in de krant waarin te lezen stond dat bijna 70 procent van de leerkrachten zelf allerhande spulletjes betaalt om de klas in te richten. Leerkrachten investeren onder andere in knutselmateriaal, didactisch materiaal en boeken. Dat las ik niet alleen in de krant, dat heb ik ook ervaren als directeur. Uit onderzoek van het COV, de grootste vakbond van het basisonderwijs in Vlaanderen, blijkt dat over het hele schooljaar onderwijzers gemiddeld ruim 260 euro uit eigen zak betalen.

Minister, u bewondert het engagement van leerkrachten, maar vindt het niet kunnen dat leerkrachten zelf essentieel onderwijsmateriaal kopen. Volgens u krijgen scholen genoeg geld per leerling voor dat basismateriaal, maar uit de praktijk blijkt dat niet altijd.

Minister, wat valt volgens u onder essentieel onderwijsmateriaal? Hoeveel geld per leerling wordt er vrijgemaakt voor het essentieel onderwijsmateriaal? Hoe ziet u erop toe dat scholen dit geld spenderen aan essentieel onderwijsmateriaal en niet aan ander materiaal, als we dat onderscheid kunnen maken tenminste? Welke inspanningen zult u leveren om te vermijden dat leerkrachten gemiddeld per jaar 260 euro uit eigen zak dienen te betalen?

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Dank u, collega’s, voor de interessante vragen.

Aan het einde van vorig schooljaar en het begin van dit schooljaar was de noodkreet opnieuw zeer groot met betrekking tot de stijgende schoolkosten. De kreet kwam van overal: de ouders, Test-Aankoop, het middenveld en Schulden op School. De kosten gemaakt door leerkrachten, werden verwoord door de COV en de Christelijke Onderwijscentrale (COC).

We hebben dit al vaker besproken, minister. 10 procent van de schoolfacturen blijft onbetaald. 12.000 gezinnen worden geconfronteerd met incassobureaus. 1400 scholen zouden die inzetten naar ouders wier schoolkosten niet betaald worden.

We zien niet alleen stijgende kosten voor aan de eindtermen gerelateerde doelstellingen in het secundair. We zien ook stijgende kosten voor niet aan die eindtermen gerelateerde doelstellingen zoals het middagtoezicht in het basisonderwijs, de voor- en naschoolse opvang, die almaar vaker aan kostprijs worden doorgerekend. We vinden dat een problematische evolutie, minister.

Bij vorige discussies hebben we altijd met z’n allen de vraag naar meer transparantie in de schoolkosten bepleit. Die zou er kunnen komen middels oplevering van de studiekostenmonitor. In de eerste fase kondigde u dat aan voor het najaar 2015. Op 29 juni in de plenaire vergadering, toen we de kans hadden om over dit onderwerp van gedachten te wisselen, zei u dat de oplevering bijna rond was. Ik vraag me af of u aan het begin van dit schooljaar effectief bent gestart met een meting zoals u eind juni aankondigde.

Een tweede element dat we graag inbrengen, is dat het aan te bevelen is dat scholen uiteraard zorgvuldig omspringen met hun systeem van facturatie en de opvolging. Dat moet zeer duidelijk vertaald zijn in het schoolreglement, zodat ouders in de loop van het schooljaar niet voor onverwachte uitgaven komen te staan. Ik neem aan dat die bezorgdheid nog steeds overeind blijft.

U weet dat de sp.a-fractie voorstander is van een uitbreiding van de maximumfactuur naar het secundair onderwijs, te beginnen in de eerste graad, maar zeker ook voor de duurdere richtingen in het technisch en beroepsonderwijs.

Mijn vragen houden rechtstreeks verband met de studiekostenmonitor. Kunt u een meer concrete planning van de oplevering geven? Werd het theoretische kader dat de onderzoeksdoelstelling was van het oude OBPWO-studiekostenmonitorproject (onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek), al opgeleverd? Zo ja, wat is de timing om met concrete resultaten van de studiekostmeting te komen? Ziet u de mogelijkheid om daar een maximumfactuur op te baseren voor het secundair onderwijs?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Collega’s, eerst een technische bemerking: ik zal de vragen apart behandelen. (Opmerkingen)

Ik zal echt alle vragen beantwoorden, maar niet geïntegreerd. Dat is een beetje moeilijk. Ik zal het eerst hebben over de studiekostenmonitor, en dan over de kosten die de leerkrachten zelf betalen. Het sluit wel aan bij elkaar.

Mevrouw Gennez, dat is heel correct, mijn voorganger gaf aan het vorige OBPWO de opdracht om een studiekostenmonitor te ontwikkelen. Het was voor mij ook verrassend toen ik begon als minister dat we niet over basisgegevens beschikken omtrent de objectieve kostprijs van het kleuter- en lager onderwijs, het secundair onderwijs, maar evengoed van het hoger onderwijs en het hoger beroepsonderwijs.

Die opdracht van mijn voorganger was zeer goed en nuttig. Het doel was om te komen tot een meetinstrument voor een systematische monitoring van de studiekosten in het kleuter- en lager onderwijs (gewoon en buitengewoon), het secundair onderwijs (gewoon en buitengewoon, voltijds en deeltijds), het hoger onderwijs en hbo5 en het volwassenenonderwijs (enkel diplomagerichte trajecten). Dat is de scope van de opdracht.

Waarom is dat gebeurd? Ik heb het al gezegd: ik deel de bekommernis om betaalbaar onderwijs. U weet dat de regels in dit verband duidelijk zijn. Onze Grondwet zegt dat de toegang tot onderwijs kosteloos moet zijn tot het einde van de leerplicht. Het gaat hier natuurlijk om de toegang. Het is verboden om direct of indirect inschrijvingsgelden te vragen, maar het onderwijs is niet helemaal gratis.

Er bestaat sinds een aantal jaren een maximumfactuur voor het lager onderwijs. Kan dat ook niet in het secundair onderwijs? Dat is iets moeilijker omdat het lager onderwijs geïntegreerd is: een kindje gaat naar school, er is gewoon en buitengewoon onderwijs. Het secundair onderwijs is veel meer disparaat. In de eerste graad lijkt het nog een beetje op elkaar, maar in de tweede en derde graad verschilt het enorm.

Ondertussen kan ik u meedelen dat de studiekostenmonitor opgeleverd is. Dat is nog geen kostenoverzicht. We hebben een zeer uitgebreid rapport gekregen. Ik heb net gevraagd of ik dat kan vrijgeven zodat u het allemaal eens kunt zien. Het rapport heeft een theoretische opbouw, uitgebreide vragenlijsten en afnamemethodieken. De bouw van het instrument is opgeleverd. Dat is wat we nodig hebben om de studiekosten transparant te maken. Het document is er. Nu moeten we daarmee gaan werken. We moeten nu starten met de afname. Hoe gaan we dat aanpakken?

Terzijde: u weet dat ik de scholen zeer hard sensibiliseer om een kostenbeheersend beleid te voeren. Elke school moet dat doen op zijn manier. Ik blijf de werking van Schulden Op School ondersteunen. Ze zorgen voor een verspreiding van good practices door sociale expertise netwerking rond de schoolkosten. Ik ga daar niet dieper op in, dat was niet de vraag, maar dat gebeurt natuurlijk wel.

Hoe krijgen we dat instrument nu opgevuld met cijfermateriaal? Het is de bedoeling om vanaf nu effectief stapsgewijs de studiekosten van onze lerenden volledig in kaart te brengen. Ik geef u mee wat de onderzoeksvragen zijn. Dat was voor mij ook een indrukwekkend geheel. Eén, wat zijn de private kosten die verbonden zijn aan onderwijsdeelname op de verschillende onderwijsniveaus? Wat is onderwijsgerelateerd en wat niet?

Twee, hoe ziet de samenstelling van die kosten eruit? Wat is de omvang van de eigenlijke studiekosten en van de andere uitgaven? De onderzoekers maken een onderscheid tussen ‘strikte studiekosten’ zoals inschrijvingsgeld, schoolartikelen, specifieke kledij, ‘ruime studiekosten’ zoals uitstappen, opvang, ‘leefkosten’ zoals voeding, kot, vervoer en ‘indirecte kosten’ zoals de tijd die men spendeert en in functie van een studie waardoor men soms minder gaat werken; volwassenenonderwijs zit er immers ook bij als het gaat om diplomagerichte trajecten. Dat zijn de vier kostenrubrieken.

Drie, in welke mate verschillen de kosten in functie van de opleidingskenmerken zoals het niveau, de studiegebieden en -opleidingen en de leerjaren? In welke mate verschillen de kosten naargelang specifieke instellingskenmerken zoals de instellingsgrootte, de verstedelijkingsgraad, misschien zijn de kosten hoger in de stad of net omgekeerd, het net, het aanbod en de socio-economische samenstelling van de schoolbevolking? In welke mate verschillen de kosten naargelang de gezinskenmerken zoals de sociaal-economische status, aantal kinderen, rang van het kind in het gezin, eenoudergezinnen versus twee-oudergezinnen?

Vier, wat is de evolutie van de studiekosten over de jaren heen?

Dat zijn alle onderzoeksvragen die men moet bekijken om objectief te kunnen vergelijken. We moeten dat nu gaan afnemen bij de scholen, ouders en leerlingen, en dat over een volledig schooljaar. De onderzoekers stelden voor om te starten in het hoger onderwijs, en dan naar het secundair onderwijs en dan naar het basisonderwijs te gaan. Ik heb al geantwoord dat dat niet kan, want ik wil het secundair onderwijs nu als eerste. Dus gaan we starten in het secundair onderwijs. Dat is de afspraak. Niet in het basisonderwijs, omdat daar al een maximumfactuur bestaat. Het hoger onderwijs zullen we ook doen, we kunnen niet alles tegelijk doen.

Het onderzoek zal worden gevoerd door ons nieuwe steunpunt. We hebben sinds enige maanden een steunpunt voor beleidsgericht onderzoek opgericht. Die mensen gaan nu daarmee aan de slag. Ze zijn in volle voorbereiding: welke scholen, op welke manier en wat zijn de stalen, wie zijn de ouders, wie zijn de kinderen, hoe gaan we zo breed mogelijk monitoren om al die informatie binnen te krijgen? Ze moeten proberen de vragen met elkaar te combineren. Dat is serieus werk. Ik dacht dat het zeer simpel was, maar dat is het dus absoluut niet.

Ondertussen gaan we na welk beleid en welke praktijken scholen toepassen om kosten te beheersen in de eerste graad van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs. Naast de input van alle objectieve gegevens, gaan we na hoe scholen dat in de praktijk doen. Er is een heel grote variëteit tussen de scholen in de eerste graad van het secundair onderwijs in hun omgang met de kosten. Deze informatie is in eerste instantie een verrijking van de resultaten van de acties van de voorbije jaren zoals de sensibilisering door de Koning Boudewijnstichting en de vzw SOS Schulden Op School, maar zal ook een bijdrage leveren aan het beleid inzake onder andere werkingskosten en de maximumfactuur.

Het is niet voldoende dat we alle gegevens invoeren en dan kijken of we een maximumfactuur kunnen realiseren. We moeten ook kijken hoe men een kostenbeheersend beleid gaat voeren. We zien dat ook in de basisscholen. Er is een maximumfactuur, we hebben daar heel veel extra werkingsmiddelen voor moeten uittrekken. Daarnaast is het voor de scholen wel zoeken hoe ze de uitdagingen kunnen georganiseerd krijgen. Sowieso, ze moeten als derde pijler een kostenbeheersend beleid hebben.

Mijnheer De Meyer, dit onderzoek betreft enkel studiekosten vanuit het perspectief van de lerende. We doen wel alle types van scholen en alle schooljaren. We bekijken het vanuit het kind en vanuit zijn ouders.

We werken voor de berekening van de werkingsmiddelen met een systeem van puntengewichten die gelinkt worden aan graden, studiegebieden en/of onderwijsvormen. Ik laat u via het secretariaat een overzicht bezorgen. Zo heeft de eerste graad 16 punten, de tweede en derde graad van het beroeps- en technisch secundair onderwijs heeft 18 punten. De auto-, bouw- en chemierichtingen hebben 22 punten. Het aso tweede en derde graad heeft 16 punten. Het kunstonderwijs heeft 20 punten. Afhankelijk van de studierichting krijgt de school meer of minder werkingsmiddelen en dat weegt door in de punten. Duurdere opleidingen krijgen meer punten.

De variatie tussen de verschillende puntengewichten is niet zo spectaculair, het schommelt tussen 16 en 22. We gaan ervan uit dat iedere richting nood heeft aan een bepaald basisbudget. We kunnen niet aan de ene 0 geven en aan de andere 22. Er zit dus wel wat spanning op. Met de modernisering van het secundair onderwijs zal het studieaanbod gewijzigd worden. In dit kader zullen ook de puntengewichten geëvalueerd worden.

Voor de inwerkingtreding van het decreet van 2008 betreffende de werkingsbudgetten in het leerplichtonderwijs werd in aparte budgetten voorzien voor werking en uitrusting. Het vernoemde decreet heeft deze twee categorieën samengevoegd aangezien ze beide reeds sterk met elkaar verweven waren. Deze samenvoeging betekende op financieel vlak geen achteruitgang voor de scholen. Maar er is inderdaad een rechtsgrond voor het inschrijven van uitrustingsmiddelen voor technische scholen. Dat zal hier later nog aan bod komen. We hebben in de BOS-nota (bestuurlijke optimalisering en schaalvergroting) voorzien in specifieke incentives op het vlak van infrastructuur voor schoolbesturen met bijzondere kenmerken die hun scholen als domein- of campusscholen organiseren. Daarover voeren we nog volop overleg.

De monitor is dus klaar, mevrouw Gennez. Hij staat nog niet online. Ik zal hem zo snel mogelijk online laten zetten. We kunnen hem op papier laten bezorgen, maar het is een groot instrument. We moeten nu starten met de echte werking. Alle voorbereidingen daartoe worden getroffen. Ik heb een instrument maar nog geen output. Daar moet ons nieuw steunpunt voor zorgen. Ik zal dat samen met u opvolgen. Het is misschien jammer dat het nog niet zover is, dat is wel juist, maar ik vind het van belang dat we grondig werken en in alle transparantie de kosten kunnen bekijken. Waar zitten de verschillen? Het zal ons voor de toekomst zeer nuttige informatie opleveren.

Mijnheer Vandenberghe, wat is essentieel materiaal? We investeren ruim 11 miljard euro in onderwijs, waarvan 3,6 miljard in het basisonderwijs. Dit jaar komt er weer 10 miljoen euro aan werkingsmiddelen bij.

Dit is decretaal geregeld: in de decreten rechtspositie van 27 maart 1991 die nog altijd heel actueel zijn, is een hoofdstuk ‘Secundaire arbeidsvoorwaarden’ opgenomen. Daarin staat: “(…) het schoolbestuur aan haar personeelsleden de middelen ter beschikking stelt die zij nodig hebben om hun opdracht uit te voeren.” Er is dus geen beperking. Het gaat over alle middelen die leerkrachten nodig hebben om hun opdracht uit te voeren. Er staat ook in: “Als een personeelslid in het kader van zijn opdracht bovenop deze middelen extra onkosten maakt, moet het schoolbestuur ook deze onkosten vergoeden op voorwaarde dat de directeur vooraf toestemming heeft gegeven om die onkosten te maken.” De leerkracht moet alles krijgen wat hij nodig heeft om zijn werk te doen en kan iets extra’s krijgen als hij dat op voorhand meldt.

Centraal vastleggen, mijnheer Vandenberghe, wat op de lijst van basismateriaal staat, lijkt me bijzonder moeilijk. Uiteraard kunnen daar lokaal wel afspraken over gemaakt worden binnen de voorziene lokale onderhandelingscomités.

Wat zijn de middelen? Artikel 62 van het decreet Basisonderwijs bepaalt hierover: “Een school kan erkend worden indien zij (…) beschikt over voldoende didactisch materieel en over een aangepaste schooluitrusting. Personeelsleden moeten dus de didactische middelen ter beschikking krijgen die ze nodig hebben om hun opdracht uit te voeren.” Ik kan enkel formeel zeggen wat er wordt bepaald door de decreten. Er staat geen limitatieve lijst in van wat die middelen precies zijn. Dat behoort tot het kader dat de school zelf kan vastleggen.

Collega’s, het berekeningsmechanisme van de werkingsmiddelen is gebaseerd op een selectie van kenmerken van leerlingen verbonden met hun sociaal-economische en culturele milieu en de kenmerken van scholen. Het is belangrijk om dat te onderstrepen. Welke zijn dat? De opleiding van de mama, de schooltoelage, de thuistaal leerling en de buurt waar de leerling woont. Naast leerlingenkenmerken zijn er ook schoolkenmerken. De schoolkenmerken zijn bijvoorbeeld het onderwijsniveau en de schoolgrootte.

Daarnaast is ook voorzien in middelen om de meerkost te compenseren die voortvloeit uit verplichtingen die het officieel onderwijs moet opnemen en die niet van toepassing zijn op het vrij onderwijs. Dat zijn de zogenaamde objectieve verschillen: de verplichte neutraliteit – enkel in het GO! – en het verplichte aanbod van meerdere levensbeschouwelijke vakken in het officieel onderwijs.

Het basisbedrag dat elke leerling krijgt op basis van de schoolkenmerken bedraagt 433 euro voor een kleuter en 653 euro voor een leerling lager onderwijs voor het schooljaar 2015-2016. Dat bedrag wordt dan nog aangevuld met de bedragen van de leerlingenkenmerken of de bedragen van de officiële verschillen. Wat komt daar dan bij? Wat zijn die extra bedragen? Het gaat over ongeveer 210 miljoen euro in totaal: 173 miljoen euro voor het basisonderwijs en 36 miljoen euro voor het secundair onderwijs, voor omkadering.

Voor de werkingsmiddelen gaat het om 64,5 miljoen euro voor het basisonderwijs en 43 miljoen euro voor het secundair onderwijs. In geldwaarden uitgedrukt, betekent het aantikken op opleidingsniveau van de mama ongeveer 122 euro, de schooltoelage ongeveer 120 euro, thuistaal niet-Nederlands 146 euro en de buurt 99 euro. Dat komt dus boven op hetgeen ik daarnet al zei. Als een kindje op al die vier kenmerken aantikt, komen al die bedragen bij het basisbedrag.

Dan komen we bij de controle. U weet dat het aanwenden van de werkingsmiddelen vrij is. Dat is al heel lang zo. Er zit zeer weinig kleuring op. Ook op de aanwending van de SES-middelen (socio-economische status) is er geen controle-instrument vastgelegd. Je moet dus niet aanduiden waarvoor je het precies hebt bedoeld. Wat doen we wel, mijnheer Vandenberghe? Door het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) wordt via de verificatiedienst steekproefsgewijs wel controle uitgeoefend op de aanwending van de werkingsmiddelen. Maar ik moet er wel bij aanstippen dat die controle geen betrekking mag hebben op de opportuniteit van de aanwending. Dat staat in artikel 77 van het decreet Basisonderwijs. Dat behoort immers tot de vrijheid van het schoolbestuur. Als overheid kunnen we dus niet zeggen: 'Je hebt dat fout gedaan, je moet het op een andere manier doen.' De school is vrij. Er kan dus geen beoordeling worden gemaakt van de besteding in het kader van essentieel onderwijsmateriaal.

Is er een verplichting om het elementair materiaal ter beschikking te stellen? Ja! Kan het personeel dat eisen? Ja, dat kan perfect. Maar kunnen wij zeggen: 'Je hebt het voor het foute gebruikt?' Neen, wij kunnen die opportuniteit niet beoordelen. Men is vrij om zijn werkingsmiddelen te gebruiken.

Er is dus een belangrijke rol weggelegd voor de lokale personeelsvertegenwoordigers die, mochten er grote problemen zijn, dit ter sprake kunnen brengen binnen de onderhandelingscomités. Zij moeten er ook op toezien dat de regelgeving in de decreten rechtspositie gerespecteerd wordt.

Mijnheer Vandenberghe, toen ik de enquête van het Christelijk Onderwijzersverbond (COV) zag, heb ik ook wel de wenkbrauwen gefronst. Ik heb de enquête bij me. Wat koopt men? Balpen, potlood, gom, slijper, pennenzak, fluostiften, kleurpotloden, passer, meetlat. Dat lijkt mij toch allemaal basismateriaal te zijn. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat dat basismateriaal is. Het lijkt mij ook logisch dat er in de kleuterklas knutselmateriaal is. Bij mij rijst dan de vraag of dat basismateriaal ter beschikking is gesteld, maar men liever iets anders koopt? Dat is ook mogelijk, dat weten we niet. Maar het moet wel ter beschikking worden gesteld. Als er opmerkingen zijn dat dat niet het geval is, hoor ik die natuurlijk graag. Dat lijkt mij toch vreemd. Op televisie heb ik iets anders gezien. Er was ’s avonds een reportage te zien waarin een kleuterjuf verwees naar een materiaalkoffer met verkleedkledij die ze had gekocht. Het is moeilijker om daarover te oordelen of dat al dan niet basismateriaal is en of je dat al dan niet kunt uitsluiten.

Ik heb al vaak het volgende voorbeeld gegeven. Ik ben de dochter van een onderwijzeres en een onderwijzer. Elk boek dat in de lagere school werd gekocht door mijn moeder voor mij – en dat waren er enorm veel – ging na lezing door mezelf onmiddellijk naar de klas. Mijn moeder vond dat een zeer nuttige besteding en zei: “Beste dochter, ge kunt nog vele andere kindjes gelukkig maken.” Die zaken gebeuren dus. Het is een heel moeilijke grens. Er moet ook een schoolbibliotheek zijn. Maar waar trek je precies de lijn van wat kan en wat niet?

Als het gaat over basismateriaal is de regelgeving bijzonder duidelijk: het moet ter beschikking worden gesteld.

Ik besef dat het moeilijk is om uitspraken te doen over die lijn. Als je mij vraagt of het kan dat basics niet ter beschikking worden gesteld, dan is het antwoord overduidelijk: neen, dat kan totaal niet.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, ik vind het wat spijtig dat het instrument momenteel nog theoretisch is. Ik zie dat u mijn mening deelt.

Er moet nog heel veel werk gebeuren. Laten we daarvan uitgaan. Ik begrijp ook dat niet de scholen zelf die monitor zullen moeten invullen, maar dat dat via de mensen van het steunpunt zal gaan?

Hebt u een idee van de timing? Wanneer zullen jullie daarmee starten? Zijn de mensen al klaar om aan die ondervraging te beginnen? Hoe zullen ze dat doen? Samen met de scholen? Moeten de scholen die invullen? Ik kan mij voorstellen dat het voor de scholen niet evident is om te moeten bepalen wat de samenstellingen zijn van ruimere studiekosten, opvang, leefkosten – hoewel die laatste nog niet nodig zijn in het secundair onderwijs. De school kan weten wat de eigenlijke studiekosten zijn, maar ik kan mij voorstellen dat het voor een school niet evident is om de ruimere studiekosten in kaart te brengen.

Het gaat mij vooral om de timing. Hoe zult u scholen verder blijven sensibiliseren om inderdaad dat kostenbeheerbeleid te blijven voeren?

Ik verwijs nog even naar mijn vraag over de onbetaalde schoolfacturen. Doordat het nog geen praktisch instrument is, kunnen we daar uiteraard niet mee verder. Ik vind het echter wel belangrijk om de aandacht niet te verliezen dat heel veel van de scholen – zeven op tien – worden geconfronteerd met ouders die de schoolfacturen niet kunnen betalen. Het is belangrijk dat ouders ook op die verantwoordelijkheid worden gewezen. Scholen hebben het budgettair niet gemakkelijk. Daarover hebben we het daarnet al gehad.

In de plenaire vergadering van 29 juni verwees u ook naar het initiatief MyTrustO van beweging.net. Daarbij bekijken ze samen met de scholen hoe ze op een ethisch verantwoorde manier kunnen omgaan met de begeleiding van de ouders inzake het invorderen van onbetaalde facturen. Toen waren de eerste resultaten goed. Weet u of er meer scholen gebruikmaken van dat instrument om op een verantwoorde manier om te gaan met het invorderen en het beheersen van de schulden? Wat zijn de resultaten?

Ik ben vooral benieuwd naar de timing van de studiekostenmonitor. Nu is het een volledig theoretisch instrument. Hoe zal het worden omgezet in de praktijk?

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik had vooraf heel goed begrepen dat de kostenmonitor een theoretisch instrument is. Daarom heb ik de vraag gesteld en herhaal ik mijn suggestie: is het, op het moment dat je daarover beschikt, niet nuttig dat je effectief opnieuw laat berekenen wat nu de effectieve kosten zijn voor de scholen van hun werkingsmiddelen in de verschillende niveaus en naargelang de verschillende studietypes? Ik vermoed en ben er bijna zeker van dat de kosten die worden doorgerekend aan de ouders – en soms wat zaken aan de leerkrachten – mee daarvan zijn afgeleid.

U hebt het reeds gezegd: de kosten verschillen sterk van school tot school, afhankelijk van de studiedomeinen. Daarom werd ook dat afzonderlijk puntendomein opgesteld, dat ons straks nog ter beschikking zal worden gesteld, maar dat mij uiteraard goed bekend is. Ik heb daar toch een vraag bij: is dit vandaag nog steeds even relevant?

U hebt ook gewezen op de verschillende groepen van scholen en de aard van de scholen. Sommige groepen van scholen moeten via de werkingsmiddelen zelf instaan voor de aflossing van hun lening en voor de huur van hun schoolgebouwen. Daardoor beschikken ze in de realiteit over minder dan 75 procent van hun werkingsmiddelen voor de dagelijkse werking. Bij uitzonderingen gaat dat voor die aflossing van leningen over veel meer procent. Die details zijn u echter beter bekend dan mijzelf.

In verband met het berekenen van de kosten van klassen, geef ik graag het voorbeeld dat voor mij het meest frappant is. Wat zijn de werkingsmiddelen van een derde kleuterklas? Wat zijn de werkingsmiddelen van een eerste leerjaar? Wat is daar het effectieve verschil? Wat is in de praktijk het verschil van de werkelijke kost?

Minister, eerst wil ik nog even iets kwijt over uitrustingstoelagen. Als je in het hotelwezen een hedendaagse keuken moet installeren die voldoet aan alle eisen, als je in de tuinbouw een moderne serre moet installeren, als je in het nijverheidstechnisch onderwijs computergestuurde toestellen moet aankopen, dan zijn dat toch immense kosten die mijns inziens totaal onvoldoende verrekend zijn in de huidige werkingsmiddelen. Ik blijf ervoor pleiten om dit dossier van de uitrustingstoelagen zeker niet op de lange baan te schuiven. Ik weet dat uw mogelijkheden beperkt zijn, maar ik dring er toch op aan om dit dossier opnieuw te bekijken. U hebt gezegd dat er in het kader van BOS nieuwe mogelijkheden zijn voor schoolbesturen met bijzondere kenmerken en domeinscholen. Maar als je toevallig nijverheidstechnisch onderwijs aanbiedt en niet onder deze criteria valt, is het toch niet eenvoudig.

Ik wilde u al die elementen graag meegeven. Het meest algemene element en mijn sterkste suggestie is om, als je die instrumenten hebt vanuit die studie, toch eens te laten berekenen wat de hedendaagse kosten zijn voor de noodzakelijke werkingsmiddelen die elke school – kleuter, basis, secundair – volgens de aard van zijn studierichting effectief nodig heeft.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw uitvoerige toelichting. In een mail die ik ontving, benadrukt de Werkgroep Kleuterscholen Vlaanderen dat vooral kleuterjuffen veel materiaal zelf moeten kopen. Dat is uiteraard een rechtstreeks gevolg van het feit dat een op de drie kleuters 0 euro werkingstoelagen krijgt. U hebt die cijfers daarnet ook meegegeven. Een gelijkaardige werkingstoelage voor het kleuter- en het lager onderwijs zou al een stap vooruit zijn. In de kleuterklassen is heel wat materiaal nodig. De kleuterjuffen moeten hun hoeken verrijkend inrichten. Elke maand of – bij grotere thema’s – elke twee maanden moeten er nieuwe hoeken volledig worden ingericht met materiaal. Uiteindelijk is het met de huidige werkingsmiddelen van de scholen onhaalbaar om in al die kleuterklassen voldoende verrijkende hoeken in te richten. Als er dan doorlichting is, worden die hoeken heel grondig bekeken. Op dat vlak is er dus toch een belangrijke discrepantie.

Er moet verder nog een onderscheid worden gemaakt in het kader van de werkingsbudgetten die een basisschool krijgt. Er zijn twee zaken die de scholen wettelijk en decretaal moeten bewaken. In de leerplannen staat er duidelijk welke materialen leerkrachten – dus niet de individuele leerlingen – nodig hebben in een klas om de eindtermen in een bepaald domein te kunnen bereiken. Ik geef een concreet voorbeeld. Voor het domein wiskunde staat er in de leerplannen van de diverse netten welk materiaal er aanwezig moet zijn om die eindtermen te kunnen bereiken. In het net waarin ik heb lesgegeven, is het leerplan Nederlands relatief nieuw: het dateert van een tweetal jaren geleden. De minimumuitrusting die daar wordt gevraagd, ook digitaal, met pc’s, betekent een enorme investering voor scholen.

In het kader van het gratis aanbieden van onderwijs, met een maximumfactuur, wordt er verder bepaald wat de kinderen krijgen, wat ze dus niet van thuis mogen meebrengen. En inderdaad, dat omvat onder andere stylo’s, latten en passers. De school moet die aanbieden. Maar in de lagere school is de helft van de kinderen zijn materiaal kwijt na twee of drie maanden. Je moet het dan opnieuw aanbieden. Dat is wettelijk zo bepaald. Je mag het niet aan de ouders vragen. Dat staat ook in de schoolreglementen. Dat zijn dus bijkomende kosten in het basisonderwijs.

Er is nog een verschil met het secundair onderwijs. In het secundair onderwijs is het heel simpel: de leerkrachten bestellen de boeken via uitgevers of via Standaard Boekhandel. Die boeken worden thuis opgestuurd en je moet die betalen. Dat mag niet in het basisonderwijs: alle methodes, werkboeken en handboeken moet je gratis aanbieden aan de leerlingen van de basisschool in het kader van de maximumfactuur. Dat allemaal samen zorgt ervoor dat zelfs de werkingsmiddelen die in scholen worden aangeboden, op het einde van de rit onvoldoende zijn.

Minister, u hebt de werkingsmiddelen van het basis- en het secundair onderwijs met elkaar vergeleken. In het basisonderwijs liggen ze nog een stukje hoger. Als je dat in evenredigheid bekijkt van wat het basisonderwijs allemaal moet betalen en ophoesten, dan kom je in de problemen.

Ik wil er nog een item aan koppelen dat er misschien niet meteen iets mee te maken heeft. Er is een groot verschil tussen het basis- en het secundair onderwijs als het gaat over het innen van de maaltijdkosten. U vraagt zich vast af wat dat daarmee te maken heeft. Ik verduidelijk het. In het secundair onderwijs koop je vooraf een kaart, waarop je dan geld moet zetten. Als er geen geld op staat, krijg je geen eten. In het basisonderwijs is dat anders. De kinderen krijgen eten. De factuur volgt. Scholen blijven dan zitten met onbetaalde facturen. De scholengroepen trekken dan – terecht – de onbetaalde facturen af van de werkingsmiddelen. Uiteindelijk moet de rekening namelijk altijd kloppen.

Door al die factoren samen kan ik mij wel voorstellen dat veel basisscholen niet kunnen voorzien in die elementaire basisbehoeften, waardoor leerkrachten – wellicht meer in het kleuteronderwijs dan in het lager – zelf heel wat zaken moeten betalen.

Ik zal afronden. Het is een vaststelling dat die leerkrachten veel zelf moeten betalen. Ik vind dat problematisch. Dat is geen straf van de directeurs. Het is niet zo dat die zeggen: ‘Trek je plan.’ Neen, ook de directies moeten roeien met de riemen die ze hebben. Ze moeten alles kunnen betalen. Ze moeten dat veelal planmatig doen. De directeurs plannen op lange termijn, maar toch kom je tot de constatatie dat er middelen te kort zijn om dat allemaal tot een goed einde te brengen. De leerkrachten moeten dan veel zelf kopen. Vaak gaat het om beginnende leerkrachten, die hun eerste job uitoefenen of nog niet lang werken. Voor hen is dat heel kostelijk. Gelukkig zijn er ook ouderwerkgroepen en vriendenkringen.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Ik wil graag naadloos aansluiten bij de opmerkingen van de heer Vandenberghe.

Minister, zoals u zelf zei, hebben de twee dossiers inderdaad met elkaar te maken. Ze zijn namelijk het gevolg van besparingen die de laatste jaren werden doorgevoerd in de werkingsmiddelen.

We hebben het cijfer al vaker gegeven: 117 euro per leerling per schooljaar in het secundair onderwijs, 35 euro besparing per leerling per schooljaar in het basisonderwijs. Na een aantal jaren stapelt zich dat natuurlijk op, vooral in scholen met een eerder kansarm publiek. Je ziet namelijk dat ook daar de onbetaalde schoolfacturen veel talrijker zijn. Daardoor moeten de werkingsmiddelen nog altijd meer compenseren.

De heer Vandenberghe verwijst er al naar: gelukkig zijn er de ouderkringen en de wafelenbak, om het oneerbiedig uit te drukken. Dat klopt, maar ook dat vergroot nog eens de kloof tussen scholen. Recent OESO-onderzoek (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) heeft dat ook aangetoond. Scholen waar veel kapitaalkrachtige gezinnen hun kinderen naartoe sturen, zamelen veel meer in met die wafelenbak dan andere scholen waar eerder een kansarmer publiek schoolloopt.

Die kloof tussen onze scholen en leerlingen stijgt dus wanneer men die werkingsmiddelen inkrimpt. Dat is wat we hier al twee, drie jaar op rij aan het doen zijn. Dat is een negatieve evolutie die is ingezet door deze regering, voor het eerst in 15 jaar, door drastisch te besparen op die werkingsmiddelen.

We zitten inderdaad met een instrument dat nu is opgeleverd met een vertraging van meer dan een jaar. Het Steunpunt voor Onderwijsonderzoek zal dat theoretisch kader nu invullen. Zijn zij ook effectief begonnen bij de start van dit schooljaar? Of moet het ingeven van de gegevens nog aanvatten?

Minister, ten slotte wil ik het nog eens hebben over het instrumentarium. U hebt principieel al eens aangegeven ook in het secundair onderwijs met die maximumfactuur (MAF) te willen werken, op basis van de studiekostenmonitor die dit jaar operationeel zal worden. Er zijn al good practices. Ik heb eerder verwezen naar de provincie Antwerpen en hun provinciale scholen, waar men inderdaad met een maximumfactuur werkt, zowel voor de eerste als de tweede en de derde graad. Het zijn vooral technische scholen, ook van het type waarnaar de heer De Meyer verwees: landbouwscholen, hotelscholen. Men heeft daar inderdaad de studiekost per opleiding in kaart gebracht, men heeft aan studiekostenbeheersing per opleiding gedaan. Men heeft de kosten eveneens geobjectiveerd. Op basis van het in kaart brengen van die kosten, heeft men daar inderdaad een maximumbedrag per opleiding, per schooljaar tegenover gezet. Dat is niet uniform, zoals vandaag in het basisonderwijs het geval is, waar men met een bedrag van 60 of 45 euro werkt. Het is een duidelijk maximumbedrag, gekend aan het begin van het schooljaar, voor de opleiding in kwestie. Dat zou heel wat gezinnen beter toelaten om die schoolkosten in kaart te brengen. Het zou de problematiek van de onbetaalde schoolfacturen kunnen doen dalen.

De heer Vandenberghe verwees al naar de kosten die verbonden zijn aan het schoollopen, maar niet rechtstreeks gerelateerd zijn met de eindtermen. In het basisonderwijs is dat bijna onlosmakelijk verbonden met het middagtoezicht. Ik kan het niet objectiveren, want ook wij hebben geen studiekostenmonitor, maar het is wel mijn aanvoelen dat alsmaar meer scholen het middagtoezicht aanrekenen, dat ook heel vaak de reële kostprijs wordt aangerekend, waar dat vroeger veel minder het geval was. De middagpauze lijkt ons essentieel verbonden met een schooldag. Als we als samenleving het uit huis werken voor de twee leden van het gezin, moeder en vader, en alleenstaande ouders, promoten, kunnen we niet verder gaan op die weg. We kunnen het middagtoezicht niet alsmaar duurder laten worden.

Minister, ik zou ervoor pleiten om ook dat als een inherente verblijfsstudiekost voor de opleiding mee te nemen, zeker in het kleuter- en het basisonderwijs.

De voorzitter

De heer Durnez heeft het woord.

Jan Durnez (CD&V)

Minister, een paar collega’s gebruiken de termen praktisch en theoretisch instrument. Wat is het verschil? Een instrument zou toch praktisch moeten zijn, want anders is het geen instrument.

Kathleen Helsen (CD&V)

Het is een instrument dat nog niet is toegepast.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Onze fractie vindt het belangrijk te onderlijnen dat zo’n monitor echt wel nodig is.

Wat het hoger onderwijs betreft, wil ik de suggestie doen dat de regeringscommissarissen ook eens een aantal van die kosten in kaart zouden brengen. Stuvo-middelen (studentenvoorzieningen) kunnen op een aantal punten tegemoetkomen aan de hoge kosten die studenten hebben. Afhankelijk van hoe de instelling omgaat met Stuvo-middelen en een sociaal beleid voert, zal de kost voor studenten voor bepaalde zaken lager zijn. Als je bijvoorbeeld instellingen hebt die in verhouding tot het aantal studenten een groot aantal eigen koten hebben, maakt dat al een verschil tegenover instellingen die dat niet hebben. Misschien kan de Vlaamse Vereniging van Studenten ook eens oplijsten wat de kosten zijn in het hoger onderwijs?

Minister, ik denk dat u een punt hebt dat eerst het secundair onderwijs onder de loep moest worden genomen en dat het hoger onderwijs daar eigenlijk behoorlijk los van staat. Men kan niet zomaar zeggen dat het hoger onderwijs sowieso te duur is. De verschillen kunnen namelijk aanzienlijk zijn in kost, naargelang u zich bijvoorbeeld inschrijft in een hogeschool in de buurt of op kot moet gaan.

Ik wil pleiten om dit debat op een hygiënische manier te voeren. Men moet er niet alle elementen bij sleuren. Als u niet gaat studeren, moet u ook maaltijden nuttigen. En veel instellingen doen er alles aan om de prijs van maaltijden te drukken. We mogen niet te snel karikaturale cijfers naar voren schuiven over wat studeren kost. Als u ook nog de spaghetti erbij telt die studenten ’s avonds gaan eten, dan wordt het een zeer onhygiënisch debat.

De heer Vandenberghe legt een aantal pijnpunten bloot in verband met het leerplichtonderwijs. Zo kan het gebeuren dat het beleidsvoerend vermogen van de school niet van dien aard is om in kaart te brengen dat er toch wel noden zijn. Zo kan het zijn dat de directie daar niet altijd even goed mee omgaat. Het is iets te simpel om te zeggen: ‘De werkingsmiddelen zijn beperkt, koop dit of dat zelf.’ Ik heb er moeite mee dat die boodschap van bepaalde directies uitgaat naar jonge leerkrachten. Dat is zo in de pers verschenen, op basis van een bevraging. Die bevraging werd wel door een eigen vakbond gedaan, enkel bij eigen leden. Misschien kan dat eens beter worden bekeken?

Indien jonge leerkrachten zelf moeten instaan voor het aankopen van materiaal dat continu moet worden aangekocht, bijvoorbeeld knutselmateriaal voor kleuters, dan moet dat inderdaad wordt onderzocht. We kijken uit naar de resultaten van het onderzoek. Ik dank u.

De voorzitter

De heer De Ro heeft het woord.

Jo De Ro (Open Vld)

Minister, u zei dat het steunpunt hier nu mee aan het werk gaat. Ik vraag mij af of ze een paar zaken kunnen meenemen.

Eén, in de vorige legislaturen, sinds de invoering van de maximumfactuur in het basisonderwijs, is er vaak discussie gevoerd over wat nu de impact is van de maximumfactuur op wat scholen effectief doen, op vlak van cultuureducatie, sport, uitstappen enzovoort. Aan de ene kant is het verwijt vaak dat er een collectieve verarming is. Scholen zouden minder doen omdat ze rekening moeten houden met de scherpe en ruime maximumfactuur. Komt er daarvan nog een actualisatie? Ik weet dat het op een bepaald moment de bedoeling was om dat met de cultuursector te doen.

Twee, u hebt een uitleg gegeven over de punten in het secundair onderwijs, bijvoorbeeld in het aso. Zijn er Vlaanderenbreed resultaten over de impact? We weten dat er in het secundair onderwijs bij de lestijden regelmatig een afwenden is van de lestijden van bso en tso richting aso. Dat is al verschillende keren aan bod gekomen in de commissie en het werd ook al verschillende keren opgemerkt, onder andere door het Rekenhof en de inspectie. Kan dit ook worden gedetecteerd bij de werkingsmiddelen? Als er meer werkingsmiddelen gaan naar richtingen die duurder zijn en waarvan we met z’n allen weten dat ze duurder zijn dan een klassieke aso-richting, dan hoop ik dat dat ook effect heeft op de kostprijs. We hebben daar vrijheid van onderwijs, maar het is uw taak, samen met ons, om erover te waken dat dat effectief ook efficiënt wordt ingezet. Kan het steunpunt dat theoretisch model eindelijk eens gebruiken?

Verder heb ik nog twee kleine opmerkingen. De heer De Meyer had een opmerking over de infrastructuur van technische scholen en scholen met bepaalde richtingen. Ik sluit mij daar volledig bij aan. Het speelt ook bij de werkingsmiddelen, maar dan moeten we ook de discussie voeren bij het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs en de middelen die we daar geven. Daar zitten er nog wel wat vragen. Ik hoop dat we hier ook nog eens een breder debat kunnen voeren over de infrastructuur in het secundair onderwijs.

Mevrouw Gennez, het is niet de eerste keer dat u de opmerking maakt over middagtoezicht. Bij het begin van de gemeentelijke legislatuur is dat al een paar keer opgemerkt. Ik heb daarop geantwoord dat we dat in mijn stad hebben ingevoerd eind jaren 90, toen toenmalig minister Van den Bossche in een afspraak met de vakorganisaties een besluit van de Vlaamse Regering invoerde, met wat gekend is in het officieel onderwijs als ‘de zwarte lijst’. 

Sindsdien zijn in tientallen steden en gemeenten melkgeld, middaggeld, maaltijdgeld, stoelgeld, noem het zoals je wil, ingevoerd. Daarover werden in die periode weinig opmerkingen gemaakt. Het werd vooral door uw partij als zeer rechtvaardig aangevoeld ten aanzien van de vakorganisaties omdat een aantal taken die niet strikt pedagogisch waren, niet meer moesten worden uitgevoerd. Alleen heeft men zich toen niet afgevraagd wie het dan wel ging betalen. Toen vond men het zeer aanvaardbaar dat de ouders het zouden betalen.

Collega’s, voor mij mag die middag gratis zijn. Ik ga dat vanuit mijn fractie niet verdedigen. Maar enig historisch perspectief is altijd nuttig. Als het niet door de ouders moet worden betaald en als het toezicht ook niet door de leerkracht mag worden gedaan, zal ik met veel interesse luisteren naar voorstellen om dit creatief op te lossen. We hebben het er in de Onderwijskoepel van de Steden en Gemeenten (OVSG) al vaak over gehad: de historiek in veel gemeenten is dat het vaak ontstaan is in 1997 of 1998, bij het invoeren van een besluit van de Vlaamse Regering, dat de zwarte lijst heeft ingevoerd. Misschien dat de vakorganisaties en de koepels het er in het lerarenpact over eens zullen zijn om dat af te schaffen. De sociale voordelen, die een gemeente dan ook nog eens aan de anderen moet betalen, komen er dan nog eens bij. Het is gemakkelijk om te zeggen dat het iets van recente datum is. In heel veel steden en scholen is het niet van recente datum. Of dat goed is, laat ik in het midden. Maar in dit geval is de geschiedenis de geschiedenis.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega’s, we zijn hier de volledige financiering aan het bespreken, met lestijden, coëfficiënten, bouwkosten, maximumfactuur, btw-verlaging. Ik zal proberen de gekoppelde vragen opnieuw te ontkoppelen naar de twee zaken, en dan ga ik nog een aantal dingen toevoegen.

Ik heb een concrete vraag over de studiekostenmonitor. Kan worden onderzocht of de dichtheid van opleidingen die worden aangeboden een effect heeft? En dan zijn er de linken met bedrijven. Ik heb het specifiek over bso- en tso-scholen. Ik ken bso- en tso-scholen die materiaal krijgen van een nabijgelegen bedrijf omdat er nergens in de buurt een andere bso- of tso-school is. Dan is dat gemakkelijker voor dat bedrijf. Vanaf het moment dat er veel scholen zijn, wordt dat voor dat bedrijf moeilijker om dat te geven, want dan komt er vraag van andere scholen.

Hier wordt op sommige momenten voorbijgegaan aan het Participatiedecreet. Daarin staat dat de schoolkosten op de schoolraad moeten worden besproken en voor de inschrijving bekend moeten zijn. Op opendeurdagen bezoek ik altijd heel wat scholen. Ik zie daar altijd een map met een overzicht van de facturen, toch in mijn regio. Mijnheer De Meyer, dat moet dan een heel goede regio zijn.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik heb dat gezegd in mijn vraagstelling.

Minister, houdt het onderzoek daar rekening mee, of dat werkelijk in al die scholen aanwezig is? Weten mensen wat de kosten gaan zijn?

Een aantal basismaterialen moeten ter beschikking worden gesteld. De regelgeving stelt dat de school geen waarborg mag vragen en dat de school versleten materiaal moet vervangen. Ik vind ook respect voor het materiaal belangrijk. Als een leerling zijn vulpen om de twee, drie dagen laat vallen, en de school moet telkens voor een nieuwe vulpen zorgen, dan denk ik toch dat we mogen zeggen dat dit niet zomaar kan. Misschien moeten we dat respect ook invoeren als eindterm? (Opmerkingen)

Collega’s, als het gaat over schoolkosten, gaan we ook voorbij aan het feit dat ouders nog een aantal tegemoetkomingen krijgen van de overheid omdat ze kinderen hebben die geld kosten. Ik denk aan de kinderen ten laste, aan de bijkomende aftrek van woningen in het licht van kinderen, aan het kindergeld dat hervormd wordt, aan de huidige schoolpremie die er nog is en die wordt geïntegreerd en aangepast, en aan de studiebeurs. Op het moment dat we het hebben over de reële kost die je moet betalen, moeten we het ook hebben over de tegemoetkomingen van de overheid. Dan krijg je zicht op het restbedrag. Pas dan weet je wat werkelijk van de ouders wordt gevraagd.

Minister, nu het nog een theoretisch instrument is, hoop ik dat bij de praktische uitwerking ook rekening wordt gehouden met die calculatie, mijnheer Durnez.

Dat brengt me bij de studiebeurs. De heer De Ro en ikzelf, met een actuele vraag, hebben er al voor gepleit om in de studiebeurzen, die nu afhankelijk zijn van het onderwijsniveau en de onderwijsvorm, nog een graadje meer te steken om rekening te kunnen houden met de opleiding. Denk aan de voorbeelden slagerij en fotografie.

Uiteindelijk, minister, gaat het over de besteding van de werkingsmiddelen. Dat heeft mijn partij al vaak gezegd. Worden er afgewend? Waarvoor worden ze gebruikt? Ik verwijs naar het rapport van het Rekenhof. Ik verwijs ook naar het rapport over NT2.

Ten slotte wil ik zeggen dat de scholen absoluut wel moeite doen om de kosten te drukken. Ik herinner mij mijn directeur, die op elke personeelsvergadering vroeg wat er nog kon worden gedaan. Scholen schrappen busritten en rijden met de fiets, ze kopen fietsen aan bij de verkoop van teruggevonden fietsen door de politie, enzovoort.

Dat wat de schoolkosten betreft. Maar ook de leerkrachten moeten zaken kopen. Ik heb altijd lesgegeven in een school met tso en bso, en dus waren er veel stages. Een van de aanwervingsvoorwaarden is dat de leerkracht over een auto beschikt. Tegenwoordig wordt in veel vacatures een rijbewijs A gevraagd en ook dat de kandidaat over een auto beschikt. En dan krijg je een kilometervergoeding. Die dekt een deel van de kosten. Ik hoop dat mijn collega’s er niet voor pleiten om een bedrijfswagen te geven.

Collega’s, in het fiscale luik bestaat er zoiets als forfaitaire beroepskosten. Bekijk de fiscale regelgeving: dat zijn de kosten die je maakt om je beroep te kunnen uitoefenen. In 2009 stond in het Onderwijszakboekje dat leerkrachten hun beroepskosten moesten aantonen. Minister, ik doe u een suggestie: misschien moeten we dit actualiseren. ICT-materiaal kan op drie jaar worden afgeschreven, autokosten op tien jaar. Een leerkracht kan zijn kantoor thuis inbrengen, 10 procent van de werkruimte thuis, 10 procent van de woningverzekering, 10 procent van de elektriciteit. Misschien moeten we dat eens opnieuw onder de aandacht brengen. 

Waar ligt de grens tussen wat de directie zegt dat je zelf moet betalen en wat een leerkracht bepaalt dat hij voor zichzelf wil kopen? Ik heb vroeger zelf ook videofilms aangekocht. (Opmerkingen. Gelach)

Mevrouw Brusseel, ik weet niet waar u momenteel aan denkt, maar ik denk inderdaad dat de biologieles over de voortplanting die u zou geven een andere les zou zijn dan deze die ik zou hebben gegeven. (Opmerkingen van Ann Brusseel)

Mevrouw Brusseel kocht decadente films over de Romeinen; ik had het over films over opvoeding en dergelijke meer.

Collega’s, we moeten het ook hebben over iets wat de kosten sterk doet stijgen, zowel voor leerkrachten als voor leerlingen: de invulboeken. Dat moeten we absoluut eens bekijken, samen met de uitgevers van handboeken en de pedagogische begeleiding, maar ook met de koepels die dergelijke boeken uitgeven.

De voorzitter

Mevrouw Meuleman heeft het woord.

De discussie is inderdaad aan het uitwaaieren. Er is al heel veel gezegd. Deze discussie komt elk jaar in september terug. De meesten van ons zijn nog altijd van mening dat het onderwijs zo democratisch en toegankelijk en dus zo kosteloos mogelijk moet zijn.

We kunnen relativeren wat we willen, maar een gemiddelde factuur van 1287 euro per leerling is veel. Dat wordt gespreid over een jaar, maar een groot deel ervan moet in september worden opgehoest. En dan heb je waarschijnlijk nog geen kind of geen twee of drie kinderen in het tso of bso, waar vaak ook nog eens kwetsbaardere gezinnen zitten. De kosten zijn hoog. Scholen doen soms inspanningen. Maar het was tot nu toe weinig transparant. Hopelijk komt er snel beterschap in. We moeten de inspanningen voor kostenbeheersing echt nog opdrijven. Dat was de bedoeling. Ik ben hoopvol.

Minister, dat staat, zoals mijn collega’s van sp.a zeggen, in contrast met de besparingen die er sluipend worden gedaan op de werkingsmiddelen. Van 2014 tot 2016 was dat 13,5 miljoen euro voor het secundair onderwijs. Iemand moet dat natuurlijk betalen. Ofwel is dat de school, ofwel rekent de school dat door naar de leerlingen. Zo krijg je sluipend en ‘al stoemelings’ alweer een verhoging van die facturen en zijn we eigenlijk de omgekeerde beweging aan het maken. Wij willen die kosten echt wel helpen te beheersen, maar in feite verhoogt de Vlaamse Regering sluipend de facturen. Dat is volgens mij een zware tegenspraak.

Minister, u zegt dat de oppositie het altijd maar over de besparingen heeft, maar dat heeft gevolgen. Die factuurverhogingen zijn er en worden gevoeld. In het basisonderwijs hebben we de basisfactuur. Ik hoop dat er ook in het secundair onderwijs stappen zullen worden gezet en dat dat niet te lang meer zal duren.

Over het betalen van lesmateriaal door leerkrachten hebt u tijdens de vakantie, toen die cijfers werden bekendgemaakt, gecommuniceerd. Ik vond die communicatie ongelooflijk ongelukkig. U hebt dat ook wat willen relativeren. U wilde waarschijnlijk de leerkrachten opnieuw een hart onder de riem steken. U zei dat leerkrachten inderdaad veel extra doen, maar dat dat aantoont dat ze gepassioneerd zijn en geëngageerd. U zei dat dat ook bij andere beroepen nodig is, en dat u die passie en dat engagement waardeert. Ik vond dat vrij ongelukkig. Ik kreeg zeer veel reacties binnen, onder meer op Twitter. Mensen zeiden niet meer te weten of hun vrouw ging werken om geld binnen te halen of om geld uit te geven. (Opmerkingen)

Ik weet het, dit was een grapje.

Er wordt verwacht van leerkrachten dat alles via smartschool gebeurt. Dus wordt verwacht dat iedereen een computer heeft en zelf aankoopt. Dat is dan nog los van het lesmateriaal dat veel kleuterleidsters zelf aankopen. Het is evident dat dat eigenlijk door de school zou moeten gebeuren. Maar leerkrachten moeten veel kosten maken. Bij andere beroepen kunnen die kosten worden ingebracht of worden ze vergoed. Mijnheer Daniëls, uw betoog bevatte een deel van het antwoord hierop. Maar nu wordt er bij veel leerkrachten geen rekening mee gehouden. Ik vond die aanklacht helemaal niet zo onzinnig. Hij was terecht. We moeten eens bekijken wat nu de essentie is en wat intussen bijkomend wordt verwacht van leerkrachten zonder dat daar iets tegenover staat.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ik ben wel een voorstander van een maximumfactuur. Daar worden veel vraagtekens bij gezet, en ik kan dat ook wel begrijpen. Dat heeft te maken met het feit dat wij vandaag niet over alle informatie beschikken om dat met een zekere gerustheid in te voeren. Ik ben voor een maximumfactuur omdat ik zie dat vandaag leerlingen met bepaalde talenten niet de kans krijgen om die talenten binnen het onderwijs te ontwikkelen omdat ze daarvoor een studierichting moeten volgen die te veel kost. Wij zeggen dat wij volledig moeten inzetten op talentontwikkeling in ons onderwijs. Dan moeten wij dat in al zijn facetten durven te bekijken. Dan moeten wij ervoor zorgen dat kinderen de kansen krijgen om hun talenten te ontwikkelen.

We moeten goed weten of het haalbaar is om dat op een goede manier toe te passen, zodat dit niet leidt tot een groot tekort aan middelen voor de scholen, en dat dit ook het onderwijs kwalitatief niet verzwakt.

Wij hebben twee legislaturen geleden een maximumfactuur ingevoerd voor het basisonderwijs omdat wij toen extra werkingsmiddelen konden geven aan de scholen, omdat we toen ook de studietoelagen mee onder de loep hebben genomen, en omdat we toen heel duidelijk hebben berekend wat de kost was, zodat we wisten welke maximumfactuur we konden hanteren.

Ik stel nu vast dat we een instrument hebben dat we kunnen gebruiken. Het wordt dus, denk ik, praktisch. Maar ik blijf wel met de vraag zitten of we wel alle informatie hebben die we nodig hebben om te bekijken of we kunnen evolueren naar de maximumfactuur. De heer De Meyer vroeg wat nu eigenlijk de kost is voor een school om een bepaald onderwijs te organiseren. Het Rekenhof heeft ons daarover al wat informatie aangeboden. Maar als we de kostenmonitor gaan toepassen, kunnen we daaruit dan afleiden wat een bepaalde studierichting kost, zodat we de werkingsmiddelen die we toekennen aan scholen kunnen evalueren: zijn ze voldoende of zijn ze niet voldoende? Kunnen we uit dat instrument afleiden of de scholen op een gelijke manier omgaan met de werkingsmiddelen die ze krijgen, of zitten daar enorm grote verschillen tussen die moeilijk te verklaren zijn? Dat is voor mij niet duidelijk als ik kijk naar de verschillende elementen die in dat meetinstrument zitten. U hebt ze mooi opgesomd. Maar die informatie hebben we wel nodig om ervoor te zorgen dat kinderen kansen krijgen en hun talenten kunnen ontwikkelen, en dat de kost van het onderwijs dat niet in de weg staat.

Dat is nog altijd het uitgangspunt: de leerling moet alle kansen krijgen. Ik blijf het belangrijk vinden om daarop in te zetten. Ik stel daar in deze commissie al tien jaar vragen over. Ik ben blij dat we nu een stap vooruit hebben gezet met het instrument, maar volgens mij zijn we nog niet aan het eindpunt.

Met betrekking tot de vragen van het personeel hebben we vanmorgen gezegd dat we waardering moeten hebben voor de leerkrachten. Zij doen heel veel. Het is goed dat wij aandacht besteden aan de professionalisering van de mensen die de leerkrachten moeten begeleiden. De professionalisering op het vlak van personeelsmanagement kan ook onder de loep worden genomen. Als je gaat solliciteren op verschillende plaatsen, in verschillende organisaties en bedrijven, merk je meteen op welke manier er waardering is voor mensen en op welke manier er wordt gecommuniceerd over de middelen die ter beschikking worden gesteld. Ik moet vaststellen dat er naar aanleiding van de publicatie van het COV bij mij berichten zijn binnengekomen van directies die vragen wat eigenlijk hun plichten zijn. Zij weten dat zelf niet zo goed. Zij vragen of de minister een lijstje kan bezorgen van het materiaal dat ze ter beschikking moeten stellen van hun personeel. (Opmerkingen)

Ik vind dat ook een beetje te zot. Maar het wijst er wel op dat er een professionalisering van het personeelsmanagement nodig is. Het is niet meer dan normaal dat wanneer een personeelslid waar dan ook aan de slag gaat, hij geïnformeerd wordt over wat de verwachtingen zijn met betrekking tot zijn functioneren, maar ook binnen welke omgeving er kan worden gefunctioneerd en welke materialen een organisatie ter beschikking stelt om het werk goed te kunnen doen. Dat is niet enkel en alleen in een bedrijf belangrijk, maar ook in een school en in elke organisatie. Dit is maar één facet ervan, maar het komt telkens terug dat daar een enorme uitdaging ligt om dat te versterken binnen het onderwijs.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Durnez, die monitor is een instrument. Een instrument is iets wat je gebruikt en wilt blijven gebruiken in de toekomst. Ik heb dat instrument niet zelf besteld. Het is mijn voorganger, Pascal Smet, die gevraagd heeft om het te maken, en die ook het kader heeft bepaald waarbinnen het instrument ontwikkeld zou worden. Dat instrument werd wat later opgeleverd dan voorzien. Daar kan ik niet zoveel aan doen. Ik dacht, waarschijnlijk in mijn naïviteit, dat het instrument een hefboom zou zijn om te bepalen wat de theoretische kostprijs zou zijn. Ik dacht dat het iets operationeels zou zijn. Ik zie nu op enkele gezichten aha-erlebnissen. Ik was dus niet de enige die dat dacht. Toen dat instrument bij mij in de bus viel, dacht ik dat we er nog veel werk aan zouden hebben.

Ten voordele van het ontwikkelde instrument wil ik toch zeggen dat het de eerste keer is dat we in theorie zien met welke elementen je allemaal moet rekening houden om tot een kostprijsberekening te komen. De kranten titelden op hun voorpagina’s: ‘Het is 3000 euro’, ‘Het is 2000 euro’, ‘Het is 1400 euro’. Elk jaar krijg je van die grote communicaties. Mijnheer Durnez, het grote voordeel van wat ik nu in theorie heb gekregen, is dat we een lijst krijgen van parameters waarmee rekening moet worden gehouden. Ik heb hier een aantal aanvullingen op die parameters gehoord. Ik zal niet op elk van die suggesties antwoorden. Ik zal wel het verslag van deze commissie bezorgen aan de mensen die nu aan de slag moeten met dat instrument, en ik zal met hen bekijken of we nu al dan niet nog aanvullingen moeten doen.

Ik vind wel dat we het grondig moeten doen. Ik wil iets maken dat robuust en stabiel is, en dat de komende twintig jaar kan worden gehanteerd als kostprijscalculator.

Jan Durnez (CD&V)

Begrijp ik goed dat het een prototype is?

Minister Hilde Crevits

Het is een prototype dat eigenlijk afgewerkt is. De opdracht is beëindigd, het prototype is af. Maar er zijn wel extra vragen gesteld. Ik ga dus bekijken of we het prototype moeten verfijnen of niet.

Collega’s, dat instrument is beperkt tot de kosten van de lerende. Er waren veel vragen over de kostprijs voor de school, maar dat zit daar niet in. Wie dat verwacht, moet nooit hopen dat dat erin komt. Anderzijds vind ik het wel een zeer interessante vraag of opmerking. Als we de kosten voor een school niet kennen, kunnen die kosten worden afgewenteld. Wij geven extra geld voor technische opleidingen. Maar in een aso-opleiding zitten die technische opleidingen wel arm te wezen. Ik vind dat zeer interessant, maar dat is niet wat werd ontwikkeld. Ik kan dat daar ook niet zomaar insteken. Als jullie dat interessant vinden, dan wil ik dat graag bekijken. Maar het is in het verleden niet gebeurd. Dat is iets nieuws. Ik zal ook niet wachten om te starten met de input van de gegevens in het prototype dat nu werd ontwikkeld. Anders blijven we alles aan alles koppelen.

Dus, het instrument is er. Ik zal eerst bekijken of ik het nog moet aanvullen. Dan starten we met het invullen. Dat invullen gebeurt idealiter gedurende een volledig schooljaar. Dat wat het instrument betreft waarmee we aan de slag gaan.

Wat mevrouw Gennez zei over het POV in Antwerpen is correct. Maar ik kan dat model niet zomaar uitrollen over heel Vlaanderen. Dat zijn zeven scholen met een beperkt aantal studierichtingen. Maar, mevrouw Brusseel, eigenlijk is dat geen maximumfactuur, maar ik vind het zeer moedig dat ze bij het begin van het schooljaar zeer transparant zeggen wat bij hen de kosten zijn en dat zij niet méér zullen doorrekenen aan de mensen. Ik vind die werkwijze oké, in afwachting van een initiatief dat wij al of niet zullen nemen. De heren Daniëls en De Meyer zeiden dat dat bij hen in een kaftje zit, zodat de mensen weten wat de kosten zullen zijn. Eigenlijk hoort het zo. Het staat in het schoolreglement en men moet het weten. Mocht iedereen dat op die manier doen, zou ik nu al een beter zicht hebben.

Dat zijn enkel de kosten die de school aanrekent. Maar de studiekost is meer dan dat. Dat zit in mijn instrument, in mijn prototype. Ik werk daaraan verder. We bekijken hoe we dat op de best mogelijke manier kunnen doen. Het steunpunt kan ermee aan de slag.

Mevrouw De Meulemeester, het is hun eerste opdracht. Ze doen dat nu binnen de prioritaire vrije ruimte die ze hebben. Maar ik heb geen zin om nu aan alle scholen te vragen om een dik boek in te vullen. Dan krijg ik natuurlijk Operatie Tarra over me heen. We moeten bekijken hoe we dat instrument kunnen gebruiken en met welke mensen we dat precies gaan doen. Dat is mijn verantwoordelijkheid. We staan nu zover, we gaan dat nu proper proberen te doen.

De gedifferentieerde studiebeurs is voor mij zeker bespreekbaar. Maar ik vind de automatisering van de rechten ook belangrijk. Het ene staat een beetje haaks op het andere. Jongeren veranderen van studierichting, dat kan aanleiding geven tot andere bedragen, dus is differentiëring per studierichting moeilijk. We moeten bekijken of het ene opweegt tegen het andere. Zo’n oefening kun je maar doen als je de structuur van het secundair onderwijs kent. Die moet nog definitief worden vastgeklikt. Dat vergt nog wel wat tijd.

Ik houd rekening met alle suggesties om de schoolkosten te beperken. Ik ben ook geen fan van invulboeken. Niet alleen vanwege de grote papierverspilling en het invullen op zich, maar ook omdat daarmee de vrijheid van de leerkracht in het gedrang komt.

Ann Brusseel (Open Vld)

Het is voor de leerling ook niet goed.

Minister Hilde Crevits

Ik vind het ook vanuit pedagogisch oogpunt geen ideale situatie. Ik weet dat heel veel scholen die blaadjes kopiëren en ze jaar na jaar opnieuw gebruiken. We zien dat heel veel scholen, om de factuur te beperken, zeer actief werken met herbruikbare schoolboeken en tweedehandsbeurzen.

Iemand stelde een vraag over het hoger onderwijs en de Stuvo-middelen. Dat klopt. Ik heb al een paar keer gezegd dat de Stuvo-middelen nog veel meer gekleurd en geprioritiseerd zouden mogen worden gebruikt. Maar dat botst dan weer met het feit dat we vertrouwen willen geven aan de hogeronderwijsinstellingen. Ik merk wel dat men steeds meer reclame begint te maken met die Stuvo-middelen en met hoe men daarmee aan de slag gaat, welke studentenservice er wordt gegeven. De tendens is echt wel dat er meer transparantie komt in vergelijking met een aantal jaren geleden. De studenten willen ook heel hard wegen op de manier waarop die middelen worden ingezet. Dat kan in het hoger onderwijs zeker een rol spelen.

Ik heb ook geen reticentie gehoord tegen het feit dat we starten met secundair onderwijs en zeker met die eerste graad, omdat als je ooit een maximumfactuur wilt in Vlaanderen dat de best mogelijke twee jaren zijn. Je komt net uit het lager onderwijs, waar er al een maximumfactuur bestaat. Ik zal ook de oefening maken voor het lager onderwijs, maar dan wel getrapt: eerst de eerste graad van het secundair, dan de rest van het secundair, het hoger onderwijs en dan ook het lager onderwijs.

Mijnheer Vandenberghe, ik vind die oefening nuttig. Je moet bekijken of de maximumfactuur een negatieve impact heeft op de kwaliteit van het onderwijs. (Opmerkingen van de voorzitter)

De voorzitter zegt van neen. We moeten weten wat daarvan het effect is geweest. Dat zit natuurlijk niet in de monitor. Dat hoort weer bij de vraag wat de kostprijs is om kwalitatief onderwijs te verstrekken.

Dan is er het pakket vragen over het al of niet betalen uit eigen zak. Voorzitter, ik stond een beetje perplex toen u daarnet zei dat u mails ontving van directeurs die vroegen wat ze nu eigenlijk ter beschikking moeten stellen. Ik vind dat van eenzelfde gehalte als leerkrachten die niet weten wie hun evaluator is. Dat is nu toch wel basis. Dat is ook basisregelgeving. Ik wil gerust nog eens een lijst sturen naar scholen met wat er verwacht wordt, maar eigenlijk is het de essentie dat je weet dat je basismateriaal ter beschikking van je leerkrachten moet stellen. Ik heb geen goesting om een lijst te maken. Ik vind ook dat dat niet mijn opdracht is. We gaan dan elk jaar opmerkingen krijgen dat dit of dat niet op de lijst staat. Dat heeft te maken met schoolleiderschap en beleidsvoerend vermogen.

Mijnheer Vandenberghe, het is heel terecht dat u deze vraag stelt, maar het is wel vreemd dat het Christelijke Onderwijzersverbond daarmee komt. Een vakbond moet wegen op de schoolbesturen opdat deze voldoende middelen en didactisch materiaal ter beschikking zouden stellen van de leraar. Ook voor de lokale onderhandelingen is het heel belangrijk om daarop te wegen. Het kan niet dat een schoolbestuur, zelfs met beperkte middelen, niet de basismaterialen ter beschikking stelt van de leerlingen. Ik vind het cruciaal te onderstrepen dat ook vakbonden daarop moeten wegen.

Mevrouw Meuleman, u hebt gelijk dat het raar overkomt wanneer men zegt dat leerkrachten gepassioneerd zijn. Mijn moeder is altijd onderwijzeres geweest, maar zij was een beetje geschoffeerd door de manier waarop dat in de media is gekomen. Zij vond het ook belangrijk om spullen mee te nemen naar school. Het gaat hier om een dunne lijn die moet worden bewandeld: waar stopt de basis die elke leerkracht mag verwachten en waar start de persoonlijke toets die men wil geven aan de manier waarop men lesgeeft?

Er is inderdaad een besparing gebeurd op de werkingsmiddelen. Het is nu het derde jaar dat we dat moeten doen. Maar evenzeer is het zo dat ons secundair onderwijs een van de best gefinancierde onderwijsvormen ter wereld is. Ook ons lager onderwijs wordt vrij behoorlijk gefinancierd. Er is wel een scheeftrekking tussen het lager en het secundair onderwijs. De grootste onderfinanciering zat in het hoger onderwijs maar daar hebben we nu geprobeerd iets aan te doen. Ik zal mijn best doen om ook voor het kleuter- en lager onderwijs hetzelfde te doen. Men kan echter onmogelijk zeggen dat de financiering van het secundair onderwijs vandaag slecht is, ook na de maatregelen die wij hebben genomen.

Niemand merkt trouwens ooit op dat er momenteel gigantisch veel gebouwd wordt, en dit aan een btw-tarief van 6 procent. Een jaar geleden was dat nog 21 procent. Scholen besparen hier gigantisch veel. Men weigert echter systematisch om daar melding van te maken.

De voorzitter

Mevrouw De Meulemeester heeft het woord.

Ingeborg De Meulemeester (N-VA)

Minister, ik dank u voor uw antwoord.

Mevrouw Meuleman, bij de invoering van de maximumfactuur in 2008 is er 85 miljoen euro bijgekomen. Recurrent is dat elk jaar 62 miljoen euro. Dat vraagt een grote inspanning.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Ik begrijp dat er veel nuances zijn, zelfs over partijgrenzen heen maar mijn fundamentele vraag blijft wat de kostprijs is van onderwijs voor de verschillende inrichters, niveaus en studierichtingen. Daar zou wetenschappelijk onderzoek naar moeten gebeuren, dat lijkt me bijzonder belangrijk voor het beleid tijdens de volgende jaren en decennia.

Een andere vraag is wat de kostprijs is voor de ouders in de ons omringende landen. Mogelijks vinden we daar informatie over in de OESO-rapporten, mogelijks zijn er andere informatiebronnen. Om heel die discussie te objectiveren zou het interessant kunnen zijn om informatie te hebben uit de ons omringende landen. Indien u daarover zou beschikken via uw kabinet en uw administratie, kan die informatie ons via de commissiesecretaris ter beschikking worden gesteld.

De voorzitter

Mevrouw Gennez heeft het woord.

Dank u wel voor de omstandige discussie. Het is zeer interessant, omdat het interessante keuzes en breuklijnen, ook in deze commissie, blootlegt. Eerst en vooral ben ik tevreden dat Groen, maar ook CD&V, zegt dat de maximumfactuur echt wel een interessant instrument is om mee te werken en om maximaal te kunnen inzetten, voor elk kind volgens zijn of haar talenten of interesse, op de echte studiekeuze, waarvan we het toch ontzettend belangrijk vinden dat ze juist gebeurt. Als we zo sterk als sp.a pleiten voor de maximumfactuur in het secundair onderwijs, dan zijn we uiteraard, zoals de minister ook aanhaalt, voorstander van kostenbeheersing, want anders is men met geldverspilling bezig, en dat kan nooit de bedoeling zijn in tijden van schaarste. Maar de minister merkt op dat ons secundair onderwijs royaal gefinancierd is, en ze zet dat systematisch af tegen het basisonderwijs. We hebben het daarover in de plenaire vergadering al eens gehad. Wat men nu doet, is de kloof tussen het secundair en het basisonderwijs kleiner maken door meer te besparen op het secundair onderwijs dan op het basisonderwijs. Zo wordt de kloof wel kleiner, maar gaan we natuurlijk wel de verkeerde richting uit. Dat is een beleidskeuze die we toch wel maken.

De MAF in het secundair onderwijs invoeren zou inderdaad – en dat kaart mevrouw De Meulemeester terecht aan – gepaard moeten gaan met werkingsmiddelen die minstens op niveau blijven. Vandaar dat we er inderdaad voor pleiten de niveaus vooral niet tegen elkaar te laten uitspelen. Men lijkt nu te suggereren dat het secundair onderwijs overgefinancierd is en dat die middelen kunnen worden overgeheveld naar het kleuter- of basisonderwijs. Wij zouden durven te zeggen: hervorm het secundair onderwijs grondig, niet zoals u tot nu toe gepland hebt, maar wel degelijk grondig, en dan kunt u besparen, dan komt er binnen het secundair onderwijs ruimte vrij om die MAF in te voeren. Collega Daniëls, als u een deftige hervorming van het secundair onderwijs die naam waardig zou doen, komen er middelen vrij om effectief te investeren in een maximumfactuur. Dat zou inderdaad wijs beleid zijn, waar ik tot op vandaag nog altijd geen aanzet toe zie.

Een volgende element, gelieerd aan de maximumfactuur, is de discussie of we dan een studiebeurs moeten differentiëren of opleidingsgevarieerd maken. Daarin ben ik nogal gevoelig voor het argument van de minister om het niet nodeloos complex te maken. We gaan het niet nog complexer maken. Ik vind dat een fundamentele ideologische breuklijn. Wij, ter linkerzijde, zijn eerder geneigd  om de studiekost te beperken voor de gebruiker, door een maximumfactuur in te voeren. Dat is inderdaad een subsidie, een gemeenschapsvoorziening die men betaalbaar, toegankelijk maakt voor de gebruiker. U zegt het volgende: kijk achteraf hoe men moet modelleren en lieer dan het opleidingsaanbod en de studiebeurs met elkaar. Ik vind dat ‘tarra’ in de hoogste graad. Zo maakt men het alleen nog maar ingewikkelder. Dat is inderdaad een fundamenteel ideologische keuze: ervoor zorgen dat een gemeenschapsvoorziening – onderwijs – die toch de belangrijkste is van allemaal, toegankelijk blijft en dat het simpel is voor de gebruikers het recht op gratis onderwijs te blijven garanderen, eerder dan achteraf te moeten bijsteken en het dus nodeloos ingewikkeld te maken, zowel voor de overheid als voor de gebruikers en de ouders.

Inderdaad minister, het is echt een punt van mijn geloof om het stoelgeld af te schaffen voor de middagopvang. Ik zie ook daar weer hoe ingewikkeld men het soms maakt voor de ouders in Mechelse scholen. Op school blijven eten over de middag moet effectief vergoed worden. Daar moeten de ouders niet extra voor bijspringen. Ik zou er echt voor durven te pleiten om dat mee te nemen in de studiekosten en ze ook vrij te stellen.

Zolang we nog geen oplevering hebben, niet alleen van het theoretisch instrument studiekostenmonitor, maar ook van het praktisch instrument, en zicht hebben op de reële studiekost per richting, hebben we voor u een bevraging georganiseerd op www.uwschoolfactuur.be. We hebben daar al meer dan duizend antwoorden op. We zullen u binnenkort heel graag onze eerste bevindingen voorleggen. Dan kunnen er ook dit schooljaar misschien al heel concrete maatregelen worden getroffen.

De voorzitter

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is gesloten.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.