U bent hier

Commissievergadering

donderdag 7 juli 2016, 14.02u

Voorzitter
99 (2015-2016)
Externe sprekers
Sven Gatz (Vlaams minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel)

Collega's, we hebben de gedachtewisseling gekoppeld aan een door mij ingediende vraag om uitleg. Die formule geeft de gelegenheid om van deze bespreking snel een verslag te krijgen op de website van het Vlaams Parlement. Daarom doen we dat op deze manier.

Ik lees mijn vraag om uitleg even voor. Minister, vorige week heeft de Vlaamse Regering op uw voorstel een beslissing genomen over de meerjarige subsidies in het kader van het Kunstendecreet. Kunt u toelichting geven bij de beslissing en bij de motieven?

Minister Gatz heeft het woord.

– Miranda Van Eetvelde treedt als voorzitter op.

Minister Sven Gatz

Inderdaad, beste collega’s, ik ben vandaag voor u verschenen om op de meest bevattelijke wijze uit de doeken te doen hoe de Vlaamse Regering de cultuur- en kunstensubsidies op basis van het Kunstendecreet deze keer heeft verdeeld.

U kent de context. Het is een nieuw Kunstendecreet. Ik kom daar straks nog even kort op terug. U weet ook welke termijn de subsidieperiode overspant. Het is interessant voor u om weten dat het juridisch gezien om drie verschillende beslissingen gaat: die over de werkingssubsidies voor de kunstenorganisaties, die over de subsidiëring van de zeven kunstinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap, en die over de ondersteunende organisaties.

U ziet welk subsidiebedrag wij hebben kunnen uittrekken om de drie beslissingen te kunnen nemen. U ziet dat er wel degelijk sprake is van 5,6 miljoen euro extra middelen. Ik wil dat benchmarken ten aanzien van twee andere bedragen, die willekeurig gekozen zijn maar die u een idee kunnen geven of dit veel, weinig of genoeg is. Dat laat ik aan uw milde en andere beoordelingen over tijdens de vraagstelling.

Bij de vorige ronde van de verdeling van de kunstensubsidies was er 3 miljoen euro extra voorhanden. Sommigen zijn van oordeel dat de Vlaamse Regering onvoldoende inspanningen doet om het cultuurlandschap in Vlaanderen met de nodige zorg te omringen. Zij kijken dan naar wat de Federale Regering doet. Het terugschroeven van de federale besparingen voor drie grote instellingen de voorbije maanden is ten belope van 5,1 miljoen euro gebeurd. Wij hebben het hier over 5,6 miljoen euro. Het is geen wedstrijd tussen deze en de vorige ronde. Het is ook geen wedstrijd tussen de Vlaamse en de Federale Regering. Ik wil gewoon een aantal bedragen in hun context plaatsen. Men zegt wel eens dat ik iets te veel een man van cijfers ben, maar spijtig genoeg zijn die ook belangrijk.

We hebben de middelen verdeeld over drie beslissingen.

U ziet wat in totaal de kunstenorganisaties na deze ronde gekregen hebben: 84,7 miljoen euro. U ziet hoeveel van de 5,6 miljoen euro er daar bijkomend gevonden is. Bij de zeven kunstinstellingen gaat het over 53,9 miljoen euro. U ziet hoeveel bijkomende middelen er daar gevonden zijn. Aansluitend ziet u dat voor wat betreft de ondersteunende organisaties er 220.000 euro extra middelen naar het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) gaan. Ik zal op het einde van mijn betoog uitleggen waarom er op dit ogenblik een verlenging is voor het Kunstenpunt en het Kunstenloket. Dat is een beetje een apart verhaal.

Ik kom stilaan in het hart van de mechaniek. Er is 144 miljoen euro gevraagd, er is 105 miljoen euro geadviseerd, en er is 81 plus 3 miljoen euro extra middelen beschikbaar. Er is wat onduidelijkheid ontstaan over hoeveel middelen er nu voorhanden waren: was het 86 of 90 of 81 miljoen euro? Ik probeer u in deze tabel op de meest bevattelijke manier uit te leggen hoe u bepaalde bedragen van het vorige bedrag moet aftrekken. Het Concertgebouw Brugge en het Kunstencentrum Vooruit verhuizen van de werkingssubsidies naar de grote instellingen. Zij nemen uiteraard die bedragen mee. Ook het Kunstenpunt en het VAi moet u daar strikt technisch gesproken van aftrekken. Dan is er nog het fameuze bedrag van 2,2 miljoen euro dat mijn voorgangster op het einde van de vorige legislatuur tijdelijk naar de werkingssubsidies had verhuisd. Daarvan is het de bedoeling dat het naar de projecten teruggaat. Er is ook nog een positief bedrag – soms gebeurt dat ook! – in verband met de indexering naar aanleiding van de begrotingscontrole. Zo komt u tot het bedrag dat wij overhadden en dat wij vermeerderd hebben met 3,1 miljoen euro.

Ik ga u hier niet te lang mee lastig vallen. U kent het decreet goed. U kent het decreet beter dan ikzelf aangezien de meesten onder u het opgesteld hebben in tijden dat het leven voor mij nog rustig was. U ziet hoe de logica van het decreet is opgebouwd. Er wordt minder gekeken naar welke kunstendisciplines de verschillende kunstenorganisaties vertegenwoordigen of veruitwendigen, maar wel naar welke functies zij invullen. U ziet hoe zij zichzelf kunnen situeren binnen enkele grotere hoofddisciplines. Dat is het zogenaamde zelfportret dat wij van de organisaties vroegen en dat voor sommigen geen gemakkelijke oefening was. Wij hebben, vanuit de logica van de decreetgever, met de grootst mogelijke vrijheid de beschrijving laten weergegeven van waar een kunstinstelling of kunstenorganisatie voor staat.

Deze heel belangrijke slide toont welk evenwicht wij hebben proberen te zoeken tussen de vrijheid van de politiek en het recht van kunstenorganisaties om door gelijken beoordeeld te worden. Of het perfecte evenwicht bestaat, is maar zeer de vraag.

Een befaamd Nederlands staatsman uit de 19e eeuw, Thorbecke, die heel het Nederlands publiek recht heeft uitgedacht en waarvan een aantal elementen gelukkig naar ons zijn overgevloeid, zei ooit: “De staat oordeelt niet over kunst en wetenschap.” Beter dan dat kan ik het niet formuleren.

We hebben een hele procedure uitgewerkt, we hebben daar veel over gedebatteerd, ook hier. De uitgangspunten worden in deze zaal in zeer ruime mate gedeeld. We willen een goede beoordelingsprocedure. Herinner u de tijd van minister van Cultuur Dewael toen er nog geen adviescommissies bestonden en alles nog door de administratie en de politiek beoordeeld werd. Naar die onzalige tijden moeten we niet terugkeren. Ik raad niemand aan om zijn kunstendossier door een politicus te laten beoordelen, ook niet door mij trouwens.

We hebben een ander systeem op poten gezet waarbij men door peers, gelijken, beoordeeld wordt. De kritiek op deze beoordelingsprocedure was dat de gelijken iets te gelijk waren, lees: er was een iets te kleine groep van specialisten in de discipline waarvan het dossier beoordeeld moest worden. We hebben nu gezocht naar een gemengd systeem waarbij men de garantie kreeg om te worden beoordeeld door mensen die de discipline zeer goed kenden en een aantal meer generieke specialisten. Bij wijze van voorbeeld: een filmspecialist kan mee theater beoordelen.

Daarnaast hebben we ervoor gezorgd dat er een schakelmoment in de procedure kwam, dat we het ‘verhaal halen’ of de ‘repliek geven’ hebben genoemd. Dat is niet onbelangrijk omdat men meer dan één kans krijgt. Het is geen formeel administratief juridisch beroep, daar hebben we uitdrukkelijk niet voor gekozen. Deze samenleving wordt al genoeg gejuridiseerd, maar een inhoudelijk weerwoord moet kunnen.

Wie na die procedure nog altijd niet in de beste categorie gerangschikt staat, zal wellicht – en ik kan het hun niet kwalijk nemen – van oordeel zijn dat dit mechanisme niet gewerkt heeft. Ik ben zo bescheiden om te zeggen dat het wel gewerkt heeft, als men ziet welke organisaties – terecht of onterecht, nogmaals, het is niet aan mij om mij daarover uit te spreken – niet goed gerangschikt stonden en na verhaal en/of repliek beter gerangschikt stonden. Dat betekent dat dat deel van het systeem gewerkt heeft zoals het door ons allemaal bedacht is.

Daarnaast hebben we een veel gedetailleerdere lijst gemaakt met 25 categorieën afgaand op de onderverdeling in vijf kwalificaties artistiek van zeer goed tot volstrekt onvoldoende. Hetzelfde geldt voor het zakelijke advies. Dat is ook genuanceerder dan het vroegere binaire systeem, waarbij het – ik doe de waarheid een beetje geweld aan – beperkt bleef tot goed of niet goed.

Al die elementen leidden tot een verfijnd en uitgebreid systeem met vooraf in elk geval een vrij grote ondersteuning binnen beleid en sector, en waarvan we nu de uitkomst zien. Het is de bedoeling om dat systeem te evalueren, dat is trouwens al aan de gang. Ik zal daar straks bij de vraagstelling nog wat dieper op ingaan. Het is geen goed idee om de basiselementen van het beoordelingssysteem in vraag te stellen. Het is verfijning op verfijning op verfijning na elke subsidieronde. Als het perfecte evenwicht in de beoordelingsprocedure niet bestaat – jammer genoeg niet – dan zijn we toch al een heel eind in de goede richting gevorderd.

Hoe zijn we concreet te werk gegaan inzake beoordeling, classificatie en toekenning van een bedrag aan de kunstenorganisaties? We kwamen tot zeven categorieën die allemaal zeer goed of goed kregen voor hun artistieke beoordeling, in deze ronde hebben we ook meer aandacht besteed aan de zakelijke beoordeling, maar – ik wil het nog eens graag gezegd hebben – het artistieke weegt altijd zwaarder door. Dan ontspint zich een moeilijk probleem, voor elke beleidsmaker, namelijk in hoeverre hij of zij de geadviseerde bedragen kan of wil volgen.

We hebben een systeem gevonden en, dat zal u niet verrast hebben, het is altijd een variatie op een thema, om te kijken hoe we de sterke organisaties – deze die door hun gelijken als goed of zeer goed beoordeeld werden – een bepaalde groei en beloning konden geven. Als we 40 procent van de geadviseerde groei realiteit laten worden, vinden wij dat redelijk omdat dit ons nog zal toelaten om de groep van instellingen die voldoende kregen toch wat ruimer mee te nemen in deze ronde.

We hebben een beetje criteria gezocht die voor iedereen gelijk zijn voor de nieuwe instromers. De kleinere instromers onder de 100.000 euro krijgen 90 procent van het adviesbedrag. De middelgrote tussen 100.000 en 300.000 euro krijgen 85 procent. De iets grotere krijgen 80 procent.

We hebben een fusiebonus toegekend ten belope van 5 procent van het geadviseerde bedrag, rekening houdend met de visienota. U weet dat er acht fusies in het geheel van de ingediende dossiers zaten. Daar hebben we ook een bepaalde normering aan willen geven.

Wat geeft dat als resultaat? Dat hebt u ondertussen wellicht bestudeerd aan de hand van een aantal tabellen en andere klassementen. Er zijn 188 organisaties die daardoor een subsidie krijgen, waarvan 11 nieuwkomers. Ik kom daar straks even kort op terug.

U zult zien dat er zoals gewoonlijk een verschil is tussen het gunstige advies van 87,3 miljoen euro en het toegekende bedrag van 74 miljoen euro. Ik wil aangeven dat dit gemiddeld voor de kunstenorganisaties in deze groep een stijging van 14 procent betekent.

Nu komt natuurlijk een van de debatten die straks zullen worden uitgebeend: stijging ten opzichte van wat? Ja, geen stijging ten opzichte van de start van de vorige ronde. Wanneer minister Schauvliege en ikzelf in de vorige en deze legislatuur hebben bespaard, is dat om bepaalde redenen. Ik kan het globale evenwicht van het budget nog inroepen. Ik wil dat absoluut nog eens doen. Dat is ook belangrijk voor de globale samenleving, voor iedereen die daarvan deel uitmaakt. Het is niet altijd eenvoudig en misschien zelfs niet realistisch om dat zonder meer terug te draaien. Met andere woorden: ja, er is een stijging ten opzichte van het huidige bedrag. En het gaat om echt geld. Het lijkt mij niet onbelangrijk om dat te zeggen. 

Ik raad u ook aan om de tabellen die ik in elk geval voor de commissieleden – en voor de andere mensen: u kunt ze terugvinden op mijn website – bij deze presentatie heb gevoegd, nog eens na te lezen. U zult zien dat, naast de eerste tabel die gewoon het klassement binnen 25 categorieën van alle kunstorganisaties geeft met het uiteindelijk beslist bedrag, er ook een tweede tabel is met de groeipercentages die voor een hele reeks instellingen best wel aardig zijn. We bevinden ons nog steeds niet in financieel voorspoedige tijden. Het signaal dat ik duidelijk wilde geven, is dat we nu opnieuw een opstap richting groei kunnen maken.

Ik weet dat sommigen mij – en dat zal straks wellicht worden herhaald – het epitheton demagogie of woordbreuk hebben aangewreven. Ik moet eerlijk zeggen dat ik daarvan opkijk. Ik heb altijd gezegd dat we in het begin van de legislatuur zouden moeten besparen en dat we daarna opnieuw budgettaire ruimte kunnen creëren. Ik kom terug bij mijn bedrag van 5,6 miljoen euro. Wat betekent dat bedrag? Hoe hoog of laag is het? Is het genoeg? Dat laat ik allemaal aan uw mild en ander oordeel over. In elk geval is het voor de eerste keer sinds drie à vier jaar dat voor het merendeel van de organisaties de zaak opnieuw in de goede richting gaat.

U zult ook wel hebben gemerkt dat wij een koppeling van groei aan solidariteit hebben vooropgesteld. Dat is niet nieuw. Ongeveer 180 van de 188 instellingen gaan erop vooruit. Zij zijn voor een stuk nog altijd solidair – of beter, wij maken hen solidair, want het zijn wij die beslissen, iemand heeft de eindverantwoordelijkheid – ten aanzien van het bredere veld, ten aanzien van meer middelen om toch bij de onvoldoendes ook nog een significante oefening te kunnen doen.

Ik kom daar nu toe. We zaten bij de categorieën acht tot en met twaalf. Daar had je diegenen die een voldoende beoordeling hebben. We hebben gezegd: “We denken dat de beleidsprioriteiten die in de visienota van 1 april van twee jaar geleden zijn voorgesteld ons kunnen helpen.” Ik zal ze niet overlopen. Zij hebben alles te maken met de brede spreiding binnen het kunstenlandschap. We zullen proberen ervoor te zorgen dat we daar een verdedigbaar globaal pakket van organisaties een werkingssubsidie kunnen geven om op die manier de ambities van die visienota voor een stuk te kunnen invullen.

Wat ons daarbij zeker heeft geholpen, is het overleg met de steden en provincies. Ik moet toegeven dat, vanuit de decreetgever en het decreet dat in de vorige legislatuur tot stand is gekomen, mijn kabinet en ik dachten dat het om verplichte gesprekken ging. Finaal dank ik de steden en de provincies echter. Het overgrote deel van hen is met een beargumenteerd oordeel gekomen en heeft gezegd dat in hun stad of provincie die bepaalde instellingen er goed voor staan en dat ze voor een aantal andere instellingen om inhoudelijke redenen en ook vaak binnen een lokaalkunstenlandschapslogica, een pleidooi voeren. Dat heeft ons zeker geholpen om daar zo veel mogelijk gehoor aan te geven.

We hebben de beslissing genomen om, bij de honorering van een aantal subsidiebedragen op het huidige subsidiebedrag, pas op de plaats te maken. Ik besef dat dat voor een aantal instellingen geen evidente zaak is, maar het was moeilijk verdedigbaar om de eerste zeven categorieën wel een bepaalde groei te geven en dat dan ook te doen voor diegenen die na twee pogingen in een beoordelingsprocedure door gelijken nog steeds voldoende kregen. Het is wel voldoende en het is ook ‘maar’ voldoende. In die zin hebben we gezegd dat we er nu voor moeten zorgen dat we de nodige middelen geven om zich verder te kunnen ontwikkelen, maar het zullen er geen extra zijn. Ook hier hebben we een aantal regels meegegeven voor de nieuwe instromers, maar dat zijn dezelfde als bij de eerste zeven. Ook hier geldt de fusiebonus voor instellingen die samengegaan zijn.

We komen tot volgend resultaat. Er was in de globale categorieën acht tot en met twaalf een gunstig advies vanuit de commissie voor 56 organisaties ten belope van 18,6 miljoen euro. Finaal hebben wij 10,6 miljoen euro toegekend voor 19 organisaties. Voor wie dit nog niet volledig helder is: die 10,6 miljoen euro komt uit de oefening die we hebben uitgespaard – als ik het zo mag noemen – bij de eerste zeven categorieën plus de 3,1 miljoen euro nieuwe middelen waarover ik het voordien al had. Het gaat daarbij over 17 verlengingen en 2 nieuwe organisaties.

Ik wil hier toch even de vergelijking maken met wat er drie jaar geleden in Nederland gebeurd is. Die vergelijking valt enkel onder mijn verantwoordelijkheid. U kunt ze geschikt of ongeschikt vinden. In Nederland is drie jaar geleden een stevige ingreep – dat is een understatement – gebeurd binnen het Nederlandse kunstenlandschap. Alleen was daar een vooropgezette oefening om 25 procent van de kunstenorganisaties vooraf te laten uitstromen en de overige uiteindelijk met 20 procent besparingen te ‘bedenken’. Wij zijn niet door een vooraf bepaalde oefening maar door de uitkomst van de beoordelingsprocedure zoals ik ze u heb geschetst, op een aantal uitstromers gekomen dat ook vrij hoog ligt, namelijk 20 procent, maar waarbij we er toch voor gekozen hebben om het overgrote deel van degenen die gebleven zijn dan weer voor het eerst sinds drie of vier jaar een positieve groei te geven.

Keuzes en stabiliteit: ‘what’s in a word’? Dat er keuzes zijn gemaakt, hoef ik u niet te zeggen. De weerslag van deze keuzes op het landschap is groot. Anderzijds zult u straks zien dat er ook een vrij grote stabiliteit is wanneer we de taartdiagrammen bekijken over de verschillende disciplines, en zelfs over de regionale spreiding heen.

De lijst van de instroom geef ik u gewoon ter informatie mee. Er zijn ook nog echte gelukkigen in deze ronde, namelijk zij die instromen. De instroom van ongeveer 6 procent, kan een redelijke instroom genoemd worden, zeker geen slechte. Het toont ook aan dat er nog altijd nieuwe spelers kunnen bijkomen.

Dan komt ‘dura lex, sed lex’. Dat betekent dat voor de eerste keer de regering beslist heeft om onder deze lijn geen organisaties meer op te vissen. Het klinkt een beetje oneerbiedig, maar het is zo niet bedoeld. In het verleden gebeurde dat wel. Het bleek telkens een doos van Pandora, die niet altijd even gemakkelijk beargumenteerbaar was. We hebben daar deze keer niet voor gekozen. Dat heeft een aantal geweldige nadelen: dat is namelijk een harde beslissing. Dat heeft ook een aantal voordelen, namelijk dat iedereen gelijk is voor de wet. Nogmaals, het is niet de politiek, niet het beleid dat zegt wie in de categorie 13 tot en met 25 zit. Het is gebeurd na een vrij lange en evenwichtige procedure.

Hoe ziet het landschap eruit binnen de werkingssubsidies an sich, na deze beslissing? Twee derde van de organisaties krijgen effectief een subsidie. 188 zitten bij de zeer goede en de goede. 19 van de 56 zitten bij de voldoende en gaan ook door. Dan stopt het. Het totaalbedrag is 84,7 miljoen euro, namelijk de bestaande 81 miljoen euro en de nieuwe 3,1 miljoen euro.

Dit debat zal nog wel een tijdje woeden. Op zichzelf vind ik het een nuttig, goed en noodzakelijk debat over groot en klein in het kunstenlandschap in Vlaanderen. Ik wil nog even de opschaling doen van het aantal organisaties binnen de werkingssubsidies. We hebben 17 organisaties die eerder groot te noemen zijn binnen de werkingssubsidies, danstheaters en andere. Die zitten boven het miljoen euro. We hebben nog steeds 74 organisaties die middelgroot zijn en tussen de 300.000 euro en het miljoen euro subsidies krijgen. We hebben toch nog altijd een aardig, breed veld van kleine organisaties onder de 300.000 euro. De stelling dat dit alleen een ronde was voor de groten, wordt gelogenstraft door deze cijfers.

Ik overloop een aantal diagrammen met u. We hebben aan onze administratie gevraagd om eens te zeggen, na de beoordeling per functie, hoe dat zich juist vertaalt over de kunstendisciplines heen. U moet de taartdiagrammen lezen van 1 naar 4 in wijzerzin. Diagram 1 toont hoe het tot voor deze ronde was, diagram 2 is wat men allemaal aangevraagd heeft, diagram 3 is het eindadvies en diagram 4 is de uiteindelijke beslissing. Het is altijd goed om 1 te vergelijken met 4. Dan zie je dat in dit geval het aantal organisaties zo goed als gelijk is gebleven. Afwijkingen van 1 procent zijn statistisch niet echt significant te noemen. Ondanks de hele omwenteling die het decreet tot stand heeft gebracht inhoudelijk en qua presentatie in het werkveld ten aanzien van de overheid, geeft het voor het kunnen verder werken van de kunstendisciplines niet meteen grote gevolgen. Wanneer we dezelfde oefening doen voor de bedragen, dan komen we bij vergelijkbare zaken uit.

Ik wil een kleine opmerking maken. Velen hebben vooraf gedacht dat de podiumkunsten het kind van de rekening zouden zijn want zij hebben het grootste deel van de taartdiagram. U ziet dat in de eindbeslissing dat volledig hetzelfde is, op hier en daar 1 procent na. Dat is niet echt een grote verandering. Ik wil nogmaals zeggen dat er achter deze taartdiagrammen grote veranderingen zitten. Tegelijkertijd, wanneer men het vanuit een landschapslogica bekijkt, zijn die veranderingen helemaal niet groot.

We hebben hetzelfde gedaan voor het regionale. Ik wou dat ik hier hetzelfde kon zeggen, en eigenlijk kan ik hier bijna hetzelfde zeggen. Er is regionaal niet heel veel veranderd tussen en ten opzichte van de drie grote steden, en ook West-Vlaanderen en Vlaams-Brabant. Alleen voor Limburg zult u zien dat de zaken absoluut niet de goede kant opgaan. Ik wil daar straks zeker vragen over beantwoorden.

Zowel in het aantal organisaties als in de bedragen zijn de verschillen redelijk klein, helaas niet voor de meest oostelijke provincie.

Uit deze taartdiagrammen voor het regionale zou men kunnen afleiden dat er weinig veranderd is. Dat klopt niet. De grote steden blijven stabiel, maar er is een bovengemiddelde honorering van kunstenorganisaties in een aantal middelgrote steden, zeker in Leuven en Mechelen, maar ook in Brugge en Kortrijk. Dat is, naast het feit dat we een aantal keuzes hebben gemaakt, het echte nieuws: er is zich, naast de drie grote steden, een volwaardige kunstenscène aan het ontwikkelen in een aantal middelgrote steden. Daarvan hebben we het einde nog niet gezien.

Ik kom tot de kunstinstellingen. U kent ze. U weet welke vijf er al enkele jaren bij waren. U weet welke we er vrij recent aan hebben toegevoegd. U kent ook de grootteordes van cijfers: wat is er gevraagd, wat is er geadviseerd en wat is er beschikbaar gemaakt. Hier zijn er ook extra middelen vrijgemaakt. Dat stond in het regeerakkoord. Het is goed dat de regering mij gevolgd is in mijn voorstel om zowel voor de grote kunstinstellingen als voor de werkingssubsidies middelen vrij te maken. Daarmee hebben we toch een aantal ambities uit het regeerakkoord kunnen honoreren. U weet dat deze kunstinstellingen ook internationaal worden beoordeeld, door mensen die internationaal actief zijn. De enige ongelijke behandeling die we ons hier hebben veroorloofd is dat de vijf bestaande een invulling krijgen van 66 procent van het adviesbedrag, terwijl de twee nieuwe een iets hogere invulling krijgen omdat zij nu van meer dan één en maximum vijf functies die in het decreet staan naar een invulling van tien functies gaan, wat voor elke grote kunstinstelling een eindverantwoordelijkheid is.

Deze tabel geeft het gedetailleerd overzicht. U merkt dat er één kunstinstelling status quo blijft. Ook hier hebben we wel degelijk het advies van de commissie gevolgd.

Ik bekijk het kunstenlandschap ook nog eens in de breedte. Ik zei daarnet wat dat betekent voor de kunstenorganisaties die werkingssubsidies krijgen. Ik wil dit nu verbreden naar de kunstinstellingen en naar de dynamische ruimte met de projectsubsidies. Na de beslissing van vorige week zijn er 7 grote tot zeer grote Vlaamse kunstinstellingen, 17 grote, 74 middelgrote en 116 kleinere. Hier is een extrapolatie van wat de projectenronde in 2016 normaal gezien statistisch zou moeten geven. Als men de cijfers van de eerste en tweede ronde extrapoleert naar de derde ronde, komt men tot een kleine 100 kleine organisaties die extra projectmiddelen krijgen, en iets meer dan 100 individuele kunstenaars die ook door het beleid gesteund worden. Dit geeft aan dat het kunstenlandschap nog steeds breed is. Het verheugt mij dat ik u vandaag deze breedte kan presenteren.

Hier blijkt dat we bij de drie ondersteunende organisaties enkel het VAi in de huidige beoordelingsronde hebben betrokken. U kunt zien welke groei dat voor hen betekent. Voor het Kunstenpunt en het Kunstenloket hebben wij een beroep gedaan op een ander artikel in dat decreet. Daar zullen we de verlenging van het bestaande subsidiebedrag voor één jaar aanhouden. Wie het debat over aanvullende financiering en de te verwachten evoluties heeft gevolgd, weet dat wij het Kunstenloket willen verbreden tot een Cultuurloket. Dat kan effectief een verschil maken voor hun toekomstig toegekend bedrag. Wij zijn anderzijds binnen de administratie en met het kabinet bezig met een oefening om te bekijken of we voor de ondersteunende organisaties in het algemeen – of het nu sector, instituten, koepelorganisaties, belangenorganisaties of steunpunten zijn – bepaalde zaken kunnen herorganiseren, en wat dat dan concreet zou betekenen voor een vernieuwd Kunstenpunt. Dat zal in het najaar en in de loop van volgend voorjaar gebeuren, zodat zij vanaf 1 januari 2018 hun nieuwe subsidiebedragen kennen. Dat is toch in elk geval de bedoeling.

Voorzitter en geacht publiek, ik veroorloof mij een citaat van Lao Tse: “From caring comes courage.” Soms heeft men dat nodig in de politiek. Ik wil nog eens aangeven dat we wel degelijk 5,6 miljoen euro bijkomend hebben vrijgemaakt om van deze oefening een minder moeilijke te maken dan ze zich vooraf aankondigde.

Ik wil besluiten met aan te geven dat er inderdaad minder instellingen zijn, maar dat er meer instellingen zijn die meer krijgen. U kunt mij niet verwijten dat ik dat niet tijdig en veelvuldig heb aangekondigd, weze het in geschreven beleidsbrieven maar ook in debatten op het terrein met de sector. Tot slot wil ik aangeven dat wij, naast meer middelen en de hervorming in het landschap, in de beoordelingsprocedure een ijzeren logica hebben gehanteerd, en dat wij voor de als zeer goed en goed beoordeelden een subsidiebedrag hebben vrijgemaakt, dat wij ook een belangrijk deel van de als voldoende beoordeelden hebben meegenomen, maar dat wij daaronder geen verdere subsidies vrijmaken.

Ik onderwerp mij nu aan uw oordeel. Ik ben zeer benieuwd naar uw vragen.

De heer Caron heeft het woord.

Minister, mijn gevoelsmatige reactie op deze beslissing is sinds vorige donderdag al een paar keer op en neer geëbd. Ik kan het niet zo goed onder woorden brengen, maar ik zal het toch proberen.

Mijn dominante gevoel is en blijft een vorm van ontgoocheling. Ik had meer van u verwacht. Ik dacht dat u meer had kunnen realiseren voor de kunstensector en voor de cultuurwereld in de brede betekenis. Ik baseer mij daarvoor op de talrijke keren dat u gesproken hebt over het feit dat er na twee magere jaren betere tijden zouden komen. U hebt er daarnet zelf ook nog eens naar verwezen.

Maar laat ons eerlijk zijn: die stijging is wat ze is, 5,6 miljoen euro, al is er een discussie over die som. Het bedrag is een paar keer veranderd. Maar niettemin, er is een stijging. Maar die stijging is natuurlijk in relatie tot het totale geldvolume niet eens de helft van de kaasschaaf van de voorbije jaren.

Ik heb mij inderdaad een lelijke uitspraak – ‘woordbreuk’ – gepermitteerd omdat het zo aanvoelt. Cijfermatig zal het wel niet zo zijn, dat besef ik ook wel. Ik had, samen met veel mensen in die wereld, een ander verwachtingspatroon. U hebt door die uitspraak talrijke keren te herhalen zelf een verwachtingspatroon geschapen waaraan u uiteindelijk niet kon beantwoorden.

Ik ben ook ontgoocheld over de manier waarop werd omgegaan met de categorie ‘voldoende’. Ik ga daar straks iets dieper op in. Het is een puzzel om daar lijnen en ratio’s in te vinden. Minister, ik ben ontgoocheld omdat u de dingen iets te rooskleurig voorstelt. U doet alsof er veel winst wordt geboekt of een sterke vooruitgang is, maar er is, met de beste wil van de wereld, hooguit sprake van een stagnatie van de budgetten.

Ik relateer dit aan wat ik denk dat de meest objectieve berekeningstabel is die we de voorbije tijd hebben gezien: die van overleg kunstenorganisaties (oKo). Die tabel is gebaseerd op het uitgangspunt voor de kunstinstellingen van 2012 en de andere van 2010 en komt, rekening houdend met de gezondheidsindex en de provinciale middelen, tot bedragen van respectievelijk 105 en 54 miljoen euro voor de decreetinstellingen en de grote instellingen. Dat is een bedrag dat een status quo met 2010 zou betekenen, tenminste als je uitgaat van de feitelijke waarde van het geld. Het is echt geld, je moet de indexen en de inflatie meerekenen. Als je dat samentelt, kom je aan 160 miljoen euro. Daar zijn we 19 miljoen euro van af. Dat is de objectiefste berekeningswijze. Dus kun je niets anders dan stellen dat niet alleen door u, maar ook door uw voorganger de kunstensector in vijf tot zes jaar 14 of 15 procent van zijn middelen heeft verloren. Dat is – toeval of niet – ongeveer het cijfer waar u mee uitpakt met de stijging in de categorieën ‘goed’ en ‘zeer goed’.

Wat mij ook ontgoochelt, is dat de finale beslissingen niet getoetst zijn met de reële artistieke waardes ‘onvoldoende’ en met het landschap, het ecosysteem zelf. U hebt daar een rekenkunde op toegepast, die te verklaren is en die u nog eens hebt herhaald. Maar dat is niet zo. Niet iedereen is evenveel waard en even verdienstelijk. Sommige mensen hebben meer middelen nodig om een basiswerking te ontwikkelen.

Ik werk zo meteen die punten uit. Maar ik wil eerst zeggen wat ik wil verdedigen in uw beslissing. U hebt minstens – en dat mag gezegd worden – de tendensen die de beoordelingscommissies hebben uitgezet voor ‘goed’ en ‘zeer goed’ en ook voor de grote instellingen gevolgd. Ik kan dat waarderen. Over de financiële uitkomst kun je discussiëren. Maar het is gevolgd, het is ook zo. U hebt ook geen artistiek ‘onvoldoendes’ opgevist. De kritische fase zit daartussen. U hebt een fusiebonus toegekend. U bent in lijn met uw eigen principe van versnippering bestrijden. Dat kan ik zeker waarderen. Ik kan ook waardering uitbrengen voor de kwaliteit van de adviezen. U en uw diensten hebben dat begeleid. Globaal genomen is de kwaliteit van de advisering, inclusief de repliek en het verhaal, nog nooit zo hoog geweest als bij deze ronde. Ik heb ze de laatste twintig jaar allemaal meegemaakt. Dit is de hoogste kwaliteit die werd afgeleverd. Niets is perfect, dat weet ik ook, en er moet nog veel verbeteren, maar dat mag ook eens worden gezegd. Het is in dit decreet niet allemaal kommer en kwel. De basisbeginselen van dit decreet werden zeker gerespecteerd.

Minister, nu wil ik wat kritischer op een aantal aspecten ingaan. Ik relateer al die aspecten aan uw visienota over het kunstenlandschap, waarvan de punten al dan niet gerealiseerd zijn.

Het eerste gaat over het tegengaan van versnippering. Naast de fusies waarover we het hadden en waarvoor een aantal mensen vrijwillig hebben gekozen, wilt u de versnippering tegengaan.

Laat ons nog maar eens de cijfers herhalen. Er zijn vandaag 272 gesubsidieerde organisaties, en vanaf 1 januari 207. Dat zijn er 65 minder. Dat is iets meer dan versnippering tegengaan, als u het mij vraagt, zeker wetende dat de adviezen over 244 organisaties gaan. Er zijn 11 instromers en 49 uitstromers. Waar is dat jong talent? Die zitten voor het grootste deel bij uitstromers. Heel veel instromers kloppen aan de deur maar geraken niet binnen. Er is geen evenwicht tussen in- en uitstroom. Voor een gezond kunstenlandschap is dat een essentiële kwestie. Op de projecten kom ik nog terug.

Ik zou durven zeggen dat zelfs als u alle voldoendes met minstens een zakelijk positief advies had gesubsidieerd, misschien voor een lager bedrag, whatever, dan hadden we er 244 gehad, dat was nog 10 procent minder dan het huidige aantal. Het veld heeft geanticipeerd en de commissies hebben daarop gereageerd, op een positieve manier. Was het nu echt nodig om die snee nog dieper te maken? Ik denk van niet. Dat is jammer. Er was geen extra ingreep nodig. Het veld heeft getoond dat het zelf de mechanismen in zich draagt om tot sanering en betere structurering te komen.

De financiële stijging is een schijnbare stijging. Het is jammer dat er verwarring is geweest over de grootte van de bedragen: eerst 86, dan 84 en nu 81 miljoen euro, whatever. Ik heb nog eens alles uitgezocht, het is heel moeilijk om vergelijkbare standaarden te vinden. U hebt een tabel getoond, waarom verschilden de gegevens van februari en april? Ik begrijp het niet. Het vereenvoudigt de discussie in ieder geval niet.

Minister, met de kaasschaaf van 7,5 procent of 2,5 procent voor de groten heeft de cultuursector – het gaat ook over sociaal-cultureel werk en erfgoed – het grootste inleverpercentage van alle Vlaamse beleidsdomeinen. Er is geen sector die meer heeft ingeleverd. Dat mag wel eens gezegd worden, en daarvan wordt nu niet eens de helft, wat de kunsten betreft, teruggebracht. Dat is jammer.

Ik wil de prioritering van deze regering niet betwisten. Natuurlijk zijn personen met een handicap belangrijk. Laat ons ook geen demagogische discussie voeren. Cultuur heeft het meest ingeleverd en krijgt ook nu geen echt herstel.

Tweede probleem bij de financiële toewijzing is een van de grote kritiekpunten op het vorige Kunstendecreet en op de beoordelingsrondes: groot blijft groot en klein blijft klein. Door de permanente aftopping van groeimechanismen zal een kleine instelling nooit kunnen doorgroeien naar middelgroot, laat staan naar groot. Omgekeerd: de grote blijft groot, want daar wordt niet afgetopt. Dus krijg je een relatief behoudsgezind gestabiliseerd – stabiel is goed – veld. Er is te weinig vernieuwing, er zijn te weinig nieuwe spelers op het veld. De groten blijven hun positie innemen. ‘Too big to fail’ zoals het NTG Gent en Anima Eterna en noem maar op. Ik begrijp dat, maar de kleine blijven eeuwig klein en kunnen niet doorgroeien, behalve als ze fuseren.

Daarenboven stoort het mij, voor de derde keer, minister, dat u het aftoppen van de instellingen met ‘zeer goed’ en ‘goed’ een solidariteitskwestie noemt. U hebt dat ook gedaan in het sociaal-cultureel en het jeugdwerk. Ik vind dat geen solidariteit. U verplicht hen, dat is een opgelegde solidariteit en zo werkt dat niet. Ik kan daar niet mee om.

Het principe van de werkbare budgetten is mooi. U schreef: “Ik zal kunstenaars en organisaties geven wat ze nodig hebben. Liever minder in aantal, maar wel wat ze nodig hebben.” Geen van beide zaken wordt gerealiseerd. Rekenkunde heeft het gehaald op artistieke weging. Dat is wat het is en niets anders.

We blijven met een financieel verlies van 9,3 procent zitten. In 2013 bedroeg het totaal voor de kunsten 141 miljoen euro, vandaag is het 142 miljoen euro. Dat is de realiteit. Al de rest zijn oefeningen en kunstige tekeningen die niet kloppen.

Ik kom terug op de beoordelingsprocedure. Het is de eerste keer dat er gewerkt werd met een visienota in deze procedure, minister, maar die had meer richting moeten geven dan vandaag. Ik heb het toen al gezegd. De nota is niet gehanteerd zoals bedoeld. Er is een lang hoofdstuk over prioriteiten, maar dat gaat over zoveel dat naar mijn bescheiden mening de beoordelingscommissies dat niet gebruikt hebben. Dat is zo jammer. Geef dan richting aan, dan weet iedereen op voorhand welke richting we uitgaan en welke criteria ter correctie, ter stijging en daling zullen worden gehanteerd.

‘Verhaal en repliek’ is een goede procedure. We zullen bij de evaluatie ook de zakelijke kant nog eens moeten bekijken, en de artistieke. Een van de ernstige problemen daarbij is dat het gebruik van categorieën zoals ‘goed’ en ‘zeer goed’ en ‘voldoende’ niet coherent zijn gebruikt over de commissies heen. Dat kleurt wel heel erg de uitkomst. U volgt de lijn van de beoordelingscommissies. Maar in de ene commissie wordt het al dan niet aanwezig zijn van culturele diversiteit in de raad van bestuur als een doorslaggevend argument gehanteerd om ‘goed’ of ‘onvoldoende’ te geven, en in de andere commissie niet. Ik pleit heel erg voor helderheid en homogene categorieën die met eenvormige maatstaven werken.

Dan is me ook niet duidelijk wat de rol van de adviescommissie is geweest. Theoretisch is dat de kwaliteitsbewaking. Welk effect heeft dat gehad? Dat is op geen enkele manier zichtbaar.

Eén punt nog van de artistieke beoordeling: er is gewerkt met een pool, maar ik moet vaststellen dat in een aantal beoordelingscommissies mensen zaten met onvoldoende competentie over dossiers die ze moesten beoordelen. Ik kan u een lijst maken van organisaties die beoordeeld werden door mensen die er nooit geweest waren en die er nooit van gehoord hadden. Dat zou toch een beetje scherper georganiseerd kunnen worden? Ik denk dat we het idee van pool en expertise voor de grote evaluatie toch nog eens op het schap moeten leggen en onderzoeken.

Over de regionale spreiding laat ik anderen aan het woord, maar ik wil toch één voorbeeld geven uit de Kempen. Het gaat over KIZ. In 2013, de start van de vorige kunstenlegislatuur, kreeg KIZ 212.000 euro van de provincie Antwerpen voor de uitbouw van een provinciaal kunsteducatief project. Door de opgelegde besparingen van Vlaanderen – het Provinciefonds is weg – werd dit bedrag in 2014 herleid tot nul, maar kon er via het Kunstendecreet een subsidie worden verworven van 91.000 euro voor 2015 en 2016. Vandaag wordt de behaalde 145.000 euro – nu toegekend – voorgesteld als een stijging van 56 procent. In 2013 was KIZ goed voor 212.000 euro, vanaf 2017 rest er nog 145.000 euro. Zo zijn er veel voorbeelden. Dit is niet alleen een voorbeeld van gebrekkige regionale spreiding, maar eigenlijk ook van een aantal mechanismen die samenkomen en tot een soort onhandige besluitvorming leiden.

Ik wil het even hebben over de interne diversiteit tussen disciplines, binnen disciplines en tussen functies. Het is een heel belangrijke doelstelling in uw visienota, minister. Het sociaal-artistiek werk – ik heb er nog een open brief voor geschreven kort voor de eindbeslissing, komt er relatief goed uit – ik was ongerust, maar er vallen wel een paar ernstige slachtoffers in de categorie ‘voldoende’.

Is het echt ondenkbaar om jonge nieuwe organisaties op de juiste manier te bejegenen? Ik denk bijvoorbeeld aan Platform K, die werken met mensen met een mentale handicap in de categorie dans. Ze worden beoordeeld door een commissie die ook de grote hedendaagse danshuizen in Vlaanderen beoordeelt. Dit zijn accidenten die niet mogen gebeuren. U weet zeer goed dat het gedaan is met dit soort organisaties als ze uit de boot vallen.

De cultuureducatie is ook al een moeilijk verhaal. We hebben er in het decreet voor gekozen om kunsteducatie en het sociaal-artistieke veld niet meer als aparte werksoorten te benoemen. U moet eens onderzoeken wat de effecten daarvan zijn geweest.

Ik ga naar de podiumkunsten. Hoeveel mensen uit de podiumkunsten hier ook in de zaal zitten, ik zal het zeggen: de dominantie van de podiumkunsten in de budgetten van het Kunstendecreet is te groot, en dat blijft zo. Dat had niet moeten gebeuren. Dat had u in uw visienota scherper moeten afbakenen. Kijk maar eens naar de samenstelling van de beoordelingscommissies en de afkomst van de beoordelaars. Een en ander werkt door in de eindbeslissing. Met alle liefde voor de podiumkunsten – ik ben er zelf nauw bij betrokken – moet ik zeggen dat die onevenwichten er ook zijn.

We zien dat onder andere aan de beeldende kunst. Weet u, in andere functies heb ik geprobeerd, samen met anderen, sinds 2002 tot vandaag een inhaalbeweging te maken voor de beeldende kunst, en het lukt maar niet. 37 van de 302 indieners zetten in op beeldende en audiovisuele kunst, even de multidisciplinaire terzijde gelaten. Meestal is de beeldende kunst het kleine broertje en niet de grote speler. Ze krijgen samen 5,6 miljoen euro, dat is 5 procent van het hele veld. 5 procent voor de beeldende kunst! Dat is morgen zelfs 250.000 euro minder dan vandaag.

Het gevoelige veld van de beeldende kunst, van atelierwerking tot kleine residentiële ruimtes, over tentoonstellingsruimtes, heel dat mechanisme wordt met deze beslissingsronde ondermijnd. Dat bedoel ik met samenhang en coherentie. Er zijn zaken die procesmatig bij elkaar horen.

Nog zo’n voorbeeld is het muziektheater. We hebben eens beslist dat Vlaanderen geen musicalhuis van de Vlaamse overheid meer moet hebben, de sector zou het zelf aankunnen. Wel, minister, u hebt de enige en laatste musicalproducent voor volwassenen, Judasproducties, geen subsidie gegeven. Wel, dat zou wel een argument kunnen geweest zijn om een correctie te doen, dat we diversiteit in het landschap willen. Idem voor het kindermuziektheater. Ook daar zijn gaten geslagen die niet nodig waren.

U schrijft het zelf in uw visienota. “Tevens vragen kleinschalige vormen van musical binnen muziektheater mijn aandacht. Het grote repertoire en de grote nieuwe creaties moeten zelfbedruipend kunnen zijn, hiervoor bestaan voldoende voorbeelden in het veld. De kleinschalige vorm ervan wil ik echter potentieel blijven ondersteunen in het Kunstendecreet.” Daar is niets van gebeurd. Dat is helemaal niet het geval.

Wat gedacht over de niet-klassieke muziek: de folk, de pop, de wereldmuziek? Een derde van de muziekclubs uit het clubcircuit mogen er morgen het bijltje bij neerleggen. Ze verliezen in elk geval hun subsidie, en dat is veel, erg veel. Er blijft in Vlaanderen één podium over voor folk en dat is in Dranouter ‘of all places’ – met alle liefde voor Dranouter. Alle andere folkclubs vallen weer eens uit de boot. Oh ja, ze zijn niet professioneel genoeg wellicht, ik weet het wel. Dat is een soort vicieuze cirkel. Ze zijn niet professioneel genoeg en geraken er niet in en als ze er niet in geraken, hebben ze de middelen niet om verder te groeien en te ontwikkelen.

Het gevolg is dat heel die scene verschraalt. Weet u, een derde van het aantal bands, optredens en concerten in de lichte muziek, de pop, folk – niet de jazz, want die komt er nog behoorlijk goed uit – betekent 450 minder acts per jaar op het podium. Dat treft dus een pak kunstenaars, meestal jonge, want de muziekclubs zijn doorstroom- en ontwikkelingshuizen. De kunstenaars die daar spelen, verliezen erg veel kansen.

Wat mij in die hele diversiteit het meeste stoort, is dat de functieparticipatie aan middelen achteruitgaat. Was dat niet net een van die intrinsieke doelstellingen? Het is altijd zeer moeilijk om te vergelijken, omdat we vorige keer niet op basis van functies werkten. Ik ga maar voort op de informatie die het Kunstenpunt via een rekensysteem verkrijgt. Er is achteruitgang voor de functieparticipatie. Ik denk dat we daarover allen bekommerd zijn.

Ik kom tot de behandeling van de categorie ‘voldoende’. Minister, ik heb het eens opgelijst en overlopen. Wat een vreemde opvisoperatie is dat toch. U hebt er een aantal ‘too big to fail’ opgevist: het NTGent, ZOMER VAN ANTWERPEN, Behoud De Begeerte, Ultima Vez, VILLANELLA, De Bijloke, Anima Eterna enzovoort. Er is een zeer apart verhaal in die opvisoperatie. Er zijn die ‘too big to fail’, maar u vist ook Designregio Kortrijk op. Zij scoren voldoende op het artistieke en onvoldoende op het zakelijke. Il Fondamento scoort goed op het artistieke en nipt onvoldoende op het zakelijke, maar die vist u niet op. Als het artistieke dan leidend is, zoals u zegt, vind ik dat u dat principe ook daar moet toekennen. U doet dat echter niet.

Weet u, zelfs diegenen die zeer goed voor het zakelijke kregen en slechts voldoende voor het artistieke, krijgen geen kans. Er zijn jonge interessante compagnieën bij: het KIP, Action Scénique, Judas TheaterProducties, Ensemble Leporello, Nijdrop, Toneelgezelschap luxemburg enzovoort. Mijn hart bloedt als ik dat zie. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat het hier niet is gegaan om motieven van artistieke aard, maar dat een politiek gelobby de doorslag heeft gegeven om die wel en die niet binnen te halen. Ik zie de lijnen niet en kan de tendensen niet ontdekken. Misschien kunt u er straks iets meer over zeggen. Dat zou ik appreciëren. Politiek gelobby is van alle tijden. We moeten daar niet flauw over doen. Het is echter wel heel erg jammer dat dat gebeurt.

Waarom moest een huis als H ART vallen? Het is een tijdschrift met een ondernemersgeest, dat veel meer middelen uit de markt haalt dan via subsidie. En dat moet er dan het bijltje bij neerleggen.

We hebben nog een decretale wijziging gedaan aan de formele voorwaarde dat je drie jaar een vzw moet zijn om in aanmerking te kunnen komen, om die brug te kunnen nemen. Blijkbaar is ook dat niet voldoende. Het spijt mij, maar voor die categorie 'voldoende' kan ik niet vaststellen dat het artistieke advies hierin het leidend principe is geweest.

Over de grote instellingen zal ik kort zijn. Ik ben het grosso modo eens met de beslissing, die de lijn van de adviezen vrij stipt en vrij nauw volgt. Het is hun gegund dat ze vooruitgaan. Ik hoor hier en daar in ’t land dat ze het te weinig vinden. Maar eerlijk gezegd, als ik het totaalplaatje bekijk, komen zij er het beste uit. Daarover mogen ze dus best tevreden zijn.

Minister, ik wil u daarover een vraag stellen. Zullen zij nu via beheersovereenkomst worden verplicht om een aantal kleinere instellingen op te vangen? Dat was namelijk een van de punten die in de voorronde werden aangehaald. Worden er daartoe stappen gezet? Is dat een verplichting? Is dat geen verplichting? Gebeurt dat op vrijwillige basis? Kunt u daar meer over zeggen? Er komt namelijk een beheersovereenkomst waarin er rechten en plichten staan.

Ik wil het nog even hebben over de projectenpot en nieuw talent. Want dat is nieuw talent, toch, de projectenpot? De projectenpot stijgt met ongeveer 1 miljoen euro, naar 7 miljoen euro. Ik ben daar blij mee. Het is echter veel te weinig. Volgens mij krijgen we binnenkort een kwalijke praktijk in commissies. Ik zal even wat cijfers herhalen, voor wie het zich niet herinnert. In ronde 1 waren er 348 aanvragen. Daarvan zijn er 74 goedgekeurd. In ronde 2 waren er 320 aanvragen. Daarvan zijn er 89 goedgekeurd. Wat de organisaties betreft, zijn dat alleen die met een ‘zeer goed’ en wat individuele kunstenaars betreft, die met ‘goed’. Wat zullen commissies morgen doen? Ze doen het overigens nu al. Ik ken ook een aantal commissieleden. Ze zullen zelf de lijn trekken: ‘Die is de moeite waard, dus geven we die ‘zeer goed’. Die is de moeite niet waard, dus geven we die ‘goed’ of ‘voldoende’. Die vallen er toch uit.’ Dat was toch niet de bedoeling?

Minister, als u ook vindt dat er meer instroom moet zijn en dat er meer jong talent moet worden gesteund, dan moet u maken dat er vanaf volgend jaar, zeker voor meerjarige projectsubsidies, een ernstige stijging is van die projectenpot. Want daarmee kunt u wel een aantal ‘accidenten’ opvangen. Daarmee kunt u ook een aantal organisaties de kans geven om zich te herstellen, opnieuw te groeien en later misschien weer een structurele subsidie te krijgen. Weet u, het aantal aanvragen voor de projectenpot is vandaag zes keer hoger in bedrag dan wat er in de pot zit. Stel dat die 69 gebuisden ook nog eens allemaal projectsubsidies zullen aanvragen. Joost mag weten hoe dat zal gaan.

Het Sociaal Fonds voor de Podiumkunsten concludeert uit die hele piste dat er minstens 394 jobs zullen sneuvelen in de kunstensector. Het is dan wel geen Renault Vilvoorde, maar laat ons eerlijk zijn: dat is ook een heel erg grote groep.

Ik heb het al gehad over muzikanten en wil het nu hebben over de beeldend kunstenaars. Zij zullen in dit landschap minder opdrachten kregen. Ook theatermakers zullen minder opdrachten krijgen. Ook daar dreigt niet alleen jobverlies, maar ook opdrachtenverlies en een verarming voor het kunstenveld.

Minister, deze oefening lijkt heel erg op een oefening van beheersing en van een zich terugtrekkende overheid. Beheersing, dat is duidelijk: de rekenkunde toont zeer goed aan dat het een beheersingsstrategie is. Het is verder, ‘step by step’, een zich terugtrekkende overheid, die meer aan de markt wil overlaten. In absolute cijfers is dat vandaag misschien niet het geval, maar het is heel erg jammer.

Minister, moet ik echt hardop durven denken dat uw partij toch overbodig is in de Vlaamse Regering? De uitkomst lijkt wel heel erg goed op de eisen die de N-VA vooraf en tijdens het proces stelde: maximum tweehonderd organisaties, een prioriteit voor de grote ‘boîtes’ en een budgetbeperking. (Marius Meremans houdt een blad omhoog met ‘Cliché’ op)

Mijnheer Meremans, mag ik ontgoocheld zijn? Mag ik ontgoocheld zijn dat een Vlaams-nationale partij, die gebouwd is op de culturele identiteit van Vlaanderen en wier politieke voorgangers altijd kunst en cultuur in het hart hebben gedragen – hoe zou u anders verklaren dat alle eerste decreten in de Vlaamse Raad en dit Vlaams Parlement over cultuur gingen – nu deze beheersingsstrategie toepast?

Ik ben niet kwaad op u, hoor. Ik ben gewoon heel erg ontgoocheld.

De heer Meremans heeft het woord.

Minister, ik heb uw toelichting gehoord en wil die graag bundelen in de titel van een song van Sylvie Vartan, ‘Il faut choisir’, uit 1963. Het nummer is waarschijnlijk geschreven vóór haar huwelijk met Johnny Hallyday.

We hebben lang gewacht op de beslissing, maar ze is eindelijk gekomen. Ze heeft – begrijpelijk – voor heel wat zenuwachtigheid gezorgd.

Voor mij zijn de termen investering en subsidie dezelfde, dus vergeef mij wanneer ik het woord subsidie gebruik. In budgettair moeilijke tijden is het subsidiëren of investeren vanuit de overheid meestal geen blijde mare. En ook wij werden geconfronteerd met ontgoochelingen vanuit organisaties. Er was ontgoocheling en soms wat boosheid, waarvoor wij natuurlijk wel enig begrip kunnen opbrengen. We wisten dan ook dat het geen evidente en eenvoudige oefening zou worden.

Niettemin volgen we hier een consequente lijn. In een beleid is het belangrijk dat je een consequente lijn doortrekt. Die lijn werd eerst getrokken in het regeerakkoord: “Deze regeerperiode krijgt het Kunstendecreet, dat versnippering en overproductie moet tegenaan, volle uitwerking. Het beleid zal focussen op initiatieven met impact, bereik en uitstraling op Vlaams en internationaal niveau, en op relevante presentatieplekken, organisaties en publicaties die het publiek confronteren met gevestigd en nieuw Vlaams talent, en met wat buiten Vlaanderen leeft. Als topambassadeurs krijgen grote kunstinstellingen meer armslag.”

In de Visienota Kunsten staat: “De werkingssubsidies voor kunstenorganisaties, en in het bijzonder voor producerende organisaties, kenden de voorbije legislaturen een constante groei. Dit leidde enerzijds tot een verdere groei en professionalisering van het gesubsidieerde kunstenlandschap, maar anderzijds ook tot een toenemende versnippering over een steeds groter aantal producerende organisaties. Deze versnippering verhoogt de druk op de speel- en toonmogelijkheden van producties, met een groeiend onevenwicht tussen productie – aantal producties – en spreiding – aantal voorstellingen/toonmomenten en aantal toeschouwers/bezoekers – en een verminderde slagkracht van organisaties tot gevolg.”

Als totaalbedrag is er dus 141.894.860 euro uitgetrokken, waarvan 5,6 miljoen extra middelen. Het moet gezegd: deze Vlaamse Regering is erin geslaagd om zeven Vlaamse kunstinstellingen te subsidiëren, met als nieuwkomers het Concertgebouw Brugge – dat zal u, muziekliefhebber, vast plezieren – en de Vooruit. Alle instellingen gaan erop vooruit, uitgezonderd de status quo voor het Kunstenhuis, dat ook de grote hap uit het budget neemt. We versterken dus de spitsen van de ploeg. Zij moeten, in tegenstelling tot andere Duivels, wél internationaal scoren. Ik zou steeds starten met Michy Batshuayi in de spits, maar dit geheel terzijde.

We hebben twee instellingen/organisaties opgeschaald. Ook dat is investeren in cultuur. Daarmee voeren we het regeerakkoord uit. 84,7 miljoen euro is beschikbaar voor de vijfjarige werkingssubsidies. Alle organisaties met ‘artistiek zeer goed’ of ‘artistiek goed’ zijn dus ook beloond. Organisaties met ‘artistiek onvoldoende’ zijn niet gehonoreerd. De artistieke en de zakelijke adviezen en quoteringen zijn dus gevolgd. De commissieleden hebben dus duidelijk hun werk gedaan. Zoals de heer Caron toegaf, was hun quotering doorslaggevend, en zo hoort het natuurlijk ook. Er zijn kenners op het veld die beoordelen.

Dan is er het segment ‘artistiek voldoende', waar je, gelet op het beschikbare budget, inderdaad bepaalde principes moet hanteren en keuzes moet maken. Keuzes maken is niet altijd even gemakkelijk. Keuzes kunnen aanleiding geven tot reacties als ‘waarom zij wel en wij niet?’ Natuurlijk vonden ook wij het niet eenvoudig dat bepaalde organisaties met een voldoende uit de ronde gevallen zijn. Het is echter wel zo dat er op basis van het beschikbare budget een oefening is gemaakt, op basis van de adviezen en op basis van het regeerakkoord en de Visienota Kunsten.

Wij zijn alleszins tevreden met het feit dat in totaal 13 nieuwe organisaties voluit worden gesteund. Er wordt dus wel degelijk zuurstof gegeven aan organisaties die het landschap komen verrijken. Ik geef het u maar mee, mijnheer Caron.

Collega’s, dat het een moeilijke, delicate oefening zou worden, dat konden we van ver zien aankomen. We hadden al waargenomen welke reacties er kwamen naar aanleiding van de preadviezen, de definitieve adviezen en de publicatie van de geadviseerde bedragen. We weten uit het verleden dat dergelijke beslissingen altijd emotionele reacties losmaken. Zoals reeds gezegd: alle begrip daarvoor. Ik heb daar begrip voor. Ik begrijp teleurstellingen. Maar predicaten, zij het niet voortdurend en zij het niet algemeen, die weerklinken, zoals doodgraving, kaalslag, vergelijking met Nederland: laten we dat toch maar eens toetsen aan de realiteit. In Nederland is er vanaf 2013 min 200 miljoen euro, is er 2 procent af van het totale budget. Podiumkunsten: van 236 miljoen euro naar 156 miljoen euro. Beeldende kunsten: van 53,5 miljoen euro naar 31 miljoen euro. Dat zijn Nederlandse cijfers. Ik pleit dus voor enige nuance. Natuurlijk liggen de middelen lager dan in 2013, maar er zullen wel meer middelen zijn tegenover 2015 en 2016. Uitspraken zoals ‘er is een hakbijl gepasseerd’ zijn weinig geloofwaardig.

Anderzijds moeten we ook genuanceerd toegeven dat we gezorgd hebben voor een lichte stijging van de middelen. Natuurlijk hadden we ook graag over een groter budget kunnen beschikken, maar men moet ook vanuit de cultuur- en kunstensector een aantal dingen durven erkennen. De Vlaamse overheid heeft sinds haar aantreden 2 miljard euro recurrent moeten besparen. Elk beleidsdomein levert daarin zijn bijdrage. Het lijkt ons niet helemaal logisch te vergelijken met 2013, want dat was voor die besparing werd doorgevoerd.

Waar moet je dan wel over waken tijdens die oefening? Wat was de uitdaging? Wat moest worden gevrijwaard? De N-VA heeft diverse malen gezegd dat je moet zorgen voor een slagkrachtig en een divers landschap en dat we de variatie moeten behouden. Bovenstaande doelstelling houdt niet in en is geen synoniem voor een beleid dat erin zou bestaan om zo veel mogelijk organisaties te ondersteunen of ernaar te streven om al die 302 met een ontvankelijke subsidieaanvraag te ondersteunen.

Wat hebben we wel altijd gezegd? Er moet budgettair realisme zijn, waarbij er een strenge kwalitatieve selectie moest gebeuren op basis van impact, bereik en uitstraling op Vlaams en internationaal niveau. Daarnaast moet er een duidelijke focus zijn op krachtenbundeling, samenwerking en het tegengaan van versnippering en overproductie. Dat houdt in dat wij er ook voor gepleit hebben om niet langer te werken met een kaasschaafmethode. Door te pogen om maar zoveel mogelijk organisaties te ondersteunen met uw budget en daarvoor een lineaire besparing toe te passen op alle organisaties, daarmee ondergraaf je finaal de slagkracht en de leefbaarheid van alle organisaties binnen dat landschap.

Wat is dan de conclusie? Inderdaad, je gaat naar een iets kleiner kunstenlandschap, dat heb ik ook altijd gezegd, met minder structureel gesubsidieerde kunstenorganisaties. Maar dan poog je wel die organisaties wat meer middelen te geven.

Uiteraard doen we dat niet met plezier. Ik kick daar dus niet op. We zijn de oefening niet gestart vanuit de ambitie om x aantal organisaties minder over te houden, zoals ik ergens gelezen heb – op obscure sites lees je wel meer –, maar wel met de ambitie om strenge keuzes te maken, om zo een slagkrachtig en duurzaam kunstenlandschap over te houden. Als ik een aantal opinies lees, dan is het uiteindelijke resultaat toch heel divers te noemen, met grote, middelgrote en, zoals aangetoond op de slides, kleinere spelers.

Trouwens, dat er keuzes gemaakt moeten worden, zeggen we al van bij de aanvang van deze legislatuur. Ik val in herhaling. Onze partij is altijd consequent geweest van bij het begin. We maken de mensen geen blaasjes wijs. Mijnheer Caron, de cultuursector is mij te dierbaar om met de mensen hun voeten te rammelen. We zijn dan ook steeds eerlijk en transparant geweest naar de sector. Dat verdient hij ook. Nogal wat contacten binnen de cultuursector gaven ons trouwens gelijk, zij het ‘off the record’. Dat lees je niet in verklaringen aan kranten of andere media.

Je kunt het debat voeren over keuzes die voor deze of gene gemaakt zijn, maar geen debat over het feit dat er keuzes moesten worden gemaakt. Wie daar nog mee bezig is, bevindt zich niet in ons melkwegstelsel.

Sommigen beweren dat de keuzes nog scherper moesten worden gemaakt, zo las ik in De Morgen van 2 juli van mevrouw Pattyn. Nog scherpere keuzes. Collega’s, ik ben maar een eenvoudige jongen van het platteland, een backbencher, en ik luister altijd met heel veel genoegen naar visionaire, parlementaire, culturele geesten. Zo las ik van de heer Caron, in zijn conceptnota van 2013 – ben ik correct, mijnheer Caron? – het volgende: “Wat de kunsten betreft, is het duidelijk dat er minder versnippering moet komen. Dus: minder organisaties, die beter gesubsidieerd worden. Zeker het aantal theatergezelschappen vraagt om een strengere selectie. Dat in Vlaanderen erg veel theater gecreëerd wordt, is op zich geen probleem, maar er wordt ook te veel (onvoldoende selectief) gesubsidieerd. We moeten een uitspraak durven doen over hoeveel structureel erkende theatergezelschappen we leefbaar kunnen houden.”

Ik ga verder met de coryfeeën. Ik las in het sp.a-partijprogramma van 2014 – ik mag er toch van uitgaan dat de heer Crombez of mevrouw Idrissi dit neergeschreven heeft of mee gelezen heeft – het volgende: “Voor sp.a is het belangrijk dat Vlaanderen gefocust investeert in een beperkt aantal topgezelschappen. Die moeten meespelen in de internationale culturele A-ploeg. Deze doelstelling vraagt scherpe keuzes en prioriteiten, want een teveel aan ‘grote’ instellingen maakt hen allemaal klein.”

Ik had ook het genoegen om met beide collega’s het voorstel van Kunstendecreet in te dienen. Ik weet ook nog goed wat toen geopperd werd tijdens de besprekingen. Nu doodleuk komen zeggen dat er dan maar geld bij moet komen, komt mij enigszins – vergeef me de term – licht populistisch over. Ook in de conceptnota van onze collega van Groen werd duidelijk verwezen naar de versnippering van het landschap en het feit dat de vorige structurele rondes die versnippering zeker niet teruggedraaid hadden. Dat staat in die conceptnota. Omdat de beoordelingscommissies mogen werken met een open enveloppe, ligt het geadviseerde totaalbedrag veel hoger dan het beschikbare budget. Dat maakt een dergelijke oefening er niet eenvoudiger op. Je krijgt dus twee evoluties: ofwel vergelijkt men met 2013 ofwel met het geadviseerde bedrag, terwijl het logisch zou zijn om te kijken naar 2016.

Sommigen beweren dat de versplintering zich heeft opgelost. 244 organisaties krijgen het geadviseerde bedrag, er hebben fusies plaatsgevonden en een deel van de organisaties werd overgeheveld naar het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF). Als men zegt dat de versnippering de wereld uitgeholpen werd, dan is dat toch opmerkelijk als we weten dat 302 kunstenorganisaties een subsidieaanvraag hebben ingediend.

Collega’s en toehoorders, begrijp me niet verkeerd. Het feit dat er veel organisaties zijn, toont aan dat we een rijk cultureel veld hebben, maar de vraag die moet worden gesteld, is of de Vlaamse overheid er dan naar moet streven om dit alles te subsidiëren en of het beleidsmatig niet logisch is dat we scherpe keuzes maken en dat we subsidiëren wat Vlaams relevant is.

Wat betreft de nieuwe beoordelingsprocedure, is het niet abnormaal dat als je een nieuw systeem implementeert, dat enige tijd nodig heeft om zich te zetten. Maar het spreekt voor zich dat het nieuwe systeem geëvalueerd moet worden, om hieruit de nodige lessen te trekken voor de toekomst. Je moet de evaluatie wel loskoppelen van de emotionaliteit van de subsidiebeslissing. Die met elkaar vergelijken, lijkt me onwijs en onverstandig.

Ik kom tot de regionale spreiding. Het merendeel van de kunstensubsidies gaat naar de ruit Antwerpen, Gent, Brussel en Leuven. Naar West-Vlaanderen en Limburg stroomt een pak minder middelen, maar we kunnen niet ontkennen dat West-Vlaanderen er bij deze ronde op vooruitgegaan is, ook doordat er meer dossiers ingediend werden. Regionale spreiding is geen decretaal criterium. Het Kunstendecreet toetst kunstenorganisaties af op basis van kwaliteit en kwaliteit moet primeren boven regionale spreiding. Wel denken we dat er zowel sectoraal als regionaal een sterk aanbod moet staan. Vlaanderen is maar een zakdoek groot – als Vlaams-nationalist heb ik er moeite mee om dat te zeggen, maar het is de realiteit –, wij zijn er dus geen voorstander van om met een weegschaaltje af te wegen of er voldoende middelen naar elke provincie stromen. Dat betekent echter dat we hieraan in de toekomst moeten werken.

Er zijn wel degelijk Limburgse organisaties opgevist waarbij regionale spreiding een element was. Toch moeten we vaststellen dat maar 14 van de 302 aanvragen uit de provincie Limburg kwamen. Opmerkelijk is ook het feit dat de artistieke score ook niet excelleerde, van goed naar voldoende en onvoldoende. Natuurlijk is daar voldoende talent en potentieel aanwezig. De koppen bij elkaar steken en kijken hoe samenwerking daar de kwaliteit kan versterken, is broodnodig.

Ik kom tot mijn conclusie. Er is inderdaad streng maar volgens ons rechtvaardig gehandeld. De beoordelingscommissies bestaande uit mensen van het culturele veld, hebben hun job gedaan. Juichen doen we hier niet, ook al verdenken sommigen ons daarvan. Maar dat zijn ketters, en zij dolen. Wel heeft de N-VA hier een transparante en consequente lijn aangehouden, samen met de coalitiepartners. Onze taak, mijnheer Caron, en zeker die als Vlaams-nationalisten – ik ben al heel lang Vlaams-nationalist, u bent dat maar een tijdje geweest – is te zorgen dat Vlaanderen kan blijven meespelen als culturele topspeler en als leidende culturele natie. Die garantie kunnen we geven. Dat ontslaat ons echter niet van de taak te blijven monitoren en te kijken hoe we bepaalde minder gunstige evoluties kunnen bijsturen. Let wel: dat is de verantwoordelijkheid van de Vlamingen, van de Vlaamse overheid voor een deel, maar ook van lokale overheden. Mijn vraag aan de minister is dan ook hoe hij dit in de toekomst wil waarmaken. Ik geef dit maar mee: de waarde van een beleid of een ministeriële post leid je niet alleen af uit de hoeveelheid geld dat je besteedt – of moet ik zeggen door bepaalde voorgangers kwistig is rondgestrooid? – wel wat je met dat geld doet. Dat is de essentie.

De heer De Gucht heeft het woord.

Ik ben nooit een Vlaams-nationalist geweest en ik ben ook niet van plan dat te worden. Ik ga proberen over het culturele landschap in het algemeen enkele zaken te zeggen die hopelijk nog niet gezegd zijn.

Het budget dat deze meerderheid voorhanden heeft, is het gevolg van een economische en budgettaire context. Dan moeten er inderdaad ook politieke keuzes worden gemaakt. Voor zij die deze keuze in vraag stellen: ik vraag me telkens opnieuw af op welk domein er dan wel moet worden afgeroomd. Ik heb het dan niet alleen over het budget van Cultuur, maar het budget in het algemeen: waar ga je het geld halen? Het is iets heel speciaals dat mensen altijd vinden dat er te veel moet worden betaald, tot op het moment dat het over subsidies gaat. Dan denken mensen dat het geld op een of andere manier uit de lucht komt vallen.

Wat betreft het budget, kan de vraag worden gesteld of de criticasters met dit budget andere keuzes zouden hebben gemaakt. Het is natuurlijk heel gemakkelijk om iets af te kraken. De vraag is: welke andere keuzes zouden de mensen die dit afkraken, gemaakt hebben, welke keuzes die het culturele landschap beter zouden hebben gemaakt dan wat minister Gatz nu naar voren schuift? Het zijn verdedigbare keuzes, die een kunstenlandschap promoten dat blijvend kwalitatief divers en innovatief zal zijn.

Drie zaken staan daarbij centraal. Er is beslist om met het beschikbare budget duidelijke keuzes te maken. Ik zat in de vorige legislatuur in de oppositie. Ik heb altijd een hekel gehad aan het idee van de kaasschaaf. Ik vond dat verkeerd. Dat was weinig toekomstgericht. Het was een systeem dat goed was om iets te laten blijven lopen en niet te veel kritiek te krijgen, maar waar je op langere termijn geen duidelijk beeld mee gaf over het landschap waar je naartoe kon gaan.

Het had een beetje het systeem in zich van wat men heeft gedaan in vroegere jaren toen men overal culturele centra zette die de nieuwe parochiale centra gingen worden, maar die dan niet genoeg uitgerust waren om iets goed te doen. Bijna elke gemeente, elk dorp, elk gehucht in Vlaanderen had een centrum waar men iets kon laten plaatsvinden. In plaats van in te zetten op enkele goede zaken waar men echt kon excelleren en een internationale uitstraling aan kon geven, heeft men dat op die manier gedaan.

Ik ben helemaal niet voor de versnippering, voor het uitstrooien over meer organisaties, die vervolgens geen slagkracht meer hebben. Eigenlijk maken we de keuze om slagkracht te geven aan organisaties en om overproductie tegen te gaan. De heer Caron haalde ook de fusiebonus aan. We vergeten dat wel eens. Maar als het gaat over de manier waarop we meer middelen kunnen hebben en slagkrachtiger te werk kunnen gaan, dan gaat het over welke organisaties met elkaar kunnen samenwerken en zo meer middelen krijgen om krachtdadiger beleid te voeren.

Deze keuzes zijn op een objectieve manier gemaakt met de nieuwe procedure. De 188 organisaties met een ‘zeer goede’ en een ‘goede’ artistieke beoordeling werden beloond met een gemiddelde stijging van 14 procent van hun middelen ten opzichte van voordien. Daarnaast werden nog eens 19 organisaties beloond die op hun artistiek advies een ‘voldoende’ hadden gekregen, met als leidraad de principes zoals ze werden beschreven in de visienota. De minister is, met andere woorden, in zijn verdeling rechtlijnig geweest. Ik weet dat dat op politiek vlak soms iets heel speciaals is, maar wij hebben hier een rechtlijnige minister, mijnheer Caron.

Mijnheer Caron, u maakte daarnet een opmerking over de uitstromers. Natuurlijk is dat te betreuren. Natuurlijk hadden wij graag meer middelen gehad. En natuurlijk hadden wij het liefst gehad dat er meer instromers waren dan uitstromers. Maar zeggen dat het jonge talent bij die uitstromers zit, dat er geen jong talent zit bij diegenen die behouden blijven, en ook niet bij de instromers – want dat is het demagogische aan uw uitspraak –, is gewoon quatsch. (Opmerkingen van Bart Caron)

U moet mij eens uitleggen vanwaar u de redenering haalt dat het jonge talent bij de uitstromers zit en dat bij geen enkele van die andere jong talent zit dat op een goede manier ondersteund wordt. Daarenboven vergeet u dat de grote Vlaamse kunstinstellingen meer financiële slagkracht krijgen, niet alleen om uit te blinken binnen hun discipline maar ook om de andere organisaties in de bredere sector te ondersteunen. Dat staat ook beschreven in de beheersovereenkomsten die op het einde van het jaar zullen worden afgesloten. (Opmerkingen van Bart Caron)

Ik denk dat ongeveer iedereen naar voren heeft gebracht dat zij een grote kunstinstelling de functie heeft om dat te doen. Ik denk dat iedereen dat ondersteunt, maar u verliest dat stukje uit het oog verliest wanneer u die populistische uitspraak doet.

Daarenboven is er de geplande hervorming van het Kunstenloket naar het Cultuurloket, in het kader van de aanvullende financiering voor de cultuursector. Van deze aanvullende financiering moet werk gemaakt worden, zodat kunstenorganisaties deze aanvullende middelen gemakkelijker kunnen ophalen. Voorwaarde is dan wel dat ze een voldoende stevige basisfinanciering hebben.

Dit brengt ons terug bij punt 1: binnen de bestaande budgettaire context is het goed dat er gekozen is om de beschikbare middelen niet uit te strooien maar wel om ze in te zetten op de organisaties die de beste adviezen kunnen voorleggen.

Dit is geen terugtrekkende overheid. Dit is een overheid die ondersteunt, die het mogelijk maakt om ruimte te geven aan organisaties om door te groeien in plaats van te blijven op de plaats waar ze vandaag zijn. Laat ze excelleren en maak dat ook de grote kunstinstellingen verder internationaal kunnen meespelen. Daar moeten we naar streven. Het moet in de toekomst gedaan zijn met de redenering dat we enkel en alleen zoveel mogelijk organisaties moeten hebben en een grote verspreiding. Ik zou niet liever hebben dan dat iedereen kan blijven. Maar de bedoeling is dat we ervoor zorgen dat het organisaties zijn die in de toekomst een rol van belang op internationaal vlak kunnen spelen. Daartoe moeten we hun de ruimte geven.

De keuzes die deze regering maakt, zijn de keuzes die ruimte geven aan organisaties om dat te doen, in plaats van een kaasschaafmodel waarbij iedereen kan zeggen dat de minister geen keuzes maakt en het schip drijvende houdt. Maar op een bepaald moment moet je keuzes maken. Die keuzes zijn gemaakt. Ik vind het jammer dat men daar op een dermate negatieve manier naar kijkt in plaats van het te bekijken als een begin van groei, als een opportuniteit om ook jong talent te ondersteunen, ruimte en zuurstof te geven om op hun gebied in binnen- en buitenland te excelleren.

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Mijnheer Meremans, als de N-VA citeert uit het partijprogramma van sp.a, dat ze het dan volledig doet. Lees dan de paragrafen waarin staat dat er meer geld naar cultuur moet gaan. U trekt een paragraaf uit zijn context. Als u zich genoodzaakt voelt om uit het sp.a-partijprogramma te citeren, dan is dat een zwaktebod. Dan is dat omdat u uw eigen beslissing in deze regering niet kunt staven met argumenten. (Opmerkingen van Marius Meremans)

Ja, ‘la vérité blesse’. En daarom heb ik zelf een aantal cijfers op papier gezet. ‘Luister niet naar mijn woorden, kijk naar mijn daden.’ Toen sp.a de Cultuurminister had, zaten we tot boven de 94 miljoen euro. (Opmerkingen van Jean-Jacques De Gucht)

Vandaag gaan we naar 84 miljoen euro. Dat zijn de feiten. (Opmerkingen van Lionel Bajart)

Dat is gewoon een rechtzetting. (Opmerkingen van Marius Meremans)

Dat is om de puntjes op de i te zetten. (Opmerkingen. Rumoer)

Collega’s, vandaag bloedt mijn cultuurhart. Voor onze Vlaamse cultuur, die ons verbindt en waar het buitenland ons om benijdt, is het vandaag een grauwe dag. De timing vorige donderdag was een beetje ongelukkig, of misschien wel veel meer dan een beetje. Op een en dezelfde dag beslisten de regeringen om 9 miljard euro in wapens te investeren en om de middelen voor Cultuur te verminderen. Dat maakt duidelijk welke prioriteiten deze regeringen kiezen en welk beleid er gevoerd wordt.

‘Luister naar mijn woorden, kijk niet naar mijn daden’: dit lijkt wel de rode draad te worden van deze minister van Cultuur. En ik zeg het met hartzeer, maar het zijn wel de feiten.

Minister, vlak nadat u de sector 7,5 procent lichter maakte, sprak u overal waar u kwam en in de media de memorabele woorden: “Ik heb het altijd gezegd. 2015 en 2016 worden moeilijke jaren. Omdat ik tijdens een lopende erkenningsronde niet kan herverdelen. Maar ik herhaal, en dat is een belofte, dat er vanaf 2017 meer zuurstof komt voor kwetsbare projecten.”

Vandaag kunnen we naar uw daden kijken. Afgelopen week nam u een historische beslissing. U bent de eerste minister van Cultuur die ervoor zorgt dat er in het cultuurlandschap gesnoeid wordt. Er komt een gekortwiekt landschap. Van de 302 aanvragen blijven er 207 organisaties bestaan. De organisaties die geld ontvangen, krijgen over het algemeen veel minder dan ze hadden gevraagd of dan ze geadviseerd werden.

Minister, de landschapsoefening is in deze ronde helemaal niet gemaakt. Ik vind haar althans niet terug. Hoe hebt u die oefening gemaakt? Hoe evalueert u dat? De visienota was een heel mooie nota, met heel veel beloften. Ik heb toen ook een persbericht verstuurd, dat het een illusie was. Hoe zou u dat financieren? Ik heb dat toen ook gezegd. Maar het was allemaal rozengeur en maneschijn. (Opmerkingen)

Toch hebt u daar altijd aan vastgehouden. Nu stel ik mij de vraag hoe u gaat proberen om dat alsnog te realiseren. (Opmerkingen)

Ik zou heel graag niet gestoord worden. Ik heb toen jullie spraken daarnet, ook mijn mond gehouden.

Heren, laat mevrouw Idrissi uitspreken, alstublieft.

56 spelers kregen een ‘voldoende’. Dat is geslaagd. Met een voldoende in je schoolrapport ben je geslaagd. Dan mag je over naar de volgende ronde. Maar hier is dat niet het geval. 19, de ‘too big to fail’ – ik ga ze niet allemaal noemen – zijn gehonoreerd. Dat is een goede zaak. Maar de rest viel uit de boot. 37 geslaagde spelers kregen geen subsidie. Minister, hoe bent u tot deze 19 gekomen? Ik vind hier geen duidelijk verhaal. Er werd daarnet al aan gerefereerd: Designregio Kortrijk krijgt met ‘voldoende’ en ‘nipt onvoldoende’ subsidies.

Maar wat met ‘voldoende’ en ‘zeer goed’? Action Scénique, Circuit X, Drift, het KIP, Interactive Media Art Laboratory, Kunsttijdschrift Vlaanderen, Streven, Bloet, Judas Theaterproducties, Kolonie, Kwaad Bloed, Octopus, SARMA, Sound Image Culture, Storm Op Komst, Tristero, Voorkamer, Wolvin, Zita Swoon: die hadden allemaal ‘voldoende’, ‘zeer goed’, ‘geslaagd’. Maar ze krijgen niets. Maar Design Regio met ‘voldoende’ en ‘nipt onvoldoende’ wel. Daarover zou ik nu echt eens heel graag een uitleg krijgen, hoe u dat hebt beslist. Waarom krijgen de negentien die wel gehonoreerd zijn een motivatie, en de andere, die niet gehonoreerd zijn, niet? Behalve dat het geld op is. Maar dat is niet echt een motivatie. Waarom zijn ze niet gehonoreerd? Waarom is de motivatie er niet?

Ik kan alleen maar besluiten dat het voor al deze mensen een mokerslag is, een kaalslag of een ravage in de sector, u mag zelf kiezen. Minister, is er een soort van opvangsubsidie, uitdoofsubsidie, transitiesubsidie – u mag kiezen hoe u het noemt – voor de structurelen die er zullen uit vallen? In een vorig decreet was er in een uitstroomsubsidie voorzien. Er was sprake van de 2-4-2-regel, waarbij organisaties met tweejaarlijkse subsidies konden in- of uitstromen. Wat gaat u doen? Gaat u daar op een gelijkaardige manier iets voor uittrekken? Hoe ziet u dat?

Ik kom tot het extraatje dat eigenlijk geen extraatje is. Het is goed dat u alsnog 5,6 miljoen euro bijkomend hebt gevonden. Maar dit verkopen als meer, klopt niet. Want hoe kunt u mij uitleggen dat de 7,5 procent besparing die u hebt ingevoerd, gecompenseerd zal worden? U probeert minder te verkopen voor meer.

Het is zeker minder wat oKo, de heer Caron heeft het al aangehaald, allemaal becijferd heeft. Zij waren niet de onrealistische cultuurmensen die geen rekening hielden met de budgettaire context. Nee, zij hebben gevraagd: ‘Alstublieft, maak die correctie zodat we op hetzelfde niveau komen en dat we vooruit kunnen.’ U hebt dat langs geen kanten gehonoreerd. Zelfs het statusquobedrag van 1.976.000 euro is ruim niet gehaald.

Het warrige gegoochel met cijfers was een beetje een gênante vertoning. Uw kabinet en de administratie hebben persberichten verspreid. Er was altijd sprake van 86 miljoen euro. Op de persconferentie kwam u op de proppen met 81 miljoen euro. Ik begrijp niet waar dat bedrag ineens vandaan kwam. Kunt u dat uitleggen?

Als we dan toch moeten vergelijken, is de ronde van 2013 aangewezen, denk ik. Tegenover dan gaan we met 3 miljoen euro achteruit, ofwel 10 procent. Ik zeg het echt niet graag, als het goed is zeg ik het ook graag, maar dat u die min 9,3 procent probeert te verkopen als meer, kan er bij mij niet in. U probeert misschien het grote publiek te misleiden, maar wie u zeker niet misleidt, is de sector, want bij hen komt deze beslissing heel hard aan. Dit verkopen als een verbetering, getuigt van weinig respect voor de cultuurmensen die dagelijks het beste van zichzelf geven.

Ik heb het gevoel dat u zich steeds meer ontpopt tot ‘de Joke Schauvliege van Cultuur’. Zij probeert meer bos te verkopen met minder bomen en u probeert meer cultuur te verkopen met minder organisaties. U probeert daar zo’n draai aan te geven dat het bij sommigen nog geloofwaardig overkomt ook.

Hoe werkt u die 7,5 procent besparing weg? Zijn er vandaag in de toegekende middelen al bedragen opgenomen die tot nu door de provincie worden verstrekt? Zijn er organisaties onder het Kunstendecreet die de komende twee jaar te horen zullen krijgen dat middelen die ze nu van de provincie krijgen, niet of gedeeltelijk zullen worden overgenomen door de Vlaamse Gemeenschap? Kunt u dat uitleggen?

U bent tot dat bedrag van 5,7 miljoen euro gekomen door bij de andere cultuurhuizen te gaan aftoppen. Men zegt dat het hier geen kaasschaaf is, maar eerlijk gezegd, dit is aftoppen en afromen waar eigenlijk niets meer kan worden afgeroomd. Ik krijg heel sterk de indruk dat men hier een soort waterboarding toepast. Elke keer als de cultuur bovenkomt en een beetje adem kan happen, wordt hij weer in het water geduwd. (Opmerkingen)

Dan spartelt hij nog een beetje en probeert te overleven en komt weer boven en wordt weer ondergeduwd. (Rumoer)

Dat is de logica. Er wordt elke keer weer afgetopt en afgeroomd waar niets meer overblijft. Ik ga de cijfers niet herhalen, het is voor iedereen al duidelijk. Zo worden al die uitstekend bevonden plannen – de categorie ‘zeer goed’ heeft een bedrag geadviseerd gekregen – afgetopt. Zo werd het Kaaitheater voor een bepaald bedrag geadviseerd, ze zijn zeer goed bevonden, en toch zien ze een pak geld verdwijnen. Hun artistiek project wordt kreupel gemaakt; ze moeten hun plannen herzien en/of in de schuif steken. Kortom, zoals Chantal Pattyn zei: met deze beslissing zit de een aan de bedelstaf en is de ander net niet rijk genoeg om de behoeftige hulp te bieden. Dat is de huidige situatie. Ik kom daar later nog op terug.

We hebben nu een uitgeholde projectenpot. U zegt in uw visienota: “Ik wil loopbanen van kunstenaars verduurzamen en hen optimale kansen bieden tot verdere ontwikkeling, ontplooiing, professionalisering en (internationale) mobiliteit.”

Uit uw daden en beslissingen blijkt dat het grote slachtoffer van deze ronde ook de projecten zijn, de beginnende makers en initiatieven zonder structurele ondersteuning. Het hele idee van driejarige projecten dreigt helemaal te kelderen. Ondanks uw herhaaldelijke belofte van beterschap wordt de nagestreefde 10 procent vandaag niet gehaald. Ondanks de realistische berekening van oKo wordt het bedrag van de projectenpot in de verste verte niet gehaald. Dat betekent zoveel als de artistieke innovatie van Vlaanderen uitdoven, als daar geen remediëring komt.

Daarom mijn oproep, minister, op 15 september is de volgende projectsubsidie. Kunt u tegen dan zorgen voor meer middelen? De pot kreunde al, maar nu staan ook de organisaties die gewacht hebben onder grote druk; ze hebben niet meegedaan met de structurele ronde, ze willen een aanvraag doen voor projectsubsidies. Het minste wat u zou kunnen doen, ik hoop dat u een engagement aangaat, is dat de projectenpot wordt aangevuld voor september. Anders voorzie ik het ergste.

De heer Caron heeft het al vernoemd, 394 mensen vallen dan zonder werk. En daarbovenop hebben we nog het verdoken effect op al die freelance kunstenaars, die zullen veel minder werk hebben. Het kunstenlandschap waar we internationaal om benijd worden, zetten we op het spel, want de toevoer van jong talent wordt op deze manier erg vernauwd.

Limburg wordt met deze beslissing naar de culturele woestijn verbannen. Ik heb geen familie in Limburg, ik kom niet uit Limburg, ik ga nooit op vakantie in Limburg, dus men kan me niet verwijten dat ik een of ander belang daar zou bepleiten, dan het cultuurbelang. Slechts 1,62 procent van de middelen zijn ingeschreven voor Limburg. Ik zeg het met de woorden van ex-Open Vld’er Noël Slangen: “(…) van een onverantwoordelijk gebrek aan erkenning van de uitdagingen waar deze provincie voor staat. Zeker op een ogenblik dat men net de provinciebesturen op de meest grove manier heeft uitgekleed, een beslissing die vooral de regio’s zonder sterke hoofdsteden treft.”

We hebben in deze commissie op 30 april vorig voorjaar op initiatief van Ingrid Lieten een debat gehad. Toen erkende u nog geschrokken te zijn van de cijfers voor Limburg en benadrukte u het belang van regionale spreiding van de subsidies.

U hebt toen zelfs gezegd: “Ik zal de culturele spreiding” – en u had het toen over Limburg – “monitoren. Er zijn mij recent een aantal initiatieven voorgesteld die inzetten op de versterking van de culturele sector in Limburg. Ik heb er vertrouwen in dat deze initiatiefnemers hun ideeën in kwaliteitsvolle beleidsplannen of projectaanvragen zullen omzetten.”

En wat zien we vandaag? Noppes. Noppes. Er komt niets voor Limburg. Ik kan alleen maar zeggen dat het nog verder is gedecimeerd in Limburg. U zei ook nog: “Ik wil de Limburgse ziel leren kennen.” U bent daarom ook op bezoek gegaan in Limburg. Minister, is het u gelukt? Wat is de conclusie die u daaruit hebt getrokken?

Minister, in Brussel krijgen Tristero, Leporello, Bloet van Jan Decorte en Sigrid Vinks nul op het rekest. Er zijn nog andere organisaties, zoals De Vaartkapoen, maar daarover zal ik het nu niet hebben. Zo blijven er, naast de KVS, geen andere Nederlandstalige theatergezelschappen over in Brussel. Het is een gekoesterd kleinood waarvoor het Vlaams Parlement in 2008 bijna unaniem meer aandacht vroeg in een speciale motie.

U hebt altijd gezegd dat de grote instellingen de kleintjes onder de hoede moeten nemen. Minister, ik probeer het mij voor te stellen voor Brussel. Wat bedoelt u nu juist? Brussel heeft twee grote instellingen, de Ancienne Belgique en het Brussels Philharmonic. Bedoelt u dat de organisaties die nul op het rekest hebben gekregen, moeten aankloppen bij de Ancienne Belgique of het Brussels Philharmonic? Of moeten zij verkassen naar deSingel of naar de Vooruit in Gent? Of bedoelde u dat het Kaaitheater en de KVS die moeten opvangen?

Kortom, zoals ik daarnet al zei, zit met deze beslissing de ene aan de bedelstaf en is de andere net niet rijk genoeg om de behoeftigen hulp te bieden. Al die kleine organisaties die uit de boot vallen, staan nu dus schaakmat. Daarom, minister, wil ik u echt vragen hoe u dat concreet ziet. Want, als u vooral inzet op de grote instellingen, zoals deze regering doet, worden de sterken sterker en de armen armer. Dat is een mattheuseffect in de cultuur.

Ik wil het graag nog kort hebben over twee elementen: de visienota en de solidariteit. Waarom wil ik het heel specifiek hebben over die visienota? Ik heb echt het gevoel dat dat bijna allemaal is weggegooid. Minister, ik heb u tijdens het debat gezegd dat er richtlijnen ontbreken in uw visienota. Waar zijn ze? Als er geen richtlijnen zijn, hoe kan de sector zich er dan naar richten om een dossier te schrijven? Als er geen richtlijnen zijn, hoe kan de beoordelingscommissie dan afwegingen maken? U hebt toen geantwoord dat dat niet nodig is. We zien vandaag wat daarvan de gevolgen zijn.

Ik heb u ook gezegd dat tussen droom en daad financiële wetten en praktische bezwaren in de weg staan. Het was zo’n mooie visienota dat we eigenlijk al op voorhand wisten dat er een illusie was gecreëerd waaraan niemand kan tippen. Maar waarom wordt ze dan geschreven, als er geen rekening mee wordt gehouden?

Solidariteit is het begrip dat u hebt gebruikt – de ‘newspeak’ – om besparingen te introduceren. Het sociaal-cultureel werk moest een solidariteitsbijdrage leveren, en nu zien we ook in het Kunstendecreet een solidariteitsbijdrage. Maar hoe zit het eigenlijk met de solidariteit binnen de regering? In de vorige ronde hebben de verschillende regeringspartijen samen – ik zeg uitdrukkelijk samen – een oefening gemaakt om 10 miljoen euro extra te vinden voor de broodnodige middelen voor de sector.

Ik wilde graag een antwoord geven op de vraag van de heer De Gucht, maar aangezien hij er niet meer is, zal ik het zo laten.

Hoe zit het met de solidariteit binnen de regering? Werd u geholpen om tot deze beslissing te komen en het bedrag te vinden? Of hebben ze u eigenlijk alleen gelaten en moest u uw plan trekken? Ik zou daar eigenlijk graag wel iets meer informatie over hebben. Wat hebben de andere partijen daarin bijgedragen? Wat hebben zij naar voren geschoven? Het is natuurlijk geen individuele beslissing van u. Het is een collectief gedragen beslissing van deze regering. Daarom lijkt het mij niet fair om alleen op u te schieten. Het is een collectieve beslissing van deze regering.

Ik zal heel weinig zeggen over de beoordelingsprocedure, ook al weet ik dat ik daar heel veel over kan zeggen. Ik denk dat een grondige evaluatie nodig is. Wanneer plant u die? Wanneer wordt die besproken in het parlement?

Een bijkomende vraag gaat over de centen. U hebt altijd 2016 als parameter genomen om uw besluiten te nemen. U neemt dus eigenlijk beslissingen op basis van het verleden en niet op basis van de toekomst. Waarom hebt u die keuze gemaakt? Waarom hebt u om te plannen naar 2016 gekeken en niet naar de toekomst? Ik zou daarover graag wat meer uitleg krijgen.

Minister, u lijkt geprangd te zitten tussen hamer en aambeeld: opkomen voor uw sector cultuur of loyaal zijn aan uw regeringspartners. U hebt heel duidelijk de keuze gemaakt, net nu we in een tijd leven waarin de mensen en de samenleving snakken naar cultuur, in dit tijdsgewricht waarin we geconfronteerd worden met angst en terreur. Meer dan ooit hebben we nood aan verbinding, aan het leren kennen van de ander. Cultuur heeft een samenleving nieuwe inzichten, zelfreflectie en debat te bieden. Ze brengt ons bij elkaar wanneer we elkaar niet kunnen vinden. Ze heeft geen compassie met vooroordelen, extremisme, fanatisme en xenofobie, maar kijkt hen recht in de ogen en weerspiegelt hen genadeloos. Dat is wat cultuur doet. Of om het met de woorden van Amin Maalouf te zeggen: “De 21ste eeuw zal door de cultuur worden gered of ze zal eraan ten onder gaan.”

Mevrouw Bastiaens heeft het woord.

Caroline Bastiaens (CD&V)

Minister, aan het begin van deze namiddag hebt u duiding gegeven bij de beslissing van de Vlaamse Regering van vorige week. Volgens mij hebt u op een duidelijke manier gemotiveerd hoe u daartoe gekomen bent.

Laat ons duidelijk zijn: de verwachtingen waren erg hooggespannen. Ik denk dat er daartoe heel veel redenen waren, maar ik haal er twee aan. Enerzijds was er uw visienota, die zeer voluntaristisch en ook wel zeer ambitieus was. Anderzijds is er het professionele culturele landschap in Vlaanderen an sich. Hun terechte ambitie is gebaseerd op grote kwaliteit, diversiteit, creativiteit enzovoort. Dat werd, voor zover noodzakelijk, nog maar eens bewezen met de vele ingediende en ook vele positief beoordeelde subsidieaanvragen.

Als verwachtingen zo hoog zijn, misschien zelfs té hoog, dan is het moeilijk, haast onmogelijk, om daaraan volledig te voldoen. De teleurstelling bij organisaties die eerder al een negatieve beoordeling kregen, is begrijpelijk. De ontgoocheling bij die organisaties die met een voldoende beoordeling toch niet de verhoopte subsidies ontvangen om hun ambities de komende jaren waar te maken, is dat al helemaal.

Ik wil echter benadrukken dat met deze beslissing, en zeker ook met de extra gevonden middelen, is geprobeerd om, rekening houdend met de uitgebrachte adviezen, zoveel mogelijk organisaties een billijke toelage voor de komende vijf jaar te garanderen. Er is geprobeerd om hiermee de diversiteit in en tussen de verschillende disciplines, de diversiteit tussen grote en kleine organisaties, tussen jonge en gevestigde waarden te honoreren.

We mogen niet uit het oog verliezen dat 207 organisaties subsidies zullen ontvangen, waaronder ook 13 nieuwe. De vraag is dan ook helemaal niet of dit er te veel of te weinig zijn, maar wel of met deze beslissing het rijke culturele landschap de komende vijf jaar verder kan groeien, verder kan vernieuwen.

Ik denk, neen, ik ben ervan overtuigd dat dat kan, ondanks alle onheilstijdingen die we deze namiddag al hebben gehoord, volgens mij onterechte onheilstijdingen. CD&V is tevreden dat bij de keuzes – laat ons eerlijk zijn: moeilijke keuzes – die werden gemaakt, bijzondere aandacht is gegeven aan een zekere regionale correctie, ook aandacht voor de diversiteit tussen de verschillende sectoren en zeker ook het honoreren van samenwerkingsverbanden, de zogenaamde fusiebonus.

De beslissing van vorige week ging, zoals gezegd, niet alleen over de kunstenorganisaties maar ook over de zeven Vlaamse kunstinstellingen. Net zoals collega’s het vanmiddag al aanhaalden, rekenen wij erop, minister, dat u bij de nog op te maken beheersovereenkomsten in het najaar, bijzondere aandacht zult geven aan de rol van die kunsteninstellingen binnen het Vlaamse landschap en in het bijzonder aan de ondersteuning van jonge kunstenaars en de coaching van nieuwe organisaties. Maar de beslissing die we hier vandaag bespreken, is geen eindpunt, mag geen eindpunt zijn. Ik heb het al gehad over de beheersovereenkomsten van de zeven kunsteninstellingen in het najaar, maar het Kunstendecreet voorziet ook nog in andere mogelijkheden, nog meer dan alleen maar de meerjarige subsidies die we vandaag bespreken. Ik denk in het bijzonder aan een aantal mogelijkheden om kunstenorganisaties te ondersteunen, zoals nieuwe stimulerende instrumenten om partnerschappen aan te gaan, doorbraaktrajecten, het stimuleren van ondernemerschap voor kunstenaars of de internationale promotie van kunst en kunstenaars. Het zijn maar enkele mogelijkheden die we terugvinden in het Kunstendecreet.

Minister, daarnaast hoop ik dat u in de komende tijd de foto, die u deels al hebt aangehaald in uw toelichting en zoals we die nu kennen na de beslissingen van vorige week, verder zult bestuderen. Zijn er in die foto die we nu kunnen maken, nog nieuwe blinde vlekken, zowel regionaal als disciplinair? Zijn er disciplines of functies die meer of minder in de meerjarige subsidies terug te vinden zijn, en waarom? Vraagt dat dan om bijzondere aandacht, en misschien ook om een bijzondere aanpak?

Daarnaast hoop ik dat u in het najaar ook de tijd zult nemen om, samen met de administratie en zeker ook de hele kunstensector, te evalueren hoe het nieuwe decreet werd toegepast en waar dit al dan niet kan worden verbeterd. Ik denk dan onder andere aan de samenstelling van de commissies, de finaliteit van de visienota, de opsplitsing tussen het zakelijke en het artistieke advies en zo kunnen we er nog een aantal andere bedenken.

Minister, er is vanmiddag al heel veel gezegd. Tot slot denk ik dat, ondanks de teleurstellingen van kunstenorganisaties, waarvoor we veel begrip hebben, dat deze beslissing erin kan en zal slagen om het professionele culturele landschap in Vlaanderen te borgen. Maar, zoals gezegd, laat deze discussie vandaag niet het einde zijn van een debat, en al zeker niet het einde van een positief vernieuwend en ambitieus cultuurbeleid in Vlaanderen.

Mevrouw Christiaens heeft het woord.

Minister, ik sluit me uiteraard aan bij de toelichting van mevrouw Bastiaens namens de CD&V-fractie. Ik wil nog enkele woorden zeggen over een speciale situatie in de verdeling van de cultuursubsidies. Minister, u hebt er in uw toelichting zelf al op gewezen: het gaat over de situatie waar de cultuursector in Limburg mee wordt geconfronteerd. Dat ligt heel zwaar op onze maag. Het is zo weinig dat het misschien licht verteerbaar zou moeten zijn, maar het tegenovergestelde is jammer genoeg waar.

Bij de afgelopen verdeling had Limburg, dat toch 13 procent van de Vlamingen vertegenwoordigt, 4 procent ingelijfd van de te verdelen cultuursubsidies. Er werden groeikansen gevraagd. Minister, u bent een aantal keer in Limburg op werkbezoek geweest. U hebt zelf ook aangegeven dat er in Limburg voldoende talent aanwezig is om door te groeien. U hebt daardoor verwachtingen gecreëerd. Alle cultuurorganisaties verwachtten dat. Door het feit dat u dat specifiek hebt gesteld, waren er ook specifieke verwachtingen gecreëerd. Collega Bastiaens heeft verwezen naar de regionale spreiding die er in zekere mate wel is. Maar u erkent het zelf ook: het kan niet dat Limburg met 1,68 procent van de middelen ook maar iets heeft gekregen dat lijkt op een regionale spreiding. Minister, u beseft dat zelf heel goed.

Die inhaalbeweging hadden we nodig. Er zijn gevestigde waarden, er zijn sterke spelers. Die leveren goede dossiers af. Het klopt dat we slechts 14 dossiers hebben ingediend. Dat is zo. Waarom? We hadden al maar 4 procent van de middelen afgelopen ronde. Nieuwe kleine initiatieven konden jammer genoeg met de beperkte middelen waarover ze beschikten, niet doorgroeien. We merken nu dat we in een vicieuze cirkel terechtkomen. Lovenswaardige initiatieven, talentvolle initiatieven en organisaties kunnen door het gebrek aan middelen niet doorgroeien en kunnen niet geraken op het culturele niveau dat u en iedereen terecht verwacht. We geraken zo in die vicieuze cirkel. Er zijn verwachtingen gecreëerd dat met deze beslissingen die vicieuze cirkel doorbroken zou worden. Maar we moeten vaststellen, en u hebt dat zelf ook al gezegd, dat het hallucinant weinig is. Geen 4 procent meer van de middelen, zelfs geen 2,5 procent, zoals geadviseerd was, maar we landen op 1,68 procent van de middelen.

Indien we die vicieuze cirkel niet kunnen doorbreken, dan krijgen we te maken met een culturele braindrain uit Limburg. Het talent dat er momenteel is, dat hard gewerkt heeft de laatste jaren, is nu in die mate gedesillusioneerd dat we niet weten waar we kunnen landen. Dat is een vrees die leeft, uiteraard in de culturele sector, maar ook bij de Limburgse politici, alleszins die van mijn partij.

Minister, ik kan hier nog een uur doorgaan en analyseren waarom dit niet en dat wel. U hebt keuzes gemaakt. Die keuzes hebben bepaalde consequenties. Minister, ik stel u de vraag: en nu? Nu moeten wij vooruitkijken naar de projectsubsidies. Die zijn er op korte termijn, maar ook al naar 2021. Indien er nu niet gereageerd wordt, indien men nu de culturele sector in Limburg aan zijn lot overlaat, dan weet ik niet in welke mate er nog procenten overblijven die naar de Limburgse cultuursector kunnen gaan. We hadden gehoopt dat het historische tekort zou worden gecompenseerd, maar dat is absoluut niet gebeurd. CD&V vraagt om die regionale spreiding veel meer te honoreren dat wat u momenteel hebt kunnen doen. Ik ben ervan overtuigd dat in Limburg enerzijds de cultuursector met alle actoren, en anderzijds politiek Limburg zich zullen verenigen en alles zullen doen wat er in hun mogelijkheden ligt. Mijn partij zal er een trekkende rol in spelen.

Minister, ik heb twee vragen specifiek over Limburg. Hoe ziet u daar uw rol? Kunt u katalysator spelen? Op welke manier zult u dat doen? U hebt al eens op een vraag van de heer Caron geantwoord in de plenaire: quid de provinciale cultuursubsidies? Vanwege het historische tekort in de cultuursubsidies vanuit Vlaanderen die naar Limburg gingen, werd er altijd gecompenseerd door de provincie. Meer dan 31 euro per inwoner werd door de provincie Limburg aan de cultuursector toebedeeld. Om te vergelijken met West-Vlaanderen, toch ook een provincie die wat als blinde vlek naar buiten komt: daar is dat het dubbele. Ook in West-Vlaanderen investeerde de provincie veel.

Excuseer, collega, vergeleken met andere provincies doen wij het in West-Vlaanderen ook goed. Uw argument geldt des te meer.

Ik sluit me aan bij wat mevrouw Christiaens zegt, gelukkig in mindere mate ook voor West-Vlaanderen.

Wat betreft de provinciale cultuursubsidies wil ik graag aan u de vraag nog eens stellen: hoe wordt daarmee omgegaan? Worden die verankerd in de provincie? Kan voor Limburg, maar ook voor alle provincies, dat bedrag daar blijven specifiek voor de cultuursector?

De heer Moyaers heeft het woord.

Voorzitter, ik sluit aan bij wat collega Christiaens zegt. We merken vandaag dat heel wat van de kunstenorganisaties in de regio Antwerpen, Gent en Brussel zitten.

Ik heb er zeker niets op tegen dat het geld voor cultuur naar die regio’s gaat, maar het levert uiteraard wel het nodige tandengeknars op in West-Vlaanderen, de Kempen en uiteraard ook in Limburg. Het schrappen van organisaties in die regio’s komt vaak ook neer op een ontwrichting van een heel cultureel weefsel. We hebben het daarnet al enkele keren gehad over de kaasschaaf die zou moeten worden bovengehaald, maar ik kan zeggen dat dat voor Limburg alvast niet meer hoeft, want daar zitten we al op de korst.

Daar waar de vorige regering een Limburgse tandem met mevrouw Lieten en de heer Vandeurzen had, is de invloed van Limburg in deze regering toch duidelijk wat minder, want Limburg trekt alweer aan het kortste eind bij de verdeling van de cultuursubsidies: een vette anderhalve procent van de globale pot. Dat is toch echt niet meer ernstig te noemen – en dit na alle beloften die ook collega Idrissi daarnet heeft opgesomd. Minister, we zijn daar niet kwaad om, eigenlijk zijn we daar woest om. De verontwaardiging komt bovendien niet alleen vanuit de oppositie – zoals ik zonet heb gemerkt – maar gaat over alle partijgrenzen heen.

U suggereerde zelf dat Z33 bijvoorbeeld zou kunnen uitgroeien tot een Vlaamse kunstinstelling zoals bijvoorbeeld Vooruit of AB, maar zelfs Z33 moet een forse inkrimping van middelen ondergaan, waardoor het zijn ambitieuze plannen moet kortwieken. Dat is uiteraard erg jammer, want ook Limburg heeft nood aan meer cultuur.

“Cultuur van een natie woont in de harten en in de ziel van de mensen”, zo sprak Gandhi al. Maar cultuur is ook economisch belangrijk. Het zorgt immers voor uitstraling en tewerkstelling. Door onze nabijheid met Nederland en Duitsland hebben we trouwens een bijkomende troef om grensoverschrijdende projecten op te zetten met cultuurhuizen in Maastricht of in Aken. Adviesraden moeten dat dringend als een meerwaarde gaan erkennen.

Ik vind het ongelooflijk dat het aanbod in Limburg nu nog dreigt te verkleinen en nog minder mensen gaat aanspreken. Muziekodroom en Kunstencentrum BELGIE bijvoorbeeld dreigen te moeten sluiten. Ook het succes van Zomeropera hangt aan een zijden draadje, dat ieder moment dreigt af te breken, terwijl Zomeropera een van de belangrijkste socioculturele events is op het gebied van het aanbod aan klassieke muziek in heel de regio en erin slaagt om een massa mensen op een betaalbare manier te bereiken en zo cultuur brengt daar waar ze echt moet zijn, te midden van de mensen. Ik kan zo nog wel even doorgaan.

Het ligt zeker niet aan een gebrek aan ambitie in Limburg. Integendeel, onze provincie heeft, zoals mevrouw Christiaens zei, jarenlang bijgepast wat we niet kregen van de Vlaamse Regering. We vragen ons dus terecht af of die andere belofte ook standhoudt, namelijk dat de provinciale subsidies voor kunst die na 2018 naar Vlaanderen zouden gaan, toch op zijn minst in Limburg zouden kunnen blijven. Dat bedrag moet volgens ons bovendien geïndexeerd kunnen worden, zodat het niet erodeert met de tijd. We willen dat engagement van u nog het liefst van al zwart op wit op papier vastgelegd hebben, zodat het ook nog na de verkiezingen van 2019 geldig blijft. 

Minister, de Limburgse cultuursector kampt inderdaad met een historische achterstand en is eigenlijk pas sinds 2000 in volle groei. Zoals iemand terecht zei in de krant: jonge sla snoei je niet. Laat ook de Limburgse sla groeien en bloeien. Wij Limburgers willen met z’n allen onze schouders onder een breedgedragen Limburgs cultuurplan zetten. Ik neem dan ook met veel plezier de uitgestoken hand van collega Christiaens op dat vlak aan. Ik denk dat er heel wat andere Limburgse politici op zullen ingaan. 

Wij hebben echt geen behoefte aan het spelen van Calimero. We zien ons liever als de GVR: de Grote Vriendelijke Reus van Roald Dahl. Hij was namelijk kleiner dan de negen andere reuzen. U hebt die Grote Vriendelijke Reus nu toch wel een beetje boos gemaakt met de beslissing, ook al is het niet uw beslissing alleen. Vandaag blaast u onze reus echter geen verzameling van mooie dromen in, maar een heuse nachtmerrie voor onze cultuurbeleving. Dat kan ik alleen maar betreuren. Limburg verdient echt wel beter.

De heer Danen heeft het woord.

Teleurstellingen hebben vaak te maken met verwachtingen. Gevoelens van teleurstelling komen er als de verwachtingen niet uitkomen. In dit geval is dat ten voeten uit het geval. Teleurstelling is een eerste stap waar boosheid en frustratie uit kunnen voortvloeien. We kunnen ons de vraag stellen of dat soort teleurstelling niet kan worden voorkomen. Ik denk het wel. Het leek erop dat dat het geval zou zijn. Mijn collega’s hebben hun verwachtingen ten aanzien van de perifere gebieden, als ik ze zo mag noemen, hier in de commissie geuit. Minister, u hebt meermaals gezegd en de verwachting geschapen dat de perifere gebieden niet zullen worden vergeten, dat er een correctie zou plaatsvinden. Natuurlijk, als verwachtingen niet uitkomen, dan zijn de teleurstellingen en de gevoelens van frustratie heel groot.

Ik wil niet per se een lans breken voor een aantal specifieke cultuurinstellingen, maar er zijn er toch een aantal in Limburg die ik zelf goed ken en die op papier blijkbaar niet goed scoorden. Ik begrijp ook wel dat u zelf uw adviezen hoort te volgen en dat u zelf moeilijk kunt ingrijpen in de adviescommissie, maar ik blijf het een vreemd idee vinden dat toppers zoals Muziekodroom, dat echt een begrip is in Limburg, Zomeropera, waarbij participatie aan dat soort evenementen heel erg belangrijk is, en Kunstencentrum België helemaal uit de boot vielen. Nogmaals, in de commissie zelf zitten blijkbaar geen Limburgers, maar dat zou toch niet het verschil mogen maken, want als het er echt op aankwam, waren de Limburgers er wel om op een aantal problemen te wijzen die zich mogelijk konden voordoen. We zijn natuurlijk geen provincialistisch parlement, maar ook de collega’s van de andere provincies hebben meermaals een lans gebroken voor een betere correctie. Zelfs u hebt dat ook vaak gedaan. Daarom zijn we heel erg ontgoocheld.

Nog niet zo lang geleden was er in het Begijnhof van Hasselt, waar nu Z33 is gevestigd, een groot evenement van Het Belang van Limburg. U was ziek die dag. Ik probeer niet de indruk te geven dat u strategisch ziek was. Ik wil geloven dat u echt ziek was. Het was een heel mooie avond met een heel brede vertegenwoordiging van kunstenorganisaties, met geïnteresseerde Limburgers, met journalisten en er was ook iemand van uw kabinet in het panel aanwezig. Dat was een mooie avond, waarop duidelijk werd gezegd dat Limburg zelf verantwoordelijkheid moet nemen, maar dat u wel zou helpen zorgen voor een correctie. Er is nooit gezegd en gevraagd dat wij 13 procent zouden krijgen, naargelang onze inwoners, maar er is ook nooit gezegd dat wij met een aantal kruimels tevreden zouden zijn.

Ik wil u dus nogmaals vragen: waarop hebt u zich gebaseerd om de verdeling te maken zoals u die nu hebt gemaakt? Hoe komt het dat u meermaals hebt beloofd om correctief op te treden voor de meer perifere gebieden, maar dat die belofte helaas niet is uitgekomen?

De heer Lantmeeters heeft het woord.

Voorzitter, ik ben blij dat ik het woord krijg. Ik had het eigenlijk niet gevraagd, maar u zult waarschijnlijk gedacht hebben: ‘Er komt een Limburger binnen. Die zal iets zeggen.’

Minister, als ik u gerust kan stellen, ik wil mijn toon toch wel heel anders laten klinken dan wat u daarnet allemaal hebt gehoord. Ik wil in eerste instantie benadrukken dat ik ook een Limburger ben, maar ik ben niet zozeer een klager. In de krant heb ik u vorige week verdedigd in verband met uw beslissingen. Op dit ogenblik ben ik nog een van de weinigen die daarin rechtlijnig blijf. Onze provincie krijgt inderdaad weinig middelen. Dat ga ik niet ontkennen, maar wanneer er maar 4 procent van de aanvragen vanuit onze provincie komt, dan kunnen we niet gaan vragen dat we 30 procent van de middelen zouden krijgen.

Voor alle duidelijkheid: we moeten in eigen boezem kijken. We moeten eens kijken hoe we in Limburg een nieuw Limburgplan kunnen opstarten. Ik wil gerust met iedereen meedoen en ik ben ervan overtuigd, wanneer ik lees wat u hebt gezegd, dat u ook bereid bent om daaraan mee te werken. We moeten nu niet meer naar het verleden kijken en naar de beslissing die op dit ogenblik is genomen, maar naar de toekomst. We moeten eerst met goede projecten aankomen, maar ik denk dat u ons daarbij zult ondersteunen. Ik neem heel graag met u contact op en ik heb heel graag besprekingen met u om tot een nieuw plan te komen, want onze provincie moet er inderdaad op vooruitgaan.

Ik zou toch wel bepaalde aanwezigen hier ervoor willen behoeden om nog meer zeer populistische uitspraken te doen. Wanneer ik vandaag sp.a hoor klagen en hoor zeggen dat er meer middelen naar Limburg tout court moeten gaan, zonder dat daaromtrent een plan is, dan wil ik aanduiden dat het partijprogramma van sp.a duidelijk is: "Voor sp.a is het belangrijk dat Vlaanderen in een beperkt aantal topgezelschappen investeert, die moeten meespelen in de internationale culturele A-ploeg. Deze doelstelling vraagt scherpe keuzes en prioriteiten, want een ‘teveel’ aan grote instellingen maakt hen allemaal klein.” (Opmerkingen van Yamila Idrissi)

Nu pleit men hier vandaag tegen het eigen programma. Men mag dat altijd doen, ik heb daar geen enkel probleem mee, maar ik confronteer graag mensen met zichzelf op dat vlak. Minister, nu u die beslissing hebt genomen, kijken wij ook in eigen boezem. U hebt dat niet alleen gedaan. U hebt de regering achter u staan. Ik denk dat iedereen die in die regering zit, vandaag mag zeggen dat u een moeilijke beslissing hebt genomen. We zijn daar helaas helemaal niet tevreden mee. We hebben te weinig middelen. We kunnen u dat echter niet verwijten. Nogmaals, als onze provincie veertien aanvragen indient, waarvan er zeven worden goedgekeurd, dan moeten we ook wel eens kijken naar het plan. Het was niet de bedoeling om met mijn betoog hier vandaag alles te bespreken wat hier vandaag is voorgesteld. Ik wou mijn betoog hiertoe beperken. Begrijp me niet verkeerd, ik ben Limburger en vind het jammer dat onze provincie niet meer krijgt. Ik vind echter dat we naar een nieuw Limburgplan moeten gaan. Minister, ik wil u oproepen om daaraan mee te werken. Ik denk dat ik in u een medestander vind, zeker als ik alles lees wat u daaromtrent hebt gezegd.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

Ik zal eerst even kort stilstaan bij een aantal betogen van leden van de meerderheid, en uiteraard daarna uitgebreider antwoorden op de leden van de oppositie, en ik zal zeker ook nog de Limburgse leden een bepaald perspectief geven.

Ik dank mevrouw Bastiaens en de heren Meremans en De Gucht voor hun steun bij deze beslissing. Mijnheer Meremans, u verwees even naar Sylvie Vartan, maar ik voel me op dit ogenblik veeleer ‘le mal aimé’ van Claude François. Maar dit geheel terzijde. (Gelach)

Ik wil even ingaan op een aantal vragen aangebracht door de heer Caron en mevrouw Idrissi. Soms zijn er een aantal feitelijke elementen, dan zijn er een aantal kwalitatieve zaken waarover we zeker qua inschatting en interpretatie niet helemaal of helemaal niet op dezelfde golflengte zitten. In elk geval zal er een evaluatie van de procedure komen. Dat was ook altijd gezegd. Die is trouwens intern al begonnen, vanuit de centrale adviescommissie. Ik ga ervan uit dat we die hier in het najaar uitgebreid kunnen bespreken. Vroeger zal het ook niet zijn, maar voor het einde van het jaar zullen we zeker de evaluatie van de procedure hebben afgerond. Dingen kunnen altijd worden verbeterd, maar verwacht ook niet alle heil van een procedure. Beslissingen worden natuurlijk ook op inhoud genomen.

Er werd ook de vraag gesteld hoe het zit met de beheersovereenkomsten voor de grote instellingen, de kunstinstellingen van de Vlaamse Gemeenschap, en wat dat dan betekent voor de engagementen die ze, voor zover ze dat nog niet doen, bijkomend op zich zullen moeten nemen voor de rest van het werkveld, voor de kleinere organisaties en de individuele artiesten. Die beheersovereenkomsten zullen in het najaar worden opgemaakt. Dat is ook altijd zo gezegd. Met maatwerk zullen er inderdaad ten aanzien van deze grotere instellingen een aantal zaken worden gestipuleerd die ze nog meer dan vandaag kunnen doen voor de rest van het werkveld.

Mijnheer Caron, u hebt ook gezegd dat Cultuur het meest inlevert in deze regering. U doet dat vaak. Ik suggereer dat u een vraag zou stellen aan de minister van Financiën en Begroting over de inleveringspercentages bij de diverse departementen en de diverse ministers van deze Vlaamse Regering. U zou wel eens verbaasd kunnen zijn. Ik moedig u daartoe aan, met enige schroom. Het is niet aan mij om dat klassement te maken. U zult zien dat Cultuur ter zake zijn deel doet, maar zeker niet het meeste. U zult dat nog herhalen en ik wil dat sprookje stilaan de wereld uit.

U hebt lang gepraat. U doet dat omdat u een erudiet man bent. U ben een gerespecteerd lid van dit gremium en was destijds een gerespecteerd kabinetschef van de minister van Cultuur. Er zijn dus wellicht geen mensen in de zaal die de zaak beter kennen dan u. Ik vrees echter dat u iets te lang hebt gepraat. Naarmate u argumenten aanbracht, was ik immers ofwel te hard ofwel te zacht, en zo is het natuurlijk altijd wat.

U hebt de illusie gecreëerd dat, met allerlei mechanismen om de beslissingen van de commissies nog bij te sturen, de visienota Kunsten en de volledigheid van het kunstenlandschap eigenlijk nog zouden kunnen worden verbeterd. U weet goed wat u daarmee hebt gezegd. U opent daarmee immers een doos van Pandora, terwijl wij hier, ik geef het toe, enige strengheid in de leer hebben geponeerd en gepropageerd. Ik heb dat ook in mijn inleiding gezegd. Met andere woorden, voor elk argument dat er is vanuit persoonlijk of vanuit regionaal oogpunt, of vanuit welk oogpunt dan ook, om bij te sturen, is er een ander om het niet te doen. Het is een straatje zonder eind. Het spijt me, maar dé oplossing hebt u me niet gegeven. U hebt ook gesproken over het verwachtingspatroon dat ik heb gecreëerd. Natuurlijk, als ik helemaal niet zou zeggen dat er op een gegeven moment een verbetering kan zijn, dan zegt men maar al te graag dat ik beter bij bier was gebleven, dat ik geen voeling met de sector heb. (Opmerkingen van Bart Caron)

Neen, dat hebt u niet gezegd, maar dat hoort men wel eens. Als ik dan een bepaald perspectief geef, en ik maak dat dan ook waar, dan waren de verwachtingen blijkbaar te groot. Ik wil maar zeggen, ik kan wel subsidies verdelen, maar ik kan geen organisaties gelukkig maken. De veteranen in deze commissie zouden goed moeten weten wat dat betekent. Ik denk dat ik voor mijn opdracht een antwoord heb gegeven. Ik heb de subsidies verdeeld. Ik heb ook gezegd hoe ik dat doe. Dat is geen louter wiskundige boekhoudersoefening. Neen, dat gaat uit van de volledigheid en de dynamiek van een kunstenlandschap. Organisaties gelukkig maken is er echter zelden bij. Ik hoop dat een aantal ervan met de middelen die ze nu hebben gekregen, dit op het terrein wel kunnen en zullen doen. Ik heb er ook vertrouwen in dat dat zal gebeuren.

U hebt me dan ook een aantal keren geciteerd. Wanneer politici beginnen voor te lezen uit andermans werk is het hek van de dam, maar ik zal het dan toch maar ook even doen. Het zal u niet verwonderen. U zult wat ik nu even kort aanbreng immers zeker niet tegenspreken en zeker erkennen. U hebt in 2011 bij een vraag om uitleg aan minister Schauvliege op een gegeven moment gezegd dat dingen kunnen “leiden tot de verdwijning van een aantal structuren”. U stelde: “Dat mag wel een beetje, want wij leven in een versnipperd landschap.” Ook in uw eigen conceptnota van 2012 over het Kunstendecreet zei u het volgende: “Af en toe is het nodig om eens goed aan de boom te schudden. Wat takken weg te snoeien om nieuwe te (…) laten bloeien. U zei ook: “De voorbije twee structurele rondes hebben de versnippering niet echt ingedijkt.” Mijnheer Caron, ik doe niets anders dan wat u daar hebt gezegd. Het enige verschil is dat ik hier zit en u daar, en dat ik de moed heb om het te doen.

Mevrouw Idrissi, ik begin met twee citaatjes. Van het eerste zal ik u eerst de herkomst vragen. Een parlementslid heeft in de vorige legislatuur gezegd dat de “piste van de interne solidariteit” toch moest kunnen worden bewandeld bij de vorige verdeling van de middelen, zeker in tijden van budgettaire rigiditeit. Toen al. Hij vroeg: “Is het dan ondenkbaar om een systeem te hebben waarbij wordt opgeroepen om een beetje solidair met elkaar te zijn?” De sociale zekerheid is ook niet gebaseerd op vrijwilligheid. Die wordt wel degelijk opgelegd. Dat was Philippe De Coene, een gerespecteerd man, met wie ik trouwens graag samenwerk. U zult hem wel kennen.

Wat uzelf aangaat, u bent ook verantwoordelijk, net als ik, voor de verkiezingsprogramma’s die uw partij opstelt. In uw programma lees ik dan toch: “Voor sp.a is het belangrijk dat Vlaanderen gefocust investeert in een beperkt aantal topgezelschappen. Die moeten meespelen in de internationale culturele A-ploeg. Deze doelstelling vraagt scherpe keuzes en prioriteiten, want een teveel aan ‘grote’ instellingen maakt hen allemaal klein.” Mevrouw Idrissi, wat ik wil zeggen is: flatteer uzelf niet zo in de oppositie, het misstaat u.

U hebt me gevraagd hoe ik tot de verdeling ben gekomen, hoe we binnen de regering zijn gekomen tot de 19 organisaties van de 56 die uiteindelijk ook een subsidie hebben gekregen. Als u die lijst bekijkt, zult u duidelijk kunnen zien dat er een regionale spreiding en een spreiding over de disciplines is. Ik meen niet dat ik daar veel aan toe te voegen heb. Ik ga daar niet dieper op in, omdat ik in deze commissie geen debat wil aangaan waarbij ik bepaalde individuele organisaties ga beoordelen en verdedigen en andere niet. De beslissing wordt in haar totaliteit genomen en wordt ook in haar totaliteit verdedigd.

Een aantal organisaties zullen ondanks de moeilijke financiële perspectieven kunnen voortwerken. Ik weet dat dat voor hen niet eenvoudig zal zijn. Een aantal andere zullen inderdaad hun sociaal passief moeten aanspreken. U verwees naar de artikelen van het vroegere decreet als uitloopsubsidie. Dat is ook nooit toegepast door de voorgangers.

U hebt gevraagd hoe het nu zit met de enveloppes, wat er nog bijkomt als het gaat over de subsidies die worden toegekend in het kader van het Kunstendecreet, hoe het zit met de provinciale middelen en met de gescomiddelen. De provinciale middelen blijven wel degelijk vastgeklikt op instellingsniveau aan de globale subsidie. Met andere woorden, die vallen niet weg: ze worden meegenomen in de overdracht van de culturele bevoegdheden naar Vlaanderen.

Wat de gesco’s betreft, verwijs ik ook naar een aantal antwoorden op vragen die ik aan mevrouw Bastiaens heb gegeven. We hebben ook nog even gewacht op de uitkomst van het Kunstendecreet. We hebben er op dit ogenblik een zicht op waar de gesco-middelen zitten op instellingsniveau. We zullen die oefening verder doen, misschien nog voor de zomer, misschien in het begin van het najaar, in functie van 2017. Er zal daarbij vooral sprake zijn van continuïteit. Met andere woorden, de instellingen die nu gesco’s hebben, boven op provinciale middelen en naast de middelen van het Kunstendecreet, zullen die in het overgrote deel van de gevallen ook nog kunnen hebben.

Wat het Limburgse dossier betreft, zal ik zeker met plezier op uw vragen antwoorden, en op die van de Limburgse collega’s. Het moet me van het hart: ik vond het aandoenlijk om uit uw mond een citaat van Noël Slangen te horen, maar ook dat terzijde. Limburg is natuurlijk geen dossier. Het is een provincie. Er wonen mensen. Ze houden net zo veel van cultuur als de rest van Vlaanderen. Ik moet eerlijk zeggen dat die Limburgse kwestie me het meest heeft dwarsgezeten. Alles wat ik heb beloofd, heb ik kunnen waarmaken. Volgens sommigen was het te weinig, maar dat hoort nu eenmaal bij de job. Ik wil iedereen recht in de ogen kijken wat dat betreft.

Voor Limburg is dat inderdaad niet gelukt. Ik heb een aantal keren gevloekt toen ik de eerste keer de klassering van de Limburgse dossiers zag, en ik ook na verhaal en repliek zag dat er weinig beweging was. Met andere woorden, ik besef dat daar ook nog iets zal moeten gebeuren. Anderzijds weten we ook dat de beslissing nu voor vijf jaar is gevallen. Mirakels gebeuren dus niet.

Ik vind het in elk geval goed dat enkelen onder u duidelijk ook zeggen – en ik hoor dat ook vanuit de provincie – dat men ook enigszins de hand in eigen boezem moet durven te steken, dat er te weinig dossiers naar Brussel zijn gestuurd en dat een aantal niet voldoende sterk zijn gebleken. Ik wil er u toch opmerkzaam op maken dat er bij de negentien voldoendes die uiteindelijk ook een subsidie hebben gekregen, toch nog drie Limburgse dossiers zitten. Ik dank de regering voor de steun die ze me bij deze operatie ook in het algemeen heeft gegeven.

Wat brengt de toekomst nu? Ik denk dat dat als volgt zal moeten worden bekeken. Er zijn op dit ogenblik al informele contacten tussen mezelf en diverse Limburgse politici. Dit zal immers ook voor een deel in Limburg moeten worden geanalyseerd. Er zal een bepaald perspectief vanuit Limburg zelf moeten komen. Ik heb echter ook contacten met de sector. Zelfs al besef ik dat het in Limburg nu cultureel net iets minder leuk is – om het met een understatement te zeggen – ik ga er nu toch even de zomer over laten gaan, om dan te bekijken hoe we met de sector aan de slag kunnen. Ook uit de sector komen er trouwens een aantal geluiden van ‘natuurlijk zijn we ontgoocheld, maar we beseffen dat we op een aantal punten ook onder de lat zijn doorgegaan’.

Ik heb het misschien in deze commissie al gezegd – ik heb het in elk geval gezegd in andere publieke verklaringen: ik verwacht veel van een verdere culturele toenadering tussen Hasselt en Genk. In die zin was ik ook heel tevreden met de positionering van de dames Nagels en Mondelaers, de twee cultuurschepenen van deze steden, kort na de beslissing. Ik verwacht niet alle heil van Hasselt en Genk. Ook vanuit Tongeren en Neerpelt kijkt men naar mij in verband met wat er allemaal kan gebeuren. Dat besef ik ook. Als men er echter in centrumsteden zoals Mechelen, Leuven, Brugge en Kortrijk in slaagt om die lokale kunstenscene op te bouwen, dan moet dat ook in deze twee steden kunnen gebeuren, met wat ik dan de traditie van Hasselt en de sturm-und-drang van Genk noem.

Dit zal dus inderdaad wat van twee kanten moeten komen. Ik zal zelf, als het nodig is, de rondetafels aanbieden. Dat hoeft niet alleen in Brussel te zijn. Ik wil daar ook in Limburg actief aan meewerken. Lokaal, vanuit de Limburgse politiek en de Limburgse kunstensector, zullen er echter ook bepaalde inspanningen moeten gebeuren.

Ik wil nogmaals aanhalen dat de provinciale middelen ook na de overdracht wel degelijk qua massa in Limburg moeten kunnen blijven. Ik herhaal ook mijn engagement, zelfs al kun je dat niet in een oogwenk doen, met betrekking tot het traject dat met Z33 al voorzichtig is ingezet. Ik wil hen mee begeleiden naar wat ooit mogelijk een grote Vlaamse kunstinstelling zou kunnen worden. Dat zal niet meer voor deze legislatuur zijn. Dat heb ik ook nooit voorgespiegeld.

Dus, daar is veel werk aan de winkel, dat weet ik, maar daar moeten zeker een aantal oplossingen worden gevonden.

In Brussel is er geen achteruitgang maar een status quo, mevrouw Idrissi, het gaat over tienden van procenten. Ik weet dat het van mijnentwege ongevoelig klinkt om over tienden van procenten te spreken wanneer het daadwerkelijk over kunstenaars en culturele organisaties gaat, daarvan ben ik mij bewust. Maar geef toe dat het nogal ongeloofwaardig geweest zou zijn om een bepaalde rechtlijnigheid in heel Vlaanderen voorop te stellen en dan in Brussel dingen te doen die mijn geloofwaardigheid ten aanzien van Limburg of andere Vlaamse steden ondermijnen.

Ik wil ook tegenspreken dat, zoals u nogmaals zegt, alleen ingezet wordt op de groten. Neen, er zijn 7 grote tot zeer grote instellingen, er zijn 17 grote instellingen, er zijn 74 middelgrote instellingen, er zijn 116 kleine instellingen en er zijn 200 begunstigden, of het nu organisaties of individuele kunstenaars zijn binnen de projectenpot. Ik wil dat blijven herhalen, ik wil mijn powerpointpresentatie desnoods nog aflezen, maar de meeste antwoorden zitten daar wel degelijk in vervat.

Tot daar mijn kort antwoord, maar ik denk dat ik op de meeste vragen wel geantwoord heb en, gelet op de lengte van de daarom niet onterechte tussenkomsten, hou ik mijn antwoord op dit ogenblik liever beknopt.

De heer Caron heeft het woord.

Dank u wel, minister, voor uw kernachtige reactie. Ik wil in eerste instantie iets zeggen aan een paar collega’s, en ik begin met u, minister. Die mantra, en dat regeltje over keuzes maken, lijkt erop dat het cultuurbudget, collega Meremans, helemaal afgezonderd is van het hele Vlaamse budget. Dat is niet zo, het maakt deel uit van het hele Vlaams budget, en als keuzes gemaakt worden, worden ze niet gemaakt in de al enge pot van het cultuurbudget, maar in het budget van de hele Vlaamse Regering. Ik zou met een lelijke boutade kunnen zeggen dat de verkeersborden op de Oosterweelverbinding meer zullen kosten dan de stijging van de middelen voor het Kunstendecreet.

Ik wil overigens, voor de volledigheid van de informatie, vermelden dat de door de sector in deze ronde gevraagde bedragen nooit dichter hebben gelegen bij de beschikbare budgetten, bij het geadviseerde en het toegekende bedrag, inclusief het bedrag waarover de minister nu beslist heeft.

Vroeger, in de goede oude tijden, toen kwistig met geld werd gestrooid, mijnheer Meremans, waren die kloven veel groter. Ik zou dus durven zeggen dat er enig realisme bestaat, zelfs in de kunstensector, over wat haalbaar en mogelijk is, en dat dit ook waardering verdient. Wat dat kwistige rondstrooien van geld door voorgangers betreft, aanvaard ik niet dat u of de N-VA bepaalt wie de zuiveren van geest zijn, laat dat duidelijk zijn.

De heer De Gucht is al weg, ik wou hem iets zeggen - maar hij zal het in het verslag kunnen lezen – over de uitstroom en instroom van jonge kunstenaars. Ik zal maar enkele voorbeelden geven, want het zou ons anders veel te ver brengen. Laten we de beeldende kunst nemen. Organisaties die zich uitdrukkelijk inzetten voor opkomend talent in de beeldende kunst, zoals werk- en toonplaatsen als Lokaal01 en O.C.A.M (Office for Contemporary Arts Management) in Antwerpen, Croxhapox in Gent, iMAL in de mediakunst, SoundImageCulture rond audiovisuele kunst en komplot voor jonge curatoren en kunstenaars: die verdwijnen allemaal uit de keten die de jonge beeldende kunstenaars mogelijkheden biedt. Dat die mogelijkheden voor jonge kunstenaars helemaal niet weg zijn, klopt niet.

Het is maar een voorbeeld, want ik zou nog veel meer voorbeelden kunnen geven. In de podiumkunsten: het KIP, Tristero, Rataplan. In de muziek: Nijdrop, Muziekodroom, 5 voor 12, KultuurKaffee. En ook in de cultuureducatie kun je een aantal voorbeelden vinden. Ik zou er dus voor willen pleiten om daar alstublieft met zijn allen eerlijk in te zijn. Dit verhaal heeft slachtoffers in alle dimensies van de kunstenpraktijk. Doe niet alsof die jonge kunstenaars zo gespaard zijn, gelet ook op de druk van de projectenpot.

Minister, ik dank u echt voor uw antwoord. Het is vooral een zeer eerlijk antwoord. Ik pleit er inderdaad al jaren voor om versnippering in de podiumkunsten tegen te gaan. Ik vind vandaag nog altijd dat er te veel te klein is en dat er dus relatief veel gemaakt wordt waarvan er veel niet echt op de grote podia komt. Het is dus een beetje een gemiste kans om de sector te stimuleren om tot samenwerkingsverbanden of vlottere structuren te komen. We hebben een sterke versnippering, zeker in het theater. Ik zeg dat ook altijd, hoezeer ik er ook liefhebber van ben.

Zo’n richtingwijzer moet je vooraf geven. Als je die vooraf geeft, kan het veld zich daarop organiseren. Dat is eerlijk. Ik kom daar ook niet op terug. Dat zou ook financiële ruimte gemaakt hebben. U vraagt mij wat mijn oplossing is. U hebt er hiermee al een belangrijk onderdeel van.

Ik wil daar nog een tweede element aan toevoegen. Alle niet-gehonoreerde vragen vertegenwoordigen een bedrag van ongeveer 9 miljoen euro, volgens de ranking die we hebben. Er is een stijging toegekend van 5,6 miljoen euro. De afstand tussen die twee is niet groot, mijnheer Meremans. Het gaat dus niet over een pak gouden dukaten die we moeten vinden om dat te doen. Met een beetje meer budget – pakweg een totale stijging van 10 miljoen euro in plaats van 5,6 miljoen euro – zouden we heel erg ver zijn geraakt.

Minister, ik wil geen intentieproces van u maken. Ik geloof zelfs niet dat u heel gelukkig bent met deze uitkomst. Ik zou u graag toewensen dat u voor de projectmiddelen van de volgende jaren door het vuur loopt om de jonge kunstenaars mogelijkheden te geven om een meerjarige projectsubsidie te krijgen en op die manier de instroom en de rijkdom van ons jonge en vernieuwende aspect van het kunstenveld vorm te geven.

Mevrouw Idrissi heeft het woord.

Minister, bedankt voor uw antwoord. U citeert uit het sp.a-programma. Als u citeert, moet u wel alles citeren. Bijvoorbeeld: “Sp.a gelooft en investeert in een cultureel aanbod voor een zo groot en divers mogelijke groep mensen.” Bijvoorbeeld: “Sp.a gaat voor een brede ondersteuning van de culturele sector, in alle verscheidenheid. Sp.a vraagt om in de noodzakelijke middelen te voorzien.” Dat staat allemaal in het partijprogramma. Het zou u gesierd hebben, mocht u dat ook opgesomd hebben.

Minister Sven Gatz

Ik moet dat niet opsommen, want wat u nu zegt, staat in mijn Strategische Visienota Kunsten.

Het citaat waar u het over hebt, gaat over de grote instellingen. En ja, daar sta ik achter. Als u die visienota zo belangrijk vindt, waarom wordt dat dan niet gereflecteerd in de beslissing die u vandaag hebt genomen?

U hebt op een aantal zaken geantwoord, maar niet op alle, bijvoorbeeld op de motivatie van diegenen die wel geslaagd zijn, maar nul op het rekest hebben gekregen. Waarom worden die negentien die wel gehonoreerd worden, gemotiveerd en de andere niet? Daar heb ik geen antwoord op gekregen. Mijn vraag over de solidariteit binnen de regering, daar heb ik ook geen antwoord op gekregen.

Op mijn vraag over Brussel hebt u in algemene termen geantwoord, alsof ik het niet begrepen zou hebben. Dit is een heel concreet praktijkvoorbeeld. U zegt dat er maar min 2,5 procent op de grote instellingen is en 7,5 procent op de rest, bij aanvang van de legislatuur.

Minister, u hebt dat altijd verantwoord, want grote instellingen zullen meer taken krijgen. Ik weet wie er in Brussel uitvalt. Hoe moet dat worden opgevangen? Moeten ze naar de grote instellingen gaan, moeten ze naar de KVS gaan, moeten ze naar het Kaaitheater gaan? Moeten ze naar deSingel gaan?

Dit is een praktijkvoorbeeld waarover ik graag meer uitleg zou hebben gekregen, maar die kreeg ik niet. U hebt ook niet geantwoord met betrekking tot de landschapstekening. Wanneer is die getoetst? Misschien zijn er nog vragen waarop u niet hebt geantwoord, maar deze vier springen in het oog.

Mevrouw Bastiaens heeft het woord.

Caroline Bastiaens (CD&V)

Sta me toe te repliceren, vooral ten aanzien van de leden van de oppositie. Ze zijn erin geslaagd om alle organisaties te vermelden die geen subsidies hebben gekregen. Dat is een kunst op zich, maar andere collega’s hebben geen namen van organisaties genoemd. Dat deed ik ook weloverwogen niet.

Op die manier laten ze uitschijnen dat, als het van hen zou afhangen, al die organisaties subsidies zouden hebben gekregen. Niets is minder waar. Ook zij hadden de moeilijke keuzes moeten maken, net als wij.

Ik betreur dat het zo loopt. In deze commissie hebben we de traditie om op een serene manier en vaak over de grenzen van meerderheid en oppositie heen het debat te voeren, omdat we allemaal een hart hebben voor cultuur en samen willen zoeken naar de beste oplossingen. De oppositie doet vandaag uitschijnen dat ze een groter hart zouden hebben, maar dat is oneerlijk.

Minister, het was een moeilijke beslissing. Ik heb al gezegd dat we moeten kijken naar de toekomst. Ik herhaal die oproep. Uw engagement voor Limburg wordt in elk geval erg gewaardeerd.

De heer Meremans heeft het woord.

Ik treed de woorden van mevrouw Bastiaens bij. Wij hebben inderdaad ook geen namen genoemd. Dat is trouwens heel moeilijk, want als wij aanduiden welke organisatie een subsidie krijgt en welke niet, houdt dat in dat wij onszelf beschouwen als een expert. Wij hebben daarentegen mensen aangeduid waarvan wij menen dat ze experts zijn en die advies moeten uitbrengen. Ik heb helemaal niet de pretentie om als cultuurexpert aan die commissie deel te nemen.

Ik verzet me tegen het beeld dat de filistijnen van de N-VA en van de regeringspartijen blij zijn met de zeis te zijn rondgegaan. Dat beeld is clichématig en framing. Het is niet zo. We juichen niet op onze banken en gaan in een bepaald Brussels staminee geen geuze drinken en verkondigen dat we ze allemaal eens goed hebben liggen gehad. Ook wij hebben slecht nieuws moeten brengen.

We moeten kijken naar de toekomst. Het is trouwens gemakkelijk om in budgettair florissante tijden geld uit te delen. Er is bovendien voldoende talent en potentieel in Vlaanderen om middelen te geven. Het komt er echter op aan om in moeilijke tijden keuzes te durven maken. Ongeacht de keuze, het resultaat ervan merkt men pas binnen enkele jaren. Wij gaan uit van adviezen. Aan de hand daarvan zijn keuzes gemaakt. We zullen die moeten evalueren en in de toekomst ongetwijfeld ook bijsturen. Ik meen dan ook met een positieve noot voor de toekomst te kunnen besluiten.

De heer Danen heeft het woord.

Wij kunnen inderdaad niets anders dan naar de toekomst kijken. Het is immers niet realistisch te verwachten dat alles opnieuw zal worden bekeken.

Die toekomst hebben we zelf deels in de hand. We moeten mensen en organisaties perspectief bieden. Ik heb begrepen dat de minister dat wel bereid is te doen wat de Limburgse kunst betreft.

Het stemt me tevreden dat de steden Hasselt en Genk meer samenwerken, wat een nieuwe dynamiek met zich kan brengen. Vroeger verhielden ze zich op het vlak van cultuur eerder in een conflictueuze situatie. Ik ben blij dat dit achter ons ligt. De volksvertegenwoordigers moeten zelf hun rol opnemen om de Limburgse kunst wat meer zuurstof te geven. Groen wil dat absoluut doen.

Minister Gatz heeft het woord.

Minister Sven Gatz

De commissie heeft me vandaag terecht gevraagd zo helder en coherent mogelijk de verdeling van de kunstensubsidies toe te lichten. Ik meen daaraan te hebben voldaan en op bijna alle vragen te hebben geantwoord. De vragen die nu nog rijzen of onvoldoende beantwoord zouden zijn, zullen in de nabije toekomst aan de orde komen.

De vraag om uitleg en de gedachtewisseling zijn afgehandeld.

Vergadering bijwonen

U wil een vergadering  bijwonen? Dat kan! U kunt zich gewoon aanmelden bij de bezoekersingang (Leuvenseweg 86, 1000 Brussel).

Zolang er zitplaatsen vrij zijn, worden toehoorders binnengelaten. Zitplaatsen kunnen niet gereserveerd worden. Raadpleeg vooraf de agenda van de plenaire vergaderingen of de commissievergaderingen.

U kunt ook steeds de plenaire vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube. 

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.