U bent hier

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Jonge leerkrachten raken steeds meer ontmoedigd door permanente onzekerheid over hun aanstelling, moeilijke werkomstandigheden omdat ze meerdere opdrachten in meerdere scholen met elkaar moeten combineren en vooral te weinig zicht op verbetering van de situatie. Het gevolg hiervan is dat er veel jonge leerkrachten vroegtijdig afhaken en ander werk zoeken. Daarenboven is het, als gevolg van steeds groter wordende klassen en de invoering van het M-decreet, voor leerkrachten moeilijker om alle kinderen de aandacht te geven die ze verdienen of nodig hebben. Een oplossing hiervoor ligt mogelijks in het anders organiseren van ons onderwijssysteem en verder te evolueren naar klasteams waarbij verschillende leerkrachten samen voor de klas staan of diverse profielen samen een groep begeleiden.

Naast modellen van co-teaching die stilaan ingang vinden, heeft het Nederlandse basis- en secundair onderwijs al verschillende jaren ervaring met het inzetten van onderwijshulpkrachten, zogenaamde ‘onderwijsassistenten’. Een onderwijsassistent valt onder de verantwoordelijkheid van de leraar en ze kunnen verschillende eenvoudige, routinematige onderwijsinhoudelijke taken verrichten. Ze kunnen leerlingen helpen bij het verwerven van vaardigheden, of verzorgende taken op zich nemen, bijvoorbeeld kinderen helpen bij het aankleden of bij het opruimen van een klaslokaal. Ze kunnen ook kleine groepen met langzame of juist snelle leerlingen ondersteunen, of het verwerven van sociale en andere vaardigheden aanleren, zoals luisteren, opruimen of vragen stellen. Ze zouden ook kunnen meegaan op schooluitstappen. Zeker in het basisonderwijs zou dit een enorme hulp kunnen betekenen voor leerkrachten die zich met een steeds diverser wordend zorg- en zorgenpakket geconfronteerd zien.

Minister, bent u het idee van onderwijsassistenten genegen? Bent u het ermee eens dat een onderwijsassistent in het kader van M-decreet verlichting van de werkdruk kan betekenen voor de leerkracht in het basisonderwijs? Komt het idee van onderwijsassistenten aan bod in het loopbaandebat dat aan de gang is?

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Mijnheer Vandenberghe, het thema van de assistenten is niet opgenomen in de startnota van het loopbaandebat. Ik vind dat ook goed. Dat is immers iets dat vandaag niet bestaat en als we zouden moeten wachten tot we helemaal door de discussie zijn of dat al dan niet kan, dan moeten we nog lang wachten. Met betrekking tot de situatie nu haalt u terecht de pijnpunten aan van jobzekerheid en duurzaamheid voor jonge leerkrachten. In de gesprekken die nu worden gevoerd, wordt dus geen rekening gehouden met de vraag of er al dan niet een assistent kan komen.

Er zit echter wel een interessante kapstok in een ander dossier. U weet dat we op 25 maart van dit jaar een conceptnota over de lerarenopleidingen hebben goedgekeurd. Ik veronderstel dat we daar nog uitgebreid over zullen debatteren, maar we zullen nu duidelijkheid scheppen over de vraag of een leraar nu van niveau 6, dus een bachelor, of van niveau 7, dus een master, moet zijn. Een van de elementen uit die conceptnota is dat we samen met de stakeholders ook zullen bekijken of er in de toekomst een profiel binnen het onderwijs van niveau 5 kan worden ontwikkeld. We hebben daar ook een werkgroep voor opgericht, dus binnen de te hervormen lerarenopleiding. Die zal in de komende maanden bekijken of het nuttig of interessant zou zijn om in de toekomst een profiel van niveau 5 te hebben. Dat is dan geen leraar. Dat is iemand met een ander statuut. Dat zou een assistent kunnen zijn. Dat kan ik op dit ogenblik eigenlijk nog niet stellen. Dat zit dus niet in de gesprekken die nu lopen, maar de door u gemelde mogelijkheid wordt wel onderzocht in het kader van de toekomstige lerarenopleiding. In de werkgroep zetelen natuurlijk de sociale partners, maar ook de onderwijsverstrekkers en wat experts.

U haalde nog eventjes het M-decreet aan. Wat dat betreft, ben ik er echt van overtuigd dat we in de toekomst veel meer multidisciplinair samengestelde teams moeten hebben, dat die een grote meerwaarde kunnen hebben. Er zijn allerlei commentaren op die prewaarborg. Ik heb ook toegezegd dat, wanneer we het eindverslag hebben van het eerste jaar werking van die prewaarborgregeling, we dat hier ook zullen komen voorstellen. We zien toch wel dat er ter zake een aantal zeer goede voorbeelden zijn. Ik zie vooral dat een aantal invalshoeken van die multidisciplinaire teams toch wel de totaliteit van de vaardigheden van onze leerkrachten rijker maken. Dat lijkt me dus een zeer goede bevruchting te zijn. Ik zou nu dus niet tot de conclusie willen komen dat de toekomst aan de onderwijsassistenten is. Ik denk dat die multidisciplinaire teams wél de toekomst zijn. Ik zal dat van die assistenten echter wel bekijken in de komende periode, zij het niet op heel korte termijn, want we moeten dat grondig bekijken, we moeten bekijken wat dat dan is, hoe we dat kunnen vormgeven.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Het idee is geponeerd, maar ik wil daar nog iets aan koppelen. Ik heb die vraag ook gesteld omdat we nu merken dat in veel scholen heel wat leesouders, vrijwilligers komen helpen. We hebben daarover hier ook al een debat gevoerd. De ene keer kunnen die dan wel, de andere keer niet, en dat zorgt ook voor extra planlast en stress voor de scholen zelf. Het is ook in dat kader dat ik dat idee heb geponeerd. Dat zijn meestal vrijwilligers die komen ondersteunen. Als ze op dat moment andere zaken te doen hebben, dan komen ze niet. Mocht u dat beter kunnen structureren, dan zou dat ook wel een meerwaarde kunnen zijn. Ik kijk echter uit naar wat u verder zult doen wat dat betreft.

De voorzitter

De heer De Meyer heeft het woord.

Jos De Meyer (CD&V)

Voorzitter, u weet dat ik altijd eens ga bekijken wat daar vroeger over is gezegd. Ik merk dat voormalig collega Delva daarover op 10 november 2011 een vraag heeft gesteld aan toenmalig minister Smet. Ik zie ook dat voormalig collega Vanderpoorten zich daarin heeft gemengd. Ik heb dat zelf ook gedaan. Ik herinnerde me dat nog. Minister Smet heeft toen het volgende gezegd: “In die zin treed ik de heer De Meyer bij dat je daar voorzichtig en omzichtig mee moet zijn. En uiteraard is er ook een kostprijs aan.” Hij zei verder dat hij het concept interessant vond, maar dat dat nog niet meteen wou zeggen dat men het meteen moest invoeren, aangezien er nog vele vragen waren. Minister, het stemt me eigenlijk tevreden dat u verder gaat dan uw voorganger, dat u zegt daarover in het kader van de lerarenopleiding toch een gesprek op gang te willen brengen met de stakeholders, en te bekijken of dat niveau 5 in het onderwijs eventueel een interessante mogelijkheid zou zijn. We blijven dit met veel belangstelling volgen.

De voorzitter

De heer Daniëls heeft het woord.

Collega Vandenberghe, ik vind dit een interessante vraag. Eigenlijk gaat het over de vraag wie we voor de klas zetten en wie we wat laten doen. Bij de evaluatie van de lerarenopleiding van 2012 heeft men een aantal knelpunten vastgesteld, met betrekking tot kennis, met betrekking tot didactische vaardigheden, met betrekking tot klasmanagement. Dat ging over mensen opgeleid op niveau 6. Ik denk dat we behoedzaam moeten omgaan met het zetten van extra mensen in de klas. Extra mensen in de klas zetten is één zaak, maar wat gaan die mensen dan doen? U somt een aantal zaken op. In alle eerlijkheid betreft mijn eerste bekommernis echter vooral de leraars zelf, hun opleiding en bijscholing, de instroom in de lerarenopleiding. Daarop zou ik dus absoluut de klemtoon willen leggen.

Minister, u zegt dat verder te willen onderzoeken. Daar lijkt me niets mis mee, maar ik zou in dezen toch absoluut de kaart willen blijven trekken van de kwaliteit en van de grote nood aan goede, stevige profielen van degenen die iets van onderwijstaken verrichten. Ik verwijs naar iets waarover ik in het verleden nog al heb gesproken. Mensen die de kleuteronderwijsopleiding hebben gevolgd, mogen volgens de huidige regelgeving worden aangesteld in het eerste leerjaar. Die mogen dus kinderen leren lezen en schrijven. Ik heb daar soms vragen bij, zowel wat de didactiek als de achtergrond betreft. Ik zou er dus toch voor willen pleiten om die richting niet verder uit te gaan. Net als collega De Meyer zullen we dat met toch wel grote aandacht volgen.

De voorzitter

Mevrouw Brusseel heeft het woord.

Ann Brusseel (Open Vld)

Ook onze fractie heeft toch ook een aantal bedenkingen. Minister, als we zien dat leerkrachten moeilijke momenten hebben op het terrein, in de klas, zodat een vraag ontstaat naar wat hulp in de klas, dan moeten we bekijken hoe dat komt. U hebt daar al veel werk naar verricht, met operatie Tarra. Het lijkt me heel belangrijk dat we inderdaad de beste profielen voor de klas hebben, ook eigenlijk om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken en de maatschappelijke waardering ervoor te verhogen.

Ik heb eens naar de Nederlandse cijfers gekeken: eigenlijk gaat dat niet over heel erg veel onderwijsassistenten. Op een totaal van 250.000 leerkrachten is dat vrij verwaarloosbaar, maar goed. De hoofdzaak is eigenlijk dat moet worden bekeken wat dat beroep van leraar inhoudt, wat ze moeten kunnen, met die werklastmeting in dat basisonderwijs. Wat is onze ambitie in Vlaanderen? Op welk niveau willen we die lerarenopleiding organiseren? Het staat me voor de geest dat dat minimaal op niveau 6 is. Ik heb er daarnet voor gepleit: ook als het in het kleuteronderwijs over zorgtaken gaat, vind ik het essentieel dat dit echt degelijk gevormde mensen zijn. Dan lijkt het niveau van professionele bachelor me een minimum te zijn. Er valt heel wat te studeren over de pedagogie van het jonge kind, over pedagogie in het algemeen, en een niveau 6 lijkt me het minimum.

Kathleen Helsen (CD&V)

Minister, ook ik wil mijn bezorgdheid uitdrukken bij deze vraag. We hebben er in deze commissie al over gesproken dat het inzetten van masters in het basisonderwijs heel interessant kan zijn, dat we echt leerkrachten nodig hebben die zeer goed opgeleid zijn om goed te kunnen omgaan met de complexere situaties binnen het onderwijs. Ik denk dat we heel goed moeten bekijken waar we die mensen kunnen inzetten. We hebben heel veel kleine schooltjes. We moeten kunnen rekenen op een sterk team. Het gaat hier over een onderwijsassistent. Dat betekent dat je ook nog altijd een onderwijzer nodig hebt. We kunnen hen dus niet zelfstandig voor de klas zetten. Dat betekent dat je je groepen groter zult moeten maken, dus dat heeft ook consequenties voor je school, voor je schoolorganisatie. Ik meen dus dat we daar zeer voorzichtig mee moeten omgaan, als we kijken naar de andere discussies die worden gevoerd.

De voorzitter

Minister Crevits heeft het woord.

Minister Hilde Crevits

Het is natuurlijk een conceptnota, maar de regering heeft erin voor het eerst de keuze gemaakt om in de toekomst de lerarenopleiding aan te bieden op niveau 6 en 7. Onderschat de impact niet van die keuze die we hebben gemaakt. Dat is geen beslissing die we out of the blue hebben genomen. Daar zijn maanden van diepgaand overleg aan voorafgegaan, ook met het hoger onderwijs, ook met de onderwijsverstrekkers enzovoort.

Dat dossier zal zijn uitrol kennen, ook hier. De vraag van collega Vandenberghe gaat natuurlijk niet zozeer over niveau 6 en 7, maar was of daartussen een profiel kan passen. Ik vind het wel nuttig om jullie attent te maken op een passage in onze conceptnota over de lerarenopleiding waarbij we op nadrukkelijk verzoek van een aantal mensen de vraag hebben gekregen om in de toekomst iets te voorzien op niveau 5. Wat dat dan wordt, is me niet duidelijk, want sommige gaven het voorbeeld van de praktijkleraren. Ik heb daar wel een beetje problemen mee, want een praktijkleraar moet ook heel veel didactische competenties hebben. We hebben de afspraak gemaakt dat die werkgroep er komt en dat de stakeholders erin vertegenwoordigd zullen zijn. Het is nuttig dat we die discussie voeren en ook eens kijken wat er in het buitenland bestaat. In die zin vind ik de vraag van de heer Vandenberghe wel relevant. We moeten dat nu wel verkennen. We gaan naar een nieuw concept voor de lerarenopleiding, dus we kunnen evengoed kijken of er een nuttig profiel mogelijk is op niveau 5.

Mijnheer Vandenberghe, ik was een beetje verrast dat u naar de leesouders verwees toen u over niveau 5 sprak. Het samenwerken met leesouders vind ik een grote sterkte van scholen. Overal waar ik kom, zie ik de meerwaarde van het werken met ouders die helpen lezen, en de betrokkenheid die daardoor wordt gecreëerd, is spectaculair. Ik zou dat niet per se niveau 5 willen maken. Ik zou graag het goede werk op het terrein willen voortzetten.

Ik heb de bezorgdheden goed beluisterd. We hebben de keuze gemaakt om te onderzoeken of er een profiel kan zijn. Het antwoord kan zowel ja als neen zijn, maar ik ga het niet in het ongewisse laten.

Onderschat de impact van de keuze om naar 6 en 7 te gaan op het terrein niet. De specifieke lerarenopleiding had geen niveau 6 of 7. Dat was gewoon een specifieke lerarenopleiding. Men maakt nu echt wel de keuze om er bachelors of masters van te maken. We moeten zorgen dat de zijinstromers nog voluit kiezen voor onderwijs. Dat zal wel wat reorganisatie vragen, ook op het terrein. Dat pakken we nu snel aan. We gaan niet wachten op de resultaten rond de werkgroep 5 vooraleer we de rest doen. De rest is de keuze die we principieel hebben gemaakt, maar het is wel nuttig om het onderzoek te doen. Los van de budgettaire beperkingen kan men kijken of er een nuttig profiel kan worden gemaakt dat ook jongeren naar niveau 5 kan trekken. Dat zal nu worden onderzocht. U zult daar op de hoogte van worden gehouden.

De voorzitter

De heer Vandenberghe heeft het woord.

Ik zie ook de meerwaarde van de ouders in. Misschien heb ik het verkeerd geformuleerd. Mijn vraag ging over ondersteuning.

Mijnheer De Meyer, ik heb de indruk dat u naar ‘Back to the future’ hebt gekeken. Ik wil als parlementslid naar de toekomst werken.

Tot slot, wat collega Daniëls zei, de opleiding van de leerkracht zelf is heel belangrijk, maar het ene sluit het andere niet uit. Het debat is geopend. Dat is voor mij belangrijk.

De voorzitter

De vraag om uitleg is afgehandeld.

Vergadering bijwonen

Wegens de Coronacrisis vinden de plenaire vergaderingen op woensdagen (14u) plaats met een beperkt aantal volksvertegenwoordigers. De overige parlementsleden kunnen van thuis uit digitaal stemmen. De plenaire vergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 
De publiekstribune is geopend met een beperkt aantal plaatsen. Bezoekers die een plenaire vergadering willen bijwonen, sturen een mailtje naar 
onthaal@vlaamsparlement.be met daarin naam en geboortedatum.

De commissiewerkzaamheden zullen voor het grootste deel digitaal en via videogesprekken gebeuren. Als de werkzaamheden het vereisen, vinden sommige vergaderingen fysiek plaats. Alle commissievergaderingen zijn rechtstreeks te volgen via deze website. 

U kunt steeds de vergaderingen (her)bekijken via onze website of YouTube.

Wanneer vinden de vergaderingen plaats? Raadpleeg de volledige agenda voor deze week, of de parlementaire kalender voor een algemeen beeld van de planning van de vergaderingen in het Vlaams Parlement.