U bent hier

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Vandaag heeft 13 procent van de bevallen moeders te maken met postnatale depressie. Helaas heerst er een enorm taboe rond, niet alleen bij vrouwen maar ook bij hulpverleners. Vorig jaar diende ik hierover samen met de overige meerderheidspartijen in het Vlaams Parlement een voorstel van resolutie in om het taboe te doorbreken, alle betrokkenen te sensibiliseren en via een screeningsinstrument tijdens en na de zwangerschap de pre- of postnatale depressie tijdig te detecteren.

Graag vernam ik van de minister of in de bestaande campagnes reeds werk gemaakt wordt van een bijsturing van de algemene beeldvorming op het taboe rond postnatale depressie. Werden reeds gerichte sensibiliseringscampagnes georganiseerd bij zwangere vrouwen, jonge moeders en hun partners enerzijds en zorgverstrekkers die zwangere en jonge moeders begeleiden anderzijds?

Werd reeds een beslissing genomen inzake het screeningsinstrument dat geïntroduceerd dient te worden bij zorgverstrekkers, zoals consultatiebureaus, de Huizen van het Kind, of kraamzorg?

Wat is de stand van zaken inzake het ter beschikking stellen van een doorverwijzingsregister?

Welke voorbeelden kunnen worden gegeven inzake de verspreiding van expertise en kennis uit de moeder-kindeenheden naar andere residentiële en ambulante werkingen binnen de geestelijke gezondheidszorg?

Hoever staat het met de uitbouw van een perinataal centrum?

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

In onder meer het zwangerschapsboekje en de nieuwsbrief Zwanger van Kind en Gezin wordt er reeds prenataal op gewezen dat, wanneer de somberheid, ook wel babyblues genaamd, langer dan veertien dagen blijft aanslepen, er sprake kan zijn van het ontstaan van een post-partumdepressie. In de nieuwsbrief wordt de link gelegd naar meer informatie op de website van Kind en Gezin over post-partumdepressie. Deze informatie richt zich zowel tot ouders als hun omgeving.

Op dezelfde webpagina wordt de gratis onlinecursus Post-partumdepressie bekendgemaakt, die zorgverleners onder meer kennis aanreikt over de signalen van post-partumdepressie, het onderscheid met babyblues, de effecten ervan op het kind en het ouderschap en handvatten om post-partumdepressie bespreekbaar te maken met ouders.

Deze online cursus werd recent aangevuld met intervisiemateriaal ter ondersteuning van regioteamleden en consultatiebureau-artsen bij hun dienstverlening inzake post-partumdepressie. Ook in de postnataal aangeboden communicatiedragers van Kind en Gezin komt post-partumdepressie intussen aan bod. Het onderwerp werd bijvoorbeeld geïntegreerd in het Kindboekje, dat een groot bereik kent bij jonge ouders en zorgverleners aangezien het bij uitstek door hen wordt gebruikt om kindgegevens doorheen de eerste levensmaanden en -jaren te registreren.

Het agentschap Zorg en Gezondheid ontwikkelt momenteel in samenwerking met onder meer Kind en Gezin, de moeder-baby-eenheden en de Associatie Beeldvorming Geestelijke Gezondheid een sensibiliseringscampagne inzake post-partumdepressie. De strategie en het concept worden momenteel voorbereid. Deze campagne heeft drie doelstellingen, namelijk algemene beeldvorming rond post-partumdepressie; voorzien van specifieke informatie voor zwangere vrouwen, jonge moeders, hun partners en netwerken en informeren van zorgverstrekkers zodat ook zij de signalen van een post-partumdepressie sneller oppikken en een adequate behandeling opstarten of doorverwijzen naar gepaste hulpverlening. Alle promotiematerialen zullen verwijzen naar de website van Kind en Gezin, waar men de belangrijkste informatie over post-partumdepressie kan terugvinden. De lancering van de campagne wordt komend najaar verwacht. De campagne wil zowel ouders, aanstaande ouders, hun omgeving als zorgverleners bereiken. De Associatie Beeldvorming zal in haar jaarprogramma ondersteuning bieden aan de sensibiliseringscampagne rond postnatale depressie. Waar mogelijk kunnen deze campagne en activiteiten van de Associatie aan elkaar gelinkt worden om zo het gezamenlijke bereik en effect te versterken. Daarnaast lanceert Kind en Gezin vermoedelijk eind 2016 een nieuw zwangerschapsmagazine. Ook in deze uitgave zal post-partumdepressie aan bod komen. Hiertoe werden de voorbije weken interviews afgenomen met een psychiater en een moeder-ervaringsdeskundige die getuigen over post-partumdepressie en het belang van preventie ervan.

Over het screeningsinstrument werd de beslissing nog niet genomen. Wel ontving Kind en Gezin begin december 2015 experts van de moeder-baby-eenheden en het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie in navolging van de aangenomen resolutie betreffende de vroegtijdige detectie en behandeling van postnatale depressie. Er werd geëxploreerd welke bijkomende rol Kind en Gezin en de Huizen van het Kind in de toekomst zouden kunnen opnemen ter preventie en detectie van vermoedelijke pre- en postnatale depressies binnen de dienstverlening ten behoeve van ouders en aanstaande ouders.

Het gebruik van de vraagstelling door medewerkers van Kind en Gezin volgens de overeenkomstige richtlijn van het National Institute for Health and Care Excellence (NICE) ter opsporing van een vermoeden van post-partumdepressie, werd actief bevraagd bij en gesteund door de experts. De detectie van een vermoeden van post-partumdepressie wordt binnen Kind en Gezin verder geëvalueerd, wat intussen mogelijk is dankzij registraties in het kinddossier sinds oktober 2015. Het resultaat hiervan kan de keuze voor een screeningsinstrument in de toekomst beïnvloeden.

Kind en Gezin verwijst vrouwen op basis van een vermoeden van post-partumdepressie gericht door naar de behandelend arts, waarbij registratie van verwijzing in het kinddossier mogelijk is sedert oktober 2015.

Voor een concrete uitwerking van de actie rond de verspreiding van de expertise uit de resolutie worden twee pilootprojecten perinatale geestelijke gezondheidszorg opgestart, één in de provincie Oost-Vlaanderen en één in de provincie Antwerpen. Die hebben als doelstelling het ontwikkelen van een regionaal zorgpad, met detectie en behandeling van psychische problemen bij vrouwen vanaf de zwangerschapswens tot één jaar na de bevalling in samenwerking met alle belangrijke perinatale eerste-, tweede- en derdelijnsactoren, zoals huisartsen, Kind en Gezin, vroedvrouwen, gynaecologen, pediaters, neonatologen, sociale dienst, verloskundigen, psychiaters, infantteams, enzovoort, en de netwerken. Hierdoor zal men voor de ontwikkeling van dit regionaal zorgpad alle perinatale actoren betrekken, zowel vanuit de eerste, tweede en derde lijn, zowel de mentale als somatische hulpverleners, de ambulante, outreachende en residentiële sector. Men zal ook een getrapt screenings- en assessmentprotocol ontwikkelen, op maat van zwangere en bevallen vrouwen, en aangepast aan de verschillende hulpverleners, voor een efficiënte detectie van psychische problemen en toeleiding naar getrapte zorg. Het gebruik van de screeningtools en de kennis van perinatale geestelijke gezondheidsproblemen en de aanpak ervan zullen via sensibiliseringsinitiatieven kenbaar worden gemaakt binnen de partners van het perinatale netwerk. De Vlaamse overheid maakt hiervoor de nodige middelen vrij om twee halftijdse coördinatoren aan te stellen gedurende één jaar, we starten dus in september 2016 en eindigen eind augustus 2017. Het biedt een grote meerwaarde dat alle relevante perinatale actoren betrokken zijn in deze pilootprojecten voor de ontwikkeling van een regionaal zorgpad en dat er een gelijktijdige inbreng is van de enorme klinische expertise van alle perinatale klinische actoren, met onder andere de moeder-baby-eenheden, die gevestigd zijn in het psychiatrisch ziekenhuis Sint Camillus en het Psychiatrisch Ziekenhuis in Zoersel, de infantteams - UZ Gent en Universitaire Kinder- en Jeugdpsychiatrie Antwerpen (UKJA) - en de universitaire kenniscentra, namelijk Universiteit Gent en UZ Gent, UKJA, Universiteit Antwerpen en Capri.

De resolutie vraagt de uitbouw van een perinataal centrum te ondersteunen, waarbij de kennis inzake het fysisch en psychisch welzijn van moeder en kind wordt gedeeld met regionale ziekenhuizen, dit teneinde de vroegdetectie van pre- en postnatale depressie te stimuleren en te verbeteren en de goede praktijken inzake behandeling te verspreiden. We zijn van mening dat we met de pilootprojecten perinatale geestelijke gezondheidszorg tegemoetkomen aan de zorg voor vroegdetectie en voor de verspreiding en implementatie van good practices. Immers, vanuit alle betrokken actoren met de nodige expertise – met centraal de moeder-baby-eenheden – en met betrokkenheid van alle relevante partners op alle zorglijnen, focussen we dus op de uitbouw van twee regionale zorgpaden in twee verschillende netwerken, zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, die rekening houden met regionale verschillen en eigenheden. Die zorgpaden kunnen model staan voor de verdere implementatie in andere regio’s.

Tevens wil ik hierbij vermelden dat we vernomen hebben dat het Universitair Psychiatrisch Centrum (UPC) Leuven zelf gestart is met een nieuwe raadpleging perinatale psychiatrie en een expertisecentrum voor zwangerschapspsychiatrie, voor vrouwen met psychiatrische problemen die zwanger willen worden, zwanger zijn of net bevallen zijn van hun kind. Ook hier staat vroegdetectie centraal.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Het stemt me zeer tevreden dat er zaken in beweging zijn. Ik ben zeer blij over de sensibiliseringscampagne. U zegt dat ze in het najaar start, maar hoelang gaat de campagne lopen?

In verband met het screeningsinstrument heb ik er altijd op gewezen dat screening uitermate belangrijk is. Hoe vroeger men een depressie in een zwangerschap detecteert, hoe sneller men kan ingrijpen en men kan starten met psychotherapie of met medicatie. Uit wetenschappelijke studies blijkt effectief dat, als men dit toepast, er een zeer goede ’outfall’ is, dus dat er minder snel na de bevalling een deterioratie van de toestand is. Het is dus uitermate belangrijk dat men verder werkt op dit screeningsinstrument.

U zegt dat Kind en Gezin experten heeft gezien. Wanneer gaat dat iets opleveren? U hebt het ook over pilootprojecten, maar wanneer gaat er iets concreets gebeuren? U hebt het ook over een doorverwijsregister, waarbij men vanuit de consultatiebureaus doorverwijst naar de huisarts. Eenmaal men heeft doorverwezen naar de huisarts, is het natuurlijk wel belangrijk dat de huisarts doorverwijst naar de juiste partner. Ik merk dat zeer veel huisartsen niet op de hoogte zijn van moeder-kindeenheden. Er is nog beterschap mogelijk door vooral naar de zorgverstrekkers duidelijk te stellen naar waar hij of zij moet doorverwijzen.

Ik ben uitermate tevreden dat u zegt dat er twee halftijdse mensen in dienst zullen treden gedurende één jaar. Ik hoop dat die periode verder zal doorlopen.

Wat de regionale zorgpaden betreft, heb ik de vraag of ze specifiek zullen uitgaan van de moeder-kindeenheden. Zullen ze daarrond gecreëerd worden? Ik vang allerlei zaken op, zoals dat de universiteit van Leuven die meer naar zich toe zou willen trekken. Gaat men parallel aan elkaar werken of gaat men specifiek vanuit de moeder-kindeenheden de regionale zorgpaden verder gaan verspreiden?

Ik wil nog verwijzen naar een schriftelijke vraag die ik recent heb gesteld met betrekking tot de bezetting van de moeder-kindeenheden. Daaruit bleek dat de bezetting zeer groot is. Dat is niet nieuw, we wisten dat al in het verleden. Zoals we in de resolutie hadden gevraagd, is er binnen de moeder-kindeenheden een verschuiving van het residentiële aanbod naar de dagbehandeling en de thuisbegeleiding, zodat er meer mensen kunnen worden geholpen, of mensen soms sneller kunnen worden geholpen. Het is ook niet zo dat voor iedereen residentiële zorg nodig is.

Uit het antwoord op die vraag bleek ook dat de grote bezetting van de moeder-kindeenheden soms druk geven met betrekking tot de verdere ontplooiing van de thuiszorg of de ambulante behandeling. Ik zou ook daarvoor de nodige aandacht willen blijven vragen, zodat we vrouwen die hulp nodig hebben, sneller kunnen volgen, op een minder ingrijpende manier, en zodanig dat er ook meer vrouwen kunnen worden geholpen.

Minister Vandeurzen heeft het woord.

Minister Jo Vandeurzen

Zoals ik het begrijp, zal er een samenloop zijn van de campagnes die jaarlijks in het programma van onze beeldvormingspartners zijn opgenomen. Er is een globale prioriteit in ons beleid met betrekking tot geestelijke gezondheid om rond beeldvorming te werken. Ik begrijp dat er nu gekeken wordt om de jaarlijkse campagne voor een stuk naar dit thema te kunnen overzetten en ze te koppelen aan een meer duurzame campagne van aandacht, via de link met hetgeen Kind en Gezin daaromtrent aanbiedt. Het is een combinatie van de twee. Om u een idee te geven – maar ik kan me absoluut niet uitspreken over de impact en de manier waarop dat wordt georganiseerd: een van de vorige campagnes rond beeldvorming had te maken met kinderen en jongeren en psychiatrische zorg. In die campagne werd Selah Sue als voorbeeld gebruikt. Er is vraag om op die lijn rond dit thema te werken. Nogmaals, ik heb absoluut geen zicht op de concrete manier waarop dat vorm is gegeven.

De ontwikkeling van de zorgpaden gaat natuurlijk veel van de andere issues uitklaren. Als daar al die partijen bijeen zijn, niet alleen de huisarts maar ook eventueel een derde lijn, dan gaat men rond bekendheid of doorverwijzing afspraken kunnen maken. Het is nuttig dat we die twee regionale initiatieven laten starten. Daarin zijn de moeder-babyeenheden uitdrukkelijke partners. Het is waarschijnlijk ook geen toeval dat ze in Oost-Vlaanderen en Antwerpen zullen worden ontwikkeld. Ik ga ervan uit dat, als men daar in Leuven een nieuw expertisecentrum rond ontwikkelt, het daar natuurlijk ook in betrokken kan worden. Ik ga er niet van uit dat we dat nog allemaal nog eens apart moeten doen. Dat gaat veel leren over wat er nog staat te gebeuren op het vlak van de verspreiding en de verhoging van de competenties rond dit thema.

Mevrouw Saeys heeft het woord.

Wat in verband met het screeningsinstrument?

Minister Jo Vandeurzen

Ik begrijp dat Kind en Gezin daar nog geen beslissing over heeft genomen. Ik veronderstel dat, als men die zorgpaden gaat ontwikkelen, het daar een deel van zal zijn: hoe kunnen we afspreken? Welke signalen moeten worden herkend? Ik veronderstel dat men dat vooral opneemt in de eerste lijn en de vroegdetectie. Dat is alleszins wat ik heb vernomen van Kind en Gezin. Dat zal ook aan bod komen op de conferentie over het jonge kind in oktober, zegt de kabinetschef.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.