U bent hier

De heer De Meyer heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, vier op de tien Belgische landbouwers denken dat ze over tien jaar niet meer in de sector zullen werken.  Dat blijkt uit een enquête van de Belgische Federatie van de Uitrusting voor de Landbouw, de Tuinbouw, de Veeteelt en de Tuin (Fedagrim), waarbij 1130 Belgische landbouwers ondervraagd werden. Het familiaal landbouwmodel staat onder druk als kostwinning voor het gezin. Dat weten we allemaal. Oorzaken van de lage marges zijn concentratie bij aankoopcentrales in de voedingsketen, de zwakke positie van individuele bedrijven en concurrentie met regio’s met lagere eisen inzake kwaliteit en milieu.

63 procent van de deelnemers wil dat de spelregels binnen Europa meer geharmoniseerd worden. “Oneerlijke concurrentie is niet zozeer een probleem van open grenzen. Het probleem is dat niet iedereen aan dezelfde eisen moet voldoen”, zo luidt een conclusie. De goedkope Roemeense melk wordt als voorbeeld aangehaald, maar ook import van buiten Europa, zoals de Oekraïense eieren, hebben reeds voor heel wat controverse gezorgd. 97 procent van de landbouwers geeft aan dat de prijs voor hun producten te laag is. Landbouwers hebben amper zeggenschap over de productieprijs in de keten. “Toch is een economisch gezonde Vlaamse land- en tuinbouwsector de basis voor onze belangrijke agrovoedingsketen”, aldus Fedagrim.

Een van de prioriteiten van het Slovaaks voorzitterschap is om de positie van de landbouwers te versterken in de agrovoedingsketen. 11 tot 13 september werd er onder de landbouwministers een eerste informele bijeenkomst gehouden in Bratislava. Daarbij werd een drieluik bediscussieerd: producentenorganisaties en brancheorganisaties, transparantie op de markt en eerlijke handelspraktijken oftewel de distributie van winstmarges binnen de voedingsketen.

De landbouwers pleiten zowel horizontaal, binnen Europa, voor een eerlijk speelveld als verticaal, binnen de keten, voor eerlijke spelregels. Daarnaast wil 92 procent dat de overheid de lokale landbouwproductie meer promoot. 91 procent geeft immers aan dat het imago van hun beroep moet worden opgekrikt.

De landbouwsector heeft op het vlak van duurzaamheid en dierenwelzijn reeds heel wat inspanningen geleverd. De positieve evolutie naar meer duurzaamheid moet volgens hen dan ook meer zichtbaar worden gemaakt. Een ketenoverspannende aanpak lijkt hiervoor een mogelijke piste. Samenwerking binnen de keten om de duurzaamheid meer zichtbaar te maken, stimuleert bovendien verschillende schakels in de keten om het duurzaamheidsdenken te integreren in hun globale strategie.             

Minister, wat is uw visie op de resultaten van de enquête?

Bent u het eens met mijn stelling dat een toekomstig gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) sterker moet inzetten op de economische weerbaarheid van bedrijven en een betere inkomensstabilisatie? Wat is uw visie hieromtrent?

Hoe zult u binnen de EU hiervoor partners vinden? Welke lidstaten vormen potentiële partners met dezelfde visie?

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Voorzitter, de heer De Meyer is duidelijk voorstander van een betere inkomensstabilisatie binnen het GLB. Daarover gaat mijn vraag om uitleg ook een beetje. Europees commissaris Phil Hogan is daar namelijk ook voorstander van. Zijn belofte om het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vereenvoudigen, is de afgelopen week weer wat concreter geworden. Er gebeuren een aantal technische aanpassingen aan de wetteksten, maar ook meer fundamentele aanpassingen, zoals de ruimte die in de tweede pijler gecreëerd wordt voor een inkomensstabilisatietool. Bedoeling is dat lidstaten het instrument gestalte geven en er een beleidsinstrument van maken dat bij een marktdip in werking treedt.

Als een bedrijf een inkomensdaling kent van meer dan 30 procent ten opzichte van het gemiddelde van de voorgaande drie jaren, kan 70 procent van het inkomensverlies worden vergoed. Daarvan kan 65 procent door de overheid gesubsidieerd worden, terwijl de overige 35 procent van een solidariteitsbijdrage uit de sector moet komen. Dat is het voorstel van een inkomensstabilisatietool.

Toch zou nog geen enkele lidstaat warmlopen om dit systeem te willen toepassen. Ook Vlaanderen niet, en dat zou onder andere te wijten zijn aan het feit dat het systeem de overheid veel geld zou kosten en dat heel wat landbouwers geen aparte bedrijfsboekhouding bijhouden.

Een minpunt van het systeem is dat de compensatie voor een inkomensdip allicht niet werkt in een sector die langere tijd in crisis verkeert.

Minister, zal Vlaanderen gebruikmaken van dit instrument? Zo ja, hoe is het inpasbaar in de huidige landbouwbudgetten van pijler II? Welke verschuivingen zijn daar mogelijk? Bent u van mening dat een verschuiving van middelen richting een dergelijk stabilisatietool verantwoordbaar is? Bent u van plan om de inkomensstabilisatietool wetenschappelijk te laten onderzoeken? Hoe zult u omgaan met het steeds terugkerende discussiepunt over het feit dat veel landbouwers geen aparte bedrijfsboekhouding hebben?

De heer De Meyer heeft het woord.

Ik ben vergeten mijn vierde en vijfde vraag te stellen.

Wat waren de conclusies van de informele bijeenkomst van de landbouwministers onder het Slovaaks voorzitterschap? Welke rol kan de overheid spelen in een ketenoverspannende aanpak om de duurzaamheid van de sector te promoten en op de kaart te zetten?

Minister Schauvliege heeft het woord.

Minister Joke Schauvliege

Collega’s, de eerste vraag peilt naar mijn mening over de resultaten van de enquête. We hebben daar inderdaad kennis van genomen. De cijfers spreken boekdelen, maar ze zijn toch niet zo verrassend. We wisten allemaal dat het moeilijk gaat in de sector en dat we op dit moment moeilijke economische tijden doormaken.

Als we dat samen met de leeftijdsstructuur in de landbouw bekijken, zorgt dat inderdaad voor een heel hoge uitstroom. Toch leg ik mij daar niet bij neer. Het is een van mijn prioriteiten om zowel de duurzaamheid van de landbouw, in al haar aspecten – zowel de economische als de sociale en ecologische pijler –, als de instroom in de sector te bevorderen.

Ook de kritiek op het Europese beleid is geen grote verrassing. We kunnen er niet onderuit. We hebben hierover al vaak van gedachten gewisseld. Ook hier leeft de vaststelling dat Europa een beetje machteloos staat. De vereenvoudiging van het GLB en de uitbouw van een volwaardig vangnet in geval van crisissen zijn zaken die toch wel ontbreken op het Europese niveau. Dat is ook de reden waarom we dat de afgelopen jaren stelselmatig benadrukt hebben op Europese fora.

Prijzen van landbouwproducten zijn de afgelopen decennia veel volatieler geworden. Dat komt door de meer open, liberale visie op landbouw en de onstabielere relaties tussen grote handelspartners. Het gevolg van de meer liberale visie is een afbouw van de marktbescherming. Prijzen fluctueren, maar de marges zijn niet groot genoeg en de fiscale stimuli ontbreken om als bedrijf een voldoende reserve aan te leggen. Mijns inziens moet er aan twee zaken iets wijzigen. Maatschappelijk moeten we toch met een andere bril kijken naar landbouw en de prijs die de consument wil betalen voor een veilig en eerlijk product. De bewustmaking is cruciaal.

Daarnaast is er ook het GLB, dat niet toereikend is om crisissen op te lossen. Ik volg dus de visie dat we moeten streven naar een stabilisatie van het inkomen, maar vooral naar een leefbaar inkomen. Dat wordt een heel grote uitdaging voor de toekomstige hervorming van het GLB. Ik heb de opdracht gegeven aan mijn diensten om hierover een stakeholderbevraging te doen. Ik vind het belangrijk om te luisteren vooraleer Vlaanderen een specifiek standpunt inneemt. Dit interne proces heeft nu voorrang. Als dit proces is afgerond, zullen we die krijtlijnen meenemen in onze discussies met Europese collega’s over de toekomst van het GLB. We hebben nog wat tijd. Zoals u weet, loopt het GLB tot 2020. We hebben nog tijd om ons standpunt over de herziening in te dienen. Ik vind het goed dat het gedragen wordt en dat we luisteren naar wat leeft in de volledige keten.

Ik merk aan alles dat de Europese Commissie zelf ook overtuigd is geraakt van de nood aan nieuwe mechanismen. Dat is toch een eerste signaal dat we krijgen. 

Tijdens de informele raad draaide de voornaamste discussie rond de vraag of er nood is aan Europese wetgeving om oneerlijke handelspraktijken aan te pakken. Daarover was grote verdeeldheid bij de lidstaten. Sommigen wilden inderdaad afdwingbare regelgeving zien op Europees niveau, anderen hielden vast aan het vrijwillig karakter van de afspraken tussen de partners in de voedselketen. In ieder geval zal de Slovaakse voorzitter, die zelf voorstander is van een duidelijke Europese wetgeving, nu een tekst opstellen. Dit moet tegen het eind van het jaar uitmonden in een gezamenlijke positie van de lidstaten over de aanpak van oneerlijke handelspraktijken.

Ik hecht heel veel belang aan de verduurzaming van de keten. Een van de bouwstenen hiervan is het bevorderen van de samenwerking tussen de verschillende schakels in de keten. Daarvoor werd een Vlaams ondersteuningskader voor de erkenning van producenten- en brancheorganisaties uitgewerkt. Dit resulteerde onlangs in twee aanvragen voor de erkenning in de zuivel- en varkenssector en één erkenning voor een brancheorganisatie in de vlassector. Om de producenten maximaal te ondersteunen bij deze nieuwe initiatieven, zal bovendien nog dit jaar een leidraad beschikbaar gesteld worden over hoe producenten- en brancheorganisaties dienen om te gaan met de mededingingsregels.

Ook op Europees niveau bepleit ik constant het belang van organisatie en samenwerking in de sector. De mogelijkheden die vandaag al bestaan in de sector groenten en fruit kunnen als model dienen voor andere sectoren, maar daarvoor moet de Europese regelgeving worden aangepast.

Mevrouw Vermeulen, de inkomensstabilisatietool is geen nieuw instrument. Ze bestond al bij de hervorming van het GLB in 2013 in het kader van het plattelandsbeleid, de tweede pijler. Op basis van het honderdtal Programmeringsdocumenten voor Plattelandsontwikkeling (PDPO’s) dat door de lidstaten werd opgemaakt voor de periode 2014-2020, stelde de commissaris echter vast dat er maar twee programma’s zijn waarin deze maatregel werd opgenomen: de Spaanse regio Castilla y León en Hongarije.

De recente aankondiging van de commissaris betrof een bijsturing van deze maatregel op twee vlakken. Vandaag moet de inkomensstabilisatietool alle landbouwsubsectoren dekken. Men rekende op enige solidariteit. Stel dat het zeer goed gaat met de pluimveeteelt en de sierteeltsector doet het slecht, dan vloeien de afdrachten van de pluimveesector aan het solidariteitsfonds naar de noodlijdende siertelers. De commissaris stelt nu voor het instrument ook per deelsector inzetbaar te maken.

Er is ook een tweede voorstel van aanpassing. Vandaag geldt dat het solidariteitsfonds slechts kan tussenkomen bij een inkomensdaling van meer dan 30 procent ten opzichte van de referentieperiode. Het voorstel is om dit te verlagen tot 20 procent, waardoor er sneller uitkeringen uit het fonds zouden gebeuren.

De vraag is echter of deze voorgestelde aanpassingen ertoe zullen leiden dat meer lidstaten geïnteresseerd zullen zijn en hun programma’s zullen aanpassen. Alle lidstaten hebben het budget dat hun werd toegewezen voor de periode 2014-2020 al toegekend aan andere plattelandsmaatregelen. In Vlaanderen geldt dat trouwens ook. Denken we maar aan beheerovereenkomsten, investeringsprojecten, KRATOS enzovoort. Het is vrijwel onmogelijk om PDPO-programma’s halverwege volledig om te gooien. De vorige Vlaamse Regering besliste om deze maatregel in Vlaanderen niet op te nemen. De Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij (SALV) bleek evenmin voorstander, want hij formuleerde geen advies in die richting over het ontwerp van PDPO 3.

Naast de knelpunten die de commissaris zelf wenst op te lossen, blijven er nog andere belangrijke knelpunten over. Zo is er de hoge kostprijs. Uit berekeningen die de landbouwadministratie uitvoerde, bleek dat bijna 80 miljoen euro zou moeten worden uitgetrokken. Dat gaat natuurlijk ten koste van andere maatregelen.

Vervolgens is er de complexe systematiek om te bepalen of een landbouwer in aanmerking komt in een bepaald jaar. Inkomensgegevens van de voorbije vijf jaar van individuele bedrijven zouden ingezameld, verwerkt en gecontroleerd moeten worden. De administratieve beheerskosten voor deze maatregel zijn dus zeer hoog.

Ik vermeld ten slotte de laattijdigheid van betaling. Pas als het inkomensverlies bekend is, kan de uitkering voor de boer berekend worden. In de praktijk wil dat zeggen dat pas in het midden van het jaar boven het jaar van het inkomensverlies de toekenning kan gebeuren. Op het ogenblik van betaling kunnen de marktomstandigheden al gewijzigd zijn. Sectoren in langdurige crisis ontvangen op termijn geen compensatie meer omdat er steeds wordt vergeleken met de inkomens van het voorafgaande jaar. Als het inkomen laag blijft, volgt de compensatie maar één keer.

De inkomenstabilistatietool zal hoe dan ook een zeer duur en complex systeem blijven. We zullen de aanpassingen die de commissaris voorlegt, bespreken in de Raad en in het Europees Parlement, en ze zal door ons ook verder bekeken worden. 

Veel landbouwers vallen onder een forfaitair belastingsysteem en zijn bijgevolg niet verplicht om een fiscale boekhouding bij te houden. Vandaar dat ik in mijn beleid het bijhouden van zogenaamde bedrijfseconomische boekhoudingen stimuleer, omdat we ervan overtuigd zijn dat die veel meer inzicht geven in de bedrijfsvoering. We doen dat via KRATOS.

De heer De Meyer heeft het woord.

Minister, ik heb genoteerd dat duurzaamheid van de land- en tuinbouwsector in al haar aspecten voor u prioritair is, en dat daarbij niet alleen wordt gedacht aan de ecologische, maar ook aan de economische pijler. Ik denk dat dat essentieel is.

U deelt ook de zorgen die leven binnen de sector over het EU-beleid. U hebt ook gewezen op de gevolgen van de volatiele markt.

Een van de wijzigingen die u aanstipt, is de bewustmaking van het feit dat de consument een faire prijs moet betalen en anderzijds dat het toekomstige Europees landbouwbeleid hoe dan ook moet inzetten op inkomstenstabiliteit.

Collega’s, ik wil gewoon herinneren aan de eerste doelstellingen van het GBL: enerzijds een betaalbare prijs voor de consument en anderzijds een redelijk inkomen voor boer en tuinder. Dat laatste wordt vandaag wel eens vergeten.

We weten dat Vlaanderen beperkte mogelijkheden heeft op het vlak van het voeren van een beleid inzake het inkomen van de land- en tuinbouwsector. De belangrijke beslissingen ter zake worden genomen op het Europese niveau. Minister, ik kan u dan ook alleen maar aanmoedigen om heel veel energie te investeren in de verdere gesprekken die gevoerd moeten worden om dat Europees landbouwbeleid hoe dan ook bij te sturen.

Mevrouw Vermeulen heeft het woord.

Minister, ik dank u voor uw antwoorden.

Wat de inkomstenstabilisatietool betreft, leek het me in eerste instantie een positief signaal dat het ook voor de deelsectoren ingezet zou kunnen worden. Ik ben ook van mening dat Vlaanderen het verder moet bekijken, dat er verder onderzoek naar moet gebeuren. Op de website van de Boerenbond lees ik dat die organisatie vraagt naar verder onderzoek. We weten zelf nog niet wat de impact van de markt zal zijn. We kunnen die niet inschatten, zeker niet als verscheidene lidstaten dit zouden implementeren.

Het is ook zeer belangrijk dat u het stakeholdersoverleg houdt. Het is noodzakelijk dat we weten of de landbouwers dit zien zitten en op welke andere zaken ze zouden willen inleveren. Het blijft sowieso een duur instrument, zoals u ook zelf hebt aangehaald. Het zal dit zijn en iets anders laten.

De heer Dochy heeft het woord.

Voorzitter, minister, collega’s, wat hier wordt gevraagd, is terecht. Ook de landbouworganisaties sturen daarop aan. Ik verwijs naar de ervaring van wat gebeurt in de Verenigde Staten en Canada, waar dergelijke inkomensstabilisatiemechanismen zijn uitgewerkt. Ons GBL is een beetje afgestemd op wat daar gebeurt inzake subsidiëring en dergelijke meer. Die worden afgebouwd. De inkomensstabilisatiemechanismen die mogelijk ook ondersteund kunnen worden via het landbouwbeleid, zijn hier nog onvoldoende of niet ontwikkeld. Het is een bijzondere uitdaging om dat te doen. We hebben voorbeelden aan de andere kant van de oceaan. Ik weet ook dat de minister daar hard op inzet om haar Europese collega’s te overtuigen er verder werk van te maken en een aantal zaken te implementeren, misschien op de korte termijn, maar zeker bij het vervolg van het GBL na 2020.

De vragen om uitleg zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.