U bent hier

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, vorige week woensdag stelde VDAB de resultaten van zijn schoolverlatersrapport voor. We hebben het er vorige week in de commissie ook al heel kort over gehad. Ik wil eerst een paar belangrijkste conclusies uit het rapport oplijsten. Vooreerst kunnen we een zeer positieve tendens vaststellen: er zijn steeds minder jongeren die de middelbare school verlaten zonder diploma. Dat is zonder enige discussie een heel positieve zaak. In 2015 waren dat er 5559, of 7,8  procent van de jongeren die de middelbare school hebben verlaten zonder diploma. Ter vergelijking: in 2014 zaten we nog op 12,4 procent, en de jaren ervoor nog een stuk hoger. Vlaanderen is met andere woorden goed op weg om het Vlaamse objectief van 5,2 procent in 2020 te halen.

Ook het aantal laaggeschoolde schoolverlaters blijft dalen, op drie jaar tijd met maar liefst 18,6 procent. Ook dat is een goede zaak. De conclusie die we uit die positieve evolutie kunnen trekken, is dat het blijkbaar zowel bij jongeren als bij hun ouders sterk doordringt dat de kansen op de arbeidsmarkt heel sterk afhankelijk zijn van het al dan niet hebben van een diploma en van het behaalde diploma.

Dat laatste blijkt ook eens te meer uit de cijfers, en daar zit meteen ook een gevaarlijke evolutie aan gekoppeld. Er dreigt namelijk steeds meer een tweedeling te ontstaan tussen enerzijds jongeren met een diploma, die gemakkelijker een job vinden en profiteren van een arbeidsmarkt die zich weer op gang lijkt te trekken, en anderzijds jongeren met een laag diploma of zonder diploma, die steeds meer achterblijven en voor wie de kans op werkloosheid stijgt. De daling van het aantal werkloze schoolverlaters is zo goed als volledig te danken aan de hooggeschoolden.

Die tweedeling is een terechte vrees, want jongeren zonder diploma belanden vaak in de werkloosheid. Een derde van hen, of 32 procent, is een jaar na het verlaten van de school nog altijd werkloos, en dat terwijl van alle schoolverlaters samen – met en zonder diploma, zowel middelbare school als hoger onderwijs – slechts 12 procent na een jaar geen werk heeft. Bovendien blijkt dat maar liefst 12 procent van die groep van jongeren die de school zonder diploma verlaten, in het eerstvolgende jaar zelfs geen enkele relevante vorm van werkervaring opdoen, terwijl dat voor de globale cijfers gemiddeld slechts 4 procent is.

Een tweede opmerkelijke vaststelling, naast die enorme tweedeling, is dat bijna 6 op de 10 vrouwelijke schoolverlaters hooggeschoold zijn, terwijl dat bij mannelijke schoolverlaters maar 4 op de 10 is. Niet enkel de kloof tussen laag- en hoogopgeleiden wordt dus breder, maar ook die tussen mannen en vrouwen. Meer dan 60 procent van de ongekwalificeerde en laaggeschoolde schoolverlaters en 58 procent van alle middengeschoolde schoolverlaters zijn mannen. Bij de hooggeschoolden is dat net het omgekeerde. Daar is 60 procent van de schoolverlaters een vrouw. Bovendien heeft 58 procent van alle vrouwelijke schoolverlaters een hoger diploma op zak, terwijl dat bij mannen zelfs maar 39 procent is.

Dat is geen nieuw fenomeen. Het is een fenomeen dat al een decennium aan de gang is, maar het wordt steeds sterker. Mannen haken vroeger af op school, komen bijgevolg lager geschoold op de arbeidsmarkt en vinden daardoor moeilijker aansluiting op de arbeidsmarkt.

Dat waren heel veel cijfers, minister, maar het was ook een heel interessant rapport. Ik wou er toch al de eerste grote conclusies van meegeven. Ik heb voor u zes concrete vragen.

Deelt u mijn bezorgdheid over de toenemende tweedeling op de arbeidsmarkt tussen enerzijds mensen met een diploma en anderzijds mensen met een laag diploma of zonder diploma? Welke acties zult u als minister van Werk ondernemen om mensen met een laag diploma of zonder diploma alsnog te integreren op de arbeidsmarkt?

Uit de cijfers blijkt dat laaggeschoolde arbeiders steeds meer uit de markt worden geprijsd. Wellicht heeft dat te maken met nieuwe technologieën en innovatie. Er worden steeds hogere eisen gesteld aan wie op de arbeidsmarkt actief wil zijn. Laaggeschoolde, weinig complexe arbeid is grotendeels gedelokaliseerd of geautomatiseerd. Deelt u die analyse? Wat kunt u doen opdat er opnieuw meer kansen komen voor laagopgeleide werkzoekenden?

Hoe verklaart u dat maar liefst 12 procent van de groep die de school zonder diploma verlaat, in het eerstvolgende jaar geen enkele vorm van werkervaring opdoet, terwijl dat in de globale cijfers maar voor 4 procent van de schoolverlaters geldt? Welke acties zult u ondernemen om vroegtijdige schoolverlaters een opleiding of werkervaring aan te bieden, nadat ze de schoolbanken zonder diploma hebben verlaten? Wat vindt u daar zelf een aanvaardbare termijn voor?

Het bovenstaande illustreert dat de overgang van school naar werk niet voor iedereen over rozen loopt. Schoolverlaters zonder diploma slepen vaak meerdere problemen met zich mee die hen niet of sterk verminderd inzetbaar maken. Enkel een warme overdracht van onderwijs naar arbeidsmarkt en de inzet van gespecialiseerde begeleiding kan deze jongeren helpen om hun loopbaan op de rails te krijgen en te houden. Hoe kunt u als minister van Werk voor een betere aansluiting en begeleiding zorgen, opdat die jongeren niet uit de boot vallen? Welke rol ziet u daarbij weggelegd voor VDAB?

Uit het schoolverlatersrapport blijkt dat ook schoolverlaters van het buitengewoon secundair onderwijs onder druk komen te staan. Ook zij vissen in dezelfde vijver als die vele andere laag- of niet-geschoolden, maar hebben een nog kwetsbaarder profiel. Zij hebben nood aan een intensieve begeleiding op maat, die hen helpt in het zoeken naar een duurzame job. Hoe kunt u hen daar extra in begeleiden?

Een verklaring waarom mannen sneller dan vrouwen afhaken op school is er vooralsnog niet. Het is een probleem dat we al langer kennen, en het is een complexe materie. Het is wel duidelijk dat de tweedeling tussen laag- en hooggeschoold zich ook doorzet en een groeiende genderongelijkheid op de arbeidsmarkt met zich meebrengt. Bent u zich daarvan bewust? Op welke manier kunt u uw arbeidsmarktbeleid daarop afstemmen?

Minister Muyters heeft het woord.

Mijnheer Annouri, u zult het mij niet kwalijk nemen dat ik alles wat ik vorige week heb gezegd, niet zal herhalen. Dat zal ik dus schrappen uit het voorbereide antwoord dat ik gekregen heb. Men zegt wel dat herhaling goed is, en daar is zelfs een Latijns spreekwoord voor, maar dat ga ik niet herhalen. (Gelach)

Ik heb vorige week en ook gisteren in de plenaire vergadering gezegd dat ik heel blij was met de schoolverlatersstudie en dat ik zie dat er effectief nog problemen zijn.

Uit radio en krant weet ik dat er gisteren nog een studie is verschenen die aantoont dat er ook in bepaalde laaggeschoolde beroepen nog groei zit, zoals logistiek, beveiliging, horeca, schoonmaak. Als ik me niet vergis, werd gisteren ook gezegd dat voor elke nieuwe hooggeschoolde digitale job er drie lagergeschoolde jobs kunnen zijn. Mijn federale collega kreeg daarrond gisteren informatie van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid. Het gaat dan vooral om jobs waarvoor toch wel wat sociale vaardigheden nodig zijn en waarin men vaak ook zelfstandig moet kunnen werken.

Heel snel zitten we dan bij attitude. Vorige week heb ik mijn globale filosofie uit de doeken gedaan over competentie en talent benutten. Als ik uitga van het feit dat er in bepaalde laaggeschoolde beroepen nog groei zit en van mijn filosofie over attitude en talent, ook zonder diploma, dan deel ik uw bezorgdheid over de toenemende tweedeling niet. Desalniettemin zet ik er wel met een hele reeks maatregelen op in. Ik heb er vorige week zes genoemd, en ik zal ze niet herhalen. Ik ben echt in detail gegaan over wat we allemaal doen met duaal leren en dergelijke meer.

Het verdwijnen van jobs voor laaggeschoolden heeft ook heel vaak met loonkost te maken. Dat heb ik ook vorige week gezegd. We kunnen er niet altijd veel aan doen. Ik probeer erop in te spelen, maar ook dat heb ik vorige week belicht. De doelgroepkorting is een van de maatregelen in dit verband.

Op uw derde vraag, mijnheer Annouri, wil ik wat dieper ingaan. Ik verwijs hier naar het jeugdgarantieplan: een kader voor het informeren, begeleiden en activeren van jongeren. Volgens ons jeugdgarantieplan moet de jongere binnen een termijn van vier maanden een aangepast traject worden aangeboden. We slagen daar met VDAB zeer goed in. VDAB heeft zich geëngageerd om jongeren zonder diploma zo snel mogelijk te begeleiden naar opleiding, werk, stage. Het activeren van die jongeren is dan ook gebaseerd op de dubbelstrategie ‘oriënteren en begeleiden’. Zeker voor kwetsbare jongeren is het noodzakelijk dat een kwaliteitsvolle oriëntering de basis vormt voor een verder traject, in samenwerking met gespecialiseerde partners. Zoals u weet moet VDAB niet alles zelf doen. Als er gespecialiseerde partners zijn, dan kunnen zij nog beter een aanbod op maat van de werkzoekende uitwerken. Wanneer schoolverlaters zonder diploma zich inschrijven, start niet enkel hun beroepsinschakelingstijd, maar moeten ze ook actief beschikbaar zijn. VDAB stelt samen met hen actief een actieplan op om de zoektocht naar werk te faciliteren of om hen naar een werkervaringsplaats of een opleiding toe te leiden. De klemtoon van zo’n actieplan ligt in het uitstippelen van een traject op maat, rekening houdend met de competenties en behoeften van de jongeren. Laaggeschoolde jongeren die voldoen aan de voorwaarden, worden doorverwezen naar een gespecialiseerde partner die hen begeleidt. Een goed voorbeeld hiervan is nog altijd ons WIJ!-project of werkinlevingstrajecten voor jongeren.

Met de antwoorden die ik vorige week gaf en met mijn antwoorden van vandaag op de derde vraag heb ik de vierde vraag eigenlijk al beantwoord.

Ik kom dan bij het buso. Bij schoolverlaters van het buso wordt een onderscheid gemaakt tussen personen met een indicatie arbeidshandicap en anderen. Voor deze laatste groep doet VDAB een aanbod zoals hierboven is beschreven. Er wordt dus op maat gekeken wat er nodig is. Leerlingen van het buitengewoon onderwijs die hoogstens een getuigschrift of diploma in het buitengewoon onderwijs hebben behaald, komen in aanmerking voor het label ‘personen met een indicatieve arbeidshandicap’. Deze indicatie is een eerste voorwaarde om recht te hebben op een bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregel, of BTOM. Op basis hiervan kan ook gespecialiseerde dienstverlening worden ingezet.

Tot slot kom ik bij uw vraag over mannen en vrouwen. Ik heb dat verschil uiteraard vastgesteld, maar u weet dat ik niet uitga van mannen/vrouwen, ouderen/jongeren, maar van maatwerk. Dé man of dé vrouw bestaat niet. Er zijn individuen, elk met eigen kenmerken, competenties en behoeften. Ik ben ervan overtuigd dat we aandacht moeten schenken aan de kloof tussen laag- en hooggeschoolden wanneer het over de toegang tot de arbeidsmarkt gaat, maar dat het geslacht daarbij een goede invalshoek is, daar ben ik minder van overtuigd.

– Willem-Frederik Schiltz treedt als voorzitter op.

De heer Annouri heeft het woord.

Dank voor uw antwoord, minister. Herhalen om te herhalen vermijd ik inderdaad ook graag, maar ik wilde de situatie nu graag zo breed mogelijk schetsen om de vragen zo duidelijk mogelijk te maken. Ik vond het rapport heel compleet en interessant en ik ben ook begonnen met te zeggen dat er heel wat positieve dingen in zitten. Zo zien we dat de cijfers over schoolverlaters steeds positiever zijn en dat er steeds minder mensen de schoolbanken verlaten zonder diploma.

U deelt mijn bezorgdheid over de tweedeling niet en ik hoop dat de toekomst u daarin gelijk zal geven. Ik wilde die vraag echter stellen omdat we niet mogen denken dat het globaal goed gaat en dat we ons er maar moeten bij neerleggen dat er altijd een restgroep zal blijven die niet mee kan. Dat wil ik absoluut niet en dat ligt me na aan het hart. In de stad waar ik ben opgegroeid, zien we heel duidelijk wat er gebeurt met mensen die zonder diploma uitstromen en op de arbeidsmarkt een vogel voor de kat zijn. Daarom ook heb ik die vraag over de 12 procent gesteld. Uiteraard kennen we het jeugdgarantieplan, en toch krijgt nog altijd 12 procent van die jongeren een jaar lang geen enkele begeleiding.

12 procent heeft nog geen job gevonden.

Een van ons beiden vergist zich. Volgens mij gaat het om 12 procent jongeren die binnen het jaar geen enkele werkervaring hebben opgedaan.

Voor de algemene doelgroep van de werkzoekenden heeft slechts 4 procent binnen een jaar tijd geen enkele relevante werkervaring gekregen.

Nu zegt u het juist: de 4 procent zijn de jongeren die geen enkele werkervaring hebben gehad en de 12 procent zijn die die geen enkele werkervaring hebben gehad maar die wel een opleiding, vorming, sollicitatietraining enzovoort kunnen hebben gekregen.

In mijn vraagstelling staat “opleiding/werkervaring”. De eerlijkheid gebiedt me dat te zeggen. Ik zal het nakijken en kan er dan eventueel een andere vraag over stellen. We zullen dan zien of het klopt of niet. Ik had de cijfers geïnterpreteerd alsof het vooral ging over opleiding. U maakt zich sterk dat dit niet het geval is. Ik blijf dit opvolgen.

Uiteraard gaat het niet over het onderscheid tussen mannen en vrouwen. Het gaat over het individu, de capaciteiten en competenties. Uit de cijfers blijkt echter dat er wel een kloof ontstaat tussen mannen en vrouwen. Dat wil iets zeggen. We moeten achterhalen wat er fout loopt en ervoor zorgen dat iedereen op basis van zijn talenten en capaciteiten op de juiste plek terechtkomt. We zullen zien hoe dit evolueert.

Ik zal die onduidelijkheid nog opzoeken, want ik zit er een beetje mee verveeld. Ik blijf het opvolgen.

Mevrouw Van Eetvelde heeft het woord.

Miranda Van Eetvelde (N-VA)

Het is een interessant rapport. Ik zal me niet verliezen in cijfers en procenten, maar het is positief dat we op de goede weg zijn. Er zijn absoluut nog obstakels die overwonnen moeten worden.

De eerste twee conclusies in het rapport stellen dat de arbeidsmarkt en schoolverlaters het goed doen en het aantal ongekwalificeerde en laaggeschoolde schoolverlaters verder afneemt. Dat is zeker niet negatief. Uit de studie blijkt nogmaals het grote belang van een diploma. Het behalen van een kwalificatie blijft het toegangsticket tot de arbeidsmarkt. Dat geldt niet alleen voor hooggeschoolden, maar ook voor bso3. Het volgen van een zevende jaar en het behalen van een diploma secundair onderwijs verhoogt aanzienlijk de kansen op de arbeidsmarkt. Dat bevestigt nog maar eens dat de overheid sterk moet inzetten op kwalitatief onderwijs. Er moet dus verder worden gewerkt aan een goede verbinding tussen onderwijs en de arbeidsmarkt, en men is daar volop mee bezig.

Ik denk aan het systeem van duaal leren. Het rapport geeft ook aan dat de combinatie werkervaring en diploma de sleutel is tot een optimale lancering op de arbeidsmarkt. Ik denk ook aan het project in samenwerking met minister Crevits om in te zetten op een goede studie- en beroepskeuze, de STEM (Science, Technology, Engineering and Mathematics). Midden 2015 werd het nieuwe beleidsplan Wetenschapscommunicatie 2015-2020 goedgekeurd en dat besteedt extra aandacht aan leerkrachten, meisjes en kansengroepen. Ook vanuit het beleidsdomein Werk moet men de schouders zetten onder het STEM-project. VDAB organiseert in het najaar een STEM-dag waar werkzoekenden en schoolgaande jongeren een enthousiasmerende STEM-ervaring kunnen opdoen.

Voor schoolverlaters zonder diploma moeten we de nodige acties blijven ondernemen. Dat vertaalt zich vooral in competentieversterkende acties zoals de minister gisteren en ook vorige week heeft toegelicht. We moeten daar verder op inzetten. We zijn daarmee de goede weg ingeslagen, maar de positieve punten mogen de negatieve niet verbergen. Er is nog werk aan de winkel, zeker voor jongeren zonder diploma. We moeten erover waken dat er zo weinig mogelijk leerlingen het onderwijs verlaten zonder diploma.

Mevrouw Kherbache heeft het woord.

Yasmine Kherbache (sp·a)

Minister, ik onderschrijf uw algemene appreciatie dat er heel wat positieve elementen zitten in de schoolverlatersenquête. De arbeidsmarkt erft de resultaten van het onderwijs. Als daar een verbetering merkbaar is, kunnen we dat alleen maar toejuichen.

Een element in de conclusies betreft de beschikbare jobs voor laaggeschoolden. Het rapport zegt dat er veel vacatures zijn voor laaggeschoolden, maar er is een kwalitatieve mismatch. De verdringing door hooggeschoolden blijkt nog toe te nemen. Moeten we er niet waakzaam voor zijn dat doelgroepmaatregelen de verdringing nog groter maken, waarbij midden- en laaggeschoolden op hetzelfde niveau worden geplaatst terwijl de jobkansen voor beide groepen verschillen? Zeker de eerste zes maanden is een laaggeschoolde jongere fors goedkoper dan een middengeschoolde en zeker dan een hooggeschoolde. Vanaf morgen is dat onderscheid veel kleiner: 150 euro per kwartaal, terwijl dat nu 1500 euro is. Dat is tienmaal minder.

Riskeer je daarmee niet die concurrentie nog te vergroten en dus de jobkansen van de laaggeschoolden op dat vlak te verkleinen, wetende dat een loonkostmaatregel alleen niet zal volstaan om de jobkansen te verbeteren? Maar ik denk dat een verhoging van de loonkost voor de laaggeschoolde jongeren zeker niet zal helpen. De concurrentie tussen de midden- en laaggeschoolde is een aandachtspunt waarmee zeker rekening moet worden gehouden.

Mevrouw Remen heeft het woord.

Grete Remen (N-VA)

Minister, mijn bezorgdheid gaat uit naar de busojongeren. U zegt dat u inzet op de doorstroming van deze jongeren, vooral de OV3-jongeren, naar de arbeidsmarkt via transitietrajecten, gespecialiseerde trajectbegeleiding (GTB), begeleid individueel studeren (BIS) en dergelijke. Dat zijn heel goede trajecten. Maar het aandeel van de busoschoolverlaters in die trajecten is niet zo groot. De werkloosheidsgraad van deze jongeren blijft steeds maar stijgen. Minister, welke redenen liggen er volgens u aan de basis van de stijging van het aantal werkzoekende busoschoolverlaters?

Niettegenstaande de doelgroepkorting, die morgen voor deze jongeren ingaat, blijven de Vlaamse ondersteuningspremies (VOP) positief. Maar misschien is de bekendheid bij de werkgever niet genoeg om deze jongeren een kans te geven op de gewone arbeidsmarkt. Kunt u verklaren waarom de werkloosheidsgraad van de busoschoolverlaters hoger is dan die van de ongekwalificeerde schoolverlaters?

Mevrouw Talpe heeft het woord.

Mijnheer Annouri, het is zeker gepermitteerd om een aantal vaststellingen te doen of dieper in te gaan op het schoolverlatersrapport, bijvoorbeeld op de tweedeling tussen de jongeren met of zonder diploma, of op de genderdimensie of de busoschoolverlaters. Ik ben heel blij dat u wijst op de positieve resultaten: het aantal laaggeschoolde schoolverlaters is op drie jaar tijd gedaald met 18,6 procent. We kennen een historisch laagterecord. Ere wie ere toekomt: het VESOC-akkoord (Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité) heeft hier een belangrijke rol gespeeld. Ook de nieuwe regeling met betrekking tot duaal leren zal een substantiële bijdrage kunnen leveren aan deze aanpak.

In de marge hiervan heb ik een vraag. Het is misschien meer voer voor een schriftelijke vraag, maar ik zal hem toch stellen. Ik las een artikel over de manier waarop ze in West-Vlaanderen omgaan met de individuele beroepsopleiding (IBO). Werkgevers in West-Vlaanderen zijn niet zo vertrouwd met IBO, terwijl dat toch een belangrijk kanaal is voor de instroom van laaggeschoolde jongeren. Daar slaan Voka en VDAB de handen in elkaar om werkgevers meer te wijzen op dit belangrijk element. Minister, hebt u vanuit de VDAB en de werkgevers dat signaal opgevangen, dat er daar toch een aantal onduidelijkheden zijn? Hoe denkt u dit te kunnen aanpakken?

Minister Muyters heeft het woord.

Mevrouw Remen, u overvalt mij met uw vraag. Ik heb geen idee. Het is ook meer een onderwijsvraag dan een vraag voor mij. Mijn eerste reactie zou zijn dat duaal leren daar misschien iets kan geven, maar ik weet het niet. Ik kan het echt niet zeggen.

Mevrouw Talpe, laat ons zo veel mogelijk op IBO inzetten. Het is nog te weinig gekend. We doen er alles aan. U herinnert zich de rondgang van het VDAB-personeel naar de kmo’s. Ik vraag niet liever dan dat we met de werkgeversorganisaties de handen in elkaar slaan. Het is een goede maatregel omdat je aan de werkgever zegt: “Neem die persoon in dienst, hij heeft nog niet alle talenten en competenties, hij kan bij u leren. U moet maar een surplus op zijn werkloosheidsuitkering betalen en hij kan het leren. Daarna hebt u een goede werkkracht.” Dat is een eenvoudige maatregel. Stop met al die verschillende maatregelen en zet vooral daarop in. De IBO-doelstellingen ten aanzien van VDAB nemen elk jaar toe. Dat is prima. De werkgeversorganisaties klagen vaak dat ze niemand vinden. Laat ons de IBO van alle kanten positief promoten.

Mevrouw Kherbache, uiteraard blijven wij over het doelgroepenbeleid verschillen van mening. Maar ik wil op een paar punten reageren.

Ik heb ook De Tijd van vandaag gelezen, waarin wordt gezegd dat er een verhoging is van de kost voor de laaggeschoolden. Men heeft daarbij – en dat is ook bevestigd – geen rekening gehouden met de taxshift. Daarin komen de laaggeschoolden ook beter aan bod. Men zegt: “We denken dat dat niet alles gaat compenseren.” (Opmerkingen van Yasmine Kherbache)

U hebt het wel berekend? Oké.

De laaggeschoolden krijgen een duw in de rug. Uit de schoolverlatersenquête blijkt ook dat de verbetering van de cijfers na één jaar, zowel van iemand die na één jaar geen werk heeft als van iemand die geen werkervaring heeft opgedaan, er ook voor de middengeschoolden is. Die mensen hebben ook nood aan een steun in de rug. Maar ik zal monitoren. Ik heb beloofd dat we dat, als er verdringing zou zijn, zullen bekijken. We zullen dat opvolgen. Het is niet mijn bedoeling om de verdringing in de hand te werken. Het is wel mijn bedoeling om ervoor te zorgen dat de middengeschoolden ook aan bod komen. Ik zal dat verder monitoren.

Mevrouw Van Eetvelde, ik denk ook dat wij op de goede weg zijn. U had het over het feit dat iemand uit bso3 nog meer kans heeft dan iemand die gewoon aso heeft gedaan. Dat is het element van de werkervaring. Dat zevende jaar geeft u voor een deel werkervaring mee. De combinatie van diploma en werkervaring is heel duidelijk een alternatief – niet helemaal, maar toch een pluspunt tegenover niet verder kunnen studeren. Daarom zeg ik dat onze start op 1 september met duaal leren in 7 richtingen en 33 scholen volgens mij de eerste en naar ik hoop heel goede opstap is om die combinatie te realiseren: het behalen van een volwaardig diploma, maar met werkervaring, moet een stap vooruit zijn om de cijfers van 4 en 12 procent en nog veel meer in die groepen te verlagen.

De heer Annouri heeft het woord.

Minister, ik hoop dat we de tendens kunnen doortrekken. Ik sluit me ook aan bij de heel terechte opmerking van mevrouw Kherbache over het verdringingseffect.

U verklaart te zullen monitoren. Ik hoop dat we dan zullen merken dat die positieve tendens wordt vervolgd, dat de tweeledigheid niet zal toenemen en dat we de monitoring in kaart kunnen brengen. Ik hoop te kunnen vaststellen dat we een stevige arbeidsmarkt hebben, alleszins steviger dan de enkel van Jan Vertonghen.

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.